Part 5
Jan van Beeren was toentertijd matroos tweede klas; hij was al in de dertig, toen hij het bombardement meemaakte; met de landingsdivisie aan wal sprong, de gele Japannertjes als een zwerm musschen voor zich uitdreef, de kanonnen vernagelde, den opmarsch land-inwaarts meemaakte.
Wat weet hij er nog van in zijn oude suffige brein?... Wat weet hij daar nog van na te vertellen?... Welke herinneringen van gesneuvelde en gewonde kameraden van toen komen hem nog voor de moeie, omfloerste oogen, wanneer men hem dat alles wil laten navertellen?
... "Jawel ... jawel... Hoe lang is dat nou al weer gelee', vijftig jare, ziet-u..."
Zoodat ik, uit medelijden voor dat afgeleefde ouwentje, maar weer met hem opstapte, nadat de koffie was leeggedronken.
Daar strompelde hij weer met me mee. Naar huis ging hij niet. Wat zou hij op dit uur thuis doen, bij z'n ouwe vrouw, bij z'n zestigjarige ziekelijke dochter? D'r kwamen nog wel karren, die hij z'n haak kon aanslaan. D'r waren misschien nog 'n paar centjes te verdienen dien dag. Dat extra-handgeldje van me was altijd meegenomen. 't Was 'n karig broodje, dat-ie elken dag bij z'n brug bij-mekaar scharrelde, zoodat hij blij was met z'n buitenkansje.
Dus nam ik afscheid van Jan van Beeren. Hij tastte verlegen naar z'n petrand, toen ik hem een hand toestak:
"Nou, Jan van Beeren, en wel bedankt voor het praatje, en dat was me toen dan toch maar 'n heele geschiedenis met die "Medusa", en ik hoop, dat 't je goed zal blijven gaan, hoor. En dat 't wat druk mag blijven met de karren hier aan de sluis... En dan zien we mekaar nog wel 's terug onder zoo'n warm bakje koffie, niet?"
Maar hij keek alweer naar links en naar rechts, of d'r geen karren aankwamen, die misschien van z'n hulp gediend zouden zijn.
Op oude Uithangborden {Illustratie}
De mensch is als een schip, de wereld als een zee, De Bijbel mijn kompas, de hemel is de reê; Wel neem ik dan een loods voor 't stranden; Dat is de goede geest: Heeft die alleen het roer in handen, Dan ben ik niet bevreesd.
--o--
De Haringbuis Vaart uit en t'huis Om pekelharing te vangen in touwen, Waarnaar janken jongen en ouwen. Men vangt ze in 't razende holle water, En ze worden gesmuld door Begijn en Pater.
--o--
Is God met ons, wie kan ons deeren, Zoo wij zeilen of laveeren? Dit is in het Marktschip van Leiden op Zeelant Wel voorzien van zeil, treil en want.
--o--
Die in de lij Mij vaart voorbij, Zal hebben een Rijksdaalder, en 't gelag vrij.
--o--
Mijn kind, Daar is een rak in de wind. Wilt het zeil wat nat maken, Wij zullen dit hoekjen wel te boven raken.
--o--
O Heer! bewaert ons alle, Sinte Pieters Schepe mag helle Maer ten sal niet omme-valle.
--o--
Laat haters haten Wat Godt mij gunt. Wie laadt en lost Die is zijn kost.
De Millioenen-schat op/den Zeebodem {Illustratie}
Kijk 's, dit is nu een van die verhalen, prachtig beginnend, maar omdat ik het jullie vertellen moet, zooals de geschiedenis inderdaad is gebeurd, heel nuchter afloopend, helaas! Ik ben namelijk aan het zoeken geweest naar een goud-schat, begraven ginds aan de westkust van het eiland Terschelling.
