Chapter 2 of 5 · 3995 words · ~20 min read

Part 2

„Ik denk, dat het nu tijd is om op te breken. Maar eerst zal ik onze kleine vriendin hiernaast van haar boeien ontdoen. Ik denk, dat deze les haar zal heugen.” Hij begaf zich naar de kleine toiletkamer, waar de avonturierster nog steeds bewusteloos op den divan lag en sneed met een scherp mes de touwen door.

Daarop keerde hij in het salon terug.

Hier betaalde hij den kellner het diner.

De rekening bedroeg 6 pond.

Een pond gaf hij als fooi.

Daarop sprak hij, terwijl hij de deur naar de eetzaal opende en naar miss Prince wees, die daar nog steeds zat:

„Hier hebt gij een briefje in een couvert. Geef dat aan die dame, daar aan dat tafeltje, maar niet voordat ik weg ben.

„En de jonge dame, die hiernaast op den divan ligt te slapen, moet gij nog een poosje laten rusten.”

De kellner maakte een buiging en Raffles ging heen.

Hij ging vlak langs het tafeltje van Miss Prince en op luiden toon sprak hij tot Charly Brand, zoo dat de dame het kon hooren:

„Eigenaardig, wat voor een boonestaken van vrouwen er toch in de wereld zijn. Ik zou niet graag in gezelschap van zoo eentje soupeeren.”

Miss Prince keek hem met woedende blikken aan.

„Bedoelt gij mij soms, vroeg zij op scherpen toon.

„Pardon, Miss Prince,” antwoordde Raffles, „gij schijnt niet goed verstaan te hebben.”

Hij nam zijn hoed af en verliet de eetzaal.

Verbaasd keek de vrouwelijke detective hem na.

Wie kon dat geweest zijn?

Zij kende dien heer niet.

Daar naderde de kellner haar en overhandigde haar het hem door Raffles gegeven couvert.

Haastig scheurde zij het open en las:

„Miss Prince!

Gij zijt geen detective. Gij hebt te lang werk om te dineeren.

Groet den inspecteur van politie Baxter van mij. Gij zoudt verstandig doen, te trouwen en op uw lauweren te gaan rusten.

Ik groet u met dezelfde hoogachting, die ik heb voor den politie-inspecteur Baxter.

JOHN C. RAFFLES.”

Zoo snel als nu was miss Prince nog nooit opgesprongen.

„Wie gaf u dezen brief?” vroeg zij den kellner.

„De heeren die zooeven aan uw tafeltje stonden,”

„Wat?” schreeuwde Miss Prince, „hier aan mijn tafeltje?”

„Ja. Ik zag de heeren met u spreken.”

Met een zucht viel Miss Prince in haar stoel terug.

Het schemerde voor haar oogen.

Dit was meer dan zij kon verdragen.

Terwijl zij erover nadacht, hoe zij Raffles in handen zou kunnen krijgen, naderde hij haar, beleedigde haar, had met haar gesproken, stuurde haar een brief en was verdwenen.

Zij wierp een paar groote geldstukken op het tafeltje en was verdwenen.

Misschien gelukte het haar, hem nog te vinden.

Maar haar hoop bleek ijdel.

De portier deelde haar mede, dat de heeren, welke zij hem beschreef, te voet waren heengegaan.

Toen zij vroeg, in welke richting, wees hij haar, omdat zij geen fooi gaf, de tegenovergestelde.

Zij snelde den verkeerden kant op.

John Raffles echter had met Charly Brand een huurrijtuig genomen en was daarin naar het station gereden.

Toen zij in de coupé zaten, sprak hij tot Charly Brand:

„Ik heb nog twee shilling in mijn zak als laatste overblijfsel van ons gezamenlijk vermogen. Het was juist voldoende om alle onkosten te bestrijden. Als je nog een dag had gewacht met mij op de hoogte van den toestand te brengen, dan had ik er niet voor ingestaan, dat de truc mij was gelukt.

„Voortaan moet je mij steeds waarschuwen, als wij minder dan 100 pond op de Bank hebben staan.”

De avonturierster was intusschen weer tot bewustzijn gekomen, opgestaan en had zich wankelend naar het salon terug begeven.

