Chapter 2 of 7 · 3987 words · ~20 min read

Part 2

Toch wil ik jullie jongens iets vertellen over de inrichting van zoo'n onderzee-vaarder, en als jullie naar me wilt luisteren wil ik jullie ook vertellen van een tocht, welken ik aan boord van een onzer Nederlandsche duikbooten onder water heb meegemaakt.

Eerst enkele woorden, om jullie een eenvoudig, maar duidelijk beeld te geven van zoo'n boot.

Het best laat zich een onderzeeër vergelijken met een reusachtige, holle sigaar, maar een, waarin zich menschen bevinden, om de verschillende werktuigen te bedienen en om torpedo's onder water af te schieten.

Het doel, dat deze vaartuigen beoogen, is het aanvallen van vijandelijke schepen, door, in hun nabijheid gekomen, een of meer torpedo's te schieten, of zooals de technische term luidt: te lanceeren.

Dit naderbij-komen doen ze niet openlijk, zooals de boven water varende oorlogschepen, voornamelijk dus als de eigenlijke torpedo-booten, -- maar ongezien, onder-gedoken, verscholen onder het water, naderen ze tot ze kans zien, den onderwater-aanval te wagen. Zelf blijven ze dus meestal onzichtbaar en dus... ontrefbaar.

Buiten het bereik van den vijand zal echter een onderzee-boot gewoonlijk boven water varen; dan doet ze het meest denken aan het scheepstype, dat torpedoboot heet. In dit geval worden de schroeven door petroleum-motoren gedreven. Doch zoodra de boot zich heeft laten zakken onder het water-oppervlak, wordt zoo'n manier van voortbewegen bezwaarlijk; deze heeft dus plaats door middel van electriciteit.

Voordat de boot gaat duiken, wordt alles wat aan dek staat, als hekwerk, luchtkokers, enz. zooveel mogelijk opgeborgen. De bemanning, welke beperkt is tot de hoogst-noodige hulpkrachten, verdwijnt in de boot. Alle openingen worden zorgvuldig luchtdicht gesloten.

Nu wordt het water binnengelaten in een paar afzonderlijk daarvoor ingerichte afdeelingen; door het water-gewicht zinkt de boot, totdat ze bijna onder water is verdwenen. Wanneer nu de schroeven in beweging worden gebracht en de boot vooruitgaat, kan men door middel van de horizontale roeren de boot op alle gewenschte diepten onder water bewegen.

Teneinde den kapitein in staat te stellen, te zien wat er boven water voorvalt -- opdat hij zich kan overtuigen of het oogenblik reeds gekomen is, om een vijandelijk schip te naderen en aan te vallen, wellicht ook of het beter is zoo'n vijandelijk oorlogschip te ontwijken -- steekt boven het dek van de boot een lange buis uit. Wanneer de duikboot niet te diep onder het zee-oppervlak vaart, kan men door deze holle buis, met behulp van verschillend-gestelde lenzen en spiegeltjes, beneden in den commando-toren precies zien wat er aan de oppervlakte van het water voorvalt.

Zoo'n toestel heet -- zooals elke jongen tegenwoordig wel weet, want hoeveel jongens zijn er niet, die zelfs bij hun speelgoed zoo'n ding bezitten, waarmee je, zonder zelf gezien te worden, om een hoekje kunt kijken -- een periskoop.

Dit is wel een van de voornaamste hulpmiddelen voor den kapitein, om uit te kijken. Zakt de duikboot dieper onder water, zoodat ook het bovenste puntje van den periskoop onder water is verdwenen, dan moet hij op zijn kompas varen.

Verder bevinden zich aan boord natuurlijk de toestellen voor het lanceeren der torpedo's, en de verschillende machines en reservoirs, daartoe noodig. Zoodat er voor de bemanning maar heel weinig ruimte overblijft. Daarbij komt nog, dat de luchtverversching daar beneden nog al wat te wenschen overlaat. Immers, je kunt geen lucht van buiten toelaten, zoolang het vaartuig zich onder water bevindt. Dus moet men zich maar behelpen door lucht te tappen uit de aan boord zijnde luchtreservoirs, gevuld met saâm-geperste lucht.