Ha! ik wist uit oude boeken, hoe voor een waarde van millioenen guldens in een oud wrak, een Engelsch oorlogsfregat uit het laatst der achttiende eeuw, dat omstreeks 1800 schipbreuk leed in het gezicht van dit eilandje, achter gelaten moest zijn. Ik wist eveneens uit overlevering, hoe telkens gretig daarnaar gezocht was in vroegere jaren; hoe men allerlei pogingen in het werk gesteld had, door te dringen tot den bodem der hier zoo roerige en veranderlijke zee; hoe men met onvoldoende hulpmiddelen had gezocht onder het zee-oppervlak. Maar steeds was de diep onder het zand begraven schat onvindbaar gebleven. De overblijfsels van het indertijd, meer dan een eeuw geleden op onze kust jammerlijk verongelukte schip had men wel kunnen terugvinden; ook de ligplaats van het steeds dieper in het kustzand wegzinkende wrak had men met vrij groote juistheid kunnen vaststellen. Doch onder de verschillende wrakstukken van het vergane schip, "Lutine" geheeten, vond men nimmer het gezochte goud.
En toch, voor een bedrag van ongeveer twaalf millioen aan gouden en zilveren staven moest daar nog steeds onaangeroerd voor Terschelling liggen!
Begrijpen jullie niet, hoe dit op mijn verbeeldingskracht werkte?
Het was niet eens de begeerte naar den schat zèlf, welke me daarheen dreef. Doch het avontuur, de goud-expeditie, het zoeken en vinden op zich zelf, oefenden zulk een magnetischen invloed, dat ik het eindelijk niet meer kon uithouden.
Ik wist, hoe ginds op de reede van Terschelling weer opnieuw ernstige pogingen in het werk werden gesteld om, dank zij de nieuwste technische hulpmiddelen van reusachtige, door machines gedreven zuigbuizen, tot diep op den zeebodem doordringende, het in den loop der tientallen jaren steeds meer verzande wrak vrij te maken, en dan door met uitnemende toestellen voorziene duikers een onderzoek te laten instellen naar de juiste ligging van het op den zeebodem rustende wrak, en aldus de juiste plaats vast te stellen, vanwaar men den millioenenschat in veiligheid zou kunnen brengen.
Eindelijk!... wie weet! zouden de duikers er wellicht in slagen, de meer dan honderd jaren in de diepte bewaarde gouden en zilveren staven naar boven te dragen!
Van die aangrijpende, uitvoerige geschiedenis van het Engelsche oorlogsfregat uit de achttiende eeuw -- o! een prachtig, maar droevig verhaal op zich zelf! -- was er één herinnering, welke me op dit oogenblik het meeste belang inboezemde. Ik wist, dat er een oude aanteekening bestond, vermeldende de juiste ligging van het scheepswrak, zijn diepte onder het zee-oppervlak, ook precies de inrichting van het uit elkaar gevallen schip.
Met een vriend, die dit waardevolle papiertje in zijn bezit had, maakte ik de vrij omslachtige reis naar het noorden, over Friesland gaande, per Harlingsche scheepsgelegenheid naar het eilandje Terschelling overstekende.
We werden daarginds gewacht door eenige ingewijden in de schatzoekerij, die evenzeer als wij, popelden om nu eindelijk uit de laatste overblijfsels van de "Lutine" den even geheimzinnigen als kostbaren schat aan zijn onverbiddelijke schat-bewaarster, de zee, te ontrukken.
Hoe wij daarginds te werk gingen, wil ik jullie hier in mijn waarachtig verhaal vertellen. Maar bereidt je er meteen op voor, dat de zee slimmer, machtiger, ongenaakbaarder bleek dan we gemeend hadden dat zij was, en dat zij ons nauwelijks een tipje van den sluier liet opheffen. Want de millioenenschat, de gouden en zilveren staven, de op den zeebodem rustende staven, bleven ook voor ons even onbereikbaar als voor al die andere goudzoekers vóór ons...
Toch geen reden voor mijn lezers, hoop ik, om mijn verhaal van het "Lutine"-goud niet aan te hooren, of er de popeling niet van mee te leven!
