Chapter 5 of 5 · 3710 words · ~19 min read

Part 5

Op dat oogenblik trad Mevrouw Mascott binnen met een kristallen schaaltje waarop een aangesneden tros druiven lag.

Raffles trok er een druif af en stak ze in den mond, na haar aandachtig te hebben bekeken.

Hij proefde de vrucht aandachtig en zeide toen hoofdschuddend:

„Een druif, zoo goed als ik er nog ooit een proefde!”

Nu wendde hij zich opnieuw tot Joe en vroeg:

„En wat hebt gij gedaan nadat gij gegeten hadt?”

„Ik ben naar Simons gegaan om daar mijn handschoenen en eenige andere zaken te halen.”

„Vervolgens?”

„Vervolgens ben ik met George Malony en eenige andere kameraden in een café een kop thee gaan drinken.”

„Met Malony?” herhaalde Raffles. „Waart gij steeds in gezelschap van die anderen? Deel mij eens zeer nauwkeurig, zonder iets over te slaan, alles mede wat er gebeurd is, sedert het oogenblik waarop gij het huis van Simons binnenging.”

„Ik ging mijn bullen halen en toen ik weder beneden kwam, stond George bij de deur. Hij zeide mij, dat de kameraden op mijn welzijn wilden drinken en stelde voor, maar vast vooruit te gaan, de anderen zouden aanstonds komen. Wij gingen naar het café op den hoek en ik bestelde thee, hij bier.”

„Bleef hij steeds in uw nabijheid—of gij in de zijne?”

„Neen, een oogenblik heb ik mij verwijderd om naar een reclameplaat te kijken die twee boksers voorstelde, en die bij het buffet hing.”

„Deed gij dat uit eigen aandrang?”

„Neen, Malony zeide, dat er iets bijzonders aan te zien was.”

„En was dat zoo?”

„Voor zoover ik kon nagaan, in het geheel niet.”

„Toen gij daarheen ging, was de consumptie toen al gebracht?”

„Ja, de thee stond op tafel, maar mijn God, Mylord, waarom vraagt gij mij dat alles? Wat denkt, wat vermoedt gij dan toch?”

„Ik vermoed, dat hier een lage streek gespeeld is, mijn beste Joe,” antwoordde Raffles kortaf. „Gij hebt natuurlijk van de thee gedronken? Hebt gij er niets bijzonders aan geproefd?”

„Neen, zij was misschien een beetje sterk, dat was alles.”

„Misschien een looismaak? zooals van thee, die te lang getrokken heeft?”

„Juist, dat was het, Mylord,” riep de jonge man uit. „Gij denkt dus, dat.... er iets met die thee geknoeid is?”

„Ik twijfel er geen seconde aan, Malony heeft gebruik gemaakt van uw afwezigheid om iets in uw thee te doen. Daardoor gevoelt gij u zoo slap en wee, ik denk, dat de dosis wellicht een weinig te groot is geweest en dat gij pas veel later die verschijnselen had moeten gevoelen en niet in die sterke mate, maar juist voldoende, om u den wedstrijd te laten verliezen.”

„O, die schurk!” kreet Joe, „wat heb ik hem gedaan, dat hij zich op zulk een laffe wijze op mij wil wreken?”

„Ik geloof niet, dat hier sprake is van wraak, Joe,” hernam Raffles hoofdschuddend, „neen, die man kon zulk een middel nooit uit zich zelf hebben gevonden, ik vrees, dat hij slechts een werktuig is in de hand van een ander.”

„Maar wie zou dat kunnen zijn, Mylord,” riep Joe wanhopig uit, „ik had geen vijanden, voor zoover ik weet.”

„Geen vijanden? Noemt gij uw medeminnaars dan vrienden?” ging Raffles voort terwijl hij Joe strak aankeek.

„Wat, wilt gij zeggen, dat Pinkerton........”

„Hij en niemand anders, hij heeft er groot belang bij, dat gij vanavond verliest, want dan zijn uw kansen op een voordeelig aanbod vrij wel verkeken, tenminste in langen tijd, en hij heeft het veld vrij om Chairman te bewerken. Maar wij verpraten onzen tijd. De tijd dringt, ik weet nu wel, wat men u heeft ingegeven, en ik bezit een tegengift, dat u spoedig weder de oude zal doen zijn en wat Pinkerton betreft, hij zal zijn straf niet ontgaan, dat kunt gij aan mij overlaten. Allereerst echter moeten wij naar een geneesheer, teneinde u de maag te laten leegpompen, want zooveel mogelijk moet die schadelijke stof uit uw lichaam verwijderd worden. En daarna kom ik met mijn middeltje waarvan gij wonderen zult beleven.”

