Part 2
Raffles legde de hand op den bovenarm van Joe Mascott, en vervolgde:
„Deze strekspier is nog niet voldoende ontwikkeld, en dat zal zij ook nooit worden, als gij hier blijft door gaan. Die spier moet in het bijzonder behandeld worden—evenals eenige spieren van buik en rug, welke gij nog niet geheel en al in uw macht hebt. Maar zijn ook die goed geoefend, dan wil ik er wat onder verwedden, dat gij binnen een paar maanden in staat zult zijn, Bombardier Wells, Johnson, ja zelfs Carpentier te kloppen.”
Mascott vatte de hand van Raffles, en zijn oogen schitterden toen hij op gedempten toon zeide:
„Gelooft gij dat werkelijk, mijnheer? O, het is sedert eenigen tijd mijn ideaal om mij in een openbaren wedstrijd met de beste Engelsche en Amerikaansche boksers te meten—maar over George Carpentier, den Franschen Kampioen, heb ik nimmer durven denken.”
„Als gij u ijverig blijft oefenen en niet in deze omgeving blijft, dan zou het mij niets verwonderen, als gij binnen enkele maanden in staat zoudt zijn, den jongen Franschman te ontmoeten. Maar zeg mij eens—wat zijt gij eigenlijk van uw beroep?”
„Bankbeambte, mijnheer!”
„Dan hebt gij zeker niet veel tijd om u te oefenen?”
„Alleen des Zaterdagsmiddags, Zondags en enkele avonden van de week als ik geen boeken bijhoud voor kleine neringdoenden.”
„Wilt gij mij uw adres niet opgeven? Ik stel zeer veel belang in uw vorderingen en ik zou gaarne wat naders van u vernemen.”
„Ik woon met mijn moeder en mijn zuster in de Black Friar street 37, mijnheer,” antwoordde de jeugdige bokser.
„Nu dan hoop ik je nog wel eens terug te zien,” zeide Raffles vriendelijk. „Uw beenwerk is onberispelijk—daaraan behoeft gij niets meer te doen, behalve misschien nu en dan eens een honderd ellen zoo snel mogelijk loopen. Als gij uw rug- en armspieren alles laat doen wat zij vermogen, dan slaat gij alle personen die gij hier in de zaal gezien hebt, in de eerste helft van de eerste ronde tegen den grond.”
„Ik dank u hartelijk voor uw goeden raad, mijnheer, en ik zal niet nalaten hem op te volgen. Alleen.......”
Hij voltooide den zin niet, maar aarzelde en trok bedremmeld den handdoek over zijn schouders heen en weer.
„Ik geloof, dat ik weet wat je zeggen wilt,” zei Raffles glimlachend. „De voorwaarden van den man wiens naam op dit papiertje staat zijn zeer schappelijk; wat zij steeds zijn, als hij ziet, dat hij met een buitenklassigen bokser te doen heeft.”
Op dit oogenblik kwam Stanley op het drietal toe en om den voormaligen kampioen niet te kwetsen, werd het gesprek beëindigd en verdween Joe Mascott in de badkamer om zich met een koude douche te verfrisschen.
Raffles en Charly spraken nog eenigen tijd met den professor en daarop namen zij afscheid, met de belofte, dat zij nog wel eens terug zouden komen.
Toen de beide vrienden op straat kwamen was de bui geheel overgedreven en de zon scheen opnieuw aan den hemel van het zuiverste blauw.
De twee mannen besloten naar huis te loopen en dadelijk begon Raffles:
„Wel, wat zeg jij van Joe Mascott?”
„Ik geloof ook, dat hij groote capaciteiten heeft, die thans nog sluimeren,” antwoordde Charly. „Hij is gebouwd als een athleet uit het oude Griekenland, hij heeft een verbazend groot uithoudingsvermogen en hij schijnt ook goed tegen harde slagen bestand te zijn.”
„Hij is gemaakt van hout, waaruit men de beroemdheden snijdt, mijn waarde,” riep Raffles uit. „Ik heb nog nimmer zulk een bliksemsnelle actie gezien en nog nooit zag ik een bokser, die zoo voortreffelijk zijn voeten weet te gebruiken. Als die jongen van den aanvang al zich onder de leiding had gesteld van een 1ste rang’s trainer, dan zou hij nu reeds de meest bekende Engelsche en ook buitenlandsche boksers kunnen staan.”