Nadat zij een paar glazen water had gedronken, trok zij haar mantel aan en ging heen.

In machtelooze woede balde zij de vuisten, zoodat haar nagels zich diep in het vleesch groeven.

Slechts één enkelen wensch koesterde zij op het oogenblik: den ondergang van Raffles te bewerken!

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN SCOTLAND YARD.

Het dagelijksche ochtendrapport, dat politie-inspecteur Baxter van zijn beambten ontving, was juist doorgelezen en had het humeur van den chef van Scotland Yard aanmerkelijk slechter gemaakt.

Voor het tweede ontbijt was de inspecteur van politie altijd ongenietbaar.

Met een vloed van scheldwoorden gaf hij de dikke portefeuille met acten aan Marholm, toen de dienstdoende agent binnentrad en meldde:

„Miss Prince.”

Hij mompelde een ellenlangen vloek, want dit bezoek was hem vóór het ontbijt zeer onwelkom.

„Ik ben nu niet te spreken!” riep hij uit, „laat zij naar den duivel loopen. Wat heeft zij haar neus in onze zaken te steken. Ik kan op mijn nuchtere maag geen oude wijven uitstaan.”

„Gij waart toch heel blij, inspecteur,” sprak de vloo, zooals Marholm door zijn collega’s steeds werd genoemd, „dat deze dame, dit genie der Amerikaansche detectivekunst, zich bij u aanmeldde om u te helpen, Raffles te vangen.”

„Hoor eens,” riep Baxter met een woedenden blik op zijn secretaris, „zwijg nu alsjeblieft over Raffles. Ik wil niets over dien man hooren. Kort en goed, ik heb geen tijd en geef u volmacht om mij in alle aangelegenheden te vertegenwoordigen, waar zulks noodig is.”

„Wees dan zoo goed,” sprak de vloo, „om mij dat zwart op wit te geven.”

Inspecteur Baxter zette een paar regels op papier, welke Marholm het recht gaven, in zijn plaats te handelen.

Daarop verdween Baxter door de zijdeur, terwijl de vloo den nog steeds wachtenden politie-agent bevel gaf, Miss Prince binnen te laten.

„Ik ben zenuwachtig,” riep zij den detective toe, „ik ben voor den eersten keer in mijn leven zenuwachtig. Verbeeld u, wat mij gisteren is overkomen.”

Met een stroom van woorden, vertelde zij Marholm van haar ontmoeting met Raffles en van diens brief.

De vloo kon een lachje niet bedwingen, wat de Miss boos maakte.

„Ik wilde den politie-inspecteur nu verzoeken,” vervolgde zij, „om een zijner beambten te mijner beschikking te stellen, die mij kan begeleiden.”

„Allright,” antwoordde de vloo, haar een vel papier gevende, „schrijf uw verzoek hierop, dan zal ik de noodige maatregelen nemen.”

Terwijl Marholm op zijn gemak zijn pijp rookte, schreef Miss Prince het verlangde op en overhandigde het papier aan den detective.

Deze las het vluchtig door en schreef er onder:

„De detective Marholm wordt ter beschikking gesteld van Miss Prince.

Namens den politie-inspecteur Baxter,

MARHOLM.”

„Ziezoo,” sprak hij tot zichzelf, „nu ben ik tenminste voor een tijdje van den bureaudienst af en behoef niet naar de scheldwoorden van mijn patroon te luisteren.”

„Ik ben bereid om u te volgen,” sprak hij tot Miss Prince. „Wilt gij mij vertellen, wat uw plan is?”

„Daaromtrent kan ik u geen inlichtingen geven,” antwoordde de vrouwelijke detective, „ik houd er van om mij af en toe door het toeval te laten leiden. Op die manier heb ik reeds de grootste misdadigers in handen gekregen. En dat hoop ik ook in dit geval.”

„Gij zijt een uitzondering op den algemeenen regel,” sprak de vloo, „wij zijn tegenwoordig allemaal op de Sherlock Holmes-manier afgericht.

„Wij beginnen met de stofjes, die in de lucht zweven, te onderzoeken, om te zien of misschien de adem van den misdadiger daaraan kleeft.