Toch bestaat er, al die onaangenaamheden bij elkaar genomen, veel minder gevaar voor ongelukken onder dan boven water. Bijvoorbeeld is men er betrekkelijk veilig tegen stormgevaar, wanneer de boot onder gedoken is. Daartegenover staan natuurlijk weer een aantal kwade kansen, die je op een boven water varend schip niet loopt.

Over dit alles behoef ik jullie, met je voldoende ontwikkelde jongensverbeeldingskracht, niet uitvoeriger te onderhouden. Ik denk, dat jullie het veel belangrijker vindt, te lezen, hoe ik zelf eens zoo'n duiktocht meemaakte?

Ik meldde me daartoe aan de Vlissingsche haven, waar een luitenant-ter-zee onzer Nederlandsche marine, die kapitein is van de daar voor anker liggende onderzeeër, me aan de sluis opwachtte, om me dadelijk uit te noodigen, mij aan boord te begeven van dat wonderlijke ding, dat op alles geleek... behalve op een schip.

{Illustratie}

Uit het nauwe ijzeren torentje, even uitstulpend boven het glad-stalen dek, wenkte de commandant me, hem naar omlaag te volgen.

"Welkom aan boord van den "Luctor"!... en u gaat dus zoo 's mee?... en toch ook _onder_ water?"

"Graag!" antwoordde ik, en nauwelijks was ik beneden, of boven onze hoofden werd op het torentje het deksel al dichtgeschroefd.

Daardoor kwam er van boven geen licht meer; boven mijn hoofd hoorde ik tegen de stalen dekplaten de pruttelende geluidjes van klotsend water. Ik begreep, dat de duikboot al zinkende moest zijn. De bevelen van den commandant volgden elkaar snel en scherp op.

Elk bevel werd door een der bemanning beantwoord.

"Midscheepstank is vol, meneer!...." -- "Buitenboordskleppen zijn dicht, meneer!" -- "Hoofdballast-tank is vol, meneer!..."

"De boot helt naar bakboordzijde;.... geef stuurboordzijde-tank nog wat... Is de voortank leeg?"

"Bijna leeg, meneer!" -- "Zet 'm dan af." -- "Ja, meneer!"

Daarna sprak niemand meer.

De motor ratelde met fellen donderrommel, zoodat de echo's met scherpen dreun langs de stalen wanden rondspookten; ... uit een hoek siste het; ... dan was het, of de haastende slagen van den motor zachter en doffer klonken; ... alle geluid scheen zich op te lossen, weg te doezelen als in een droom... Het hamerde tegen m'n slapen, omdat de saâm-geperste lucht het ademhalen bemoeilijkte; maar na een minuut of wat was ik aan dit gevoel gewend.

En nu lette ik verder uitsluitend op het groote wijzerbord, waarlangs een naald regelmatig voortschoof, dan vooruit, dan achteruit, nu eens naar het cijfer 15, dan weer terug naar de 10.

Ik wist, dat dit de diepte in voeten aangaf, waarop we nu onder water voeren. Soms helde de boot sterk naar voren, zoodat ik het lichaam mee moest laten hellen; dan wees de voorkant weer omhoog, zoodat ik achteruit moest leunen om in evenwicht te blijven. En bij elke beweging omlaag trachtte ik het onaangename gevoel van mij af te zetten, dat mijn niet meer te openen kerker voor goed, steeds lager, steeds dieper in de waterkuil gleed...

Dit duurde een half uur, een uur, anderhalf uur?... Ik weet het niet meer. Doch het scheen eindeloos. Tot dan eindelijk een korte, driftige machine-bel tingde, en dadelijk stond de motor stil. Tegelijk klonken weer de korte bevelen van den commandant naar het bedieningspersoneel.

De matrozen werkten haastig en handig; ... het siste door de dikke buizen langs de wanden; ... in de peilglazen daalde het water; ... met zenuwachtige stoten schokte de naald over het wijzerbord, dat ik nog steeds bestaarde.