HOOFDSTUK VII.

DE WEDSTRIJD.

Omstreeks half negen, het uur, waarop de match tusschen Joe Mascott en Jim Farrol zou beginnen, was de groote zaal van het Cristal Palace zoo goed als geheel uitverkocht.

Raffles had er voor gezorgd, dat de naam van den veelbelovenden bokser alom bekend was geworden, en door zijn talrijke connecties had hij weten te bewerken dat vele bladen lange artikelen aan dezen match wijdden.

En in alle sportbladen hadden beschrijvingen van de beide tegenstanders gestaan, met de opgave van hun lengte, borstomvang, dikte van kuit en dijspieren, gewicht en andere bijzonderheden.

De belangstelling was dus zeer groot, en reeds dagen van te voren waren alle beschikbare plaatsen in de zaal uitverkocht.

In het midden, op een hoogte van ongeveer anderhalve meter boven den vloer was de ring opgebouwd, omspannen met een dubbele rij witte koorden.

Daaromheen waren de rijen stoelen geplaatst, waarvoor de hoogste prijzen waren betaald.

Op de eerste rij zat Pinkerton, die er van wilde genieten, hoe zijn medeminnaar verslagen werd.

Nog laat in den middag had hij een onderhoud gehad met George Malony, die hem had meegedeeld dat alles in orde was, en dat Joe zeker niet zou kunnen winnen als het middel, hetwelk zijn lastgever hem ter hand had gesteld, tenminste goed werkte.

Pinkerton had hem het overeen gekomen bedrag uitbetaald, en nu zat hij daar, reeds bij voorbaat genietend van zijn overwinning op den gehaten rivaal.

Eenige plaatsen verder zaten Raffles en Charly niet ver van een der hoeken van den ring.

Op een soort platvorm had de filmoperateur met zijn toestel plaats genomen, want ofschoon het avond was, zou hij zijn opnamen met gemak kunnen maken zoo daghelder was de ring verlicht door een groot aantal zeer sterke booglampen, die in een vierkant op een paar meter boven den met linnen bespannen vloer van den ring waren aangebracht.

Juist om acht uur ging een deur achter in de zaal open en Jim Farrol kwam binnen, vergezeld door zijn helpers, die handdoeken, sponsen en eenige flesschen met een geheimzinnigen inhoud mede brachten.

Een luid gejuig steeg op onder de aanhangers van den bokser, die reeds menigen prijs had gewonnen, en dan ook door de meeste hier aanwezige personen als de vermoedelijke winnaar werd beschouwd.

Nauwelijks had hij den ring bereikt, of weer ging de deur open, en Joe Mascott verscheen, in gezelschap van zijn leermeester Fred Simons, en Bill Stevans, die als zijn secondanten zouden fungeeren.

Een zwak gejuig werd gehoord, toen de jonge man, in een langen badmantel gehuld, door den haag van toeschouwers zich naar den ring begaf, en vlug het kleine trapje opwipte.

Hij glimlachte even tegen Raffles en Charly, die hij dadelijk had uitgevonden, en keek toen met een spottenden trek op zijn gezicht naar Pinkerton, die hem opnam met een ongerustheid waarvan hij zich niet aanstonds den oorsprong kon verklaren.

Die man zag er niet uit als een zwakkeling, dat was zeker.

Iedere spier scheen te zwellen van kracht, en toen hij den mantel afwierp, toonde hij een lichaam, sterk en lenig als een horlogeveer.

Er ging dan ook een gemompel van bewondering door de rijen der toeschouwers, voor het meerendeel kenners, en die dadelijk hadden gezien, dat hun een spannende partij te wachten stond en dat die Joe Mascott zeker niet de eerste de beste was.

De scheidsrechter had reeds in den ring plaats genomen, het horloge in de hand.

Hij was in zijn hemdsmouwen en zag er uit als een gemoedelijke kruidenier op Zaterdagavond.