„Dan wegen wij het, om daaruit zoo mogelijk het gewicht van den misdadiger vast te stellen.

„Daarop photografeeren wij het corpus delicti en leggen het in onze verzameling. Voordat het daar in komt, wordt het nog in was afgedrukt, met roet ingesmeerd en door onzen scheikundige ontleed.

„Verder laten wij onze politiehonden het stofdeeltje langen tijd besnuffelen en dan zijn wij, gewapend met alle hulpmiddelen, die de wetenschap ons biedt, in staat om den misdadiger vast en stellig in handen te krijgen.

„De premie, die op zijn persoon is uitgeloofd, wordt op de een of andere Bank gedeponeerd en tegen vier procent uitgezet.

„Gij kunt u niet voorstellen, welk een enorm bedrag wij reeds op de Bank hebben staan.

„Ik zou alleen wel eens willen weten op welke wijze de misdadigers zich voor ons verborgen weten te houden, want wij krijgen geen enkelen in handen.”

Miss Prince antwoordde niets.

Zij voelde de ironie, waarmede Marholm zichzelf en zijn collega’s belachelijk maakte.

Intusschen had de vloo zich gereed gemaakt, legde het verzoek van Miss Prince met zijn toestemmende beschikking op tafel, belde om een sergeant-detective en stelde dezen als zijn eigen plaatsvervanger aan.

Toen de inspecteur een uur later weer in het bureau terugkwam, zat een vreemde beambte op den stoel van zijn secretaris.

Hij beet dezen toe, wat hij daar moest doen.

„Bevel van den waarnemenden inspecteur,” sprak de sergeant, „om secretaris Marholm gedurende diens afwezigheid te vervangen.”

„Vervangen? Wat beteekent dat? Waar is Marholm?”

„Weet ik niet,” antwoordde de detective.

Na zag Baxter het door Miss Prince geschreven verzoekschrift liggen en de beschikking, welke Marholm had getroffen.

„Dat is een brutale streek,” barstte Baxter los, „nu heeft die kerel eenvoudig verlof genomen, terwijl hier stapels werk liggen. Nu moet ik dus alles alleen in orde maken, want die ezel daar heeft geen flauw idee van ons werk.”

Marholm was met Miss Prince een restaurant binnengegaan en terwijl zij ontbeten, begon de detective zijn gezellin de dwaaste rooversgeschiedenissen te vertellen.

Hij maakte haar wijs, dat Raffles werkte met afstandsfotografie, telegrafie en telefonie zonder draad, dat hij altijd wist, waar de personen zich bevonden, die hem zochten en dat er niets bestond, wat hem onschadelijk kon maken.

Des avonds begaven zij zich te zamen, nadat zij Londen den geheelen dag hadden doorkruist, zonder een spoor van Raffles te vinden, naar een schouwburg.

Miss Prince had gelijk gehad, toen zij beweerde, dat het toeval een groote rol speelt in het leven.

Raffles en Charly Brand hadden plaats genomen in denzelfden schouwburg, zaten in een loge en keken zoo vol aandacht naar het tooneel, dat zij Marholm en Miss Prince niet zagen binnenkomen.

De eenige voorzorg, die zij genomen hadden, om niet te worden herkend, was een baard.

De vloo herkende Raffles echter dadelijk.

Een vroolijk lachje gleed over zijn gelaat en een schelmsche uitdrukking kwam in zijn oogen.

Hij was een grappenmaker en om die reden, ondanks zijn verdere bekwaamheden, niets waard voor het beroep van detective.

Hij kon het niet helpen, maar hij zag de dingen altijd van een komische zijde en als zij die niet hadden, rustte hij niet, voordat hij er toch iets grappigs aan had ontdekt.

Miss Prince had Raffles niet gezien.

Maar in de volgende pauze zag de groote onbekende zoowel den detective als diens vrouwelijke collega.

In het eerste moment wilde hij opspringen en den schouwburg verlaten.

Daarop echter zag hij, hoe Marholm hem met een lichte handbeweging groette.

John Raffles beantwoordde den groet.

