Chapter 3 of 7 · 3956 words · ~20 min read

Part 3

Als de wind komt voor den regen, Daaraan is niet veel gelegen: Maar als regen komt voor wind, Berg je zeilen dan gezwind.

--o--

De beste stuurlui staan aan wal; De slechte vindt men overal!

--o--

Aan woorden en aan wind, neem altijd wat tegen het krimpen.

--o--

"Het is koel op zee," zei de snijder, en hij voer over den Amstel.

--o--

Zeeroovers tegen huns gelijken doen zelden goede zaken.

--o--

Hij ziet gaarne zout water, maar in zijn moeders vischketel.

--o--

Daar dienen geen twee groote masten op één schip.

--o--

Wie raakt er in den mars zonder touwtrappen en klimmen?

--o--

"Alle vrachten moet men lichten!" zei de schipper en hij smeet het eerst zijn vrouw over boord.

--o--

"Een stuivertje kan raar rollen," zei de matroos; want hij vond bij Kaap de Goede Hoop het stuivertje terug, dat hij bij Vlaardingen verloren had.

Met de Koningin aan boord van een onzer Oorlogschepen {Illustratie}

Den dag, dat onze Koningin zich had voorgenomen, een officieel bezoek te brengen aan een der oorlogschepen der Nederlandsche Marine, was het zulk afschuwelijk weer, dat niet slechts de leden der hofhouding, maar ook de marine-autoriteiten den raad meenden te moeten geven, af te zien van deze inspectie, en het betreden van het oorlogschip tot eenige dagen later uit te stellen, tot het booze weer wat gebeterd zou zijn.

Natuurlijk wilde de Koningin hiervan niets weten. Al gaf de stormwaarschuwingsdienst te Vlissingen nog zulke onheilspellende berichten, de bezoekster had dezen dag vastgesteld voor haar kennismaking met haar Nederlandschen oorlogsbodem en zijn bemanning; -- weer of geen weer. zij sprak als haar wensch uit, dat de tocht buitengaats zou plaats hebben. En zoo ging dit officieele koninklijke bezoek dan ook door.

{Illustratie}

Omdat dit het éérste bezoek was, dat onze Koningin aan boord van een der Nederlandsche oorlogsschepen zou brengen, was ik daar een boord genoodigd. Met nog een anderen journalist. Als goede kameraden en vrienden hadden we op onze manier krijgsraad gehouden. En daarna hadden we den commandant van het oorlogsschip onze bezwaren kenbaar gemaakt. Niet dat wij er tegenop zagen, bij zulk stormweer den tocht naar buiten mee te maken -- als immers de Koningin het goede voorbeeld gaf! -- maar we voelden ons eenigszins belachelijk, nu we daar aan boord zouden hebben te verschijnen, gekleed volgens de hof-etiquette, namelijk in de zeer weinig zeemansachtige dracht van rok-witte-das en hoogen hoed!

De commandant, een wijs man, wist aanstonds raad. Hij liet ons in olie-jassen steken, verschafte ons zuidwesters, zoodat we er waarlijk _eenigszins_ als loodsen uitzagen. Aldus waren we ook beter bestand tegen het grimmige weer, dat van alle kanten ons pantserschip besprong, toen het den boeg buitengaats stak. Aldus ontkwamen we ook tevens aan de anders ongetwijfeld ons deel zijnde belachelijkheid van hooggehoede landrotten aan boord van een oorlogschip, dat den koninklijken standaard laat wapperen!

Dadelijk buiten de Vlissingsche haven begon het oorlogschip te slingeren en te stampen, dat het een lust was. De hooge bezoekster had zich zoolang in de commandantskajuit begeven, teneinde pas later aan dek te verschijnen, wanneer het schip buiten zou zijn.

Ik wil jullie wel vertellen, hoe ik mij dien tusschentijd nuttig maakte, door dit oorlogschip eens wat beter te bekijken. Er waren eenige der zeeofficieren, zich dadelijk beschikbaar stellende, om aan mijn nieuwsgierigheid te voldoen.