„Naar wien heb je hem heengezonden?”
„Naar Fred Simons. Hij is naar je je wel zult herinneren, eenige jaren geleden Kampioen van Australië geweest en hij behoorde zeker tot de beste boksers van zijn klasse. Maar als trainer en opleider van boksers, zoekt hij vruchteloos zijn weerga! Hij ziet met een oogwenk, waar de zwakke punten van zijn leerlingen zijn, en hij weet de middelen, en hij past ze ook toe, om die te verbeteren. Als hij Joe Mascott een paar maanden onder handen heeft gehad, dan zal die jonge man eenvoudig niet te kloppen zijn in ons land!”
De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over de zaak door, totdat zij het fraaie heerenhuis in de Regentstreet binnentraden, hetwelk Raffles bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen.
HOOFDSTUK III.
DE NIEUWE MEESTER.
Er was omstreeks een week voorbij gegaan, sedert het bezoek aan de oefenzaal van Black Jimmy en eigenlijk had Charly het geheele voorval reeds bijna vergeten, want hij had het juist in dien tijd bijzonder druk met het regelen van sommige geldelijke zaken, waarbij Lord Aberdeen de eene partij en een half dozijn ziekenhuizen en instellingen van liefdadigheid de andere partij was.
Maar Raffles had Joe Mascott niet uit zijn gedachten laten gaan en hij besloot eens bij Fred Simons aan te loopen, teneinde te vernemen, of de naam van den jongen bankklerk soms onder zijn nieuwe leerlingen voorkwam.
Simons had een groote inrichting in de Queen Annastreet en hij had onder zijn leerlingen zeer veel jongelui van geld en zelfs van adel, die zich aan zijn hoede hadden toevertrouwd met het oog op de aanstaande Olympische spelen, waaraan zij hoopten deel te nemen.
Daaronder waren roeiers, zoowel als balwerpers, voetballers zoo goed als boksers, worstelaars, en ook hardloopers.
Want voor Fred Simons scheen het menschelijk lichaam geen geheimen te hebben en hij kende op een haar iedere functie van de geringste spier, hij scheen te kunnen raden, welk voedsel voor zijn „Boys” het best geschikt was op een zeker tijdstip, hoeveel uren zij moesten trainen en van welken aard de training moest zijn.
Hij had hiermede reeds zooveel geld verdiend, dat hij eigenlijk zijn schaapjes reeds op het droge had en desnoods van zijn rente had kunnen leven.
Maar daaraan dacht de voormalige Australische kampioen niet, want hij had een waren hartstocht voor zijn beroep en hij hoopte er nog lange jaren mee voort te gaan.
Zijn „Instituut voor Physische therapie”, zooals hij het wel wat weidsch noemde, bestond uit een zestal zalen, waarvan er een uitsluitend aan de bokskunst gewijd was, die uit den aard der zaak bij Simons de eerste plaats bekleedde.
Voorts was er een turnzaal, een zaal voor heilgymnastiek, een zaal voor waterbehandeling, met een zeer groot zwembassin, waar men ook Turksche baden kon gebruiken en voorts nog een zaal waar geschermd kon worden, terwijl er tenslotte een vertrek was, waar men zijn beurt kon afwachten—en dat zag er heel wat beter uit dan het kale wachtkamertje van zijn voormaligen collega, Black Jimmy.
Er stonden een paar dozijn gemakkelijke stoelen en op een paar zware ebbenhouten tafels lag een groot aantal tijdschriften op allerlei sportgebied.
Fred Simons was ook niet goedkoop—en daar kwam hij rond voor uit.
Maar het was evenzeer bekend, ofschoon de brave kerel er zelf geen ophef van maakte, dat hij een oogje dichtkneep als zich iemand bij hem kwam vervoegen, die het blijkbaar niet al te breed had, maar wiens geheele lichaamsbouw hem als het ware voorbestemde, om bij ernstige oefening in deze of gene tak van sport uit te blinken.
Zoo had hij op het oogenblik onder zijn leerlingen een hardlooper, waarvan hij de grootste verwachtingen koesterde en een balwerper waarvan hij zelf verzekerde, dat hij binnenkort alle bestaande wereldrecords met glans zou slaan.
Naar dezen man nu begaf Raffles zich, tamelijk vroeg in den morgen, terwijl hij Charly bij zijn boeken en registers achterliet.
