Chapter 1 of 7 · 3988 words · ~20 min read

Part 1

{Illustratie: kaft}

IN DE HOLLANDSCHE BRANDING

Een Jongensboek door Jan Feith

IN DE HOLLANDSCHE BRANDING.

IN DE HOLLANDSCHE BRANDING

EEN JONGENSBOEK VAN DE ZEE DOOR JAN FEITH

ILLUSTRATIES EN BANDTEEKENING VAN PIETER DAS

{Illustratie: logo: EEN WIL EEN WEG}

AMSTERDAM -- SCHELTENS & GILTAY

INHOUD.

EEN WOORD VOORAF . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1 HET VERHAAL VAN EEN LEVENSREDDER . . . . . . . . . . . . . . . 7 IN DEN ONDERZEEËR . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 VAN EEN AMERIKAANSCHEN KAPITEIN EN EEN LEUKEN SCHEEPSDOKTER 39 HOLLANDSCHE SCHEEPSSPREEKWOORDEN . . . . . . . . . . . . . . 52 MET DE KONINGIN AAN BOORD VAN EEN ONZER OORLOGSSCHEPEN . . . 57 'N TOCHTJE MET DE NIEUWE REDDINGBOOT . . . . . . . . . . . . 69 OP EEN "REUZE"-SCHIP . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 81 STUURSTOEL-OPSCHRIFTEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94 ALS JE ZEEZIEK BENT . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 97 EEN OVERLEVENDE VAN SHIMONOSEKI . . . . . . . . . . . . . . 105 VAN OUDE UITHANGBORDEN . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116 DE MILLIOENEN VAN DE LUTINE . . . . . . . . . . . . . . . . 119 HET VERHAAL VAN EEN ZEILTOCHT, DAT ZOO VROOLIJK BEGINT EN ZOO DROEVIG EINDIGT. . . . . . . . . . . . . . . 150

EEN WOORD VOORAF!

O!... Jongens, die zee!...

Ben jullie even dol op de zee als ik?

Voor mij is ze aanbiddelijk!

Ik aanbid de zee met een diepe vereering, met een kinderlijk ontzag, met een geheim verlangen, met de vrome liefde als tot iets hoogers...

Elken keer, dat ik weer naar zee ging, voelde ik 't als een blijdschap, als een goede boodschap!

Het is wel natuurlijk, dat ik meer dan eens tot de zee mocht uitgaan. Als je schrijver van je beroep bent, zooals ik, dan is het van-zelf-spre-kend, dat je pad niet steeds leidt langs de glad-geëffende banen van het aard-oppervlak. Even goed als je je soms in een vliegtoestel wel hebt te verheffen boven de aarde en boven het onderwerp, dat je te beschrijven zult hebben voor krant of boek, -- even goed moet je er niet tegen opzien, je in te schepen, hetzij aan boord van het bottertje van een Zuiderzee-visschersman, dan wel in het gevolg van H.M. de Koningin, wanneer deze een bezoek gaat brengen aan een harer oorlogschepen op de reede; hetzij het een proeftocht geldt met de nieuwe reddingboot van Nieuwediep, dan wel of je moet afdalen in de nauwe en duistere diepten van een onzer onderzeeërs; hetzij je als vacantie-uitstapje een reis-om-de-wereld maakt, met minstens een viertal groote wereld-zeeën onderweg, dan wel of je naast je schippertje staat kringetjes te spuwen in het water, samen zeilende op een gemoedelijk kruistochtje langs onze prachtige Nederlandsche wateren; hetzij het toeval je in aanraking brengt met een merkwaardig oud type, die in zijn tijd, een halve eeuw geleden, jongens! in Japan een der groote heldendaden onzer Nederlandsche marine meevocht, dan wel of zoo'n verweerde zeerob uit Den Helder je staat te vertellen de zelf doorleefde gebeurtenissen van zijn half duizend geredde menschenlevens, bij minstens een vier dozijn schipbreuken.

In dezen eigenaardigen tijd moet iemand zich geschikt trachten te maken, om onder de meest ongewone omstandigheden te kunnen mee doen. We moeten alle ons zelven, en ook elkaar, wat zien te ontbolsteren. Wie weet wat het lot met ons voor heeft? Wie zal jullie vooruit zeggen, waar je nog eenmaal je leven zult hebben te leven?