Ik sprak daar even over de, uit vroegere eeuwen bewaard gebleven, aanteekening over de ligging van dit wrak voor de kust van ons Waddeneiland.
Het oude schetskaartje van het wrak van de "Lutine" stond geteekend op een stukje perkament, verfrommeld en in zijn naden gescheurd, en niet veel grooter dan een hand. De buitenomtrek van het fregat was met een gestippelde lijn aangegeven, de gebroken verschansing was aangeduid met eenige streepjes; 'n kanon scheen met twee strepen geschetst; met haaltjes en krasjes waren de plekken aangegeven, waar zich de ballastbrooden en de roestlagen bevonden; twee gekruiste ankers gaven de plaats van de voorplecht aan.
Het was over dit merkwaardig stukje perkament, den sleutel wellicht, die ons den millioenenschat zou ontsluiten, dat het Terschellingsche onderhoud liep.
Wij waren daartoe bijeen gekomen in de woning van een oud-kapitein van de groote vaart, die daar wat aardig op het eilandje woont in een van de huisjes van het geklinkerde hoofdstraatje.
Zijn vrouw, een geboren Terschellingsche, die ook van varen weet uit den diensttijd van haar man, had zelve ons de deur geopend, toen ik me in reeds vroeg avond-duister op het stoepje aanmeldde.
"Nu moet je je maar niet verbazen, wanneer je den heelen avond over niets anders dan over millioenen hoort spreken!" had men mij van tevoren opgehitst. O! ik had zulk een opwekking niet noodig: ik verlangde genoeg naar al de geheimzinnigheden, die het verdronken goud omgaven!
"De andere heeren zijn er al," fluisterde de vrouw van den kapitein-in-ruste.
Er was overigens niets geheimzinnigs aan deze dame; evenmin aan de kraaknette achterkamer, waar het lamplicht gedempt scheen over de tafel, waarom-heen behalve de gemoedelijke gastheer, nog drie andere bezoekers gezeten waren.
Ik lette onder het wederzijdsche kennismaken met nieuwsgierigheid op dit drietal.
Zij waren gekleed in nette uniformen, blauw laken met vergulde knoopen; een droeg de vier kapiteinsstrepen over den mouw, op zijn borst had hij gehecht een smal lint, in vele kleuren, doch geen orde-teekenen of medailles hingen daaraan.
Hij werd voorgesteld als de bevelvoerder van het vreemde bergingsschip de "Lyons".
{Illustratie}
Ik had hem reeds op zijn schip in de haven gezien; als een stevige veertiger had ik hem geschat, verzorgd zeeman met prettig gelaat, volstrekt niet zoo'n gewild onbehouwen zeemans-uiterlijk; zelfs waren ietwat verzorgd de einden van zijn snor tot twee punten gedraaid, die ver naar links en rechts uitpriemden.
Nu, van dichter-bij, zag ik zijn hoekigen neus en de fijne sterke kin; terwijl hij voorover leunde, zijn armen over de tafel gevouwen, het hoofd wat schuin boven zijn schouders vooruit gestoken, scheen hij me een prachtigen kerel, ondernemend type, een durf-al; maar tegelijk trof me zijn bedachtzame schranderheid, als hij het hoofd ophief en daarbij den jongensachtig-leuken kijk uit zijn licht-blauwe oogen.
Hij sprak een duidelijk, helder Engelsch; later bleek, hoe hij in zijn varensleven over alle zeeën van den aardbol had gezworven, zoodat hij zich ook wel in andere talen klaar en verstaanbaar wist uit te drukken.
De twee anderen, die ik eerst had aangezien voor den eerste en tweede officier van de "Lyons", werden nu ook voorgesteld; ze stonden wat stijf op, niet makkelijk in hun uniformpakken, en bij het hand-uitsteken drukte ik twee stevige eeltige handen.
{Illustratie}
De eene vertoonde boven zijn correcte uniform een ruw gezicht, weinig verbrand maar verweerd; blonde knevel onder een zwaren neus; hij staarde wat quasi-achteloos voor zich uit, scheen zich niet op zijn plaats te voelen. Maar de ander, met z'n bol donker, glad-geschoren gelaat, glinsterde van Iersche oolijkheid; hij had, zooals hij daar naast zijn kameraad zat, schijnbaar iets overgenomen van diens onverschilligheid; maar hij bleek bij-de-pinken, want telkens als zijn kapitein hem in het gesprek mengde, had hij dadelijk en precies zijn antwoord klaar.
{Illustratie}
Ze bleken twee bekende duikers te zijn.
En nu gingen de vragen en antwoorden over hun duikersarbeid.
Dit gesprek?...
Ik zou er "Twintig Duizend Mijlen onder Zee" van Jules Verne of "De Roode Flibustier" van Falkland nog eens op na moeten lezen, om aan me zelf te controlearen, of die boeken-fantasie van een sterker bekoring was dan deze werkelijkheid!
Intusschen leek het, of dit alles de gemoedelijkste zaak ter wereld was.
We dronken een wijn-grogje en rookten een sigaartje, alsof het gesprek over een gezellig kletspraatje liep.
En toch spraken wij over een millioenen-schat van goud en zilver, begraven op den bodem der zee van het Terschellingsche strand. Daarover hadden deze duikers gewandeld, met hun handen hadden ze het goud bijna aangeraakt'
De kapitein vertelde, alsof het iets heel gewoons gold:
"De duikers hebben nu al twee groote kanonnen bovengebracht; vervolgens de twee ankers van de voorplecht, wegende ongeveer 4000 kilo; en dan hebben ze de plek gevonden, waar de ballastbrooden midscheeps liggen; en ook de moeilijk te naderen plek daarachter. Is 't zoo niet, Palmer?"
"Een roestlaag is 't, sir," antwoordde de eerste duiker.
"Een laag saâm-geroeste kogels, sir," vulde de tweede duiker aan.
De kapitein vertelde, hoe de zuigbuis van zijn schip inmiddels al een kuil had gezogen van 36 voet diepte, zoodat het wrak, dat op 48 voet diepte op een kleibank rustte, nu bijna geheel vrij van zand was. Telkens wanneer de groote buis omlaag werd gelaten boven het wrak, zoog ze verschillende voorwerpen van het wrak omhoog: spijkers, bouten, knoopen, kogels! -- "Maar ook al een handje vol piasters!" zei de kapitein en zijn blauwe oogen lachten; hij knip-oogde naar ons.
Tegelijk stond onze gastheer op en ging naar de donkere voorkamer, vanwaar hij terug kwam met twee witte zakjes. Terwijl hij ze op de tafel plaatste, rinkelde het zachtjes. Nadat hij de touwtjes had losgemaakt, schudde hij beide zakjes leeg en hield een hand vol munten onder het lamplicht.
Het waren groote, zware zilverstukken, zwart en verweerd; één was er echter bij, pronkend blank met een glans zelfs van nieuwheid; om den beeltenaar stonden duidelijk de letters te lezen:
"_Hispan; et. Ind. Rex_."
Het waren Spaansche munten; heele, halve en kwart-piasters.
"Die eene heeft u zeker opgepoetst voor deze gelegenheid?" vroeg ik.
"Wel nee!" riep de oud-kapitein, ... "dat is juist het wonderlijke! ... Het eene oogenblik komt er een bonk roest boven, waaruit je met geweld de munten moet loshakken; ze zijn dan zoo zwart en vuil, dat je haast niet kunt uitmaken wat voor geldstuk het is. En een oogenblik later zuigt de buis een gave munt op, zooals deze, zoo, dat je zou zweren, dat-ie nog geen halven dag onder water gelegen heeft"
Toen de kapitein van de "Lyons":
"Een van de kanonnen, die de duikers vonden, hebben we geladen-en-wel boven water gehaald! De heele boel zat onder een laag roest; maar de laad-proppen, de kogel, zelfs het kruit, hebben we achter-een-volgens uit den loop gehaald... Ik wil niet beweren, dat we het kanon nog hadden kunnen afschieten, maar 't kruit was na meer dan een eeuw behoorlijk droog gebleven!"
Er scheen geen bepaalde plek te zijn, waar de geldstukken indertijd gezonken waren. En dit kwam volkomen uit met een mededeeling van omstreeks 1800; want toen men in die gouddagen de vaatjes met geldstukken trachtte op te visschen, had men dit zóó begeerig en onhandig gedaan, dat sommige vaten lossprongen en al hun geldswaarde weer omlaag stortte, zoodat de munten daar overal verspreid liggen op den zeebodem in de buurt van het wrak.
Trouwens, wat bekommerde men zich toentertijd om zoo'n handvol Spaansche matten?
Maar ook nu waren het geen Spaansche munten, waarnaar gezocht werd!
Men zocht immers naar de gouden en zilveren staven!
En gebogen, over het oude perkamenten kaartje, werd nu vastgesteld, dat de verborgen schat zich bevinden moest onder de dikke laag vastgeroeste kogels.
"Die kogels!" piekerde de kapitein, "die hinderen me meer dan me lief is!"
Zoo kwamen we te beraadslagen over de kogels, die daar nog beneden lagen.
Lang en ernstig praatten zij daarover. De duikers werden telkens in het gesprek betrokken, om inlichtingen te geven. Dan was het opvallend, hoe precies zij wisten te rapporteeren wàt zij daar op hun geheimzinnige, duistere tochten onder water gezien hadden.
Juist, zoo was 't immers geweest! De constabel- of ammunitie-kamer van de "Lutine" had zich boven de schatkamer in de piek van het schip bevonden. En als men van een bepaalde plaats van het wrak de oude kogels omhoog bracht, kon dit dus ook niet anders dan dezelfde plek zijn, waar de gouden en zilveren staven nog altijd lagen.
Toen stelde de kapitein de vraag, waarop het aankwam; lakoniek antwoordden de duikers er op.
"Die roestlaag, waarvan dus sprake is, en welke de vorige zoekers steeds onaangeroerd lieten, hebben jullie die ooit gevonden?"
"Yes, sir."
De kapitein schoof het verweerde schetskaartje naar hen toe:
"Wijs me eens waar die roestlaag ligt?" vroeg hij.
"Ziet u deze plek?... Dààr hebben wij hoofdzakelijk gezocht."
"Dit beteekent dus, dat de roestlaag, die men tot dusver onaangeroerd heeft gelaten, zich op de plek bevindt, waar de overblijfselen van de vroegere schatkamer liggen."
"Dus die roestlaag?"
"Is een laag kogels en kruit en roest, die een eeuw lang als deksel boven den verborgen schat dienst heeft gedaan!"
"Hoe groot is die laag?", vroeg de kapitein. Zijn oogen glinsterden bij een plotseling bedenksel.
"Twaalf meter lang en tien meter breed, sir!", antwoordde de eene duiker, de Ier, die tot dusver slechts met één oor scheen te luisteren, maar toch, zonder zich een oogenblik te bedenken, wist te antwoorden, hoe het er uit zag daar beneden bij het wrak, dat hij scheen te kennen als het binnenste van zijn zak.
"En de dikte?"
"Een meter, sir!"
"Hoeveel schat je het gewicht?"
"Honderd ton, sir," schatte de andere duiker, omdat zijn makker ditmaal even langer nadacht.
"Ik zou eerder zeggen: iets minder dan twee honderd ton, sir."
"We hebben 't!", zei kapitein Gardiner. "Ik wil er wat om verwedden, dat de roestlaag, die op dit kaartje bij het achterschip staat aangeduid, en die onze duikers telkens hebben betreden, de plaats moet zijn, waar we de zilveren en gouden staven van de 'Lutine' zullen vinden."
Hij zei dit niet opgewonden; maar langs zijn hoekigen neus boorden zijn twee lichte oogen; de sterke kin stak vooruit, alsof hij zoo toe wilde springen op den geheimzinnigen schat.
Ik dacht: als er ooit een kerel is, die het goud van den nukkigen zeebodem kan afhalen, dan moest hij het zijn!
"Morgenochtend vroeg, bij het eerst tij stoomt de "Lyons" er heen -- en morgen brengen we de eerste staven boven!" mompelde de kapitein. Dit was ons wachtwoord; en zoo keerden we dien nacht naar het dorps-hotelletje terug.
De Engelsche kapitein en z'n twee duikers stapten naar het haventje, waar hun schip aan den steiger lag, de vuren aan, de smook kringelend uit de pijp, dadelijk klaar om zee te kiezen.
{Illustratie}
Onze gastheer sloot zorgvuldig de deur achter ons; vanwege zijn Spaansche matten, denk ik. En mijn reisvriend en ik kuierden naar ons hotelletje terug. Hij stak zijn arm door den mijne en kwam vertrouwelijk los.
"Mag ik je een raad geven?", zei hij gemoedelijk. "Je hebt nu den heelen avond hooren spreken over goud en millioenen -- over millioenen en goud! En nu verwacht je stellig, morgen eindelijk den grooten schat te zullen zien?"
Twijfelde hij dan zelf?
"Maar de kapitein en z'n duikers.......", wilde ik opmerken.
"Zulke menschen zijn onbetaalbaar," antwoordde hij. "Met zijn schip ligt hij nu al een jaar bij Terschelling en bij elk geschikt weer stoomt hij naar buiten, naar de plek waar diep onder water het wrak ligt. Bij èlke nieuwe poging is de kapitein overtuigd, dat hij eindelijk zal slagen, het lang gezochte goud te vinden."
"Zoekt hij dan naar iets dat niet bestaat?"
"O! 't is mijn overtuiging, dat het goud zich nòg in het wrak van de "Lutine" bevindt. En ik ben er even zeker van, dat den een of anderen dag de pogingen zullen slagen. Zoodat de heele schat, die daar op den zeebodem ligt, te voorschijn gebracht zal worden. Maar..."
Hij brak zijn zin af. Ik vulde hem dus aan:
"Je rekent dus zelf niet vast op het resultaat van morgen?"
Hij gaf geen direct antwoord.
"We moesten nu maar gaan slapen... De kapitein is een man van z'n woord: eer hij uitstoomt, laat hij ons halen. En het zal zijn schuld niet zijn, als het morgen nog altijd de groote dag niet is!"
Maar slapen deed ik slecht in het primitieve Terschellingsche slaapkamertje, waar de houten wanden kraken, als de wind maar even over het duin zucht, en waar de sitsen gordijnen slecht sluiten voor de vensters.
Zoo kwam 't, dat de vuurtoren, die den naam draagt van "Brandaris", me met z'n lange statige lichtbundels, die als vier flitsende spaken van een onzichtbaar wiel door den hoogen donkeren nacht rondwentelen, me wakker hield, omdat zijn licht zich telkens door dien kier boorde. Dan dacht ik aan deze lichtpijlen, in hun onafgebroken rondzwaai langs heel den wijden horizon cirkelend, van den avond tot den morgen, en hoe ze telkens ook even moesten strijken langs de verre plek op zee, naar het westen, waar omlaag het "Lutine"-wrak lag.
's Morgens vroeg -- 't grauwde nog van nanacht -- werd er al aan de deur getikt van onze slaapkamer.
{Illustratie}
'n Scheepsmaatje bracht de boodschap: "Over 'n half uur stoomt het schip naar buiten."
Binnen 't half uur waren we aan boord.
"U hadt niet behoeven te ontbijten; we gaan eerst stevig breakfasten, omdat we toch buiten de haven moeten wachten."
Met overleg en knippend z'n ooghoeken als een timmerman, die waterpas moet meten, scharrelde intusschen de loods de stoomboot het haventje uit.
't Is er wat krap, met niet veel water in de Terschellingsche haven.
"Nog wat lieboord!" zooals de lui hier zeggen... "Zoo!... En nou maar zwaaien met 't 't tij, en laat maar vallen je anker, tot we ons kistje met dynamiet aan boord hebben."
Wij zaten achter een stevig Engelsch ontbijt in de messroom, met den kapitein en z'n vrouw, den eersten officier en den eersten machinist en nog een jong Engelschman in politiek, die me werd voorgesteld als een fotograaf van een Engelsch dagblad, die hier aan boord vertoefde met de opdracht van zijn blad, net zoo lang op Terschelling te blijven tot hij de eerste goudstaaf van de "Lutine" voor zijn blad gefotografeerd zou hebben.
Zou 't vandaag zijn?
Maar het loodsje op de brug, nadat hij z'n pruim voor een sigaartje had verwisseld, trok zijn beweeglijke mondhoeken neer en tegen het optimisme van den kapitein in, beweerde-ie, dat de wind te vast zat in 't Noorden; dan had je buiten altijd veel last van water en beweging.
Langs het duin kwamen een paar mannetjes geloopen. De één droeg een klein kistje op den rug: dit moest zwaar zijn, want het gewicht drukte hem voorover en hij liep met voorzichtige zware stappen.
'n Roeibootje was al uit de davids neergelaten, roeide op het strand toe; nu kon je door den kijker zien, hoe 't kistje zorgzaam in de sloep werd gezet. Daarop roeide het bootje met regelmatig riemgeplas naar ons schip.
"Dat is dertig pond, die ze achter uit 't duin zijn wezen opgraven."
"Wat?"
"Dynamiet."
De kapitein krabbelde in het kaartenhuis op de brug al weer vlug een schets, zooals hij zich de roestlaag op het wrak voorstelde, en hoe hij die met zes dynamietpatronen deel voor deel aan stukken, zou laten springen.
"Wat zeg je van den wind?" vroeg ik het loodsje, dat rookte als een schoorsteen en meteen pruimde op het lurkje van z'n sigaar.
Buiten de kust deinden de golven in rumoerige gelederen aan.
"Als de wind naar het Oosten loopt!", zei de kapitein met zijn sjeuig optimisme, "dan kunnen meteen de duikers omlaag."
"D'r zit vuil aan de lucht," bromde het loodsje.
De duikers zaten op het voorschip hun duikerspakken in orde te brengen.
{Illustratie}
Als hoofdlooze lijken hingen de leege caoutchouckleeren te drogen. De koperen helmen werden in een van de kamertjes van het tweede dek bewaard; daar lagen ook de trossen en luchtbuizen, de gewichten en zware schoenen, die ze noodig hadden voor hun toilet. Want het is heel uitvoerig, zooals een duiker in de kleeren wordt gestoken. In zijn baaien ondergoed is hij gekleed, wanneer hij zijn beenen in de twee gummi-broekspijpen steekt, die van onderen in den vorm van een schoen afgesloten zijn; met moeite wringen ze hem het open borststuk over het bovenlichaam; zijn handen moet hij inzeepen om ze door de nauwe mouwen te doen glijden; dan wordt hem een soort koperen harnas over borst en schouders geschroefd, en daarover past de zware helm met twee glazen kijkgaten ter weerszijden, en een rond voorruitje, dat tot het laatste oogenblik wordt opengelaten.
Dan hangen ze hem nog stukken lood op borst en rug, en de zware schoenen worden hem aangegespt; in den gordel steekt het lange mes in de koperen schede; de trossen touw windt hij om het middel.
Zoo toegerust kan een duiker zich boven water bijna niet bewegen door al het gewicht, dat hij moet torsen; log, moeilijk, traag, werkt hij zich zelf over de verschansing heen, plonst voet voor voet het trapje af, tot hij onder water verdwijnt.
Er is al een zwaar gewicht uitgeworpen met een touw er aan, en daarlangs laat hij zich omlaag zakken, tot hij op den zeebodem is aangekomen.