De Gentleman-Inbreker was zelf geruimen tijd een der ijverigste leerlingen van Fred Simons geweest en hij bezocht hem ook nu nog geregeld om een paar partijen met den ex-kampioen te boksen, die nog altijd ondanks zijn veertig jaren over een uitmuntende techniek en groote kracht bleek te beschikken.
Raffles werd ontvangen door den neger-portier, die hem aanstonds herkende en al zijn blinkend witte tanden vertoonde en naar Simons geleid, die natuurlijk ook al „Professor” was.
De voormalige kampioen had een zwak voor zijn lordschap en hij ontving hem dan ook dadelijk, ofschoon er eigenlijk eenige leerlingen wachtten.
„Het doet mij genoegen u weer te zien, Mylord!” riep Simons uit, terwijl hij Raffles zijn groote, verbazend harde hand toestak, zorg dragende, dat hij niet al te sterk kneep, want hij wist maar al te goed, dat zijn handdruk een zeer pijnlijke gewaarwording opleverde voor dengeen die er mede begroet werd.
Hij had zijn bezoeker ontvangen in de groote bokszaal, een ruim, luchtig vertrek op de bovenste verdieping van het huis en dat zijn licht ontving door 5 groote ramen in den achtermuur en tevens door een zeer groote lantaarn in de zoldering aangebracht en die door middel van een gordijn tegen de al te felle zonnestralen kon worden beschermd.
Raffles antwoordde:
„Ik voel dat een weinig beweging mij goed zal doen, mijn waarde Professor, hebt ge een kwartiertje voor mij?”
„Voor U altijd, Mylord,” antwoordde Simons. „Uw costuum hangt op de bekende plaats. Gij hebt het maar aan te trekken.”
Raffles knikte den professor toe en begaf zich naar een der kleedkamers waar zijn trui en zijn witte pantalon gereed lagen, keurig opgevouwen door de zorg van de twee bedienden, die Simons er op na hield.
Hij ontdeed zich snel van zijn bovenkleederen, trok de linnen pantoffels aan en stak zich in het sportcostuum.
Toen hij in de zaal terug kwam, stond Simons hem reeds op te wachten met de bokshandschoenen in de hand.
Raffles trok ze aan en de partij begon.
Na iedere drie minuten werd even opgehouden en Simons maakte van de tusschenpoozen gebruik om Raffles te verzekeren, dat hij nog niets van zijn vlugheid, zijn scherp oog en zijn kracht verloren had.
Toen het kwartier verstreken was, riep de voormalige kampioen uit:
„Ik blijf er bij, dat het zonde is, dat gij nooit in een openbaren wedstrijd zijt opgetreden, Mylord. Het mag dan niet met uw stand strooken, maar gij zoudt menig beroepsbokser een lesje kunnen geven.”
„Later misschien wel eens, mijn waarde Simons,” zeide Raffles lachend, „en vertel mij nu eens hoe het met de leerlingen staat, hebt gij er nog een bijgekregen sedert ik u voor de laatste maal zag?”
„Een zestal, Mylord. Vijf daarvan hebben eigenlijk niet veel om het lijf en tusschen ons gezegd en gezwegen, zou ik hen niet hebben aangenomen, als zij niet zoo bar rijk waren geweest—de oorlog, begrijpt gij!—en mij een handvol geld betaalden. Maar de zesde...........”
Simons voltooide den zin niet, maar kuste met opgetrokken wenkbrauwen de toppen van wijs- en middelvinger van zijn rechterhand en liet een langgerekt: „umm” hooren.
En toen bastte hij uit:
„Mylord, daar komt mij drie dagen geleden een jonge kerel bij mij, die mij vertelde dat hij bankklerk is en gestudeerd heeft—dat noemen zij studeeren!—bij Jimmy Stanley, maar dat hij zich nu in ernst op zijn training wil toeleggen en daarom mijn condities wilde weten. Ik bekijk den jongen zoo eens van top tot teen, ik zeg tegen hem, dat hij zijn vodden en todden maar eens moet uittrekken en Mylord—ik krijg daar een athletenfiguur te zien—een beeldhouwer zou het niet mooier kunnen maken, op mijn woord. Ik zag natuurlijk dadelijk, dat Stanley zijn geld van dien jongen had opgestreken, zonder er iets voor uit te voeren, want er waren spieren van bovenarm en rug, zoogoed als niet geoefend en ook met de buikspieren was het niet allemaal in orde. Ik zeg zoo tegen hem: Kom jij maar bij mij, vriend en laat dien kwakzalver, dien marktschreeuwer maar waaien. Ik maak een bokser van je, of ik geef mijn titel als Kampioen cadeau!”