Weet iemand welke hemelstreken hem later tot verblijf zullen strekken? Alle elementen zullen hem vertrouwd moeten zijn. Aan vele haarden zal hij wellicht zijn beenen eens moeten uitstrekken. Wie zegt, of zijn levenslot hem niet beschoor, dat hij op velerlei legersteden in de vier windstreken eenmaal zijn rust zal hebben te zoeken! En onder welken hemel der vijf werelddeelen zal hij straks het eigen dak moeten spreiden?

Moeten we dan niet vroegtijdig ons vertrouwd leeren maken juist met de zee?

Is niet de zee een der voornaamste deelen van de wereld?... Leeft en werkt men niet op zee?... Is niet de zee de voornaamste grens van ons Nederland?... Was niet de roem, en is niet de hoop van ons land de zee?.... Was niet telkens weer de zee de grootste verschrikking van ons bedreigde vaderland?... En tegelijk, is er iets wat wij onstuimiger liefhebben dan diezelfde zee?

O! als ik lees in oude of in nieuwe boeken van zeereizen, dan wil ik dadelijk zèlf de zee op. Wanneer ik sta bij winter of zomer aan het fel-bewogen of stille strand, dan overvalt me telkens weer als iets onweerstaanbaars die drang naar de zee.

En steeds weer verlang ik er naar, dit groote, geheimzinnige, lokkende, alles-belovende, wijde water te bevaren!

Zoo ben ik wel een weinig de zee gaan leeren kennen. Ik weet van onze eigen zeeën; onze prachtige, roerige Noord-Zee, maar ook, midden in ons land, die soms zoo drieste Zuider-Zee. Ook andere zeeën heb ik leeren kennen, vele andere, en oneindig veel grootere dan die daar achter de onze liggen; zoo aanschouwde ik daarginds ook nieuwe, vreemde, schoone landen, gelegen aan de bonte, volle, weinig bekende stranden dier zeeën.

En nu wilde ik mijn Nederlandschen jongens van dit alles gaan vertellen, een verhaal van hier, een herinnering van daar.

Weet jullie welke bedoeling ik daarmede heb? Slechts deze:

Ik wil jullie óók wat van mijn liefde voor de zee schenken; ik wensch, dat al onze Nederlandsche jongens de zee kennen; ik verlang, dat er niet één van jullie zal zijn, die niet heeft leeren begrijpen welke banden ons land aan de zee binden.

En om jullie, Nederlandsche jongens, wat nader te brengen tot die zee, daarom schreef ik voor jullie mijn jongensboek van de zee.

Het verhaal van een levensredder {illustratie}

Dorus Rijkers heeft me aan het Heldersche station van den ochtendtrein afgehaald. Hij droeg een paar medailles op z'n jas geprikt, want daaraan zou ik hem -- zooals hij me had geschreven -- herkennen; .... alsof je zoo'n ruigen ringbaard, zoo'n zeewolf op z'n Zondagsch, zoo'n verweerden zeerob, die daar heel ongemakkelijk op zijn te nauwe bottines te schommelen staat, niet zonder dàt in zicht zou gekregen hebben!

Dorus Rijkers -- die officieel Theodorus heet maar op straat door elken kwajongen en lichtmatroos van Nieuwediep met "Opa" wordt aan geroepen -- heeft me door Den Helder geloods naar de haven, waar, in een net steenen huisje de reddingboot ligt van de "Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij."

Dorus Rijkers heeft me daarna heel de stad door gekoerst naar zijn huisje achter den hoogen zeedijk; daar ligt-ie bij z'n getrouwde dochter in den kost, heel knap, heel best, heel naar het genoegen van den ouwen man, -- zoolang 't met de verdiensten wat meevalt. Want zonder nu te willen weeklagen, sta je toch raar te kijken, hoe zoo'n kerel, met 'n veertigtal reddingen op z'n naam, met een rits medailles en getuigschriften, op z'n ouwen dag nog moeite heeft, met de vletterij uit 't water z'n eerlijke boterham op te halen.

