Chapter 3 of 5 · 3987 words · ~20 min read

Part 3

„Zijne Excellentie de kamerheer heeft twee uur geleden deze vertrekken voor zich doen reserveeren.”

„Prachtige kamers,” antwoordde Mr. Piek. „Ik ben een intiem vriend van dezen kamerheer en door zijn voorspraak kreeg ik deze decoratie van den koning van Servië. Ik ga op vriendschappelijken voet met hem om en ben daar zeer trotsch op.

„Het verbaast mij, dat hij zoo weinig kamers bij u heeft besteld.

„Dergelijke hooggeplaatste personen zijn anders steeds gewend om een heele rij vertrekken te huren, nl. een eetkamer, een slaapkamer, een toiletkamer, een ontvangkamer, een conversatiekamer, een rookkamer en een wachtkamer.

„Elke bediende zelfs maakt aanspraak op twee kamers—met aparte badkamer—en closet.”

„Hoewel hij kamerheer is, is hij een spaarzaam mensch; hij zal met deze vertrekken genoegen nemen,” antwoordde de directeur.

„Ik zal trachten, in het hotel de Paris onderdak te komen. Op mijn jacht kan ik helaas niet slapen, want ik kan het schommelen niet verdragen.”

Beide heeren verlieten de kamer en nauwelijks waren zij weg, of de kellner trad weer binnen, luisterde eenige minuten aan de deur en sprak toen tot Betsy, die ook weer was binnengekomen:

„Eindelijk zijn wij voor een paar seconden ongestoord.”

„Waarom luister je aan de deur?” vroeg Betsy.

De kellner knarste met de tanden.

„Die schurk, die spion, de oberkellner zit mij vandaag overal op de hielen. Het is precies alsof hij ons wil bewaken.”

„Hij heeft mij gesnapt,” fluisterde Betsy, „hij heeft in mijn kamer den armband met robijnen van Lady Walton gezien.”

De kellner werd doodsbleek.

„Heeft hij dat gezien?”

Zwarte Betsy knikte bevestigend terwijl de kellner op het tapijt stampte en riep:

„Die kerel moet weg! Hij wordt gevaarlijk!

„Wij zullen het aan Gelen Tom vertellen, een messteek van Patt moet hem onschadelijk maken.”

„Doe wat je goed vindt,” mompelde Betsy. „Wat denk je van dien kamerheer?”

Charly haalde de schouders op.

„Denk je dat hij een collega van ons is, die hier zijn slag denkt te slaan?”

„Een Londensche gauwdief.”

„Het zal hem niet gemakkelijk vallen. Sinds Raffles de politie bezighoudt, is deze overal zeer waakzaam.”

„Misschien is het Raffles zelf.”

„Onzin,” sprak de kellner, „die blijft in Londen, daar is hij veiliger dan in Oostende. Heb je belang bij den grooten onbekende?”

„Ik haat hem,” fluisterde zwarte Betsy.

„Het zal je niet veel geven,” lachte Charly, „Raffles is een geslepen kerel, verstandiger dan wij allen met elkaar.

„Stil—daar komt iemand.”

Onmiddellijk stoven de twee uit elkaar.

Zwarte Betsy verdween in de slaapkamer, terwijl de kellner het salon verliet.

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN VROUWELIJKE RAFFLES.

Raffles en Charly Brand waren des avonds te Oostende aangekomen en hadden hun intrek genomen in de vertrekken, die de groote onbekende als kamerheer had besteld.

Mr. Piek bevond zich in hun gezelschap.

Reeds des middags had hij aan al zijn kennissen op het terras van het Kurhaus verteld, welke voorname vrienden hij verwachtte.

Om tien uur verontschuldigde Raffles zich bij Mr. Piek wegens vermoeidheid naar aanleiding van de groote reis en de biscuitfabrikant verliet met de onderdanigste buigingen den kamerheer van den koning van Servië.

„Eindelijk alleen,” sprak Raffles tot Charly Brand, terwijl hij zich ervan overtuigde, of zich geen luistervinken achter de deur bevonden, die naar het salon leidde.