Maar ieder sportman wist, dat hier een der beste scheidsrechters van geheel Engeland tusschen de touwen stond.

Om even over achten nam hij het woord, en stelde met eenige woorden de tegenstanders aan elkander voor, waarop de regels van het gevecht werden voorgelezen, die ieder rechtgeaard Engelschman wel kan droomen, maar die niettemin telkens opnieuw worden opgesomd.

Precies om acht uur klonk de gong, en de boksers namen tegenover elkander plaats, wisselden een vluchtigen handdruk en vielen op elkander aan.

Het was doodstil in de groote zaal, toen de eerste slagen vielen, want nu zou binnen enkele oogenblikken beslist worden of de beide mannen aan elkander gewaagd waren, dan wel dat een hunner veel sterker was dan de andere.

Jim Farrol was in uitstekenden vorm, dat was duidelijk te zien.

Zijn bronskleurige huid glansde als die van een zeerob.

Hij had geen half ons vet te veel op het lichaam, en bovendien was hij enkele duimen langer dan zijn tegenstander.

Maar de kenners hadden spoedig na de eerste minuten gezien, dat hij een tempo te langzaam was voor Joe Mascott......

Diens slagen vielen met ongeloofelijke snelheid na elkander, en in de eerste ronde kon Jim dan ook niet anders doen dan zich zooveel mogelijk dekken.

Eenmaal had hij juist bijtijds een hevigen kaakslag ontdoken, maar niet kunnen beletten dat een niet mindere zware slag hem even boven den gordel in de maagstreek trof.

Pinkerton keek met wijd open gesperde oogen naar de strijdenden.

Het was hem een raadsel, dat Joe zich zoo weerde, en zijn blikken zochten George Malony, die echter nergens te zien was, ofschoon hij verzekerd had, dat hij het schouwspel voor geen geld zou willen missen.

De eerste ronde eindigde onder doodsche stilte.

Reeds nu heerschte er een hevige spanning onder de toeschouwers.

De nieuweling bleek een bokser van uitgelezen kwaliteit te zijn, dat had men nu wel gezien.

Hij scheen in het minste niet vermoeid, ja haalde zelfs niet vlugger adem, en wandelde glimlachend naar zijn stoel, die intusschen tusschen de touwen door in een der hoeken van den ring was geschoven, terwijl de helpers vlug op het platform waren gewipt. Zij waaiden hem koelte toe, met hunne badhanddoeken, en bevochtigden zijn gelaat met een in water en azijn gedrenkte spons.

Raffles had even zijn plaats verlaten, en wisselde op zachten toon eenige woorden met zijn beschermeling.

„Hoe gevoel je je, Joe?” vroeg hij.

„Uitstekend, Mylord,” antwoordde de jonge man. „Uw middeltje heeft mij voortreffelijk geholpen, als dat mogelijk was, zou ik zeggen, dat ik mij nog krachtiger gevoel dan voor dien schurk zijn poeder in mijn thee deed. Waar is hij nu?”

„In verzekerde bewaring,” antwoordde Raffles laconiek. „En als ik eerst eens met Pinkerton gesproken heb, zal hij misschien denzelfden weg opgaan. De Engelsche wet maakt geen grapjes met zulke dingen.”

Reeds luidde de gong weder en Raffles nam zijn plaats weder in.

Vol onrust had Pinkerton het korte gesprek gadegeslagen. Hij begreep er niets van.

Had die schurk van een Malony hem voor den gek gehouden, en misschien wel alles aan Joe medegedeeld?

Dan zouden de zaken wel eens geheel anders kunnen uitloopen, want Joe Mascott zag er in het geheel niet uit, als een man, die van plan is zich te laten kloppen.

De tweede ronde was nauwelijks een paar seconden oud, of Farrol kreeg een slag tegen de kin, die hem deed wankelen.

Hij greep Joe vast, en twee malen moest het bevel „Los!” van den scheidsrechter klinken.

Er was een gevaarlijk licht in de oogen van Farrol gekomen, en de weinige supporters van Joe begrepen dat deze zich in acht zou moeten nemen.

Farrol was bijzonder vlug, en juist de eerste ronde zou hij trachten, zijn tegenstander door een zijner geweldige kaakslagen ten onder te brengen.