Dorus Rijkers heeft me ook op stap genomen den hoogen zeedijk langs, me daarover gekuierd, verrekijker in de hand, en dan weer dat ding voor m'n oogen gehouden, om me 'n indruk te geven van den toestand buitengaats, ja, eigenlijk daar vlak voor je. 'n Zacht kabbeltje van golfslag tegen den steenen dijkvoet, maar wijders 'n glad, bijna rimpelloos water, van dezen kant tot den verren overkant, waar 't bij helderen winterdag wit schemert van Texels strand; en verder naar buiten -- "zie je die boei? en daarachter die tweede? ... daar ligt 't vaargat tussche door!" -- zoover als je kunt kijken met 't bloote oog, is dat nu 'n vriendelijke, gladde zee.

{Illustratie}

Als hij je niet gewezen had met z'n hand, en je daarbij den kijker niet voor je oogen had gedrukt, om de goeie richting voor je vast te stellen, dan zou je niet eens gelet hebben op zoo'n enkelen onrustigen golfslag over het verre water, in den vaargeul tusschen den dijk en het overliggende strand van Texel -- "dat is nou die Onrustplaat" -- en nog verder buitengaats, tegen den lichten horizon, een verre smalle schuimlijn -- "en gunder daar dat zijn nou die Haaksgronde, waar je wel van gehoord mot hebbe?"

"Niet genoeg!" zei ik; "daarom is 't me juist te doen, schipper... En hoe haal je ze daar met je reddingboot af?... En hoeveel schepen heb je daar al aan den grond zien zitten?.... En hoeveel man heb je er wel in den storm van hun verongelukte schuiten opgepikt?"

Toen is hij uit zich zelf gaan vertellen.

In het schuitenhuis van de reddingboot vertelde hij al, terwijl hij de reparatie van de boot inspecteerde na den laatsten knauw, die dat ding had opgeloopen bij de redding van de bemanning van de ELFRIEDE; nog niet zoo lang geleden, 't was half Januari geweest.

Hij vertelde al, terwijl we daar langs den hoogen, kouden dijk scharrelden, om zicht te krijgen, door den kijker, op wat er nog te zien lag aan wrakken op de verre Haaksgronden.

Thuis vertelde hij nog door, in den familiekring gezeten, theeblad gezellig op tafel, van sigarenwalm de kamer vol; en Rijkers, telkens deftig z'n bril op den neus geschoven, als z'n dochter 't beter wou weten, omdat die netjes en trouw, met jaartal en scheepsnaam, van al zijn reddingen aanteekening had gehouden op 'n pampier.

De schipper van de reddingboot vertelde:

"... Eerst kan ik je dat wel vertelle van de "Turbo"... Dat 's al weer wat jaartjes gelee', in de winter van 1908... Die liep z'n eige vast op de Noorder Haaks... Toen 't bericht uit de vuurtore van Huisduin aan de have van Nieuwediep was overgebracht, hadde de twee sleepboote al stoom op, en al m'n jonges al in de reddingboot... 't Was zoo'n vuile nacht -- afijn, met mooi weer heb ik ze d'r nooit hoeve af te hale! -- en donker als de hel... Maar nou mot je 's luistere wat dan zoo'n groot schip van 6000 ton waard is, as de zee 'm goed in z'n body te pakke hèt!.... Laat dat schip nou 's avonds om zeve uur gestoote hebbe, en late we nou om half nege uur op sleeptouw van de "Atlas" naar buite gegaan zijn... Toen we d'r om 'n uur of nege in de buurt van de "Turbo" zitte -- want 't is nog 'n knap eind van de have naar de Haaksgronde -- toen leit me die kanjer van 'n schuit al in twee!... Maar nou mot je me geloove, zooas ik je ankijk: niet gewoon met 'n barst over z'n buitewand, maar gebroke in twee stukke, twee losse helfte, zoodat m'n manne en ik denke, datte d'r daar twee schuite met mekaar in aanvaring zijn geweest en dwars op mekaar vast zitte... Maar nog geen half uur later hêt de zee de twee helfte zoetjes opgenome, en zet ze 'n twee honderd meter van mekaar... Is maar om je 'n aperpoo te geve van wat zoo'n stormzee uit 't noordwest kàn!