„Vrees je daar iemand te zullen ontmoeten?” vroeg Charly Brand, die verbaasd naar zijn vriend keek.

„Vreezen doe ik nooit,” antwoordde Raffles, „maar het is noodig, dat ik voorzorgsmaatregelen tref, want ik heb, kort nadat wij het hotel binnenkwamen, een rare ontdekking gedaan.”

„Wat voor een ontdekking?”

„Zwarte Betsy is hier!”

Charly Brand sprong verschrikt op.

„Is die bedriegster hier in Oostende?”

Raffles wipte de asch van zijn sigaret en antwoordde op onverschilligen toon:

„Ja, mijn lieve Charly, zij is hier in Oostende en wel in dit hotel. Ik zag haar, toen wij naar onze kamers werden geleid.

„Zij stond in de gang, waarop onze kamers uitkomen en stond eenigszins verdekt opgesteld achter een portiere naar ons te kijken. Zij is hier kamermeisje.”

„Kamermeisje?—Hoe is dat mogelijk?”

Raffles lachte.

„Heel eenvoudig. Zij zal waarschijnlijk eenige medeplichtigen hebben, die hier als kellner dienst doen, want het is wel aan te nemen, dat zij nu, in het volle seizoen, werkt als hoteldievegge.

„Jammer. Ik had mij verheugd op een langdurig verblijf in Oostende en ben nu genoodzaakt, morgen reeds weer te vertrekken.

„Misschien heeft zij al naar Londen, aan inspecteur Baxter getelegrafeerd, dat ik mij in Oostende bevind.

„Heb je lust om nog een wandeling langs het strand te maken, kleed je dan.”

De vloer brandde Charly plotseling onder de voeten.

Het liefst had hij Oostende nog per laatsten trein den rug toegekeerd.

„Zou het niet beter zijn,” sprak hij tot Raffles, „als wij met den trein van één uur naar Parijs vertrokken?”

„Och,” antwoordde Raffles, „dat zal ons niets helpen. Die vrouw zal ons op de hielen volgen en alleen door middel van een list kunnen wij haar kwijt raken.”

De beide heeren verlieten het hotel en begaven zich naar het drukbezochte terras.

Terwijl zij daar bij de muziek van het orkest van de heerlijke zeelucht genoten, had zwarte Betsy haar medeplichtige in de kamer van Raffles geroepen en hem meegedeeld, welke ontdekking zij had gedaan.

„Donnerwetter!” riep Charly uit, „vergis je je niet?”

„Neen,” antwoordde de bedriegster, „als wij handig optreden en inspecteur Baxter met zijn detectives hierheen kunnen krijgen, voordat Raffles iets van de zaak vermoedt, dan hebben wij de 5000 pond sterling verdiend.”

„Ik houd dat voor onverstandig,” antwoordde de medeplichtige, „ik geloof, dat er met dien man wel te praten is. In plaats van 5000 pond betaalt hij ons het dubbele, als wij beloven, hem niet te zullen verraden.”

„Jij vergist je,” antwoordde zwarte Betsy. „Hij laat zich door niets bang maken en betaalt geen penny voor een dergelijke zaak. Mijn plan is dit:

„Wij zullen vannacht een bezoek brengen in zijn kamer en hem al het geld, dat hij altijd bij zich heeft, afnemen.

„Morgenochtend, als hij ontwaakt, zal inspecteur Baxter uit Londen hier zijn en hem gevangen nemen. Dan krijgen wij de 5000 pond sterling en hebben bovendien nog het groote vermogen, dat hij bij zich heeft, in ons bezit.

„Hij kan ons onmogelijk aanklagen en wij zijn op die manier rijke menschen.”

„Je bent een gladde vogel,” sprak de kellner vol bewondering. „Laat ons hopen, dat je plan gelukt.”

Het was even over tienen, toen zwarte Betsy het salon van Raffles binnen kwam, nadat zij zich van het hoofd tot de voeten in een nauwsluitend zwart tricot had gekleed.