Dadelijk na het loslaten had Joe moeten duiken, teneinde een dier ontzettende slagen te ontkomen, en de harde kant van den handschoen trof hem echter aan den achterkant van het hoofd.

Een oogenblik later greep hij Jim opnieuw vast om een zwaaienden slag naar de kin juist bijtijds te ontgaan.

Jim worstelde om los te komen, en de beide mannen stonden hijgend en kreunend tegen elkander gedrukt, terwijl de scheidsrechter vruchteloos pogingen deed hen van elkander te trekken.

Jim had zijn linkerarm gebogen, en niet zoodra voelde hij de greep van Joe verzwakken of hij stootte bliksemsnel toe.

De slag trof Joe onder den kaak, hij duizelde, een tweede, hevige slag, dien hij slechts ten halve had kunnen ontwijken, velde hem neer.........

Een kreet van teleurstelling ging onder de toeschouwers op, zelfs onder degenen, die op Jim gewed hadden, want onwillekeurig ging de sympatiek uit naar dien onberispelijk gebouwden, rustigen athleet, die niets in zich had van wat gemeenlijk den bokser kenmerkt.

Joe was op het gezicht gerold, en lag stil.

De scheidsrechter knielde naast hem neder, en hield Jim met den linkerarm van Joe verwijderd, terwijl hij met den rechter bij iedere tel door de lucht zwaaide.

En in de drukkende stilte klonk het een—twee—drie—vier—vijf—zes......

Joe deed een poging om zich op een arm op te richten.

Zeven—acht—negen......

Joe lag nu op beide knieën, maar zou hij nog intijds overeind zijn......

Maar voor de tiende seconde kon worden afgeteld, klonk de gong......

De ronde was geëindigd, Joe was voorloopig gered.

Jim uitte een vloek, terwijl de secondanten van Joe kwamen toesnellen, onder de touwen door doken gewapend met hun handdoeken en emmers, en hun man zoo snel zij konden naar zijn hoek droegen, waar zij in koortsachtige haast begonnen zijn beenen te masseeren, zijn maag te kneden, en een paar flesschen water met azijn boven zijn hoofd leeg te gieten.

De rustpoos duurde slechts een enkele minuut—maar in dien korten tijd hadden Simons en Stevans nieuwe levenskracht in den jongen bokser weten op te wekken.

Kalm, bijna hersteld van den vreeselijken slag, trad hij bij het luiden van de gong naar het midden van het strijdperk en wachtte zijn tegenstander af, het hoofd tusschen de prachtige schouders weggedoken, borst en maag dekkend met de gesloten vuisten.

Jim deed een schijnstoot met de rechterhand en trof Joe met de linker op de wang.

De slag zou een niet geoefend man ter aarde hebben geworpen, maar Joe vertrok geen spier.

Hij had den slag half ontdoken en trachtte nu zijn tegenstander af te matten, door hem tot steeds nieuwe, forsche stooten uit te lokken.

Zijn voeten schoven in geregelden kadans over het linnen, waarmede de vloer bekleed was en de voetpunten tikten daarbij telkens met een goed hoorbaren klap op den grond.

Zoo joeg hij Jim een paar malen langs de touwen tot de gong een einde aan deze ronde maakte, waarin beide strijders bijna of geen letsel hadden gekregen.

De secondanten kwamen opnieuw toesnellen en die van Jim fluisterden hem iets in, waarop hij grimmig knikte, met de armen wijd uiteen gespreid, de handen op de koorden rustend, opdat de borst zooveel mogelijk lucht zou kunnen inademen.

Nauwelijks had de gong geklonken, of Jim sprong als een tijger op Joe toe, wiens helpers nog nauwelijks den ring hadden verlaten.

Hij greep hem vast en snel achtereen liet hij zijn vuisten dalen op het smalste gedeelte van den rug, ter hoogte van de nieren.

De slagen waren met hevigheid aangebracht en dadelijk vertoonde zich een scherp begrensde, vuurroode vlek op de blanke huid van Joe Mascott.

Deze omvatte de armen van Jim, teneinde te beletten, dat deze hem nogmaals op die gevaarlijke plek zou kunnen treffen en de scheidsrechter moest ten slotte een einde maken aan deze „clinching”.

Als hagel daalde nu de slagen van Jim op hoofd en borst en maag van Joe neder, die alle moeite had, door snel duiken en afweren, dien regen van hevige stooten te ontgaan.