Maar dan klonk er boven me, in het nauwe torentje, een zacht geknars; daar tuimelde een eerste schemerende lichtstraal van omhoog; en ook een frissche luchtstoot streek van boven tot ons neer.

Reeds klauterden de zeelaarzen van den commandant door het kokertje naar het dek; uit het tunneltje riep hij naar me, of ik hem niet wilde volgen?

Door de toren-opening stroomde die goede sterke lucht van de zee als een krachtige stortvloed omlaag; ik moest er tegenin klimmen.

Toen, vlak over den rand van het dek-torentje, zag ik haar weer: de zee!

Ze lag kalm, met stil gekartel van goud-gekamde golfjes; als een maatloos koepelend dak welfde zich daarboven de blauwe effen hemel.

En ineens stuwde het gezonde bloed naar mijn wangen terug, zoodat die koele kloeke commandant spottend naar me riep:

"Daar beken je weer kleur!... Je had straks toch geen last van zeeziekte?"

Neen, ik weet zeker, dat het ditmaal geen zeeziekte geweest was; maar ik jokte er maar liever om, en antwoordde hem, dat ik me straks een beetje onpleizierig had gevoeld. Ik zei dit maar, omdat het wat dwaas zou geweest zijn, tegenover dien wakkeren zeeofficier, over een gevoel van angst te hebben moeten spreken.

Hij liet me ook niet aan het woord.

"Zooals je hebt gezien, is er eigenlijk niets aan, om zoo'n duikpartij mee te maken aan boord van een onderzeeër!..."

Van verre kwam de torpedo-boot "_Wajang_" full-speed op ons af; de zwarte rook-slierten joegen er achter aan.

"Weet je wat," overlegde m'n duikboot-commandant; "als je onze duikbeweging nu eens goed wilt zien, dan laat ik je aan boord van de "_Wajang_" afzetten. Straks duikt de "_Luctor_" nog eens voor je, en dan kun je alles van boord prachtig zien. Afgesproken?"

{Illustratie}

Reeds praaide hij den commandant van de torpedoboot, of die me wilde komen opnemen.

En zoo heb ik dan de tweede duikproef kunnen zien van af het andere schip.

Daar zag ik van het dek van den "_Wajang_" wat er nu gebeurde aan boord van m'n onderzeeër. Eerst kwamen de matrozen uit het torentje gekropen, takelden het verschansinkje af, gaven de koperen stangen naar omlaag; dan verdwenen ze één voor één van het dekje; het laatst wipte de commandant zijn zeelaarzen over den rand van het torentje, daalde in het nauwe kokertje af. Dan sloot weer langzaam het deksel boven hem dicht.

Eenige minuten bleef de onderzeeër zoo varen, een streep van het glimmende dekje boven water, het eenzame torentje er boven-uit, met een klein vlokkig schuimkopje voor den boeg, en wat wild water achter zijn schroef. Het leek aldus een vreemd en geheimzinnig, eigenlijk een onbeheerd vaartuig, een schepping van Jules Verne, zooals dit vaartuig daar nu zonder menschelijk leven erop of erin, voort schoof door de zee.

Nu begon langzaam het torentje te zakken; het dekje was het eerst verdwenen, dan dompelde ineens het torentje onder, ... een smal wit randje, -- en niets meer.

Dit duurde weer een half uur; misschien langer, wellicht korter. Het scheen me alweer een eeuwigheid...

Ik wist wat daar onder water nu gebeurde!... Ik kon ze me voorstellen, die zwijgende, moedige, kerels, ieder bij zijn eigen toestel, klaar bij de kranen en hefboomen; het turen naar de peilglazen, het staren op het wijzerbord, waarlangs de naald regelmatig voortschokte ... vooruit .... achteruit... En midden in het vaartuigje, in het nauwe torentje, de commandant, het stuurwiel in de handen, en hoe zijn bevelen kalm en kort naar beneden klinken moesten, om eentonig herhaald te worden door de matrozen en machinisten.