En als ik daarvan voor jullie hier iets over vertel, dan is dit minder om te vertellen van al de oorlogstoerustingen, welke aan boord van een groot oorlogschip natuurlijk onmisbaar zijn, dan wel om jullie aandacht te vestigen op eenige bizonderheden, wat betreft de behandeling van dit schip, zijn besturing, commando- en communicatiemiddelen, waardoor zoo'n oorlogsbodem zooveel afwijkt van schepen der handelsvloot.

Daar is al dadelijk de zware commandotoren, waarvan het bovenste gedeelte gepantserd is, en dat zich hoog boven het dek verheft, alsof hij het geheele schip beheerschen wil. In het gevecht is in dezen toren de plaats van den commandant van het schip; van hieruit overziet hij den strijd, hier verneemt hij de resultaten van het geschutvuur op den vijand, zendt zijn bevelen uit naar de batterij- en machinekamers, bepaalt zijn koers en regelt de vaart.

In deze kleine ruimte wordt hij terzijde gestaan voor de bediening der spreekbuizen, sein-inrichtingen, het roer en somtijds nog de richt-middelen der torpedo-lanceer-inrichtingen, door twee of drie officieren, den roerganger en een of twee man. Het uitzicht naar buiten wordt verleend door een spleet tusschen den torenwal en een opschroefbare torenkap. De afstand tot den vijand, van af uitkijk-bordessen met afstandmeters bepaald, en de verbetering -- zoo noodig! -- in verband met de, uit een observatiepost in den mast waargenomen aanslagen der weggeschoten granaten, dit alles wordt naar een algemeen seinstation onder in het schip overgeseind. Ook worden hierheen de bevelen gemeld, op welk doel gevuurd moet worden en met welk soort munitie.

Dit alles liet ik me met de grootste belangstelling uitleggen. Welk een monster is toch zoo'n gepantserde oorlogsbodem!

Maar hoewel onze vaart met dit zwaar-gewapend vaartuig stormachtig was, zoodat het oorlogschip steigerde op de grauwe, schuim-gekopte golven, -- toch was de tocht een vreedzame. Ons oorlogschip trok, God-zij-dank! niet ten oorlog uit. Wij hadden de Koningin aan boord voor een vredelievende inspectie!

En terwijl de bezoekster nog in de tot statievertrek ingerichte commandants-kajuit vertoefde, ging ik met mijn hulpvaardige geleiders het verdere schip rond. Ze lieten me alles zien, waarin ik als onbevaren, niet-militaire leek slechts belang kon stellen. En dat was veel, -- zooals je wel kunt begrijpen. Wie van jullie had daar niet in mijn plaats aan boord willen zijn!

Zoo zag ik het bovengenoemde seinstation, geplaatst beneden in het schip, evenals de sein- en communicatiemiddelen, onder de waterlijn van het schip gelegen, en dus beschut voor 's vijands vuur. Daar waren te vinden de stuurinrichtingen, de spreekbuizen en schellen, kompassen en verschillende telefoon-aansluitingen met de batterijen en machinekamer.

Daar aanschouwde ik den ziekenboeg, met de daarachter gelegen operatie-kamer; verder de volks-logiezen, de tafels en banken in het midden geplaatst, de kisten tegen boord, de kastjes tegen den muur, met het eetgerei van Janmaat daarin; de hangmatten netjes opgetuigd, ter eere van het deftig bezoek aan boord.

{Illustratie}

En nu gingen we langs de batterijen, voorbij de groote vuurmonden, door de munitiekamers, -- kortom, alles wat tot een modern oorlogschip behoort, en waardoor zoo'n stalen oorlogsbodem in staat moet zijn, een vijandelijken aanval te doorstaan, en, als het moet, ook zelf de kanonnen af te vuren, teneinde de eer onzer Nederlandsche vlag hoog te houden.

Daar hoorde ik boven aan dek het joelen der matrozen!

Ik spoedde me naar boven.