Pinkerton zat stokstijf op zijn stoel en keek met valsch schitterende oogen naar het schouwspel, waaraan voor hem zooveel afhing.

Hij kon zich volstrekt niet begrijpen, dat Joe zich zoo uitstekend verweerde maar wat kwam het er op aan, als Jim de sterkste bleek?

Maar deze ronde, waarin Jim bijna voortdurend was aangevallen, had hem blijkbaar vermoeid en zijn secondanten liepen zenuwachtig heen en weder, met water en in azijn gedrenkte sponsen, terwijl Joe kalm naar zijn stoel liep en zich rustig liet behandelen, zonder een zweem van vermoeidheid.

Toen de gong het begin van de vijfde ronde aankondigde, veranderde Joe eensklaps van taktiek.

Hij liet eerst een waren wervelstorm van slagen op zich neerkomen, dien hij moedig het hoofd bood en greep toen Jim plotseling vast, waarna hij hem bliksemsnel achtereen drie hevige stooten in de maagholte toebracht.

Jim wankelde achteruit en vergat een onderdeel van een seconde, zich te dekken.

Dat was voldoende voor Joe.

Hij draaide vliegensvlug om den tegenstander heen, die slechts stommelend scheen te volgen en naar adem snakte en trof hem met een zwaaienden slag tegen de kaak.

Jim ging tegen den vloer.

Hij viel als een blok en bleef bewegingloos liggen.

De scheidsrechter knielde naast hem neder en begon te tellen.

Reeds waren vijf seconde verloopen.

„Meetellen, meetellen, Jim!” brulden de supporters van den bokser.

Maar Jim was niet bij machte, mee te tellen, want hij wist niets meer van een bokswedstrijd, van Joe Mascott—hij was bewusteloos.

De tien seconden werden onder doodsche stilte uitgeteld.

Toen verhief zich een waar gebrul en men bestormde den ring, om Joe in triomf rond te dragen.

Pinkerton zat wit van woede op dezelfde plaats.

Het was zoo snel gegaan, dat hij nog ternauwernood wist, wat er eigenlijk gebeurd was.

Toen hij weer eenigszins tot besef van zijn toestand was gekomen, keek hij in het gelaat van Lord Aberdeen, die op zachten toon tot hem zeide:

„Ik zou u zeer gaarne op dit oogenblik even gesproken hebben over een gewichtige zaak, mijnheer Pinkerton! Hebt gij soms een kwartier voor mij? Mijn auto staat buiten en uw huis is niet ver hier vandaan!”

Pinkerton keek Raffles een weinig verbaasd en versuft aan en zeide:

„Als het een zaak van belang betreft, Mylord..... Ik kan mij alleen niet begrijpen.....”

„Het zal u spoedig duidelijk worden, als ik u zeg, dat het den wedstrijd betreft—en wat daaraan is vooraf gegaan!”

Pinkerton werd zoo mogelijk nog bleeker en stotterde:

„Ik begrijp u niet, Mylord!”

„Dan zullen een paar woorden voldoende zijn, om u de zaak uiteen te zetten,” hernam Raffles kortaf.

En hij maakte een beweging naar den uitgang, die aan duidelijkheid niets te wenschen over liet.

Ondanks zich zelf, stond Pinkerton op en volgde Raffles naar den uitgang van het Cristal Palace.

Daar stond de groote blauw gelakte auto van Lord Aberdeen reeds te wachten.

Raffles noemde zijn chauffeur het adres van den bankier en daarop stapten beiden in.

Onderweg werd geen woord gewisseld.

Slechts eenmaal had Pinkerton getracht, aan Raffles te vragen, waarover hij hem wel mocht willen spreken, maar deze had kort geantwoord:

„Dat kan ik u beter in uw woning zeggen, mijnheer Pinkerton.”

Nu stond de auto stil en Pinkerton haalde zijn huissleutel te voorschijn en bracht Raffles naar zijn werkkamer.

„En nu ben ik toch waarlijk benieuwd naar hetgeen gij mij te zeggen kunt hebben, Mylord!” kwam Pinkerton met een flauwen grijnslach om zijn dunne lippen. „Neem plaats wat ik u verzoeken mag.”

„Dank u. Wat ik te zeggen heb, kan ik ook wel staande doen en mijn tijd is kort,” kwam Raffles afgemeten.