Ik wist immers alles wat daarginds -- waar? -- nu zou gaan gebeuren, te midden van het wilde gewentel der wielen en het gestamp van den motor; met den snoerenden band om de slapen, de wrange lucht in de beklemdheid van die kleine stalen gevangenis, die meters diep ergens onder de zee voort-schoot.

En ik wachtte maar, wachtte ... _tot_ ergens boven de wijde eenzaamheid der zee zich iets zou vertoonen.

Toen, in-eens, vlak naast onzen "_Wajang_", borrelde even het water, en meteen kwam het kleine torentje boven water uit!

Ik zag het deksel opengaan; uit het kokertje staken het hoofd en de schouders van den commandant; ... ik zag zijn witte trui, ik onderscheidde zelfs de blonde knevels, opgedraaid boven den vroolijken mond.

En eensklaps begon ik te wuiven naar dat vreemde, wonderlijke verschijnsel, naar die kleine, zonderling gestreepte schelp, die daar als van den zeebodem opgedoken kwam.

Nooit bracht ik vuriger groet aan onze Nederlandsche Marine dan toen!

Van een Amerikaanschen kapitein en een leuken scheepsdokter {illustratie}

Er wordt wel eens beweerd, dat in den tegenwoordigen tijd de gezelligheid is zoek geraakt, welke vroeger het maken van lange zee-reizen kenmerkte. Tot op zekere hoogte is dit waar. Dat komt, omdat onze moderne zeeschepen veel te groot zijn, om het den reizigers mogelijk te maken, hetzij het geheele vaartuig van boeg tot plecht, van beneden tot boven te leeren kennen; en dat komt ook, omdat het aantal passagiers dikwijls te groot is, soms wel ettelijke duizenden, zoodat iemand gedurende de reis zich voelt, of hij zich bevindt in een vreemd stadje, waarvan de bewoners alle talen der wereld spreken, van wie er niet één bij een ander behoort, zoodat er bijna niemand is, die gedurende de reis eenig belang stelt in zijn omgeving.

Hoe grooter het schip, waarmee je vaart, -- hoe sterker je dit verschijnsel zult waarnemen. Doch aan den anderen kant is dus ook waar gebleven, dat hoe kleiner het schip is, waarop je een zeereis maakt, hoe meer gelegenheid je hebt, met de mede-passagiers en ook met de leden der bemanning kennis te maken.

Zoo herinner ik me als een van m'n aardigste zee-reizen den langen overtocht van Yokohama, de Japansche haven aan de oostkust van het Aziatische werelddeel, naar San Francisco, de westelijke haven van het Amerikaansche werelddeel.

En van eenige der eigenaardigste leden der equipage, den kapitein en den scheepsdokter, wil ik jullie vertellen, om jullie een indruk te geven van twee van zulke bizondere personages aan boord.

De kapitein sprak onvervalscht Amerikaansch; daartoe kneep hij zijn neus dicht, zonder zijn handen te gebruiken, en probeerde dan zijn gerekte klanken er door te snauwen; hij was ònverstaanbaar. Zelfs zijn landgenooten betreurden dit, want hij moest een hartelijk man zijn, die met iedereen een dagelijksch praatje trachtte te maken, en waardig aan het hoofdeinde der tafel plaats nam, en verontschuldigingen voor zijn schip bedacht, wanneer het soms hevig slingerde op den weinig-stillen Stillen Oceaan.

De kapitein hield des Zondags inspectie, en sprak dan Japansch met de Japansche bemanning, en Chineesch met de koks en tafelboys, en Engelsch met de passagiers, en zuiver Amerikaansch met zijn stafofficieren, -- maar er was nooit iemand, die hiervan iets navertellen kon; niemand kon hem ooit verstaan. Hij gaf ook eens een korte verklaring bij de vertooning van een reeks lichtbeelden over Japan en de Vereenigde Staten, doch noch Japanners, noch Amerikanen herkenden zijn ongetwijfeld belangrijke aardrijkskundige aanduidingen.