Even had ik dus een blik mogen slaan aan boord van een onzer groote oorlogschepen, een vluchtigen indruk opgedaan van het scheepsleven aan boord. Misschien kon ik me alles nu beter voorstellen, wanneer later gesproken werd van de daaraan verbonden harde ontberingen; maar ook zou ik me duidelijker kunnen voorstellen, wanneer er sprake zou zijn van al de vele aantrekkelijkheden, welke het leven aan boord van een oorlogschip kenmerken.

Prachtige kerels! dacht ik.

Dat vrije gevoel van den zeeman, zich losvoelend van het beklemmende steedsche, van het alledaagsche, van het gewone gedoe aan land; een vrije kerel midden op den oceaan, aan alle kanten omringd door een oneindige watermassa, boven zich het onmetelijke hemelruim.

Hoe leeren ze aan boord van zoo'n oorlogsschip de moeilijkheden overwinnen; hoe gaan ze hier op elkaar vertrouwen; hoe worden hier de karakters gevormd en gestaald; hoe leert men elkaar over-en-weer waardeeren!

Toen ik aan dek kwam, bleek de storm nog kwaadaardiger te zijn gaan spoken.

{Illustratie}

Telkens spatten de zware zeeën tegen de scheepswanden; en dan striemde het water met driftige slierten, als zweepslagen zoo scherp, over het dek, dat glom van het overstroomende water.

Maar daarop lette ik niet. Ik wilde mijn aandacht geven aan iets anders dan aan het woeste geweld van den storm. Ik stond weggescholen, terzijde van de commandobrug, gehuld in m'n oliejas, den zuidwester stevig om den kin gebonden.

De Koningin was aan dek verschenen; zij had haar verlangen te kennen gegeven, het manoeuvreeren van het oorlogsschip, staande naast den kapitein, te volgen. En ik was heel nieuwsgierig, hoe onze Koningin zich daar staande zou houden op de commando-brug van het zwaar-slingerende schip.

Daar zag ik nu boven op de commando-brug, in den driesten wind en het gestriem der regenbuien, terwijl telkens de driftige golven zich te pletter kwamen beuken tegen ons bakboord, -- daar zag ik omhoog het kleine figuurtje eener jonge vrouw staan, de Koningin. Zij was gehuld in een eenvoudig grijzen regenmantel; met de eene hand hield ze den hoed vast, met de andere klemde zij den mantel samen, omdat deze telkens bol opwoei in den rukkenden stormwind.

Op de reede lagen enkele onzer oorlogsschepen, op de wilde zee te hobbelen, om hun Koningin met vlagsein en kanon-gebulder het saluut te brengen. Voor elk dezer bodems had de Koningin haar groet; van de hooge brug van ons schip boog ze telkens even, een bevallige, koninklijke nijging voor elk donderend saluut, voor elken dalenden standaard. Zij bleef rustig staan in den storm.

En als dan de revue was afgeloopen, en de Schout-bij-nacht met oprechte woorden van bewondering de Koningin toesprak, om haar hulde te brengen namens de Nederlandsche Marine, haar dankend voor haar bewijs van belangstelling, waardoor de banden nog meer versterkt waren, welke onze marine verbonden met Hare Majesteit, -- toen antwoordde zij eenvoudig en kalm met een: "Ik dank u voor de gevoelens, die u vertolkt namens mijne marine."

Op dit "_mijne_" werd, naar het mij voorkwam, even door onze Koningin de klemtoon gelegd, zooals zij dit weet te doen, wanneer zij zoo zuiver onze Nederlandsche taal uitspreekt.

En ik, -- als toeschouwer tegenwoordig geweest bij deze eerste kennismaking van de Koningin met de Zee, -- ik heb na dèzen dag nooit vergeten, hoe zij daar, op de commando-brug staande van haar oorlogsbodem, onbewogen in de felle stormslagen, zich dit recht verworven had.

'n Tochtje met/de nieuwe Reddingboot {Illustratie}

Ik wil jullie hier iets vertellen over de manier, waarop in ons land het reddingwezen ter zee geregeld is.