Als een slang gleed zij onder een divan en bleef daar in het donker, vlak tegen den muur aan, liggen.

Een half uur later trad Raffles binnen.

Hij gaf den oberkellner nog eenige bevelen en nam toen aan de tafel plaats om eenige brieven te schrijven.

Hij werd in zijn bezigheid gestoord door Charly Brand, die iets langer met Mr. Piek had gewandeld en binnentrad met de woorden:

„Het had niet veel gescheeld of Mr. Piek had zich nog, voordat hij zich ter ruste begaf, door de zon van jouw hooge persoonlijkheid laten beschijnen. Hij wilde absoluut met mij meegaan.

„Ik denk, dat je nog goede zaken kunt doen, want verscheiden zijner vrienden zijn, zooals hij mij onder geheimhouding vertelde, eveneens bereid, om hooge sommen te betalen voor Servische ridderorden.”

„Dat genoegen wil ik hun wel doen”, antwoordde Raffles. „Nu wil ik nog een paar brieven aan clubvrienden schrijven, ga jij intusschen de avondbladen lezen. Misschien staat er iets in van inspecteur Baxter of zijn vriendin Miss Prince.”

Charly Brand nam de couranten en omdat hij vermoeid was, strekte hij zich in zijn volle lengte uit op den divan, waaronder zwarte Betsy lag.

De divan stond niet vlak aan den wand en zoo kwam het, dat Charly’s sigarettenkoker uit zijn zak gleed en onder den divan viel.

Geërgerd moest Charly Brand opstaan, om het étui terug te krijgen.

Hij rukte het meubel van den muur, maar in het volgende oogenblik sprong hij, als had hij een spook gezien, met een gil naar Raffles toe en wees met bleek gelaat naar den divan.

„Wat is er?” vroeg de groote onbekende, die er niets van begreep.

Charly Brand kon van schrik bijna niet spreken en met moeite stamelde hij:

„Daar—daar—daaronder— —”

Zonder aarzelen sprong Raffles naar den divan en trok dien met een forschen ruk de kamer in.

Met een spottend glimlachje stond zwarte Betsy op en sprak:

„Goeden avond, Mr. Raffles!”

„Aha!” antwoordde deze, „wij hebben visite! Damesbezoek!—

„De tijd is een beetje slecht gekozen.

„En ik zie, dat gij gekostumeerd zijt als voor een gemaskerd bal.

„Wat wenscht gij van ons?”

Zwarte Betsy had het sigaretten-étui van Charly Brand opgenomen, nam plaats in een fauteuil en stak een sigaret aan.

„Wij hebben nog een kleine rekening van uit Londen te vereffenen, Mr. Raffles”, zoo begon zij, „en daarom was ik zoo vrij, dit costuum te kiezen, om ongestoord bij u te kunnen komen.

„Een ongelukkig toeval—dit sigarettenétui—„haalde een streep door mijn rekening.”

„Erg jammer”, antwoordde Raffles spottend, „dit ongelukkige toeval is het, wat mij tot dusverre tegen mijn vijanden heeft beschermd.

„Maar ik zou u toch wel hebben gevonden, want denkt gij, dat ik zoo dwaas zou zijn om mij ter ruste te begeven zonder eerst mijn kamers doorzocht te hebben?

„Hoe denkt gij u nu het verdere verloop van de zaak?”

„Dat weet gij het beste”, klonk het antwoord, „ik heb geld noodig, veel geld en daar gij er overvloed van hebt, zal het u gemakkelijk vallen, mijn wenschen te vervullen.”

„Ik denk er niet aan”, antwoordde Raffles, „ik dacht, dat gij mij op dat punt wel hadt leeren kennen.

„Charly, bel eens even!”

„Wat wilt gij doen?” riep Betsy opspringend uit.

Raffles nam haar op met een blik vol koele minachting.

„Ik zal doen, wat gewoonlijk met inbrekers gebeurt. Ik zal u gevangen laten nemen.”

Zwarte Betsy barstte in een spottend lachen uit.

„Gij vergist u, Mr. Raffles! Gij vergeet, wie gij zijt.”