Zondag-ochtends leidde hij de godsdienstoefening in het groote salon, dat dan met Amerikaansche en Japansche vlaggen behangen werd; hij snauwde dan door zijn neus bladzijde na bladzijde van de gebruikelijke formulieren af. Alleen de scheepsdokter, die hem als voorzanger ter zijde stond, was daaraan gewend, en wist wanneer hij den kerkgangers het teeken moest geven, om met de gezamenlijke antwoorden in te vallen.

Toch was hij een uiterst voorkomend kapitein! Want toen na den tienden dag de Hawaï-eilanden in de buurt kwamen en iedereen hem het onmogelijke kwam smeeken, om toch wat sneller vaart te maken dan de matige 325 mijl per dag, opdat wij niet 's ochtends, maar des avonds tevoren op Hawaï zouden aankomen, liet hij de machines halve kracht draaien om ons dus onzen zin te geven, opdat onze aankomst 's avonds viel.

{Illustratie}

Hij was een goed zeeman. Al ging onze reis niet vlug, wat niet zijn schuld was, toch kwam hij precies op tijd aan den overkant, na zeventien gelijkvormige dagen met niets dan zee en lucht, van den eenen kant van de grootste onzer wereldzeeën naar den anderen. En omdat er -- behalve de nietige Hawaï-eilandjes -- op heel dien langen weg geen stukje land, geen rotsje, geen zandkorreltje was, om er zijn koers naar te richten, vond ik het -- zooals ik trouwens èlke zeevaart knap vind -- een kranig stukje zeemanschap van hem.

Hij was een gelukkig zeeman bovendien, want als zijn reputatie gold, dat, zoo lang hij reeds tusschen Japan en Amerika voer, hij op elke reis naar San Francisco één dag had weten uit te winnen. Dat hij op zijn terugvaart dan telkens weer een dag verloor, vergat men wel-is-waar. Maar merkwaardig was dit verschijnsel toch wel. En de dokter, die zich verbeeldde, dat hij veel geest bezat, hield eens, terwijl al de jonge Amerikaansche meisjes dicht om hem heen zaten, een soort openbare rekenles, om uit te rekenen, dat de kapitein feitelijk _een jaar_ ouder was dan hij zich uitgaf, omdat hij bij het bereiken van zijn 50-jarig kapiteinschap, met gemiddeld zeven jaarlijksche reizen van Yokohama naar San Francisco, ongeveer 365 dagen zou hebben gesmokkeld. Toen de "Nippon-Maroe" op den zevenden dag na het vertrek van Japan den 180sten lengtegraad passeerde, was het dus de dokter, die een "drink" voorstelde op den smokkelenden kapitein; waarop deze weer een dankdronk uitbracht, welke echter voor niemand recht verstaanbaar was.

{Illustratie}

Ik denk wel, dat hij de rekenkundige opmerking maakte, dat hij op zijn heen-en-weer reizen evenveel dagen _oostwaarts reizende_ won, als _terugreizende naar het westen_ verloor.

De verklaring hiervan is de volgende, jongens!

De 180ste lengtegraad splitst den wereldbol in twee deelen. Bij elken graad, welke in westelijke richting wordt afgelegd, is er een verschil in zonnetijd van 4 minuten. Voor 2 x 180 of 360 graden geeft dit 360 x 4 = 1440 minuten, of 24 uur. Door het kunstmiddeltje toe te passen van den 180sten graad passeerende een dag te verspringen, houdt men de tijdrekening in orde. Toen Magelhaen zijn eerste reis om de wereld van oost naar west volbracht, passeerde hij in September 1519 den 180sten graad; bij zijn terugkomst bemerkte hij, tot zijn niet geringen schrik, dat hij één dag ten achter was, zoodat hij en zijn katholiek scheepsvolk steeds op verkeerde dagen hadden gevast!

Na den kapitein was de dokter de voornaamste man aan boord. Hij gedroeg er zich dan ook naar. Voor de zieken had hij slechts weinig tijd over, hetgeen in hun waarachtig belang was, zooals hij eens zelf met treffende zelfkennis opmerkte.