"Kortom, we zitte daar zoo effe te koekeloere, omdat op allebei die halve schepe nog mensche aan boord ware. De "Atlas" houdt er z'n zoeklicht op, en we zien op allebei de dekke zoo'n troepje manne... Toevallig ligge we 't dichtst bij 't wrak, dat 't voorschip geweest mot zijn; we lage met de sleepboot bove de wind en bezuie de stroom... En meteen vechte we de reddingboot door de branding heen.... Daar sting me 'n zee, brokke water als stadhuize... 'Maar we rake bij 't wrak, en prakkiseere 'n lijntje aan boord... We werke om m'n eigen boot vrij te houe, want dat is de heele foef, om je eige gevaar geen moment uit 't oog te verlieze ... -- want als je boot lek slaat op zoo'n wrak, nou, dan benne niet alleen die andere drenkelinge, maar dan ben je met je eige volk ook verkouwe!... --

{Illustratie}

Langs de lijn hale we d'r acht binne onze reddingboot, stokers en olielui... "Wat stinke jullie naar de petrolie," snuif ik zoo. We dachte, dat ze olie op de golve hadde gestort.... Maar 't bleek 'n Engelschman te zijn, die van Rusland voer met tanklading petrolie, en door 't breke van de schuit dreef me daar de zee vol van die stinkolie... Tussche twee haakjes: we hebben in De Helder veertien dage die zelfde lucht in de kokker gehouwe, en de dooie vissche en vogels lage voor 't oprape langs 't strand.

"Ik ben nog an die redding toe... Ik zal eerst die acht geredde manne an boord van de "Atlas" afzette, die 'n paar honderd vaam buiten de felle branding lei...

{Illustratie}

Maar met die gekke zee, die dol te keer gaat, krijg 'k 'n jens van de sleepboot en slaat ie met z'n kont m'n helmhout stuk, ... met schaaf an 't roer, en de helft van onze rieme an splinters, om niet te spreke van al de verdere averij... Ik krijg m'n boot toch langszij van de sleepboot en die geredde kruipe wel an boord... Maar nog acht zitte d'r op dat voorschip, en de storm wier nog kwajer... Zoo was d'r geen beginne an... Die arme bliksems moste we in de steek late, en de "Atlas" sleept onze reddingboot foelspiet naar Nieuwediep.... -- "Reddingboot defek!" roept de kaptein de haven in. Hou nou toch je mond!" roep ik er overheen. "Ben ik de schipper van de reddingboot, of jij?" En in nog geen halfuur heb ik m'n schuit weer klaar... Sleept de "Atlas" ons weer naar buite... Wat zal ik je daar nou veel van vertelle?... Die andere acht krege we d'r ook af... En de zestien man van 't achter-schip wete we an boord van de "Herkulus" te scharrele... Opgeteld hebbe we 's morgens half zeve die heele ekiepaasje van de "Turbo", met geen mannetje te weinig, an de wal gebracht...

"Maar de "_Renow_" is de kwaaiste van allemaal geweest.... Die redding leit al weer langer terug -- in 1887 -- maar die staat me nog duidelijker voor m'n herinnering. En z'n eerste stuurman, die toen onder m'n ooge verdronk, die mot ik nog altijd met dat belabberde witte gezicht en z'n rooje kinbaardje voor me zien... "Help me?" riep-ie op z'n Duitsch, want 't was 'n Duitsche bark. Maar we mochte 't niet wage 'm te redde; hij was uit de mast geslage en tussche 't wrak van 't schip gespoeld, en daar mocht ik de reddingboot in zoo'n dolle zee niet tussche brenge, want aan alle kante stake de scheepsbinte als de slagtande van 'n beest in 't rond... Van dat schip was er toen al niks meer over. Ze sprake aan de wal al van 'n _vergeefsche_ redding, omdat de reddingboot terug had gemotte... Ik kon er m'n manne de derde keer niet meer in krijge... "'t Is niet te doen, schipper!", zeije ze, en dat ware toch geen kinders. Toen krijg ik de jongens van de loods-leerlinge aan de rieme en we late d'r ons weer heen sleepe. Dat was de vierde tocht in drie dagen, en nog altijd hinge daar buite op de uiterste punt van de Razende Bol, wat wij de Pannekoek noeme, in de enkele mast, die nog overend stond, die laatste manne van de ekiepaasje van de "_Renow_". 't Was 'n driemaster, met rijst voor Hamburg; maar z'n fokkie en groote mast ware al dadelik over boord geslage. Ze hadde zich vastgebonde, zoo goed as 't ging. Ja! 'n jong van zestien jaar glee' er de laatste maal, dat we d'r aan kome, dood uit de mast; die was van pure ellende omgekomme...