Van den detective had hij, zooals hij hieruit begreep, niets te vreezen.

Lord Lister zag, hoe de vloo zich plotseling van zijn tafeltje verwijderde en, nadat hij met zoekende blikken tusschen de rijen stoelen was doorgeloopen, vlak bij zijn loge bleef staan.

Alsof hij het woord richtte tot een goeden kennis, keek Marholm naar Raffles op en sprak:

„Een dame wenscht kennis met u te maken.”

„Ik weet het,” fluisterde Raffles, „ik verschafte mijzelf reeds gisteren het genoegen, kennis met haar te maken, zonder dat zij het wist.”

„Ik heb mij daarover kostelijk geamuseerd,” lachte Marholm. „Ik ga nu naar het tafeltje terug en hoop, dat gij iets er toe zult bijdragen om mij een beetje genoegen te verschaffen, want daarvoor leef ik op het oogenblik.”

Raffles glimlachte met een blik van verstandhouding en Marholm begaf zich naar zijn tafeltje terug.

Het volgende nummer, dat op het tooneel werd vertoond, interesseerde Raffles levendig.

Een beeldhouwer stelde met levende modellen, die in wit tricot waren gekleed en witte maskers en pruiken droegen, marmergroepen voor. Het waren allerlei tooneelen uit de Grieksche mythologie.

Toen het nummer was afgeloopen, zei Raffles tot Charly Brand:

„Deze avond heeft de moeite wel geloond, ik heb een nieuw plan!”

Voor de volgende nummers interesseerde de groote onbekende zich niet meer.

Hij nam zijn notitieboekje en daar hij een uitstekend karikatuurteekenaar was, schetste hij met een paar krabbels Miss Prince en schreef er onder:

„Als herinnering aan dezen avond groet u met de meeste hoogachting

John C. Raffles.”

Voordat hij den schouwburg verliet, gaf hij het briefje aan een der beambten en verzocht hem, terwijl hij op Miss Prince wees, het briefje aan de dame ter hand te stellen.

Door zijn tooneelkijker zag hij, op een grooten afstand staande, hoe Miss Prince het briefje las.

John Raffles had zelden zoo’n verbluft gezicht gezien als dat van de vrouwelijke detective, toen zij de karikatuur en het onderschrift bekeek.

De vloo echter barstte in zulk een onbedaarlijk lachen uit, dat de dichtstbij zittenden hem voor abnormaal hielden.

„Ik heb het u wel gezegd,” grinnikte Marholm. „Hij teekent zelfs uit de verte. Bewaar het velletje maar goed, opdat gij in elk geval iets van Raffles hebt. Hemzelf zult gij evenmin krijgen als inspecteur Baxter.”

„Ik bedank u voor uw verdere diensten,” siste Miss Prince woedend, „ik merk wel, dat gij u te mijnen, koste amuseert. Gij gedraagt u jegens mij, als collega, zeer beleedigend. Ik zal het spoor van den grooten onbekende alleen volgen. Ik zweer u, zoo waar ik Miss Prince heet, dat ik Raffles voor zijn brutaliteit zal straffen.”

„Nu, nu,” lachte Marholm „ik wensch u niets dan goeds toe, maar een mensch moet niet te veel begeeren.”

Voor het theater nam hij afscheid en ging per rijtuig naar Scotland Yard terug.

Daar trof hij den politie-inspecteur, die bij afwezigheid van Marholm de acten in zijn eentje moest doorlezen.

„Zoo, mijnheer!” riep Baxter hem toe, „zijt gij daar eindelijk? Waar zijt gij geweest?”

„Op uw bevel heb ik Miss Prince vergezeld.”

„Gij zijt gek! Ik weet niets van een dergelijk bevel. Ik neem mijn woorden weer terug!”

„Wind u niet op, inspecteur, ik heb een onbetaalbare grap beleefd. Verbeeld u:

„Ik was met Mis Prince in het specialiteitentheater en toen de voorstelling was afgeloopen, bracht een der schouwburgbeambten een velletje uit een notitieboekje, waarop Raffles een karikatuur van Miss Prince had geteekend met het lichaam van een koe en een ezelskop. Een prachtkarikatuur voor „Punch”, dat verzeker ik u!”