Hij keek den bankier even strak aan en begon:

„Misschien hebt gij wel vernomen, mijnheer Pinkerton, dat ik belang stel in Joe Mascott. Het spreekt dus ook van zelf, dat deze wedstrijd, waarvan voor hem zooveel afhing, mij bijzonder aantrok. Nu is Joe verliefd op een jong meisje, zekere Daisy Chairman, waarop ook gij uwe blikken schijnt te hebben laten vallen, al is het dan ook op een andere wijze dan onze jonge vriend, die niets liever wenscht, dan haar tot zijn vrouw te maken—en dat ook doen zal, als het in zijn macht ligt!”

Hij zweeg even en vervolgde toen, op den zelfden rustigen toon:

„Het is mij bekend dat gij een schuldvordering op den ouden Chairman hebt, mede in den vorm van aandeelen in zijn zaak. Ik stel u voor, de eene zoowel als de andere van u te koopen!”

„Te koopen, Mylord?” herhaalde Pinkerton op zoetsappigen toon. „Maar ik denk er niet aan, mij van die papieren te ontdoen!”

„Ik begrijp uw beweegredenen zeer goed, mijnheer Pinkerton,” ging Raffles onverstoorbaar voort. „Gij denkt met die schuldvorderingen den ouden Chairman in uw macht te hebben—en ook Daisy, zijn dochter! Gij redeneert—om haar vader van den ondergang te redden, zal zij toegeven. Maar gij vergeet, dat nu de toekomst van Joe Mascott verzekerd is. Ik bijvoorbeeld zou ten volle bereid zijn, hem morgen als hij er om verzocht—en ook al deed hij het niet—desnoods tien duizend pond sterling op zijn prijzen voor te schieten—en ik weet zeker dat ik het geld spoedig zou terugkrijgen. Maar daarover spreken wij thans niet. Ik herhaal alleen mijn verzoek, mij uwe schuldvordering op Chairman te verkoopen. Uw spel is toch verloren—en gij doet er misschien een voordeelig zaakje mede. Voordeeliger dan..... dat andere zaakje met het middeltje, hetwelk George Malony aan Joe heeft moeten toedienen, op uw bevel!”

De slag was raak!

Pinkerton werd grasgroen en moest zich aan de tafel vasthouden.

„Wat.... wat bedoelt gij, Mylord?” stamelde hij.

„Kom, laten wij geen comedie spelen, mijnheer Pinkerton!” antwoordde Raffles ongeduldig. „Ik weet alles, Malony zit al achter slot en grendel wegens het toebrengen van lichamelijk letsel—en het behoeft Joe maar een enkel woord te kosten, of hij klaagt u ook aan. En dat woord kan ik hem laten spreken, bedenkt dat.”

Hij wachtte even en vervolgde toen glimlachend:

„Nu—die papieren?”

Pinkerton schraapte een paar maal zijn keel en zeide toen op heeschen toon:

„Als ik u die schuldvordering verkoop, Mylord—kan ik er dan zeker van zijn dat Joe Mascott geen gevolg geeft aan........ aan die zaak met Malony?”

„Daarop geef ik u mijn woord, al hebt gij het zeker niet verdiend!”

Zonder iets te zeggen, trad Pinkerton snel op zijn bureau toe, ontsloot het en nam er een pak papieren uit, dat hij aan Raffles ter hand stelde.

„Deze bladerde er even in, en zeide toen koeltjes:

„Ik koop ze voor het nominale bedrag—is dat goed?”

„Dan lijd ik schade—maar in ’s hemels naam—ik heb de partij verloren,” zeide Pinkerton met een zuurzoet lachje.

Raffles schreef snel een cheque en stak die den bankier toe.

Daarop liet hij de schuldvorderingen in zijn zak verdwijnen, nam zijn hoed, maakte een stijve en zwijgende buiging voor Pinkerton en verliet diens huis, om zich haastig naar Chairman te begeven, waar hij een vroolijke en gelukkige familiegroep bijeen vond, waarvan ook Joe Mascott deel uitmaakte.......

Des avonds echter zeide hij droogjes tot Charly, toen de beide vrienden zich ter ruste zouden begeven:

„Schrijf dien Pinkerton eens even op ons lijstje, mijn waarde!”