„O neen”, antwoordde Raffles, „ik weet altijd wie ik ben.”

Zwarte Betsy balde de vuisten.

„Goed, bel! Het zal mij veel genoegen doen, de politie te kunnen meedeelen, dat de vermeende kamerheer van den koning van Servië niemand anders is dan John C. Raffles.

„Men zal mij gelooven, als ik zeg, dat ik hier ben binnengeslopen om uw identiteit vast te stellen.”

„Allright”, antwoordde Raffles, „die proef zullen wij eens nemen.”

Hij ging zelf naar de bel, die naast de deur was aangebracht en drukte op den knop.

Een rilling liep langs het lichaam van zwarte Betsy.

Zij had niet gedacht, dat de groote onbekende zijn bedreiging werkelijk zou uitvoeren.

John Raffles was bij het raam gaan staan en rookte een sigaret.

Met een hoonend glimlachje keek hij naar de avonturierster en hij hoorde, hoe in de gangen van het hotel beweging ontstond.

Nu werd er op de deur geklopt.

Mr. Smithson en de oberkellner traden binnen.

Verschrikt deinsden zij terug, toen zij de gedaante in zwart tricot zagen.

Eerst dachten zij aan een spook.

Daarop trad Raffles op Mr. Smithson toe en sprak:

„Deze avonturierster sloop mijn vertrekken binnen om mij te bestelen. Door een toeval ontdekten wij haar. Ik verzoek u, de politie te roepen.”

„Duivels!” siste zwarte Betsy, „dat zal je ondergang zijn!”

Het volgende oogenblik sprong ze als een slang op den bij de deur staanden directeur toe, stiet hem weg en wilde vluchten.

Maar Raffles was handiger dan zij.

Hij had een dergelijke poging reeds voorzien en voordat zij de deur had bereikt, had hij haar gegrepen en in de kamer teruggesleurd.

Mr. Smithson, die een flinken duw had gehad van de bedriegster, raasde en tierde en gaf den Oberkellner bevel, de politie van het geval in kennis te stellen.

In de vestibule van het hotel was altijd een detective aanwezig en deze bevond zich eenige minuten later reeds in de kamer.

De Oberkellner had dezen beambte reeds medegedeeld, hoe de geschiedenis zich had toegedragen.

Toen hij binnentrad, riep zwarte Betsy:

„Goed dat gij komt, sergeant, gij kunt een mooie vangst doen.”

„Zeker, mademoiselle”, antwoordde de detective, „ik zoek reeds wekenlang naar de dievegge, die hier gouden en andere waardevolle zaken van de gasten heeft gestolen. Nu heb ik haar eindelijk.”

„Gij vergist u!” riep Betsy uit. „Ik ben het niet, maar die man daar, die mij in het verderf wil storten.

„Weet gij, wie daar staat, heeren?” (Zie titelblad.)

Eenige oogenblikken zwegen allen, terwijl aller blikken op Raffles gevestigd waren.

Zonder met de oogen te knippen en met een fijn glimlachje om den mond, rookte Lord Lister zijn sigaret.

„Daar staat Raffles!” vervolgde zwarte Betsy, „de man die overal gezocht wordt. Ik sloop deze kamer binnen met het doel, hem te ontmaskeren. Neem hem gevangen, sergeant!”

Mr. Smithson hijgde naar adem.

„Dat is dan toch de grootst mogelijke onbeschaamdheid. Daar durft dit treurige schepsel, deze gemeene dievegge, Zijne Excellentie verdacht te maken. Zij is stapelgek!”

„Stapelgek!” herhaalde de Oberkellner. „Een paar dagen geleden vond ik in haar kamer een gouden armband, met robijnen bezet, die lady Walton ontstolen is geworden.”

„Dat is een leugen!” verdedigde Betsy zich.

„Wat?” schreeuwde de Oberkellner. „Wilt gij soms vertellen, dat ik lieg?—De duivel moge u halen!”

„Gij zijt dwazen!” riep zwarte Betsy uit, „groote dwazen. Bekommert u niet om mij, maar neemt dien heer daar gevangen—het is Raffles!”