{Illustratie}

Langs 'n lijntje krijg ik zoo verbinding met 'n stuk ankerketting en daar langs konne we die laatste schipbreukelinge binne de reddingboot hale... In vier tochte, met 'n drie-daagsche onverminderde storm uit noordwest, hadde we d'r dus vijf-en-twintig man levend afgehaald... En van de vorige Duitsche Keizer heb ik toen 'n gouwe horloosie met inschrift gekrege en in dat zelfde jaar ook Broeder in de Nederlandsche Leeuw... Maar ik was twee-en-zestig uur aan één stuk niet uit de kleere geweest, en alsmaar vechte tege die storm. Zoodat 'n kapitein van de mariniers me onder m'n arm neemt en me naar z'n kamer brengt en me heete koffie en 'n cognakkie te drinke geeft. Toen zou ik naar m'n huis gaan, heel aan de andere kant van de stad, bij de windinrichting; maar daar krijgt ten leste de moeiheid me te pakke. En wat met me gebeurd is weet ik niet, maar ik wor' wakker en daar staat me 'n agent van politie voor me, en ik zit op 'n stoep. -- "Wat is dat nou, Rijkers?" vraagt die agent; die dacht zeker dat ik 'n stuk in m'n kraag had of dat ik daar m'n roes zat uit te slape; "waarom slaap je niet thuis?" -- "Nou," zeg ik zoo, "ik ben net opweg, agent, maar 't schijnt me onder de hand te zijn overvalle." -- "Vooruit maar, omdat jij 't bent!" zeit ie; hij dacht stellig dat ik sikker was, want toen ik opstond, om naar huis te gaan, waggelde ik op m'n beene... Zóó moei was ik!

"In 1893 had ik ook 'n goeie winter, want de reddingboot haalt er bij drie verschillende gelegenhede, kort na mekaar, de drenkelinge van drie schuite, die me door de storm al weer op de Haaksgronde ware gesmakt; dat ware twee Engelsche boote en een Deen. En van die laatste Engelschman, de "_Wanddle_", haal ik er 23 af... Toen kreeg ik 'n boodschap van 't havenkantoor, met de complimente uit Engeland "en of de schipper van de Nieuwediepsche reddingboot d'r 's wou optelle, hoeveel Engelsche hij al aan wal had gebracht?"

"Nou, wie telt dat zoo precies?... Als 't stormt met stukke water as kanonschote, en hardstikkend nacht, met die vuile, witte branding om je heen, dan kijk of vraag je niet of dat 'n Engelschman is, of 'n Duitscher!... Maar m'n dochter had 't waschlijstje bijgehouwe, en die gaat aan 't telle, en ze zeit:

"Vader, 't zijn d'r 195, die je d'r van af 1872 met je eige vlet en later met de reddingboot en Gods hulp heb magge redde..." -- "Mot je me nou!" vraag ik.

Ook noemt ze me de name van al die schuite, en jawel, dat ware 'r krek 'n dozijn reddinge, die ik me stuk voor stuk scherp kon herinnere; want dat cijfer van drenkelinge zal ook wel goed zijn geweest. Toen kreeg ik weer zoo'n medalje met 'n getuigschrift... Ik had er vòòr die tijd al een van de Koning van de Belse, 't burgerkruis, ook met 'n getuigschrift, omdat we zeve man van 'n Belsche visscherschuit, de smak "_Ferdinandes_" -- dat is geweest in 1887 -- in 'n vliegende storm van de Haaks hadde afgehaald... Afijn, ik had d'r al meer van die medaljes met de getuigschrifte d'r bij, want die heb m'n dochter altijd voor de arigheid bewaard...

