Part 5
Maar sinds den dag van zijn geweldige bevordering werd hij bedroefd.
Terwijl hij de blikjes met conserven openmaakte, huilde hij als een waakhond.
Hij keek zelfs niet vroolijk, toen hij al de mooie bonte, vroolijke plaatsjes zag, waarmede de fabrikanten der geconserveerde vleezen en groenten de blikjes hadden versierd.
Die plaatjes stelden allerlei aardige, lieve en soms ook leelijke, plompe dames voor.
Er waren ook blondgelokte engelenkopjes op de busjesplaatjes gekleefd.
De Kongo-soldaat dacht, dat Musso schreide en huilde en lamenteerde uit louter bescheidenheid. Hij meende, dat Musso bang was, de verantwoordelijkheid van kok aan te nemen en zijn verdriet en boosheid telkens weer luchtte in veel tranen en luide jammerklachten.
En hij riep den jongen bij zich en sprak tot hem op bemoedigenden toon:
„Kom, jongen, wees niet laf, je zult dat beetje braden en bakken wel gauw genoeg kunnen. Zet je ooren maar flink open en kijk goed uit je doppen, dan zal het wel gaan!”
En Musso werd na deze vriendelijke, opbeurende woorden naar de keuken teruggestuurd.
Maar terwijl de opperkok hoe langer hoe dikker, hoe langer hoe ronder werd, kwamen de akelige, magere knokels steeds meer door Musso’s vel steken.
Werktuigelijk en met totale afwezigheid van gedachten maakte hij de blikjes met groenten en met geconserveerd vleesch open.
Zorgvuldig weekte hij de bonte plaatjes los aan het blik.
Hij bewaarde ze zorgvuldig, bekeek ze nauwkeurig en begon telkens opnieuw te huilen of het klaarlichten dag of wel midden in den nacht was.
Maar zijn meester stoorde zich er niets aan en Musso moest kalm bij den kok in de leer blijven.
Op zekeren dag was de geheele blikjesvoorraad opgebruikt.
Toen viel Musso zijn heer te voet.
Hij sloeg de armen om de knieën van zijn meester en smeekte:
„Alstublieft—Och—alstublieft—lieve—lieve—meester—laat—mij—niet— slachten!—Toe—laat—mij—niet—slachten!”
De Kongosoldaat keek zijn knechtje in de grootste verbazing aan.
Toen vroeg hij:
„Maar jongen, wat heb je! Ben je gek geworden?”
En Musso begon opnieuw te weeklagen:
„Musso niet gek!— —O, neen—Musso heelemaal niet gek!— —Musso heel goed weet, heer Musso slachten wil— — —om Musso te eten, als menschen in blikjes!”
En hij haalde uit zijn koksboezelaar al de zorgvuldig opgespaarde papiertje te voorschijn en jammerde luid:
„Allemaal dood— — —Dood en in stukken gesneden— — —en in busjes verpakt!— — —Musso niet zoo wil—niet zoo dood—lieve—lieve— meester—alstublieft!”
Nu ging den Kongosoldaat een licht op.
Hij begreep dat Musso gedacht had, dat al het geconserveerde vleesch in de blikjes van geslachte menschen afkomstig was. En opdat die beestachtige Europeanen echt lekker konden genieten, bekeken ze met het grootste welgevallen, voordat ze aan den maaltijd gingen, eerst nog eens de portretten van de slachtoffers die naar hun maag gingen verhuizen.
De arme jongen kon maar heel langzaam van den geweldigen schrik bekomen, die hem had aangegrepen maar er verliepen nog eerst verscheiden dagen, voordat hij niet meer voor zijn leven vreesde.
SCHOENZOLEN EN KARAKTERS.
Een Fransch geleerde, zekere professor Jean Dégrès, heeft een nieuwe theorie vastgesteld omtrent de beteekenis van het karakter.
De zóóveelste!
Niet meer uit de lijnen van de hand worden de aanknoopingspunten vastgesteld, die moeten lijden tot de juiste beoordeeling van de ziel en van het karakter des menschen.
Professor Dégrès heeft na studies van vele tientallen jaren een nieuwe wetenschap vastgesteld.
Deze luidt:
Het karakter wordt afgeleid uit de schoenzolen.
Een der medewerkers van een Engelsch weekblad heeft den geleerden zonderling in Parijs opgezocht.
De journalist schildert den professor aldus:
„Hij is een rustig, scherpdenkend man, in wiens gelaat de arbeid van het denken diepe voren heeft geploegd.”
„De studie van een leven,” aldus verklaarde professor Dégrès, „heeft mij er toe gebracht om het nauwste verband te brengen tusschen ziel en zool van den mensch.
„Zijn eigenschappen, zijn gansche wezen weerspiegelt zich in de schoenzolen die mij den weg wijzen naar zijn innigste gedachten.
„Een man bijvoorbeeld, die zijn zolen zeer sterk afslijt aan de toppen van de teenen, terwijl het overige gedeelte van de zool niet het minste slijt, is iemand bij wien voorzichtigheid is geraden.
„De drager van deze schoenen is licht geneigd om zich in gevaarlijke, onwettige ondernemingen te steken en behoort tot degenen, die terstond naar de wapens grijpen, als men hen een voet dwars zet.
„Als bij iemand het eerst de zool gaat slijten onder den bal van den voet en daar het ergst wordt afgedragen, beteekent dit volgens den professor, dat deze persoon een nauwgezet, arbeidzaam mensch is, een harde werker, een zwoeger, iemand, die van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat slooft en niet beschikt over al te sterke wilskracht.
„Waar alleen de rechterkant van den rechterschoen is afgesleten, kan men aannemen, dat de drager dikwijls over heel gewichtige, diepgaande en ernstige vragen heeft na te denken; hij is waarschijnlijk een advocaat of een geleerde.
„Lieden, die met dicht aaneengesloten voeten gaan of met naar buiten gerichte voettoppen, moet men met wantrouwende blikken bekijken, want zij zijn brutaal en kennen geen gewetensbezwaren.
„In de een of andere zaak zullen zij hun tegenpartij steeds te slim, maar vooral ook te sluw af zijn.
„De optimist slijt zool en teentoppen gelijkmatig af.
„Hij springt vroolijk en gelukkig over de aarde.”
Ook voor alcoholmisbruikers heeft professor Dégrès zijn kenteekenen.
Natuurlijk hebben wij slechts in zeer grove trekken verhaald, wat de geleerde zooal heeft opgemaakt uit de schoenzool.
Behalve genoemde kenteekens zijn er nog duizend kleine, nauwelijks merkbare aanwijzingen, die den professor weer een bron van aanwijzingen zijn omtrent het karakter van den drager dier min of meer kapotte zolen.
De professor heeft jarenlange studie gemaakt van een en ander.
In Parijs trekt de studie van professor Dégrès de aandacht van velen.
Nieuwsgierigen zoeken hem op, maar hij denkt er niet aan om anderen in te lichten en laat niets los.
Of professor Dégrès het bij het rechte eind heeft?
Of zijn karakterstudies eenige waarde hebben?
Hoevelen niet waren er reeds vóór hem, die het menschelijk karakter bestudeerden.
En hoevelen zullen er nog na hem komen?
Wie weet het!!!