Waarlijk niet een van de minst belangrijke onderdeelen van onze vaderlandsche zeevaart, jongens!

In Nederland bestaan er twee vereenigingen, welke er haar afzonderlijk werk van maken, zorg te dragen, dat er bij storm aan onze kwade kust en bij het verkeeren van schepen in nood, hetzij ergens op het strand, dan wel bij een der vele brokkelige insnijdingen in onze kustlijn van rivier of binnenzeeën, dadelijk pogingen in het werk kunnen worden gesteld, om een schipbreuk te voorkomen, en zoo zulk een ramp onherstelbaar is, tenminste de opvarenden veilig en wel aan land te brengen.

Hier zijn twee namen, die elke Nederlandsche jongen uit het hoofd moet kennen: de "_Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij_", gevestigd te Amsterdam, en de "_Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen_", waarvan de zetel te Rotterdam is te vinden.

Over de heldhaftige daden van de eigenlijke redders hebben jullie in een vorig hoofdstuk al een afzonderlijk verhaal gelezen, namelijk dat van den Levensredder uit Den Helder, "opa" Rijkers, die goed geteld 36 reddingen en 471 geredden op z'n boekje heeft staan!

Maar hier wilde ik jullie het een en ander vertellen over de manier, waarop een van de nieuwe reddingbooten dezer maatschappijen haar eerste stormreis volbracht. En daaraan moet ik wel laten voorafgaan een beschrijving van de inrichting dezer redding-maatschappijen, -- iets wat jullie om den drommel niet mogen overslaan!

Het was bijna honderd jaar geleden, dat aan de kust bij Huisduinen een scheepsramp plaats greep, die de menschen zoo deed ontstellen en hen zóózeer overtuigde, dat onze reddingsmiddelen geheel onvoldoende waren, dat men in het jaar 1824 besloot de handen ineen te slaan en het reddingwezen in Nederland behoorlijk te regelen. In dat jaar werden toen beide maatschappijen tegelijk gesticht; de een zetelde te Amsterdam, de ander te Rotterdam, beide het werk aldus verdeelende, dat de eene maatschappij zich zou belasten met de kustbewaking langs den noordkant, en de tweede met de verzorging van het reddingwezen langs de zuidelijke kusten van ons land.

{Illustratie}

Beide maatschappijen richtten daarop een aantal kust-stations op, voorzien van het noodige reddingmateriaal, hetwelk bij voorkomende gevallen, onder deskundige leiding, ter beschikking van onze stoere kustbewoners gesteld kon worden, om een poging te wagen, de in doodsnood verkeerende medemenschen op zee ter hulp te snellen. Geregeld werden oefeningen gehouden met booten, schiet-toestellen om lijnen over te brengen tusschen het schip in gevaar en de reddingboot of de kust; de daartoe beschikbaar gestelde redders werden ook geoefend in het bijbrengen van drenkelingen. Kortom, het geheele moeilijke reddingwerk werd zoo goed mogelijk geregeld, om steeds gereed te zijn, wanneer daarginds in de dolle, witte branding een schip in gevaar verkeert.

Het aantal schipbreukelingen, reeds gered dank zij de middelen der beide maatschappijen, bedraagt niet minder dan 7000 menschenlevens...! Je ziet dus, dat dit nog eens de moeite waard mag heeten.

Willen jullie ook weten, waar deze stations langs onze kust te vinden zijn?

De "Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij" heeft de hare te Rottum, Schiermonnikoog, Ameland, Terschelling, Vlieland, Texel, Nieuwediep, Callantsoog, Petten, Egmond, Wijk-aan-Zee, IJmuiden, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Moddergat, Harlingen, Gaast en Hinde loopen. Tezamen beschikken deze "stations" over 34 redding-vaartuigen, waarvan 2 motor-reddingbooten en 20 lijnwerp-toestellen.