„Welzoo!” riep Raffles uit, die groote belangstelling veinsde, al begreep hij natuurlijk dadelijk, dat dit niemand anders geweest kon zijn dan Joe Mascott. „Maar ik wist niet, dat een bankbeambte zich die weelde kon veroorloven, mijn waarde Simons! Want gij zijt een voortreffelijk trainer, en ik weet niet wat men goedkoop noemt.”
„Maar Mylord!” riep de bokser op verontwaardigden toon. „Denkt gij dat ik dien jongen het vel over de ooren zal halen? Ik heb het schappelijk met hem gemaakt—hij betaalt mij 5 shilling per les—in plaats een pond! En ik heb hem gezegd, dat ik hem binnen twee maanden klaar zal hebben gekregen om tegen wien ook te vechten!”
Raffles glimlachte—men kon wel zien, dat Simons niet zeer goed op de hoogte was van de salarissen van bankklerken, al nam hij niet meer dan twee lessen in de week, dan zou het hem toch nog altijd 10 shilling zijn—en het was zeer de vraag of hij die wel kon missen, daar het immers zeer wel mogelijk was, dat hij van zijn schamel loon ook nog zijn moeder en zuster moest onderhouden.
Hij klopte echter den ex-kampioen op den schouder en zeide:
„Dat is kranig van u, mijn waarde Simons. Kan ik dat wonder niet eens zien; gij weet hoeveel belang ik stel in aankomende boksers, vooral wanneer gij zegt dat zij iets te beteekenen hebben.”
„Welzeker Mylord, met genoegen! Die jongen, Joe Mascott heet hij, vertelde mij dat een rijk heer, die zijn naam niet had genoemd hem mijn adres had opgegeven en ik vraag mij af wie dat wel geweest kan zijn.”
„Vraag niet langer, waarde Simons—die rijke mijnheer was ik!” antwoordde Raffles glimlachend.
„Gij Mylord?” riep de Australische kampioen verbaasd uit. „Neem mij niet kwalijk dat had ik dadelijk moeten begrijpen. Maar hoe kwaamt gij in ’s Hemelsnaam bij dien schreeuwer van een Stanley verzeild?”
„Louter toeval, ik liep er zoo maar eens binnen en zag Mascott werken! Ik bemerkte aanstonds, dat er wat in hem school, maar dat Stanley niet de man was om het er uit te halen, daarom zond ik hem naar u toe! Ik wilde daar eerst niet verder over spreken, maar nu de jonge man mij al half verklapt heeft, zal ik maar open kaart met U spelen. Ik stel veel belang in Mascott, maar voorloopig behoeft hij mijn naam nog niet te weten. Misschien zal hij er wel naar vragen maar dan ontwijkt gij die vraag maar. Gij denkt dus werkelijk, dat er wat in hem schuilt?”
„Ik ben er van overtuigd, Mylord. Over drie weken is er hier te Londen een wedstrijd om een beurs van 500 pond! Daaraan mogen alleen Engelsche boksers deelnemen. Welnu ik maak mij sterk dat ik hem binnen drie weken zoover heb, dat hij een gooi naar die 500 pond kan doen. De inschrijving is over een week gesloten. En als mijn man bij dien wedstrijd wint—dan kan hij al dadelijk zooveel engagementen krijgen als hij maar verkiest. Ik heb hem eens laten sparren met een van mijn beste lui en ofschoon er met dikke handschoenen gevochten werd, lag de man binnen tien tellen tegen de vlakte. Nooit zoo iets gezien, Mylord!”
„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijn waarde Simons,” zeide Raffles glimlachend. „Het blijft dus afgesproken—gij noemt voorloopig mijn naam niet. En nog iets—ik betaal u een pond voor iedere les, welke hij neemt—op voorwaarde dat gij hem niets in rekening brengt. Gij hebt u werkelijk zeer liberaal jegens hem getoond en dat stel ik op hoogen prijs—maar gij weet niets van de salarissen, welke de bankklerken verdienen, 5 shilling is voor hem nog een zeer groote opoffering.”