Nu moest zelfs Baxter lachen.

„Is dat werkelijk waar?”

„Zoo waar als Raffles leeft,” lachte de vloo, „het is een onbetaalbare mop!”

DERDE HOOFDSTUK.

DE VOORNAME GAST.

De directeur van hotel Continental te Oostende ging, vergezeld door den oberkellner, den kellner Charly en het kamermeisje Betsy, het salon binnen om te zien of alles in orde was.

Hij had uit Londen een telegram ontvangen, waarin een zekere graaf Von Leutomischel, kamerheer van den koning van Servië, voor zich en zijn vriend een salon, eetkamer en twee slaapkamers bestelde.

Met dergelijke gasten bemoeide zich de directeur zelf.

Terwijl hij zich tot den oberkellner wendde, sprak hij:

„Wanneer de kamerheer zich over iets beklaagt, of de bediening in eenig opzicht zijn misnoegen opwekt, dan wordt gij, zoowel als de kellner en het kamermeisje ontslagen. Waarschijnlijk komt de kamerheer, om het hotel te inspecteeren voor een eventueel bezoek van den koning van Servië.

„Ik draag u dus de grootste stiptheid en voorkomendheid op jegens deze gasten en herhaal u, dat bij de minste klacht uw ontslag onmiddellijk zal volgen.”

Met onderzoekende blikken bekeek de directeur de meubelen en veegde met zijn duim over het mahoniehout van een salonkastje.

Daarop hield hij zijn duim onder den neus en hoewel hij eigenlijk niets kon ontdekken, was het toch steeds zijn principe om zijn ondergeschikten op fouten te wijzen.

Hij hield daarom zijn duim ook onder den neus van zijn oberkellner en vroeg:

„Wat is dat, hè?”

De oberkellner boog zijn spitsen neus zoo diep mogelijk over den duim, bekeek de huid, haalde de schouders op en antwoordde:

„Pardon, directeur, het spijt mij—”

De directeur zette een woedend gezicht

„Zoo, zoo, spijt het u? Mooi, kom jij eens hier, Charly!”

De kellner, die het uiterlijk had van een lichtzinnig mensch, zwaaide met zijn servet en naderde den directeur.

Deze hield ook hem zijn duim onder den neus.

„Misschien weet gij, wat hier op mijn duim ligt.”

„Jawel,” antwoordde Charly, „de nagel is niet al te best verzorgd. Gij moet hem flink schuieren, directeur!”

„Zijt gij krankzinnig? Ik zal u straks eens bewijzen welk vuil het is!

„Juffrouw Betsy, misschien kunnen uw mooie oogen, die zich toch altijd met alles bemoeien wat in het hotel gebeurt, nu ook zien wat hier aan mijn duim zit.”

De zwartharige Betsy glimlachte spottend en antwoordde:

„Dat is uw duim, heer directeur.”

Eerst wilde de directeur een vloek als antwoord geven, maar hij bedacht, dat hij met mademoiselle Betsy niet op zou schieten, daar hij haar meerdere malen in de wangen had geknepen en zelfs reeds een kus had gegeven.

„Mijn duim, zegt gij?

„Ik geloof u wel, heeren en het zou prettiger voor u zijn, als het alleen mijn duim was, maar, kijk, daar—daar—daar—”

Hij hield nogmaals zijn duim onder den neus van zijn ondergeschikten.

„Er kleeft iets aan, wat nooit gevonden mag worden in de kamers van een hotel, vooral niet in die van een voornamen gast, namelijk—stof!”

Zoowel de oberkellner als Charly en het kamermeisje keken ongeloovig en als uit één mond riepen zij op verontwaardigden toon uit:

„Stof?”

„Ja, stof!” sprak de directeur, „en gij zijt er verantwoordelijk voor.”

„Pardon monsieur,” sprak de zwarte Betsy, „hier is sedert een uur geleden, toen het telegram aankwam, vijf maal stof afgenomen.”

„Voor gewone menschen is dat voldoende, mademoiselle Betsy, maar waar het dergelijke gasten betreft, neemt men niet vijfmaal, maar onophoudelijk stof af.”