De "Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen" heeft "stations" te Ter-heijde, 's Gravenzande, Hoek-van-Holland, Brielle, Hellevoetsluis, Oudorp, Brouwershaven, Burgsluis, West-Kapelle, Vlissingen en Sluis aan de Wielingen. Het materiaal bestaat uit 16 reddingvaartuigen, waarvan 2 motor-reddingbooten en 2 stoom-reddingbooten, en 10 lijnwerp-toestellen.

{Illustratie}

De reddingbooten, welke niet met behulp van een stoommachine of motor worden voortbewogen -- natuurlijk zijn deze laatste de beste -- worden voortbewogen door riemen en zeilen; terwijl ze nog onder-verdeeld kunnen worden in zelfrichtende- en niet-zelfrichtende booten.

De eerste soort booten worden meestal gevonden op plaatsen, waar het reddingstation gelegen is aan een haven, zoodat de reddingboot langs een helling in de haven kan worden neergelaten. De niet-zelfrichtende reddingboot is meer een strandboot en moet met behulp van een wagen over het strand naar de plaats worden gereden, waar de redders zich het dichtst bij de schipbreuk bevinden.

Eer ik jullie iets over zoo'n redding-vaart zelve vertel, moet jullie me nog even je aandacht schenken, om jullie te beschrijven, hoe het meest voorkomende type reddingboot, dus de strandboot, er wel uitziet.

De boot is voorzien van een dek, zooals alle reddingvaartuigen in Nederland er een bezitten; en hieronder bevinden zich 8 water-ontlastbuizen, welke dienen om het overstroomende water weer dadelijk kwijt te raken. De ruimte onder het dek is zooveel mogelijk opgevuld met koperen luchtkisten. Ook vin' je er een water-ballasttank in; verder een middenzwaard voor het evenwicht der boot; en natuurlijk het noodige zeiltuig.

De eigenlijke inventaris -- de beteekenis van dit woord begrijpen jullie wel uit het volgende -- bestaat uit riemen, van eschhout vervaardigd, zwemvesten van kapok, een anker en een sleepzak. Deze laatste dient, om, bij het landen door een hooge zee, het dwars- en omslaan van de reddingboot te verhinderen.

De door een machine voortbewogen reddingbooten worden niet voortgestuwd door een schroef; neen, hier wordt het systeem toegepast, dat het water met kracht wordt uitgestooten, hetgeen de vereischte voortbewegingskracht vormt. De machine brengt namelijk een centrifugaalpomp in beweging, die het zeewater door een breede buis in het vlak van het vaartuig opzuigt. Deze buis vertakt zich weer in buizen, welke naar voren en achteren buitenboord uitmonden. Door het water naar achteren te spuiten, beweegt de machine dus de boot vooruit; spuit ze het water naar boven, dan beweegt het vaartuig zich achteruit. Terwijl men ook, door aan de eene zijde het water vooruit en de andere zijde achteruit te doen uitspuiten, de boot kan besturen. Natuurlijk begrijpen jullie wel, dat het een groot voordeel oplevert, dat zulke booten niet op een schroef zijn aangewezen om vooruit te gaan.

De vaklui beweren echter, dat het aller-beste model voor een reddingboot datgene is, waar een motor de voortbewegende kracht oplevert voor de machine. Beide maatschappijen hebben er eenige op haar voornaamste "stations" ter beschikking.

En al is het nu niet bepaald gisteren gebeurd, toch wil ik jullie hier iets vertellen over een dezer motor-reddingbooten, en hoe ze in dienst werd gesteld op een stevigen stormdag in de kwaje maand November.

De stormwind gierde langs het zwerk, zwaar weer uit het noordwesten, en een zee zoo ruw, als je maar wenschen kon voor een proeftocht met een nieuwe reddingboot, die het bewijs had te leveren wat ze waard was!

Drie dagen achtereen duurde de proefvaart. Maar de nieuwe motorboot, "De Brandaris" geheeten, naar den geweldigen vuurtoren op Terschelling, ranselde het ruige water, en met haar sterken kop rameide ze de wilde waterbergen, die haar woest besprongen.