"Zoo is d'r een van de manne hier uit De Helder, Dirk heette-ie, en de meeste reddinge had-ie in m'n reddingboot aan de rieme gezete; die zit nou in 't Prins-Hendrik-gesticht; wel twintig of dertig groote reddinge hêt die Dirk samen met me mee gemaakt, maar niks weet-ie d'r meer van, omdat al z'n getuigschrifte weg benne... Dat 's toch jammer, want wat hou je d'r anders van over?... De premies, die zijn zoo vet niet, dat je daarvan potte kan; dat eet je onder de hand zoo op... En 'n andere herinnering als zoo'n pampier in 'n lijstje hou' je dus niet over...

{Illustratie}

"Hier heb ik 'n Italiaansche opvarende, van 'n Engelsche schuit gehaald... Dat is nog kort gelee', en de medalje van de Koning Moeder -- ik had d'r al een met 't portret van 't Koninginnetje -- daar staat op "Heldenmoed en Naastenliefde"; die kreeg ik in 1907 met de redding van de "_Nina Paton_"...

"Die zat te rije in de storm op de Razende Bol; 37 man hale we d'r met de vlet af, en 'n kwaje redding omdat 't donkere nacht was en je dan de meeste moeite heb, met zoo'n ruwe boel om je heen, net precies te weten hòè je ze hebbe mot... As je ze niet benadere kan bòve wind en bòve stroom, laat 't dan maar... En altijd je door de sleepboot tot op 'n paar honderd vaam late trekke, en dan met de rieme of met 't zeil d'r op af, liefst dwars door de gekke branding, wat daar altijd maar op de Haaks raast.

"Met die "_Nina Paton_" was 't al zóó slim, dat 't water met brokke over de luike beukte... Maar al de bemanning krijge we in de reddingboot... Hoewel niet alles in eens, snap je wel?... De groote moeite heb je trouwens om dan weer uit de buurt van 't wrak te komme en je geredde mensche an boord van de sleepboot over te zette... Nou, bij die keer dat we de laatste lading zulle gaan hale, krijg ik twee vrouwe an boord, de hofmeesteres en 'n zuster van d'r... Die sla ik 'n touw om d'r middel en ik bind ze achterin de reddingboot naast me vast... Dat ware 'n paar flinke meide... Geen kik gave ze... Want toen hebbe we nog werk gehad om ons eige lijf te berge... Daar was zóó'n geweld van water om ons heen, dat ik alleen maar de boot z'n kop recht op de zee kon houe... 't Was wel klare dag, maar zoo vuil weer, dat de sleepboot ons kwijt is... En omdat ik ook geen kans meer zie, 'm te bereike, tracht ik op eige gelegenheid m'n reddingboot tussche de Kapermeule-boei bij de Onrustplaat, en boei nommer negen van 't Westgat te loodse... Nou, dat lappe m'n jonges 'm handig, alsof 't God behaagt, zoodat we na wat tobbe weer knap alleenig thuis komme.

"Anderhalf uur later komt de sleepboot "Hercules" binne, met de boodschap, dat de reddingboot omgeslage mot zijn, want dat ie geen spoor van ons had kunne terugvinde... En zooals die keek, toen we daar al an de wal stonde... Maar wat ik je eigelijk wou vertelle van die twee vrouwe; Zweedsche ware 't, en geen woord gesproke of gelamenteerd, zoolang we daar tege de storm an 't vechte ware...

"Maar toen ze de volgende dag met de trein weg zoue gaan, beginne ze in-eens an 't station te zinge... Toen bleke 't twee vrouwelijke Heilsoldaatjes te zijn. En ter eere van de redders zonge ze voor ons 'n dankgebed an Onze Lieve Heer..."

In een Onderzeëer {Illustratie}

Bestaat er nog wel één jongen ter wereld, die na dezen vreeslijksten aller schrikkelijke oorlogen te water en te land, _niet_ zou gehoord hebben van een onderzee-boot?

Geen krant kun je opnemen, of er staat weer het geen of ander staaltje van kranigheid of boosaardigheid te lezen, uitgehaald door een der duikbooten van een der elkaar beoorlogende mogendheden...

Maar ik denk er niet aan, in jullie boek over de zee een beschrijving te geven van al hetgeen een onderzeeër al voor nuttigs en voor kwaads heeft uitgericht in de betrekkelijk weinige jaren, sedert dit scheepstype in gebruik is genomen.