Nu verloor ook de detective zijn geduld.

Woedend greep hij den arm der bedriegster en beval:

„Zwijg nu en houd uw verdachtmakingen voor u. Het helpt u niet. Wij hebben u eindelijk op heeterdaad betrapt. Vooruit!”

Betsy begreep, dat Lord Lister haar de baas was geweest.

„Houd mij niet zoo stijf vast”, smeekte zij, „ik volg u.”

De vingers van den detective grepen iets minder ruw den arm vast.

Op dit oogenblik rukte zij zich los, snelde, voordat iemand het kon beletten, naar het balcon en sprong in den tuin.

Toen de hotelier, de detective en Raffles, evenals de anderen, buiten kwamen, was er niets meer te ontdekken van de vluchtelinge.

Zonder zich te bezeeren was zij van het eenige meters hooge balcon op de zachte bloembedden van den tuin gesprongen en weggesneld.

Met een betuiging van grooten spijt over het voorgevallene verontschuldigde Mr. Smithson zich en verliet met den Oberkellner en den detective de kamer.

Zwarte Betsy echter was in het sousterrain naar de kamer van haar medeplichtige gesneld. Daar stond een gepakte koffer voor haar klaar en terwijl zij haar vriend van de mislukte poging vertelde, verkleedde zij zich snel, verliet met hem door een zijdeur het hotel en beiden haastten zich naar een hun bekende koppelaarster om zich daar te verbergen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

BIJ MOEDER LA FLEUR.

Het was een vieze en slordige woning, die moeder La Fleur in een donker, afgelegen steegje in de nabijheid van de haven bewoonde.

Alleen matrozen en de laagste bedienden der hotels kwamen bij haar om tot in den morgen allerlei ongeoorloofde dubbelspelen te doen.

Madame La Fleur, een oude, afgedankte, vroegere demi-mondaine, zat in een versleten lila zijden japon, een laatste souvenir aan haar Parijsche glansperiode, achter het met flesschen gevulde buffet en maakte voor haar gasten de dranken gereed.

Zij was walgelijk vet en het kostte haar moeite om zich te bewegen.

Haar gerimpeld, verflenst gelaat vertoonde een beminnelijk lachje, toen Betsy binnenkwam.

Zij kenden elkaar goed, nog uit de Parijsche dagen, toen Betsy geruimen tijd bij Madame La Fleur had gewoond.

„Bonsoir, bonsoir, kleintje!” riep zij, toen Betsy naar het buffet toekwam, „lief, dat je je weer eens laat zien. Hoe kom je zoo uit de lucht gevallen?”

„Ik moet u dadelijk spreken, moeder”, antwoordde het jonge meisje, „er is haast bij hetgeen ik u heb te vertellen.”

Met moeite stond Madame La Fleur op en ging naar een met rood fluweelen gordijnen bekleede deur naast het buffet, die toegang gaf tot de chambres séparées.

Betsy volgde haar en weldra bevonden zij zich in een boudoir, dat met allerlei goedkoope luxe-artikelen was gevuld. Madame La Fleur nam plaats op de rood-bekleede sofa en koelde haar verhit gelaat af.

„Dus kleintje, je hebt gewichtige mededeelingen?” begon zij en noodigde Betsy met een handbeweging uit om plaats te nemen.

Betsy nam in een verguld stoeltje plaats en sprak:

„Een gekke geschiedenis, moeder. Ik ben op de jacht naar Raffles.”

Madame La Fleur hield haar hand voor de ooren alsof ze slecht verstond.

„Naar wien?”

„Naar Raffles!”

De grootste verbazing stond op het gelaat der oude koppelaarster te lezen.

„Raffles? Maar wat heb je met dien man te maken. Je bent toch geen speurhond van de politie?”

Betsy stampte met haar rechtervoet op den grond.

„Zie ik er zóó uit? Ik ben blij, als ik niets met de politie te maken heb. De duivel moge haar en Raffles halen.”