„Ezel!” mompelde Betsy in stilte, terwijl zij opnieuw op de meubelen begon te wrijven.

„Hoeveel graden is het in de kamer?” vroeg de directeur den oberkellner.

Deze keek op den thermometer in het salon en meldde:

„Zeventien graden Réaumur.”

„Te weinig! Laat de gaskachel branden, het moet 19 graden zijn.

„Laat mij nu uw vingers eens zien.”

De kellners trokken hun witte handschoenen uit en toonden den directeur hun handen.

Deze bekeek ze vol aandacht door een lorgnet.

Vooral de vingers van Charly bevielen hem niet.

„Schuier uw handen flink!”

„Ik heb immers witte handschoenen aan,” verontschuldigde de kellner zich.

„Hoe!” schreeuwde de directeur, „ik ben sprakeloos. Wascht gij soms uw vingers in ’t geheel niet meer, omdat gij witte handschoenen draagt?

„Houd uw meening voor u en doe, wat ik u beveel.

„Stel u nu eens voor, dat ik de kamerheer, of liever de koning van Servië was.

„Ik zal jelui leeren, hoe men zich tegenover vorstelijke personen gedraagt. Gaat nu buiten de deur en wacht totdat ik bel.”

De kellners bogen en antwoordden: „Goed, directeur,” waarop zij verdwenen.

De directeur nam bij de schrijftafel plaats en drukte op den knop van een electrische bel.

Onmiddellijk openden de kellners de deur en snelden naar binnen.

„Wat beveelt Uwe Majesteit?”

Z. M. de koning van Servië, alias de hoteldirecteur Smithson keek verontwaardigd en antwoordde op woedenden toon:

„Ezels, ik verlang niets!”

Beide kellners maakten een diepe buiging, antwoordden: „Uitstekend, Majesteit!” en verlieten de kamer.

Reeds waren zij de deur genaderd, toen de directeur hun nabulderde:

„Mille tonnerres! Hier blijven!”

De kellners bleven staan en antwoordden: „Uitstekend, Majesteit!”

Als antwoord weerklonk een nog luider:

„Ezels!”

Nu werd het den oberkellner echter te machtig.

Hij wreekte zich door te vragen:

„Gebraden, gestoofd of levend?”

De directeur was sprakeloos. Zijn gelaat werd donkerrood van toorn.

„Ezels!” schreeuwde hij opnieuw, „maar geen gebraden, gestoofde of levende. Jelui zelf zijt ezels!

„Men zegt niet „uitstekend” tegen een vorstelijk persoon. Men vraagt een koning niet, wat hij wenscht. Dat vraagt men alleen aan ons, gewone menschen, die niet weten wat zij willen. Koningen weten dat altijd.

„Begrepen?”

„Uitstekend!” antwoordde de oberkellner.

Op dit oogenblik kwam een piccolo binnen met het bericht:

„Een rijke Engelschman, Mr. Piek uit Londen, is met zijn jacht in de haven aangekomen en wenscht u te spreken.”

„Bon,” antwoordde de chef en stond op.

Voordat hij de kamer verliet, sprak hij tot den oberkellner:

„Zorg er voor, dat Charly de noodige wenken krijgt, opdat hij weet, hoe hij zich te gedragen heeft. Ook Miss Betsy. In plaats van Majesteit moet gij den kamerheer aanspreken met Excellentie.”

De directeur verdween en de oberkellner nam aan de schrijftafel plaats met een hoogmoedige uitdrukking op het gelaat en den neus in de hoogte.

Hij belde.

Dadelijk verscheen Charly en toen hij zag, dat de directeur was heengegaan, sprak hij:

„Is de stommerik weg?”

„Zwijg!” barstte de oberkellner uit, „die stommerik ben ik nu zelf. Ik moet hem vervangen en jelui de noodige bevelen geven. Noem mij aldoor Uwe Excellentie.

„Breng mij voor alles whisky, soda en sigaretten.”

Een lachje van verstandhouding vloog over het brutale gezicht van den kellner.

„Uitstekend, Excellentie, ik zal er voor zorgen.”

Hij maakte een buiging en ging heen.

Nu richtte de oberkellner zich tot Miss Betsy, die in de slaapkamer was gegaan.

„Wat wenscht gij?” riep Betsy, terwijl zij op den drempel verscheen.

„Spreek mij aan met de woorden Uwe Excellentie,” antwoordde de oberkellner. „Gij hebt toch zeker het bevel gehoord, dat Mr. Smithson achterliet. Ik moet u eenige inlichtingen geven.

„Kom eens even hier in het salon.”

Zwarte Betsy verscheen, bekeek den oberkellner minachtend van het hoofd tot de voeten en antwoordde:

„Wat zijt gij? Kamerheer? Gij bedoelt zeker kamerdienaar!”

„Brutale heks,” riep de oberkellner, „ik zal er voor zorgen dat gij ontslagen wordt.”

„Pah!” lachte Betsy hoonend, „ik kan voor deze betrekking wel tien andere terugkrijgen en er zijn gelukkig niet overal menschen met zulke apengezichten als gij!”

Nu sprong de oberkellner op.

„Gij wilt mij weer tergen. Niemand anders zou zoo iets tegen mij durven zeggen! Gij hebt het alleen te danken aan mijn liefde voor u, dat ik dergelijke beleedigingen verdraag.”

„Dat is heel dom van u.”

De oberkellner ging vlak naast haar staan, zijn oogen vonkelden van toorn.

„Gij denkt te gering over mij, Betsy! Ik zeg het u voor den laatsten keer. Drijf mij niet tot het uiterste.

„Ik weet verscheiden dingen uit uw leven en onlangs—toen ik heel toevallig—in uw kamer kwam—zooals ik zei—heel toevallig—zag ik daar een armband liggen, die—hm!—hier een paar weken geleden op geheimzinnige wijze aan een Engelsche dame ontstolen werd.

„En nu wil ik een kus van je hebben.”

Hij trachtte de Zwarte Betsy te omhelsen, maar het gelukte hem niet.

Voordat hij een tweede poging kon wagen, kwam de kellner binnen, een flesch whisky, glazen en sigaretten meebrengende.

De Zwarte Betsy ging weer naar de slaapkamer, terwijl de oberkellner zich een glas whisky inschonk.

Als een echte fijnproever dronk hij de whisky met langzame teugen uit en sprak tot den wachtenden Charly:

„Het is goed, gij kunt gaan.”

De kellner lachte.

„Zegt gij dat als kamerheer?”

„Waarom?” vroeg de oberkellner, terwijl hij zich een tweede hartversterking inschonk.

„Omdat ik ook een glas zou willen drinken.”

„Dat kunt ge later doen. Neem de flesch mee weg.”

De kellner deed wat hem bevolen werd, terwijl de oberkellner een sigaret opstak.

Nauwelijks had hij eenige trekken gedaan, of Charly kwam haastig binnen en riep uit:

„Pas op! Daar komt de baas!”

Snel begaf de oberkellner zich naar het balcon en wierp de sigaret op straat.

Daarop deed hij al zijn best om met het servet den rook uit de kamer te verdrijven.

Maar voordat dit hem was gelukt, trad de directeur, vergezeld door Mr. Piek, binnen.

Dadelijk bemerkte Mr. Smithson den sigarettenrook.

Hij snoof eenige malen en vroeg toen:

„Wie heeft hier gerookt?”

De kellner maakte een buiging en antwoordde in plaats van zijn collega:

„Zijne Majesteit de koning van Servië.”

„Wie?”

„Of de kamerheer van den koning van Servië. Ik weet niet precies wat de oberkellner voorstelt.”

„Hoe komt gij er toe, om hier te rooken?”

„Pardon, directeur, volgens uw bevel gaf ik Charly eenige wenken en liet mij door hem helpen bij het aansteken van een sigaret, opdat hij weet, hoe hij zich daarbij te gedragen heeft.”

„Verlaat de kamer!” beval de directeur en beide kellners gingen heen.

Nu wendde hij zich tot Mr. Piek.

„Zooals ik u reeds zei, Mr. Piek, ik heb helaas op het oogenblik de kamers, die gij wenscht, niet disponibel.