Al dadelijk buiten de Oranje-sluizen, de rumoerige Zuider-Zee op, liep de boot z'n 8 mijl per uur, en dat tegen het tij in. 's Morgens acht uur buiten en 's middags 4 uur al in Terschelling binnen. Dat is 72 zee-mijlen. Niet kwaad voor 'n begin!

Al dadelijk kon de boot ook laten zien, hoe ze zich hield in het Stortemelkgat, waar 'n zee stond van wat-ben-je-me! Dat ging best. Den volgenden dag blies de wind nog wat harder. De zeelui schatten de kracht van den wind in meters per sekonde; het woei uit het kwade noordwesten met een vaart van 6 tot 7 meter. 'n Holle zee. Ja, dat was wel wat de nieuwe reddingboot begeerde, om haar proef af te leggen!

De schipper van "De Brandaris" koerste door het Boomkensdiep tot de vaarton aan den Engelschen Hoek, naar de gevaarlijke Zandplaat, waar zoovele schepen vast raken in den storm; en dan door den ingang van het Thomas Smit Gat. Het water roerde zich ongemakkelijk. Niet meer dan 14 voet water, -- dat is niet veel als de zee hol staat!

{Illustratie}

Maar hij dee 't! Aan den wal stonden al die zeerobben uit te kijken. Dat zijn daar allemaal zoowat vaklui. Als er bij de eilanden boven Den Helder 'n schip in nood zit, staan ze al bij bosjes op hun kans te loeren, om mee te helpen "gnusjen", -- zoo noemen ze daar het reddingwerk met hun eigen woord.

Zoo heel veel vertrouwen hadden ze aan den wal niet, toen die "nieuwe motoor" de wilde zee op ging...

Maar na haar eersten proeftocht door stug weer, met een stormwind uit den leelijken hoek, kregen ze er wat meer eerbied voor!

De volgende dag was echter 'n nog smeriger dag. "Zooveel te beter", dacht het volk van "De Brandaris", -- "nou kunnen we eens laten zien wat onze boot precies kan in den storm!"

D'r stond buiten een hooge zee, en de wind was pal noord geloopen. Weer het Stortemelkgat in, tot de stompe ton daar, die het nummer 3 draagt; toen bij ton nummer 5, bij het Schuitengat, naar de buitengronden. Br! zooals 't er spookte!... Maar toch heen-en-thuis-terug, een afstand van 16 zeemijl, in zoowat twee uur. Mooi zoo!

Toen ging de wind minderen. Maar de schipper kende dat wel. Buiten was het heele water "dicht" en vol branding. Terug, dat ging niet; en dwars door zee leek al te gevaarlijk, zelfs voor een reddingboot...

En daar wil het geluk, dat gemeld wordt, hoe er buiten een schip zit vastgeloopen. Van Ameland was het bericht geseind, en vijf sleepbooten stoomden er op af, om 'n handje te helpen. Later bleek, dat het schip zich zelf had kunnen vrij maken; maar dat wisten de kapiteins van de sleepbooten toen nog niet. En ook de schipper van "De Brandaris" wist dat evenmin. Zoo werd 't dus een soort wedstrijd, wie er het eerst bij zou zijn.

Nu was het aardige van het geval, dat de sleepbooten, die daar toch anders al wat zware zee gewend waren, met het nijdige weer er de brui aan gaven, den kortsten weg te nemen; dan hadden ze door dat gemeene Thomas Smit Gat moeten sturen. Maar de reddingboot koos den kortsten weg, dwars er door. Terwijl de vijf andere buiten-om stoomden.

Ze konden de kleine reddingboot zien werken in de zware branding.

En toen dan "De Brandaris" er goed door kwam, had ie 't ook voor goed gewonnen bij het Terschellingsche zeevolk. Daar gingen de petten en mutsen af. En joelen en wuiven naar dat kleine, sterke, kranige ding!

Zoo was zijn proefvaart, het pleziertochtje van de nieuwe motor-reddingboot.

Later heeft ze wel bewezen wàt ze inderdaad waard was, als ze er ècht uit moest, op 'n schipbreuk af, om ginds menschen te redden van den dood!

Op een "Reuze"-Schip {Illustratie}

Wil ik jullie eens een beschrijving trachten te geven van een van de grootste schepen, die de wereld-zeeën bevaren?

Ik noem er den naam niet van. Helaas! wie weet, of er vandaag of morgen zoo'n prachtige drijvende stad niet door den een of anderen gluiperigen onderzeeër in den grond wordt geboord?

Het Nederlandsche schip, dat ik op het oog heb, en waarop ik een reis over den Atlantischen Oceaan heb gemaakt, van de Amerikaansche hoofdstad New-York naar Europa, dit schip was zóó groot, dat de week, welke ik er aan boord doorbracht, veel te weinig tijd was, om het geheele vaartuig te leeren kennen.

De afmetingen van dien kolos waren eventjes 250 meter lengte, met een diepgang van 10 meter; en de inhoud was tusschen de 30.000 en 40.000 scheepstonnen.

Het aantal menschen dat de reis tegelijk met me maakte, bedroeg ongeveer 5000 personen. Ik heb ze niet nauwkeurig geteld. Ze waren over het geheele schip verdeeld, -- van de commando-brug, tot diep onderin de laagste scheepsruimten, waar de machine-vuren worden gestookt.

Om het schip voort te bewegen waren machines noodig, en deze werden aan den gang gehouden door electriciteit en stoom, waarvoor dag en nacht een aantal geweldige vuren moesten worden gestookt. Om de benoodigde voorraad steenkool aan boord te laden, waren noodig geweest 30 treinen, elk bestaande uit 28 tien-ton-wagens, geladen met steenkool.

Teneinde al die menschen gedurende de reis te voeden, had men aan boord als proviand meegenomen een hoeveelheid vleesch, welke afkomstig was van 50 koeien, 150 schapen, evenveel varkens, alles geslacht in halve of kwart-beesten. Deze vleesch-voorraden waren in de koelkamers opgehangen, opdat gedurende de geheele reis -- zelfs voor het geval, dat zoo'n reis langer dan eenige weken mocht duren -- steeds versch vleesch op tafel zou zijn. Verder bestond het proviand uit onnoemelijke hoeveelheden boter, kaas, vruchten (6000 kilo), meel (40.000 kilo), thee, koffie, wijnen, -- en dit alles in reusachtige voorraden.

Om het schip te besturen, de machines te bedienen, de vuren te stoken, de dekken en kajuiten schoon te houden, om al die passagiers van 1ste, 2de en 3de klasse te bedienen, waren er meer dan 1000 man personeel noodig.

{Illustratie}

Eerst natuurlijk het hoofd van alles -- zoowel de baas over het schip, als over de bemanning en de passagiers -- de gezagvoerder, terzijde gestaan door een tiental hoofdofficieren, alle voorzien van het kapiteins-diploma; vervolgens 350 man machine-personeel, staande onder toezicht van 30 gediplomeerde machinisten-officieren. Teneinde het eten behoorlijk en lekker klaar te maken, waren er 60 koks werkzaam; terwijl een 500 bedienden, ingedeeld volgens verschillende rangen, en aan boord aangeduid als "hofmeesters", zoowel mannelijke als vrouwelijke, voor de bediening der passagiers hadden te zorgen.

Dan mag ik de aanwezigheid niet vergeten van eenige doktoren, van drie telegrafisten voor de bediening der toestellen der draadlooze telegrafie; en om dit alles te regelen een viertal "administrateurs". Een afzonderlijk orkest telde twintig uitnemende beroeps-muzikanten. Er waren afzonderlijke bedienden voor de telefoon-toestellen, welke in elke kajuit en in elk slaapvertrek waren aangebracht. Ook bevonden zich eenige drukkers aan boord, want dagelijks verscheen een keurig verzorgde scheeps-krant, met allerlei nieuws van de wereld gevuld, en met aardige prentjes van de voornaamste gebeurtenissen, welke gedurende de reis aan boord plaats grepen.

En eindelijk de passagiers, die van Amerika naar Europa moesten worden overgebracht.