Betsy’s oogen fonkelden van woede, toen zij er aan dacht, hoe zij nauwelijks ontkomen was.

„Ik had iets met hem voor en hij leverde mij over aan de politie.”

„Waar?”

„Hier in Oostende, een uur geleden, in hotel Continental, waar ik met mijn vriend Charly—ge kent hem, in Parijs heet hij: de val—.”

Madame La Fleur knikte.

„Ik herinner mij. Maar wat doet gij in hotel Continental?”

„Wij zijn daar in betrekking.”

„Aha”, lachte madame La Fleur, „gij behoort tot de bende der diamant-liefhebbers en plundert de gasten in de internationale hotels.”

„Ik zie, dat ge op de hoogte zijt, moeder. Vanavond arriveerde in het hotel een kamerheer van den koning van Servië.”

„Prachtig!” riep madame La Fleur uit, „sinds wanneer heeft de koning van Servië zooveel geld om zich de weelde van een kamerheer te kunnen veroorloven?”

„Nonsens”, antwoordde Betsy, „het is geen kamerheer, maar ik herkende direct Raffles in hem.”

„Duivels! Hij is dus hier?”

„Ja!”

„En hij maakt het jelui moeilijk, nietwaar?”

„Hij hindert ons en wilde, zooals ik u vertelde, mij in hechtenis laten nemen.

„En thans heb ik uw hulp noodig, moeder. Die man heeft geld. Meer geld dan iemand anders. Gij kunt meedoen in deze zaak. Bezorg mij een paar flinke jongens, die den duivel in het lijf hebben en voor niets terugdeinzen, en dat nog hedennacht. Want morgen is de vogel gevlogen.”

„Wil je Raffles overvallen?”

„Dat wil ik, en hem voor eeuwig stom maken. Ik haat hem als de pest.”

Madame La Fleur dacht eenige seconden na. Toen sprak zij:

„Het treft best. Ik houd op het oogenblik in mijn huis verborgen twee veroordeelden, die uit Fransch Guyana zijn gevlucht en die op eene gelegenheid wachten, welke hun zóóveel geld opbrengt, dat zij naar New-York kunnen overvaren. Die twee zullen voor deze zaak zeer geschikt zijn. Ik zal hen roepen.”

Zij drukte op den knop van een geheime electrische geleiding en eenige oogenblikken later trad een jong meisje, dat zeer opvallend was gekleed en op brutale wijze geschminkt, de kamer binnen.

„Dat is Babette”, sprak madame La Fleur tot Betsy, en beiden gaven elkaar een hand met het vertrouwelijke glimlachje der demi-mondaines.

„Wat moet ik doen, moeder?” vroeg het meisje.

„Roep Filou en Bouton hier.”

Het meisje ging heen.

„Het zijn jongens van goede Parijsche families”, vertelde Madame La Fleur, „zij hadden te veel geld voor hun vriendinnen noodig en om dat te krijgen, haalden zij de domheid uit, een gierigen woekeraar, een zekeren Monsieur Piquard, een paar jaar te vroeg naar den duivel te helpen. Daarvoor kregen zij twintig jaar dwangarbeid.”

De deur ging open en twee jonge, sterk gebouwde mannen kwamen met een sigaret in den mond binnen.

Betsy bekeek met welgevallen de knappe, frissche gezichten met de goedverzorgde knevels en schitterende oogen.

„Er is werk voor jelui!” riep Madame La Fleur. „Gij kunt vannacht rijk worden. Hebt gij er lust in?”

Beiden lachten en Bouton, de oudste, antwoordde:

„Wij hebben een best leven bij u, moeder, maar als men wekenlang geen frissche lucht inademt, verlangt men naar de kolonie terug.”

„Morgenochtend kunt gij op weg naar New-York zijn en zooveel frissche lucht happen als gij maar wilt. Het komt er maar op aan, of gij u als mannen weet te gedragen en dat doet, wat deze kleine u zal vertellen.”

„Ik wil alles doen om weg te komen”, sprak Bouton, „en mijn vriend eveneens. Moet er iemand om zeep werden gebracht, of is dat niet noodig?”

