Chapter 1 of 5 · 3993 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 333 DE LIEFDE VAN EEN BOKSER.

DE LIEFDE VAN EEN BOKSER.

HOOFDSTUK I.

IN DE BOKSZAAL VAN „BLACK JIMMY”.

Het was omstreeks half drie in den middag, toen twee deftig gekleede heeren met haastige schreden door de Dickens Street te Londen liepen.

Zij scheelde vrij veel in leeftijd, want de een kon omstreeks 40 jaar zijn, tenminste te oordeelen naar zijn haar dat aan de slapen was begonnen te grijzen, terwijl zijn metgezel niet veel ouder kon zijn dan een jaar of 25, en een vol, blozend jongensgelaat met helder blauwe oogen.

Vele Londenaren, vooral onder de armere klasse, kende hen als Lord William Aberdeen en zijn secretaris Charly Brand—maar inderdaad was de oudere der beide mannen niemand anders dan de lang gezochte Gentleman-Inbreker John Raffles alias Lord Edward Lister.

Zij hadden juist eenige boodschappen verricht in deze buurt, zoover afgelegen van de Regentstreet, waar zich het prachtige heerenhuis van Lord Aberdeen bevond, en zij maakten zulk een haast omdat er een regenbui dreigde.

Het was dien geheelen Zaterdag buitengewoon drukkend geweest, en alles voorspelde een hevige onweersbui.

En eensklaps, nog voor de beide vrienden een auto hadden kunnen aanroepen, begon het zoo vervaarlijk te plasregenen, dat zij, om het einde van deze hevige bui af te wachten, haastig een schuilplaats zochten in den ingang van een groot huis, waar een portier met de handen op den rug heen en weer liep.

Maar het zag er volstrekt niet naar uit, dat de bui voorloopig zou bedaren, integendeel, het leek hoe langer hoe erger te worden.

Nu de sluizen des hemels eenmaal geopend waren, kwam het regenwater in dikke stralen omlaag gutsen, en in een oogwenk waren de straten geheel verlaten.

Onwillekeurig, om zich het wachten een weinig te bekorten, liet Charly zijn blikken dwalen over het groote, koperen bord, dat tegen de wanden van den ingang was bevestigd, en waarop de namen der firma’s vermeld stonden, die op de verschillende verdiepingen van het gebouw hun zaken dreven. Eindelijk bleef zijn oog rusten op een dier namen.

Daar stond als huurder van een deel der vierde verdieping vermeld:

„Prof. J. Stanley, Ex-Kampioen van Engeland.”

„Zeker een biljard-matador,” zeide Charly half voor zich heen.

„Wie—Stanley?” vroeg Raffles. „Maar Charly, heeft de regen je hersens een weinig verweekt, mijn jongen? Hoe is het—weet je niet eens wie Jimmy Stanley, wie „Black Jimmy” is?”

„Mijn hemel, hoe kon ik zoo dom zijn,” riep Charly uit. „De Engelsche bokskampioen van 1912, maar wij leven ook zoo snel—ik was het al vergeten, zoo, zoo, woont hij nu hier?”

„Dat schijnt zoo, ik denk, dat hij nu anderen inwijdt in de kunst, waarin hij zeker gedurende vele jaren zoozeer heeft uitgeblonken.”

Hij wierp een blik naar buiten, overtuigde zich, dat de regen nog altijd in den vorm van pijpenstelen omlaag kwam en vervolgde:

„Kom, laten wij maar eens een kijkje bij hem gaan nemen. Er is toch geen sprake van verder gaan, en dan verdrijven wij ons tenminste den tijd.”

„Een goed plan,” zeide Charly. „Ik ben wel benieuwd, hoe onze Jimmy zich als „Professor” houdt.”

De twee vrienden namen in de lift plaats en noemden den liftboy den naam van den voormaligen Bokskampioen.

De lift hield stil op de 4de verdieping en de twee vrienden stapten uit en moesten nu eenigen tijd rond zoeken, voor zij een deur ontdekt hadden, waarop met witte letters de naam en het beroep van Jim Stanley geschilderd stond.

Zij klopten aan en de deur werd geopend door wat men met eenigen goeden wil een bediende zou kunnen noemen, maar de man zag er tamelijk verwilderd uit, zijn haar, nat van het zweet, hing in slierten langs zijn wangen, zijn eene oog was half dicht, hij droeg een morsige trui, die oorspronkelijk wit was geweest en linnen gymnastiekschoenen, die met touwtjes waren vastgebonden.

Zijn linkerhand was in een bokshandschoen gestoken, terwijl hij de andere waarvan hij zich waarschijnlijk zooeven ontdaan had om de deur te kunnen openen, onder den arm gekneld hield.

De man opende de deur dadelijk bij het zien van de beide chique gekleede vreemdelingen, en liet, misschien van vreugde over het buitenkansje, in een grijns al zijn tanden zien, niet veel meer tusschen haakjes, want de meesten waren hem reeds uitgeslagen, maar met het treurige overschot lachte hij dan ook allerbeminnelijkst.

„De heeren komen om den Professor te spreken?” vroeg hij, terwijl hij gedienstig een stoel aanschoof, „nog een kwartiertje mijne heeren, dan is die satansche schobbej....... ik wil zeggen—na een kwartiertje is Professor Stanley gereed.”

Raffles en Charly bevonden zich in een klein vertrek, hetwelk waarschijnlijk als wachtkamer bedoeld was, want er stonden een half dozijn stoelen, en een klein rond tafeltje, dat bedekt was met sportbladen, terwijl er aan de wanden talrijke foto’s van beroemde boksers met punaises waren vastgestoken.

Het pronkstuk evenwel was een groote foto in een eikenhouten lijst, waarop Black Jimmy stond afgebeeld, naast een ezel, die een groot fluweelen schild droeg, waarop de verschillende medailles waren bevestigd, die hij in den loop van zijn veelbewogen leven had verdiend.

De heer Jimmy stond daar, alleen gekleed in zijn kort wit boksbroekje, en zijn linnen schoenen, in een zelfbewuste houding als van een veldheer die een zwaren slag gewonnen heeft.

De man met het half dichtgeslagen oog wilde zich weder verwijderen, maar Raffles riep hem terug en zeide:

„Wij zouden gaarne een les van den Professor bijwonen. Daar zullen toch geen bezwaren tegen zijn?”

„Volstrekt niet mijne heeren, ik zal U even aandienen. Mag ik uw namen weten?”

„O, dat is van later zorg,” antwoordde Raffles kortaf. „Zeg maar—twee heeren uit het West End.”

De man met de vuile trui verdween door een andere deur, en keerde een oogenblik later terug, met den Professor in hoogst eigen persoon.

Charly keek hem verbaasd aan en vroeg zich af, of dit dezelfde lenige goed geproportionneerde bokser kon zijn, die hij nog in 1912 met zooveel gemak het Engelsche kampioenschap had zien winnen.

Black Jimmy was een weinig corpulent geworden, en het gitzwarte haar, waaraan hij zijn bijnaam had te danken gehad, was alleen nog maar terzijde van zijn hoofd en in zijn nek zichtbaar, en niet meer zwart maar grijs doorspikkeld.

Zijn kruin echter was zoo kaal en zoo glad als een billardbal.

Een vervaarlijke stoot, opgeloopen in 1914, had zijn neus uit de loodlijn geslagen, en aan dit lichaamsdeel een kromming gegeven, welke het niet direct ten goede was gekomen uit schoonheidsoogpunt.

Zijn wangen waren slap geworden, en hij zag er uit als een goedige jachthond, met zijn lichtblauwe oogen, en zijn laag, gerimpeld voorhoofd.

Hij was gekleed in een wit linnen pantalon, linnen schoenen met zoolen van touw, en een trui van grijze wol, met opstaanden kraag.

Zijn handen waren in bokshandschoenen gestoken, en Raffles had met een kennersoog dadelijk gezien, dat het wedstrijdhandschoenen van 6 ons waren.

Black Jimmy ontving de beide deftig gekleede heeren met veel strijkages en hield de deur voor hen open die naar het allerheiligste voerde—de Gymnastiekzaal.

Raffles en Charly stonden in een ruime zaal, met wit geschuurde planken bevloerd, en die zijn licht uit drie groote vensters ontving, welke op een ruime binnenplaats uitzagen.

Hier en daar lagen op den vloer matrassen van verschillende dikten.

Maar in het midden was een groot stuk vilt neergelegd, waarover een kleed van grauw linnen was bevestigd, dat aan de vier hoeken door touwen was uitgespannen.

Deze „ring”, zooals het in de vaktaal heet, was omgeven door een dik wit koord, aan vier witte palen bevestigd, die eveneens door touwen in den juisten stand werden gehouden.

Ook deze ring had de voorgeschreven afmetingen, zooals die voor iedere groote match gelden, namelijk 5 bij 5 meter.

Ter weerzijden van de beide gewitte muren stonden eenvoudige schoolbanken voor de toeschouwers en leerlingen bestemd.

Dicht bij een der ramen was in de zoldering een verticale stang bevestigd die, omstreeks 2 meter van den vloer, een groote, ronde schijf van eikenhout droeg, omstreeks anderhalve meter in doorsnede.

In het midden daarvan was, aan een sterken riem een peervormige, zwarte lederen bal opgehangen, en tegen dezen bal was een jonge, magere kerel woedend aan het slaan, en telkens als hij den bal niet op de goede wijze raakte, trof deze hem van de eikenhouten schijf terugspringend midden op den neus of tegen de wang.

Iederen keer dat dit geschiedde—ongeveer 4 van de tien malen—uitte het jonge mensch een hartigen vloek en schold zichzelf uit voor alles wat leelijk was, waarna hij met vollen moed weder begon.

In een anderen hoek bevond zich een dergelijk werktuig, maar hier was de bal bevestigd aan het uiteinde van een sterke, vernikkelde spiraal veer, waarvan het andere einde in den vloer was bevestigd en die de onhebbelijkheid scheen te hebben, diegeen die er met den vuist tegen sloeg op de meest onverwachte oogenblikken tegen de minst verwachte plekken van zijn lichaam te raken.

Op een andere plek weer was een gewone aardappelzak opgehangen gevuld met nat zand, en tegen dit voorwerp ging een ander jongmensch, buitengewoon corpulent, als een razende te keer, terwijl het zweet hem in straaltjes langs het gelaat liep.

Nu en dan bewoog de zandzak heel eventjes, en dan liet de jonge man een kreet van zegepraal hooren.

In een ander kleiner strijdperk waren twee mannen, tot het middel naakt, aan het „sparren”, het boksen voor oefening, met dikke handschoenen, waarmede zij elkander geen pijn konden doen.

Op de banken zaten een zevental jonge mannen, allen in trui, en met de handschoenen op den schoot, die toekeken en hun voordeel trachtten te doen met de opmerkingen, welke de Professor ten beste gaf.

„Black Jimmy” geleidde de beide bezoekers naar een der nog onbezette banken, en zeide:

„Doe alsof gij thuis waart, mijne heeren, ik ga nu voort, en gij kunt zien, dat ik mijn leerlingen niet laat stilzitten.”

Hij ging nu naar de beide jonge mannen toe, die in het kleine perk bezig waren, en schreeuwde met luider stem zijn opmerkingen, opdat de toekijkende leerlingen hem goed zouden hooren.