Er was een Amerikaansche dame, die zich op elk uur van den dag in steeds aantrekkelijker toiletten kleedde, en die de eenige was, in staat, den dokter bij zijn beroep te houden. Zij was bij het aan-boord-gaan uit haar rijtuig gevallen, had daarbij haar arm gekneusd. Met Amerikaansche onpreutschheid liet zij ons allen haar arm bekijken; doch alleen de dokter mocht die aanraken.

Er waren eenige ziekte-gevallen onder de voorschip-passagiers, doch daar dit "voor de brug" bleef, liet hij de behandeling aan een der bootslieden over. De zeezieke Japanners, die zijn hulp inriepen, bekeek hij op een afstand, omdat hij als Amerikaan de meening verkondigde, dat hij geen Japanners kon uitstaan, omdat hij hun gele huidskleur niet verdragen kon.

{Illustratie}

Eénmaal trad hij slechts als dokter op. Een dikke vreemdeling verscheen, met een stevig aangelegd hoofdverband aan tafel. "Wat beteekent dàt?!" vroeg iedereen. En toen fluisterde de een den ander toe, dat er in het rooksalon door de heeren onderling de een of andere verjaardag was gevierd, en het slingerend schip een der heeren zijn evenwicht had doen verliezen, zoodat deze met zijn hoofd op een tafelrand was gevallen. Gelukkig was de dokter er toevallig bij geweest.

"O!" zeiden de andere passagiers, ondeugend lachend, "zoo! zoo! was de dokter tegenwoordig geweest bij dat verjaardagsfeestje!"

Iedereen begreep toen wel, dat het er gloeiend feestelijk moest zijn toegegaan onder leiding van den scheepsdokter.

Onze dokter diende aan boord voornamelijk, om het gezelschap gedurende de lange reis in de goede stemming te houden. Hij had kleine handjes, vooral kleine voetjes, die in witte dekschoentjes gekneld staken; hij droeg onberispelijk uitgesneden ochtend-, wandel- en diner-jasjes, en onder zijn hoogen halsboord tipte een marinestrikje, dat als een vlindertje boven het glanzend overhemd-plastron fladderde.

Hij nam na tafel alle jonge meisjes beurt om beurt onder den arm en wandelde met elk driemaal het dek af; en de oudere dames vertrouwden hem al haar hartsgeheimen toe, wanneer hij gezellig naast haar dekstoel kwam aanschuiven en geduldig haar lange verhalen aanhoorde. Hij zong met een aardig smachtend tenoortje, en behalve wat wijsjes uit operettes, kende hij ook malle negerliederen en Spaansche ballade's, en neuriede drenzige Japansche geisha-liedekens.

{Illustratie}

Maar Zondagsochtends zat hij toch weer heel ingetogen naast den kapitein en wist precies, wanneer hij het teeken aan de gemeente moest geven om in te vallen; bij de plechtige gezangen zong zijn smachtend tenor-stemmetje, hoog boven het gemurmel der anderen uit.

De dokter was ook een vurig beoefenaar en practisch voorstander van sport. Hij bezat een oud jachtgeweer en daarmede lokte hij sommigen onzer op de achterbrug, en bedacht een toestel, dat de vele leege spuitwaterfleschjes in zee wierp, en ieder die een fleschje aan scherven schoot, werd statig ingeschreven op een uitvoerige lijst van prijswinners, om den laatsten dag plechtig gehuldigd te worden. Op de dokterslijst stond ten slotte èlkeen, want hij wist zijn wedstrijden zoo in te richten, dat elke passagier kans had op een der tallooze Stille Oceaan-kampioenschappen.