„Gij zult toch zeker niet terugdeinzen voor een flinken messteek?” hoonde Betsy, „of zijt gij zulk werk niet gewend?”

Bouton lachte.

„Wij zijn daar nu niet meer bang voor. Wij zijn tot je dienst, kleintje!”

„Bon. Maakt u dan gereed en volgt mij.”

„Mag ik vragen, waarheen?”

„Naar Hotel Continental”, antwoordde Betsy, „een vriend van mij wacht ons daar. Alles is voorbereid. Over een uur kunnen wij terug zijn en de winst hier deelen.”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

John Raffles lag rustig te slapen.

De reis had hem vermoeid gemaakt en onbezorgd, alsof hij zich in zijn „vossehol” bevond, had hij zich ter ruste begeven.

Hij geloofde niet aan overrompeling, nu zwarte Betsy was gevlucht.

Door een matblauwen balon viel een zacht licht op zijn legerstede en vertoonde aan de blikken der onhoorbaar binnentredende Fransche boeven den rustig sluimerenden Raffles.

Betsy had hun niet verteld, tot wien zij hen bracht.

Bouton was de eerste, die naar het bed sloop met het geopende mes in de rechterhand.

Vlak achter hem kwam Filou.

„Maak het kort”, fluisterde de laatste, „stoot hem je mes in de borst. Vooruit dan!”

Bouton hief zijn hand op en zocht met zijn oogen naar de plek, waar zich het hart moest bevinden.

Maar plotseling keerde hij zich om.

Hij herinnerde zich het moordtooneel bij den Parijschen woekeraar, toen had hij ook op bevel van Filou den doodelijken messteek toegebracht en Filou had voor het gerecht alle schuld op hem geworpen.

Hij liet het mes zinken en fluisterde:

„Deze keer moet jij het werk doen, terwijl ik de koffers zal openbreken.”

Filou beefde van woede. Hij had den moed niet met eigen hand een moord te plegen.

„Duivel!” siste hij, „je bent een lafaard, Bouton.”

Daar greep de ander hem opeens stevig beet en sleurde hem de kamer uit.

„Ik zal met je afrekenen.”

Filou knarsetandde van woede.

Tevergeefs trachtten Betsy en Charly, die in den tuin voor de vensters op den uitkijk stonden, Bouton te kalmeeren.

Het was vergeefsche moeite.

Zijn licht ontvlambaar bloed kookte naar aanleiding van de beleediging en toen hij met Filou op een door dicht struikgewas omgeven plekje in den tuin stond, sprak hij:

„Neem nu je mes en verdedig je. Als mensch van goede opvoeding kan je beleediging slechts door bloed worden schoongewasschen. Jij of ik. Wien het treft, die mag zich gelukkig achten, dit hondeleven vaarwel te kunnen zeggen.”

Bleek als een doode stond Filou tegenover zijn vriend. Maar opeens sprong deze met zijn dolkmes in de hand op hem toe, zoodat hij zich moest verdedigen.

Het staal der messen flikkerde.

Plotseling weerklonk een doffe kreet.

Bouton wankelde, het mes ontglipte zijn hand, een bloedstroom vloeide op den grond en hij zakte neer.

Vol ontzetting keken Betsy en Filou naar den stervende, wien door een messteek, waartegen hij zich met opzet niet had verdedigd, het hart was doorboord.

Filou boog zich over hem heen en sprak:

„Bouton, het was mijn schuld niet. Kan je mij vergeven?”

„Ja, Filou”, hijgde Bouton, „het is goed, zooals het nu is. Het leven, dat wij leidden, deugde niet. Het was niets waard.

„Neem mijn geld uit mijn borstzak—het is voor één persoon voldoende om naar Amerika te gaan. Begin daar een nieuw leven.—Schrijf mijn vader, dat—dat—ik—diep berouw heb—God moge—mij—”

Een bloedstroom vloeide uit zijn mond, hij rekte zich uit en was dood.

Op eenigen afstand van hem zong een nachtegaal.