„Wel Mylord, dat heb ik niet geweten,” stamelde Simons. „Ik weet ook niet of ik uw aanbod mag aannemen.”
„Doe het maar wel,” hernam Raffles glimlachend, „en besteedt al uw zorgen aan den jongen man. Als hij later veel prijzen verdient en het in zijn hoofd krijgt U alle lessen te betalen, dan kunt gij mij het geld, als het uw eer te na is, mijnentwege ook terug geven, is het zoo goed?”
„Mylord, gij zijt een man naar mijn hart. Een echte sportman,” riep Simons vol geestdrift uit en het had weinig gescheeld, of hij had zijn adellijken leerling een harden klap op den schouder gegeven.
Maar Raffles was al bij de deur van zijn kleedkamer, en riep van daar:
„Wanneer komt Mascott hier weder oefenen?”
„Vanmiddag om drie uur, Mylord.”
„Nu, als ik tijd heb, kom ik bepaald even kijken,” kwam Raffles en daarop trad hij het vertrekje binnen, om zich weder te verkleeden.
Toen hij weder in de bokszaal trad, was Simons daar reeds bezig met een paar zijner leerlingen.
Raffles knikte hem in het voorbijgaan nog even toe en daarop verliet hij het groote gebouw.
Hij zorgde dien middag echter weder om 3 uur in de wachtkamer te zijn en daar vernam hij van den negerbediende, dat Joe Mascott zooeven gekomen was en zich reeds verkleedde.
Raffles wandelde naar de zaal, waar een tiental jonge lieden bijeen waren en werd daar verwelkomd door Simons die vroolijk uitriep:
„Blij dat gij uw woord hebt gehouden, Mylord!”
Hij nam hem terzijde en vervolgde op gedempten toon:
„Ik heb hem gezegd, dat hij niets voor de lessen behoefde te betalen, tot hij zijn eersten wedstrijd gewonnen zou hebben. Gij hadt zijn gezicht eens moeten zien. Ik geloof waarachtig, dat hij bijna ging huilen. Maar hij wilde volstrekt alles terugbetalen, wanneer hij met zijn boksen geld verdiend zou hebben.”
„Daar heb ik hem al voor aangezien.”
„Maar ik geloof, tusschen ons Mylord, dat hij vermoedt, dat ik het niet uit mij zelf doe en dat zijn onbekende beschermer er achter moet zitten, want hij vroeg nogmaals naar Uw naam.”
„Wat heb je toen gezegd?”
„Ik heb gezegd, dat hij praatjes verkocht en dat hij hier kwam om te boksen!”
„Een voortreffelijk antwoord, Simons,” zei Raffles glimlachend.
De professor moest zich nu weer aan een zijner leerlingen wijden en eenige minuten later trad Mascott in trui en witte pantalon binnen.
Raffles had zich zooveel mogelijk achteraf gehouden en in een klein zijvertrek plaats genomen, vanwaar hij de oefenzaal geheel kon overzien.
Het bleek, dat zijn beschermeling met zijn leermeester zou boksen—want reeds nu was er niemand onder de leerlingen, waardig om zijn tegenstander te zijn.
Wij zeiden reeds, dat Raffles verstand had van de zaak waarom het ging en hij zag spoedig, dat de voormalige kampioen alle moeite van de wereld had, om de bliksemsnelle slagen van Joe Mascott te ontwijken, en nu en dan op zijn beurt een vinnigen uitval te doen, dien de jonge man echter steeds bij tijds wist te ontwijken.
Er werd een ronde gebokst met middelsoort handschoenen en een der meest gevorderde leerlingen ging den wedstrijd met den chronometer in de hand na.
In de derde ronde ging Mascott voor twee seconden tegen den vloer, door een hook tegen de kaak getroffen, maar hij was dadelijk weer op de been, wankelde slechts even, maar had onmiddellijk kracht genoeg om de snelle uitvallen van Simons af te wijzen.
In de vierde ronde werd de professor tot tweemaal toe neergeslagen, den tweeden keer voor acht seconden en hij werd toen slechts gered door het klinken van het fluitje van den scheidsrechter.
Maar in de 7de ronde was het met Simons gedaan—een krachtige slag tegen de kin deed hem tegen de touwen tuimelen, waarlangs hij op den vloer gleed om daar bewegingloos te blijven liggen.
Hij werd uitgeteld, en toen kwamen de twee helpers toesnellen met water, sponzen en azijn en binnen enkele minuten was Simons weer de oude.