's Morgens kreeg ieder der passagiers, die dan al aan dek was gekomen, een langen schuifstok in de hand en moest met platte houten schijven mikken naar een nummerbord, dat op de planken afgeteekend stond. Deze kamp won een zeer luidruchtig Amerikaansch juffertje uit Philadelphia, van wie vooral de jongelui veel werk maakten, totdat er gemompeld werd, dat een der oudere heeren met streepjes-opschrijven in haar voordeel geknoeid zou hebben, om aldus zelf een streepje voor te krijgen. De partij slagbal won de Amerikaansche groep glansrijk tegen de andere vreemdelingen; maar de partijen waren niet eerlijk verdeeld, omdat elk Amerikaan een verzot slagbalspeler is, en er onder de anderen waren, die den slagknuppel voor het eerst en zelfs ten-onderste-boven hanteerden. Doch den volgenden dag legde Amerika het weer af met touwtrekken; en dat de tegenpartij het won, kwam door den Spanjaard, die, naar zijn listigen aard, het eind van het touw stiekum door een dekring had gehaald. Een hinderniswedstrijd won de Belg, die alléén bij de eindstreep aankwam, omdat alle overige nationaliteiten voor het roetvat teruggeschrokken waren. De Zwitser won den kegelwedstrijd; Bill, de Amerikaan, won het diabolospel; een Japanner won, dank zij zijn vlugge en verrassende sprongen, den schermwedstrijd; en de vele andere behendigheids-wedstrijden werden gewonnen door elk der dames één.

Nederland won óók een wedstrijd -- _ik_ mag er mij op beroemen! Want àl de sportende heeren deden mee aan dien hardloopwedstrijd. Die leuke scheepsdokter had 't bedacht; en dit ging zoo. We hadden elk een fleschje bier in de hand; aan het eind van het dek zaten de niet-sportende heeren met een kurketrekker op ons te wachten. Ze hadden ons fleschje te ontkurken, haastig leeg te drinken, en wie van ons dan het eerst zijn leege fleschje weer aan het begin van het dek terugbracht, had 't gewonnen.

Ieder onzer koos zijn eigen partij-genoot. Er was een dikke oude Duitsche heer en die wilde wel mijn helper zijn.

Dat won ik ze toen allemaal af, met wel een half dek voorsprong! Want toen ik tegelijk met de anderen kwam aangerend, had de Duitscher met beproefde hand den kurketrekker op de kurk gezet; meteen plukte hij er vaardig de kurk uit; met één klokkend geluid was het fleschje al door hem leeggedronken. Zelfs kon ik stapvoets terugwandelen naar de eindstreep, terwijl de rest zich nog wanhopig zat te verslikken.

{Illustratie}

Bij dit alles was de dokter de spelleider, de wedstrijd-regelaar, de kamprechter. Bij de prijsuitdeeling voerde de kapitein wel-is-waar het woord, doch de dokter moest het daarna duidelijkshalve nog eens over doen. Dan ontving élke dame een zijden zakdoekje en élke heer een paar manchetknoopen met den scheepsnaam er op, want elk van ons had immers een wedstrijd gewonnen.

Toen ik het gewonnen knoopenpaar eerlijk wilde deelen met mijn Duitsche wedstrijdgenoot, wilde deze daarvan niets weten; de Duitscher lachte gemoedelijk en zei: "Ik heb het beste deel gehad ... het bier!"

Scheepsspreekwoorden {Illustratie}

Die aan de steng kan komen, zal de vlag wel krijgen.

--o--

"Ik zal vóór niet afvallen", zei de stuurman, en hij stond achter het roer.

--o--

Naar de Oost is de wereld nog niet.

--o--

Wie jufferhanden heeft, moet met geen matrozen klop-in-'t-handje spelen.

--o--

Wie onder zeil is gegaan, moet aan boord blijven.

--o--

't Is leuk zeilen met den wind achter.

--o--

De voorspoedige wind maakt geen goed matroos.

--o--

Het moeten hooge masten zijn, die bij 't zwerk zullen zeilen.

--o--

Geef een hond een kwaden naam, dan mag hij wel over boord springen.

--o--

Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil.

--o--

"Daar geef ik de vierkante wereld om," zei de matroos.

--o--

Men moet het roer leggen over het boord, waar men het wil binden.

--o--

Een goed zeeman valt ook wel eens over boord.

--o--