„Vlugger duiken, Jack! Je hebt op die manier den slag beet, voor je weet waar hij vandaan komt, dek je, Tom, maar voor den duivel—dek je dan, denk je, dat je tegenpartij met je vecht om je te masseeren? Die hook was goed. Niet op het achterhoofd slaan—gentleman blijven, Jack! Voor zoo’n slag zou de referee je uit den ring hebben gestuurd. Zeg Tom, sinds wanneer raak je de lui onder den gordel. Als je het in de ribben zoekt, sla hem dan liever dadelijk een blauw eksteroog!”

De Professor scheen deze aardigheid zelf zoo goed geslaagd te vinden, dat hij in een bulderend gelach uitbarstte.

En daarop vervolgde hij:

„Je voetenwerk is nog niet veel zaaks, Jack! Meer tippelen, man, meer tippelen. Ik zal je straks nog een kwartiertje touwtje laten springen, hoor boy! Pang! Die uppercut zat! Kijk, Tom zwaait. En ik zie rood. Nou, dat hindert niet—aan bloed zullen jullie nog moeten wennen. Hallo daar. Niet vastgrijpen! Los! Los, zeg ik! Wil je wel loslaten, Jack?”

In het vuur van den strijd scheen Jack niet naar het bevel te luisteren.

Vlugger dan men van hem verwacht zou hebben, was Stanley over het koord gewipt en nu gaf hij den ongehoorzamen leerling een slag tegen de borst, die hem achteruit deed tuimelen, zoodat alleen de touwen hem voor een val behoeden.

„Dat zal je leeren, man! Je komt hier om te boksen, niet om te worstelen. Ik heb vijftien jaar tusschen de touwen gestaan, mijnheer—en ik heb nog nooit mijn man vastgegrepen, mijnheer. Alles met de vuisten mijnheer! En nu ingerukt. Ga je gezicht wasschen Tom. Je neus bloedt, vadertje.”

Inderdaad was de neus van Tom deerlijk geraakt, ondanks de dikke handschoenen en hij haastte zich naar het waschvertrek, om zich te verkleeden, en zijn neus te betten, die vervaarlijk was opgezwollen.

Intusschen was de professor op den jongen man toegetreden, die met den oefenbal doende was.

Hij keek met de handen in de zijde gesteund even toe, en viel toen uit:

„Ziet U niet, dat die bal kwaad op u is, mijnheer Drebble? Sla terug, anders mept hij u nog knocked out!”

Hij zette zijn rondgang voort en bereikte nu den corpulenten heer, die den zandzak bewerkte.

Stanley grijnsde vriendelijk, en klopte den dikzak op den schouder.

„Well, mijnheer Bristol—kriebelt u dien zandzak een beetje? Aardige tijdpasseering. Pas op of u zult hem nog aan het lachen maken. Kom, voor den duivel mijnheer—sla er op! Wees niet bang, dat u eelt op uw handen krijgt! Dat is juist goed! Zoo mijnheer—zóó!”

En Stanley trad op den zandzak toe, en gaf er met de bloote hand een slag tegen, die den zak geheel uit de loodlijn sloeg.

Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat de professor dan wellicht in de ring niet meer de oude mocht zijn, maar dat hij nog altijd een geweldige kracht in armen en handen had.

Nu klapte Stanley in de groote handen, en riep met een stentorstem:

„Allen op uw plaatsen, mijne heeren! De vergevorderden zijn nu aan de beurt.”

Dadelijk gehoorzaamden de leerlingen het bevel en lieten ring, bal, zandzak, en halters in den steek, om op de banken plaats te nemen.

HOOFDSTUK II.

JOE MASCOTT.

De deur in een der korte wanden van de oefenzaal ging open, en er verschenen vier jonge mannen, allen in witte pantalons en hoog in den hals gesloten, wit wollen truien gekleed.

„Bill Stevens tegen George Malony!” schreeuwde de professor.

Dadelijk kropen de twee opgeroepenen onder de touwen door, stelden zich in positie en begonnen te sparren, maar het was dadelijk te zien, dat deze mannen het reeds ver in de edele kunst der zelfverdediging hadden gebracht, zooals de Britten het boksen noemen.

Zij droegen tamelijk lichte handschoenen, en de slagen hadden een helder kletsend geluid, als zij neerkwamen op nek en borst.

Er werd gebokst, als gold het een geregelde wedstrijd, in ronden van twee minuten elk en de knecht, dien Raffles en Charly zooeven reeds in functie van portier gezien hadden, trad nu op als helper van een der strijdenden, terwijl Stanley met handdoeken en water druk in de weer was, om den ander af te koelen, na iedere ronde.

Het bleek al spoedig, dat Bill Stevens verre de meerdere was van zijn tegenstander.

In de vierde ronde was deze reeds tamelijk vermoeid en ontweek traag de slagen, die op hem neder regenden.

In de zesde ronde liet Stanley hem ophouden.

Hij wendde zich tot Malony en zeide op strengen toon:

„Je hebt weer te veel gegeten, George—en je bemoeit je nog te veel met de vrouwtjes. Als je ooit een prijsbokser wilt worden, dan zal dat moeten veranderen—anders doe je beter, moeite te doen voor een baantje als kinderjuffrouw.”

Malony trok een nijdig gezicht en bromde iets tusschen de tanden, waarop hij zijn handschoenen uittrok en den ring verliet, om zich in het waschhok te gaan afspoelen.

„Joe Mascott tegen Mac O’Neill!” brulde Stanley opnieuw.

De twee jongelieden traden in den ring en Stanley, met het horloge in de hand, gaf het teeken.

De boksers vielen op elkander aan.

En aanstonds was de belangstelling van Charly en Raffles gewekt.

Want daar waren twee meesters in de kunst met elkander handgemeen geworden, dat was op het eerste gezicht te zien.

Zij brachten hun stooten bliksemsnel toe en ontweken elkander met onbegrijpelijke snelheid.

Maar voor kenners als Raffles en Charly kon er niet aan getwijfeld worden, of Joe Mascott was de meerdere.

Hij viel vliegensvlug uit en scheen zich toch niets te overhaasten, maar zijn stooten degelijk te overdenken.

Zijn beenwerk was onberispelijk en soms leek het, of hij op drie plaatsen tegelijk was.

In de derde ronde raakte Mac O’Neill hem vlak op de kaak.

Mascott wankelde slechts even, maar geen spier op zijn gelaat bewoog ofschoon de hevige slag een minder getraind man zeker bewusteloos zou hebben gemaakt.

In de vierde ronde moest hij nog twee krachtige slagen in ontvangst nemen van zijn tegenstander, die iets meer scheen te wegen en ook eenige centimeters grooter was.

Maar hij glimlachte slechts flauwtjes en Stanley schreeuwde opgetogen:

„Kijk mij dien kerel eens! Zou men niet zeggen, dat O’Neill hem onder de kin streelt?”

De vijfde en de zesde ronde waren zeer beslist voor Mascott, die zijn tegenstander drie malen hard tegen den kin trof.

Hij scheen nog volstrekt niet vermoeid te zijn, maar Mac O’Neill steunde en blies als een stoommachine en had na iedere ronde zijn minuut rust hard noodig.

De zesde ronde bracht in de eerste seconde eenig voordeel voor Mac O’Neill en hij raakte Joe in de nierstreek, zoodat deze even wankelde.

Maar hij herstelde zich dadelijk weder en trof den ander onder het oor.

„Joe is van hout, bij Jove!” schreeuwde de professor vol geestdrift. „Daar zit een prijswinner in! Ik zeg.......”

Niemand vernam dien dag, wat Stanley had willen zeggen, want Joe was eensklaps uitgevallen, onder den gestrekten arm van Mac O’Neill door en het volgend oogenblik lag deze op den vloer uitgestrekt, trok nog even met de beenen en lag stil.

Het was zoo vlug gegaan, dat Stanley zelfs vergat te tellen en stokstijf met het horloge in de hand naar het beweginglooze lichaam bleef kijken.

Toen nam Charly zijn taak maar over en telde luid:

„Een—twee—drie—vier—vijf—zes— —”

Bij de zevende tel deed Mac O’Neill een krampachtige beweging om op te staan.

„Acht—negen—tien!”

De tien seconden waren verloopen, en Mac O’Neill had zich nog niet kunnen oprichten.

Stanley vloog op Joe toe, en schreeuwde:

„Als je zoo doorgaat—voorspel ik je een groote toekomst, Joe! Jij bent de trots van mijn instituut! Tien minuten wachten en dan de twee winnende tegen elkaar!”

De twee boksers verdwenen in hun kleedkamertjes en de leerlingen begonnen weer aan hun oefeningen.

Raffles trad op Stanley toe en zeide op zachten toon iets tegen hem.

De ex-kampioen knikte levendig, liep naar een der deuren en schreeuwde naar binnen:

„In wedstrijdcostuum, heeren, op vereerend verzoek van onzen gast!”

De tien minuten waren juist verloopen, toen de deur weder openging en de twee boksers, Joe Mascott en Bill Stevans, binnen traden.

Zij droegen thans niets anders dan een kort broekje van wit linnen en linnen laarzen.

Zoo betraden zij het strijdperk.

Stanley regelde zijn stopwatch en riep:

„Vooruit!”

De strijd nam een aanvang.

Raffles hield strak het oog op Joe gevestigd.

Hij was zelf een uitstekend bokser, en hij kende de werking der spieren als weinig anderen.

En wat hij daar voor zich zag was eenvoudig volmaakt.

Nog nimmer had hij een man gezien, zoo bij uitstek geschikt voor de beoefening van de bokskunst.

Joe Mascott kon omstreeks 73 tot 75 kilo wegen.

Zijn ledematen waren voortreffelijk geproportioneerd, geen millimeter te lang of te kort.

De armen, waarvan het vel van louter gezondheid glansde als zijde, hadden die lange spieren welke den goeden bokser kenmerken.

De borst was breed en licht gewelfd, de hals rond en gespierd, de schouders waren klassiek gevormd en helden een weinig af, eveneens een kenmerk van den bokser zooals hij zijn moet.

De beenen hadden een onberispelijken vorm, met lange, langzaam naar de knie smaller wordende dijen, gespierde kuiten en een hooge wreef.

Op den rug, blank als die eener vrouw, lagen de spieren vlak onder de huid, en zij werkten bij iedere beweging, welke de jonge man maakte.

Joe Mascott had in het geheel niet het typische boksergezicht, het lage voorhoofd, de diepliggende oogen en de dikke wenkbrauwen, die als luifels de oogen beschermen.

Integendeel—hij had een fijn, regelmatig gevormd gelaat, bijna meisjesachtig, en waarin groote, lichtgrijze oogen schitterden.

Zooals hij daar stond, bijna naakt, was hij een toonbeeld van gezondheid en lenige kracht, waardig om als model voor een beeldhouwer te dienen.

Reeds waren er eenige slagen gevallen, die luid op de naakte huid kletsten.

De beide boksers droegen handschoenen van slechts drie ons en de slagen kwamen dus duchtig aan.

De taktiek van Bill Stevans kwam dadelijk aan het licht.

Hij wist, dat zijn tegenstander van buitengewone taaiheid was en het daarom op den duur zou moeten winnen—tenminste als hij hem niet binnen vier ronden had neergeslagen.

Hij viel daarom aanstonds woedend aan en trachtte Joe telkens den gevaarlijken kaakslag toe te brengen, die, goed aankomend, meestal degeen, die hem ontvangt, den vloer doet meten.

Maar Joe scheen dien toeleg te hebben doorzien en hij bepaalde er zich aanvankelijk toe, de snelle slagen van zijn tegenstander te ontwijken, door zeer snel te duiken, of een paar passen terug te springen.

De ronde van twee minuten waren reeds verstreken en reeds begon Stevans kenteekenen van vermoeidheid te geven, terwijl Joe zoo frisch was, alsof hij zooeven uit zijn kleedkamer was gekomen.

Stanley schreeuwde in de tusschenpoozen zijn raadgevingen onpartijdig tot de beide boksers, terwijl hij druk doende was met handdoeken en water, met azijn aangelengd.

En in de vierde ronde werd Stevans uitgeslagen...

Het geschiedde reeds na de eerste verkenningen.

Stevans was op Joe toe gesprongen, en het scheen, of zijn vuist den jongen man juist tegen de punt van de kin zou treffen.

Maar op het allerlaatste oogenblik weerde Joe den zwaren slag met de rechterhand af, en het volgend oogenblik zat zijn linkervuist op de kaak van den tegenstander, die als een blok neerviel, om en om rolde, en toen bleef liggen half onder de touwen.

Stanley telde hem uit, zonder dat hij zich verroerde.

Toen trad Joe op den verslagen tegenstander toe, en rolde hem om, zoodat hij hem in het gelaat kon zien.

„Ik heb hem toch niet te erg geraakt, mijnheer?” vroeg hij op zachten toon aan Stanley, die zich reeds met iemand anders bezig hield.

„Welneen,” riep de professor luidruchtig. „Hij kan wel tegen een stootje. Kijk maar, hij komt al weer boven water.”

Stevans had zich inderdaad half opgericht, en keek verward om zich heen.

Toen herkende hij het gelaat van Joe, en stak hem glimlachend de hand toe.

„Je hebt mij geklopt, Joe—en eerlijk,” zeide hij nog wat zwak. „Man, we zullen nader van je hooren.”

„Zou je denken, George?” vroeg Joe gretig, terwijl zijn oogen begonnen te schitteren.

„Wel, ik ben er even zeker van, als dat ik nog nooit te voren klop heb gehad van een leerling van Stanley—en ook niet van den baas zelf.”

Hij krabbelde overeind, waarbij Joe hem hielp, en strompelde naar het waschhok, om zich daar door een koude douche weder te herstellen van de inspanning.

Joe, die een handdoek om zijn hals had geslagen, wilde zich eveneens verwijderen, toen hij een hand op zijn schouders voelde.

Raffles stond voor hem en keek hem vol belangstelling aan.

„Ik wilde u even zeggen, dat ik groote bewondering koester voor uw wijze van boksen, mijnheer Mascott,” zeide hij. „Ik mag zeggen dat ik er verstand van heb.”

„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijnheer,” zeide Joe, terwijl hij bloosde van genoegen bij het hooren van die lofspraak.

Raffles liet zijn stem nu tot een zacht gefluister dalen en voegde er aan toe:

„Alleen zou ik U den raad willen geven—tenminste als het u ernst is, om ooit iets te beteekenen tusschen de witte touwen—om u van een anderen, beteren leermeester te voorzien. Ik wil niets afdingen op de hoedanigheden van Stanley als bokser—maar als coach deugt hij niet. Er is veel meer uit u te halen, neem dat van mij aan, mijn waarde Joe. Wanneer gij U onder de leiding stelt van een eerste rangs trainer, dan voorspel ik u een schitterende toekomst—tenminste wanneer het u ernst is met de bokskunst.”

Raffles haalde zijn opschrijfboekje te voorschijn, scheurde er een der geperforeerde bladzijden uit, schreef er een paar woorden op, stak het den jongen athleet toe, terwijl hij zeide:

„Dat is het adres van een voortreffelijken bokser die tevens een uitstekend leermeester en trainer is. Laat Stanley schieten, die nog van de oude school is, en op een ouderwetsche wijze les geeft, terwijl hij zich volstrekt niet schijnt te bekommeren om de algemeene ontwikkeling van zijn leerlingen.”