Hij kwam overeind, zocht met den blik zijn nieuwen leerling, ging met de vuisten in de zijde voor hem staan, bekeek hem van top tot teen, en vroeg meesmuilend:
„Ik zou voor den duivel wel eens willen weten, jongeman, wat je bij mij eigenlijk nog komt leeren? Het boksen ken je—en met mij behoef je zeker niet meer te vechten, dan alleen voor oefening. Wij zullen maar liever geen wedstrijdhandschoenen meer gebruiken—ik heb mijn tanden te lief! En ga nu maar eens mee, naar de massagezaal, dan zullen wij die spiertjes eens onder handen nemen.”
Hij had Joe Mascott bij den arm genomen en voerde hem met zich mee, maar de weg ging langs het kleine zijvertrek en voor Raffles zich had kunnen verwijderen had de jonge man hem herkend, en hij was snel op hem toegetreden.
Hij had zich onder het loopen reeds van zijn handschoenen ontdaan en stak Raffles met een trouwhartig gebaar de hand toe.
„Ik krijg den indruk mijnheer, dat gij u voor mij wilt verbergen, om u zoodoende te onttrekken aan mijn dankbetuigingen. Ik ben nu eenige malen bij Fred Simons geweest, en ik zie zelf wel het verbazende verschil met dien braven Stanley. Als ik het tot iets breng, dan zal ik het aan u te danken hebben, want ik begrijp het maar al te goed, mijnheer, dat gij het zijt geweest, die bewerkt heeft dat Simons mij gratis les geeft. Hij kan zoo slecht huichelen, die beste man, en ik heb alles doorzien. Waarom wilt gij mij toch beletten U mijn dankbaarheid te betuigen.”
„Gij kunt dat niet beter doen, mijn waarde vriend, dan volstrekt niet meer over dit bagatel te spreken,” zeide Raffles.
„Maar noem mij dan toch Uw naam mijnheer? Wanneer gij niet wilt, dat ik dien van anderen tracht te vernemen,” hernam Joe op dringenden toon. „Ik zou U zoo gaarne bewijzen, dat gij niet met een ondankbare te doen hebt.”
Nog scheen Raffles te aarzelen maar toen zeide hij:
„Ik ben Lord William Aberdeen—maar werkelijk—mijn naam doet er immers niets toe. Ik geloof, dat gij het waard zijt om geholpen te worden—en ik stelde aanstonds veel belang in u.”
„Mylord, als ik later prijzen win—en dat hoop ik innig, niet voor mij zelven maar voor degene die mij lief zijn en die thans in benarde omstandigheden leven, dan zult gij mij moeten toestaan, dit alles weder met u te vereffenen.”
„Als gij dat volstrekt doen wilt—ga dan uw gang, maar beloof mij nu slechts, dat gij uw best zult doen en vertel mij dan eens iets uit uw leven.”
„Ik verlang niets liever, mijnheer,” riep Mascott uit. „Als gij soms eenige minuten tijd hebt, het masseeren duurt niet lang.”
„Dan wacht ik op u in de wachtkamer.”
Raffles knikte hem toe, ging naar Simons, die op eenigen afstand was blijven wachten en zeide in het voorbijgaan glimlachend:
„Ik heb mijn incognito maar opgeheven, mijn goede Simons.”
„Opgeheven? Wat hebt gij opgeheven?” vroeg de ex-kampioen verwonderd, die in zijn tijd een groot bokser was, maar het in vreemde woorden niet ver had gebracht. „Wat is dat nu weer voor een nieuwigheid?”
„Ik bedoel, ik heb mij bekend gemaakt. In ’t kort—ik heb mijn naam genoemd.”
„Dat is beter, Mylord,” riep Simons uit en hij ging zijn nieuwen leerling achterna, die reeds naar de massagezaal gegaan was.
Na ongeveer twintig minuten wachtens trad Mascott de wachtkamer binnen en zeide:
„Nu ben ik tot uw dienst, Mylord!”
HOOFDSTUK IV.
MEDEMINNAARS.
Raffles stond op en zeide:
„Als gij het goed vindt, zullen wij liever de buitenlucht opzoeken.”
„Zooals gij wilt, Mylord!”
De twee mannen verlieten het huis en liepen op straat eenigen tijd zwijgend voort.
Toen begon Joe eensklaps: