Chapter 4 of 5 · 3991 words · ~20 min read

Part 4

„Gij weet zeker wel dat ik iets beteeken als bokser, mijnheer Pinkerton,” zeide de jonge man langzaam, terwijl hij een stap in de richting van den anderen deed. „Daar zal ik echter geen misbruik van maken—al kon ik U met mijn wijsvinger neerslaan. Neem daarom slechts dezen oorveeg voor lief. Het is weinig maar goed bedoeld.”

En op het zelfde oogenblik daalde er een klinkende muilpeer neder op het gelaat van den bankier, juist op zijn rechterwang, die in een paar tellen danig opzwol, al had de jonge bokser zich nog zoo ingehouden.

Daarop wendde Joe zich tot het jonge meisje, dat verschrikt had toe gezien, en zeide op teederen toon:

„Je behoeft niet bang te zijn, kleine lieveling, als eenmaal de wedstrijd achter den rug is, en ik win hem, dan komt alles in orde, en zal ik dien schoft zijn geld terug betalen.”

Vervolgens wendde hij zich naar de deur, wierp haar wijd open, en riep:

„Zuiver deze kamer zoo snel mogelijk van uw aanwezigheid, mijnheer Pinkerton, anders blijft het niet bij dat kleine klapje.”

In minder dan geen tijd was de bankier buiten het vertrek.

Zijn ruiker vloog hem achterna en trof hem in den nek, gevolgd door zijn hoed en wandelstok.

En daarop viel de deur met een harden slag in het slot en kon Pinkerton zijn bezoek gevoegelijk als geëindigd beschouwen.

Hij raapte hoed en wandelstok op en hief dreigend de vuist op tegen de gesloten deur.

Sissend kwam het over zijn lippen:

„Dat zal ik je betaald zetten, Joe Mascott—of mijn naam is geen Pinkerton!”

Hij daalde vlug de trap af, zonder zich verder om den ouden Chairman te bekommeren en stapte in zijn auto, die nog stond te wachten.

De chauffeur had bevel gekregen, zijn meester naar huis te rijden, maar onderweg scheen Pinkerton van gedachten te veranderen.

Hij nam de spreekbuis die hem in verbinding stelde met den chauffeur en beval:

„Breng mij naar de boksschool van Stanley—weet je die? Het is in de Dickens Street, een oud huis met een groote toegangspoort. Ik zal je wel waarschuwen, als wij er zijn.”

De chauffeur tikte aan zijn pet en het voertuig zette zich weder in beweging.

Een half uur later stond de auto stil voor het gebouw, waar „Black Jimmy” troonde.

„Wacht hier,” beval Pinkerton den chauffeur. „Ik ben over een kwartier terug.”

Hij ging haastig de trappen op en trad de wachtkamer binnen, waar zich op dit oogenblik niemand bevond.

Maar de knecht met de morsige trui had zeker iets gehoord en kwam binnen om naar het verlangen van den bezoeker te informeeren.

„Is George Malony hier soms?”

„Dat geloof ik wel, mijnheer. Wilt gij hem spreken?”

„Ja, verzoek hem even hier te komen.”

„Uw naam?”

„Die doet er voorloopig niet toe. Zeg maar dat een oude kennis hem over een belangrijke zaak wenscht te spreken.”

De knecht bekeek Pinkerton verbaasd, die er met zijn dure kleeren in het geheel niet uitzag als een „Oude kennis” van iemand als George Malony, maar hij antwoordde niettemin, dat hij den bokser zou waarschuwen.

Eenige minuten later trad Malony binnen.

Zijn gelaat stond tamelijk stuursch en hij keek den bezoeker met onverholen bewondering aan.

Pinkerton was opgestaan en deed nu zorgvuldig de deur dicht, hetgeen de verbazing van Malony nog deed toenemen.

Toen trad Pinkerton op den bokser toe en zeide glimlachend:

„Gij zult misschien een weinig verwonderd zijn over mijn optreden, mijnheer Malony, maar wat ik U te zeggen heb is alleen voor u bestemd.”

De zware wenkbrauwen van Malony gingen een eind de hoogte in, maar hij zeide niets en wachtte als een voorzichtig man het eerste schot van den tegenstander af.

En dus begon Pinkerton:

„Gij kent mij niet, mijnheer Malony, maar ik ken u des te beter, al is het dan alleen maar van naam.”

Malony trok een gezicht, alsof hem deze mededeeling maar half aangenaam was, maar nog zeide hij niets.

„Juist, omdat ik van U heb hooren spreken, kom ik tot u met een verzoek en ik zou mijn sterk moeten vergissen, als gij het niet zoudt inwilligen—want er is geld aan te verdienen, mijn waarde heer Malony.”

Deze mededeeling scheen dadelijk in hooge mate belangstelling van den bokser te wekken.

Hij spitste de lippen, kneep de zwarte oogen half dicht en zeide op half vertrouwelijken toon:

„Wel, laat eens hooren, mijnheer... mijnheer...”

„O, mijn naam doet er voorloopig niet toe,” viel Pinkerton hem in de rede. „Als wij het eens kunnen worden en gij stemt toe in mijn voorstel—dan is het nog tijd genoeg, U mijn naam te zeggen.”

„Zooals gij wilt. Kom dan maar eens over de brug met dat voorstel—dan kan ik zien, wat er te doen is—of te laten!”

Pinkerton dacht eenige seconden na over de beste wijze, de zaak voor te dragen en begon toen:

„Gij weet natuurlijk, dat over een week de match om een beurs van 500 pond plaats heeft in het Cristal Palace?”

„Natuurlijk weet ik dat,” antwoordde Malony grimmig. „Ik zou zelf ook mee doen—als ik wat beter getraind was. Wijntje en Trijntje—en de sport—die kunnen niet al te goed met elkander onderweg, ziet gij—en.....”

„Juist. Ik ken Uwe kleine zwakheden, mijn waarde Malony!” kwam Pinkerton. „Maar nu kom ik u juist aanbieden, een bedrag te verdienen, dat niet veel kleiner zal zijn dan de prijs voor den verliezer vastgesteld, namelijk twee honderd pond, als gij op mijn voorstel ingaat!”

„Twee honderd pond? Een aardig bedrag, tenminste, als het een kleinigheid betreft.”

„O, voor iemand als gij zijt, heeft het niets om het lijf, luister! Gij weet natuurlijk zoogoed als ieder Uwer collega’s, dat een zekere Joe Mascott aan die match zal deelnemen, en dat zijn kansen zeer goed staan.”

„Zeer goed? Als er geen wonder gebeurt, dan wint hij zoo zeker als een huis,” riep Malony uit, met een onmiskenbaren klank van naijver in zijn ruwe stem.

„Juist! Maar men zou dat wonder met niet al te veel moeite kunnen laten geschieden, niet waar?”

Malony antwoordde niet dadelijk maar liet een zacht gefluit hooren, en keek Pinkerton met zijn kleine, zwarte oogen onderzoekend aan.

Deze deed, alsof hij niets gemerkt had, en ging rustig voort:

„Zie eens, er is mij veel aan gelegen, dat die Mascott de match niet wint, begrijpt gij? De redenen kunnen u onverschillig zijn, iedereen heeft wel eens van die onberedeneerde antipathieën, niet waar?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Malony meesmuilend. „En Mascott heeft uw antipathie als ik het goed begrijp.”

„Geraden!”

„Nu, hij behoort toevallig ook niet tot mijn vrienden,” ging Malony met een onaangenamen grijns voort. „En zeg mij nu eens, hoe gij het u wel voorstelt, te beletten dat hij de match niet wint.”

„Wel, dat kan niet zoo moeilijk zijn, dunkt mij.”

„Wij zouden hem een dag te voren kunnen opwachten, op een straathoek, en hem een tik geven die goed aankwam.”

„O, neen,” riep Pinkerton verschrikt uit. „Dat vooral niet, dan zou hij in het geheel niet aan den wedstrijd kunnen deelnemen, en dat is de bedoeling niet. Neen, hij moet wel degelijk boksen—maar zoo, dat iedereen zegt: die man moest liever baker worden. Begrijpt gij? Hij moet in de eerste of tweede ronde uitgeslagen worden.”

„Ja, dan wordt de zaak wel wat lastiger,” zeide Malony, terwijl hij zich achter de ver van zijn hoofd staande ooren krabde. „Ik kan niet goed begrijpen, hoe wij dat dan moeten aanleggen!”

„Kom, het is niet zoo lastig,” hernam Pinkerton. „Er bestaan wel van die geheime middeltjes, welke men iemand kan ingeven en die bewerken, dat men zich gedurende eenigen tijd slap en zwak gevoelt, zonder bepaald ziek te zijn.”

„Nu kom ik er achter!” riep de bokser uit, met den zelfden grijns om de dikke lippen. „Maar hoe kom ik aan dat middel?”

„Als gij toestemt, zal ik het u wel verschaffen.”

„Het is toch niet...... gevaarlijk?” vroeg Malony op gedempten toon. „Hij kan er toch niet voor goed mee uit de wereld geholpen worden?”

„Daarvoor behoeft gij geen vrees te koesteren. Als gij slechts zorgt, dat gij in den loop van den dag waarop de wedstrijd plaats heeft, den inhoud van een klein peperhuisje met een wit poeder in een glas te doen, dat gij met hem gaat drinken—dan is alles in orde. Hij zal zich dan lusteloos gaan gevoelen en des avonds zal hij gemakkelijk geklopt worden. Slaat gij toe?”

„Twee honderd pond?”

„Ja!”

„De helft vooruit?”

„Neen, gij kunt vijftig pond vooruit krijgen—en de rest, als de wedstrijd achter den rug is!”

„En bij wien moet ik dan het geld gaan halen?”

„Ik zal het u zelf op den dag van de match komen brengen—met het poeder en U dan tevens mijn naam noemen!”

„Top, ik ben Uw man,” kwam Malony, na even te hebben nagedacht. „Ik zal hem wel naar een koffiehuis lokken en eenmaal daar, zal ik hem het middeltje wel weten toe te dienen.”

De lafhartige overeenkomst werd met een handslag bekrachtigd en daarop verliet Pinkerton haastig het huis.

Hij was er nu zeker van, dat Mascott niet zou winnen, maar jammerlijk zou worden verslagen.

En als dat eenmaal was geschied, dan zou zijn toekomst bedorven zijn, of hij zou tenminste in het eerste jaar volstrekt geen kans hebben op groote prijzen.

En Mascott arm—dat beteekende dat Chairman naar zijn pijpen zou moeten dansen en dat hij Daisy wel zou weten te dwingen, hem ter wille te zijn.

HOOFDSTUK VI.

OP DEN DAG VAN DEN WEDSTRIJD.

De dag van de groote match was aangebroken.

Op alle muren van het groote Cristal Palace prijkte groote, schel gekleurde aanplakbiljetten, waarop de namen van de twee boksers vermeld stonden, die om de beurs zouden strijden—Joe Mascott en Jim Farrol.

Farrol was op het oogenblik de sterkste bokser, middelgewicht van Londen en dat was duidelijk te merken aan den stand van de weddenschappen, want er was slechts weinig gewed op Joe, die nog geheel en al onbekend was, behalve bij de insiders die dan ook niet geaarzeld hadden, vrij groote bedragen op hem te zetten.

Wat Raffles betreft—hij had de vorderingen van den jongen man met onverholen verbazing en voldoening gadegeslagen en niet geaarzeld, vijfhonderd pond op zijn overwinning te wedden.

Bijna iederen dag had hij de groote oefenzaal van Fred Simons bezocht, ten einde zich door eigen aanschouwing van de vorderingen van zijn beschermeling te overtuigen.

En hij was er zeker van, dat zijn kansen uitstekend stonden.

Weliswaar deelde de sportpers mede, dat Farrol zich op dit oogenblik in „first class form” bevond, maar dat kon zijn vertrouwen niet aan het wankelen brengen.

Tweemaal had hij Joe aan diens huis bezocht en kennis gemaakt met zijn moeder en zuster.

Bij de tweede gelegenheid had de jonge bokser hem verhaald, wat er met Pinkerton in de kamer van Daisy was voorgevallen en Raffles had hem goedkeurend op den schouder geklopt en gezegd:

„Over een paar dagen kunt gij met opgericht hoofd voor den ouden Chairman treden, en hem zijn dochter ten huwelijk vragen. Als hij dan soms nog bezwaren mocht maken, dan zal ik hem wel tot andere gedachten brengen.”

Die verklaring was den jongen bokser een aansporing te meer geweest, zich duchtig voor te bereiden.

En er hing voor hem des te meer van dezen wedstrijd af, daar hij, zooals wel te voorzien was, den zelfden dag, waarop hij zijn patroon op een muilpeer onthaald had, door dezen was ontslagen.

Hij verdiende dus niets, maar de neerslachtige stemming, die hieruit was voortgevloeid, had dadelijk weder plaats gemaakt voor een blijde opgewektheid toen Lord Aberdeen hem kwam zeggen, dat hij, zoodra de wedstrijd achter den rug was een heel wat beter betalende betrekking zou krijgen bij een zijner vrienden.

Die zou hij dan kunnen waarnemen, zoolang de groote prijzen uitbleven.

Het was vroeg in den morgen van den wedstrijddag, toen Raffles het groote oefenvertrek bij Fred Simons binnentrad.

Hij wist, dat hij Joe daar kon vinden, om de laatste maatregelen te nemen en zich nog eens duchtig te oefenen met den besten leerling van Simons, die zelf een goede toekomst had.

Hij kwam juist, toen de partij, die slechts een kwartier mocht duren, op haar einde liep.

En weer bewonderde hij het soepel spel der spieren, de weergalooze vlugheid en den moed van zijn beschermeling.

Na de partij werd Joe gemasseerd door de bekwame hand van Simons die vol trots uitriep:

„Wat een lichaam, spieren als boter, tot hij ze spant, de satijnen huid als van een jong meisje, longen als van een paard, en een middeltje, waarop menige vrouw jaloersch zou zijn.”

En onder deze uitroeping wreef en kneep hij de spieren, tot Joe met een pijnlijk gezicht uitriep:

„Nu is het wel genoeg, Simons, ik voel mij uitstekend.”

„Dan naar de douche!”

En Simons trok zijn „poulain” mede naar de badkamer waar een douche hem geheel en al verfrischte.

En nu kwam de korte wandeling aan de beurt, afgewisseld met eenige kilometers hard loopen en touwtje springen.

Raffles zou den bokser daarbij vergezellen, in zijn kleine sportauto gezeten, in gezelschap van Simons.

Men zocht de stilste buitenwegen op, en daar stapte Joe uit, en begon met snelle wandelpassen met de auto mee te loopen, terwijl Simons hem zijn bevelen toe schreeuwden.

Nu en dan ging hij in den looppas over, en dan weder legde hij, al touwtje springend, een afstand van een kilometer af.

Eindelijk vond Simons, dat het genoeg was.

Hij legde zijn groote hand op de borst van den bokser, voelde hem als een volleerd dokter de pols en zeide tevreden:

„Bijna geen verhoogde hartwerking, de jongen is van staal, ik geloof, dat hij zoo den geheelen dag zou kunnen voortgaan, zonder een spoor van vermoeidheid. Nu, mijn taak is afgeloopen. De rest moet hij zelf doen.”

Hij richtte zich tot Joe en vervolgde:

„Houdt je rustig, den geheelen dag, zonder evenwel van je gewone bezigheden af te wijken. Vandaag mag je geen handschoen meer aanraken voor je tusschen de touwen staat in de Cristal Palace, loop wat rond met de jongens, maar geen alcohol versta je? Dat behoef ik je trouwens gelukkig niet te zeggen, ik heb je nooit zien drinken. Een paar uur voor de match mag je langzaam een groot glas ale drinken, met een ei er door geroerd en dat is alles. Niets meer eten na vijf uur, begrepen?”

„Ik zal er om denken, Simons,” gaf Joe ten antwoord, terwijl hij de hand van den voormaligen Australischen Kampioen greep. „En of ik vanavond win of verlies, ik zal nooit vergeten, wat ik aan je te danken heb gehad, je bent een trainer uit duizenden, Simons.”

„Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Joe,” gaf Raffles glimlachend te kennen. „En een goed trainer is de helft van den wedstrijd gewonnen.

„Nu moet ik je ook verlaten, want ik heb nog eenige zeer dringende zaken af te handelen. Vanavond hoop ik je als overwinnaar te mogen begroeten.”

Hij reikte Joe de hand, knikte hem vriendelijk toe, en daarop reed hij met Simons weg, die hem met zijn auto tot aan diens woning zou brengen.

Joe keek de auto achterna, tot zij uit het gezicht was, en zeide toen in zich zelf:

„Een edel man, die tevens een edelman is. Joe zorg dat je vanavond wint en toon je zijn belangstelling waard.”

Hij raadpleegde zijn horloge en zag, dat het tijd werd voor de lunch.

Daar Simons hem had verboden, van een motorbus gebruik te maken, wegens het trillen van die voertuigen, en evenmin van den ondergrondschen spoorweg, welke dit euvel in nog meer mate vertoont, wandelde hij naar zijn woning en gebruikte geheel alleen een eenvoudigen maaltijd, bestaande in geroosterd brood, een ei, wat mager vleesch en een paar druiven.

Des middags bracht hij een bezoek aan zijn meisje, tersluiks, wel te verstaan, want haar vader had hem het huis kortweg ontzegd, na het incident met Pinkerton, en daarop begaf hij zich naar het huis van Simons, waar hij moest wezen, om er zijn handschoenen, pantoffels, en andere zaken te halen. Hij vond er George Malony aan de deur staan, die hem joviaal toeknikte, en uitriep:

„Ik wensch je een goede kans, Joe, je kunt Farrol wel maken en breken.”

„Ik hoop te winnen, George,” antwoordde Joe eenvoudig. „Er hangt voor mij veel van af, dat weet je.”

„De kameraden willen een kop thee, of een glas bier met je drinken dat sla je zeker niet af, hoop ik?” ging Malony voort.

Joe was een te vriendelijke jongen, om er een oogenblik aan te denken, zijn vrienden door een weigering te beleedigen, en dat wist Malony ook wel.

„Als het niet te laat wordt, ben ik graag tot je dienst,” zei Joe.

„Ga dan mee naar den hoek, daar is een café, de jongens komen dadelijk.”

De twee mannen begaven zich naar het koffiehuis, waar George bier en een kop thee voor Joe bestelde.

Met opzet had hij een tafeltje uitgezocht dat achter een der schutten stond, welke de gelagkamer in een groot aantal afgeschoten hokjes verdeelde.

Het was nog vroeg en er waren maar zeer weinig personen aanwezig.

Dicht bij het buffet hing een groote reclameplaat, voorstellende twee boksers die met opgeheven vuisten tegenover elkaar stonden.

Zoodra de thee en het bier gebracht waren, zeide Malony:

„Je moet voor de aardigheid die plaat eens van dichtbij bekijken, Joe, en zeg mij dan eens, of je er niets bijzonders aan ziet.”

Niets kwaad vermoedend stond de jonge bokser weer op en ging naar het reclamebiljet dat hij eenigen tijd aandachtig bekeek.

Van zijn afwezigheid maakte Malony gebruik, snel en ongezien het kleine zakje in de thee van den jongen bokser leeg te storten.

Dit was reeds lang gedaan, toen Joe terug keerde en verwonderd zeide:

„Ik kan er niets bijzonders aan zien, om je de waarheid te zeggen!”

„Kom nu. Je hebt immers voor een der boksers geposeerd voor den man die het biljet teekende,” riep Malony uit.

„Ik verzeker je van niet!” kwam Joe.

„Nu, dan is de gelijkenis toevallig!” hernam Malony schouderophalend. „Op je gezondheid en je goede kansen, Joe.”

Hij bracht het glas aan zijn lippen en zag vol spanning toe, hoe de andere zijn kop thee aan zijn lippen bracht en dronk.

Even later traden drie of vier leerlingen van Simons binnen, die naar het tafeltje toekwamen en luidruchtig hun opmerkingen begonnen te maken.

„Dat was een goed idee van Malony, om ons hier te inviteeren,” riep een der jonge mannen uit.

„Ik dacht eigenlijk dat de invitatie van jullie kwam,” zeide Joe, een weinig verbaasd.

„Neen, man, George is de gastheer,” antwoordde de bokser, terwijl hij Malony een harden klap op den schouder gaf, die hem gaarne naar den duivel had gewenscht.

„Maar je krijgt van ons toch ook een glas bier,” vervolgde de jonge man, „tenminste als je mag van Simons!”

„Dat mag juist in het geheel niet, Sam!” zeide Joe lachend. „Geen spoor alcohol heeft hij gezegd—en daaraan houd ik mij.”

Men sprak nog eenigen tijd voort, Joe dronk zijn kop leeg en nam toen afscheid van de vrienden, die allen dien avond aanwezig zouden zijn, om hun medeleerling te zien boksen.

Joe begaf zich naar huis, teneinde daar rustig met lezen den tijd verdrijvend het uur van de match af te wachten.

En naarmate die tijd heenging, voelde de jonge man een eigenaardige loomheid over zich komen, een moeiheid, welke hij nooit gekend had......

Zijn dijspieren trokken, zijn armen voelden zwaar aan, en het leek hem, alsof hij zelfs met opstaan eenige moeite had.

In zijn hoofd had hij een dof gevoel, als van een naderende hoofdpijn.

Hij opende een venster, meenende, dat de lucht in de kamer misschien bedorven was, maar de frissche buitenlucht bracht hem geen verbetering.

Verschrikt riep Joe zijn moeder, die zeer verontrust was over het bleek uiterlijk van haar zoon en deelde haar mede wat hij gevoelde.

„Als je nog eens een wandeling ging maken, Joe,” riep de oude vrouw, de beide handen op zijn sterke schouders leggend. „Je heb je misschien wel wat veel ingespannen in de laatste dagen, een wandeling zal je goed doen.”

„Zoudt gij denken, moeder?” vroeg Joe, „ik weet het niet, ik heb zoo een vreemd gloeierig gevoel in mijn beenen, en mijn borst voelt ook zoo zonderling beklemd, stel u voor, dat ik nu ziek werd. Het zou vreeselijk zijn, misschien is het wel griep.”

„Dan moeten wij dadelijk den dokter halen,” riep de oude vrouw verschrikt uit. „En dan mag je vanavond volstrekt niet boksen.”

„Ach moedertje,” kwam Joe droevig, „ik moet immers wel, al zou men mij er in een rijtuig naar toe moeten brengen, ik zal vechten.”

Op dit oogenblik werd er gescheld, en even later trad Raffles het vertrek binnen.

Hij groette de oude dame hoffelijk en wendde zich toen tot Joe met de opmerking:

„Ik hoop niet, dat ik je kom storen, waarde Joe, maar ik wilde je even persoonlijk komen uitnoodigen, na afloop van den wedstrijd met mij en mijnheer Brand te soupeeren, wel te verstaan, als je niet reeds andere afspraken hebt gemaakt, maar mijn hemel, wat scheelt je?” zoo viel hij zich zelf verschrikt in de rede, „wat zie je bleek!”

„Ik.... de zaak is, dat ik mij ziek voel, Mylord!” stamelde Joe, terwijl hij de hand aan het voorhoofd bracht en op een stoel neerzakte.

„Wat is dat nu,” riep Raffles verbaasd uit, „maar toen ik je een paar uur geleden verliet, was je zoo frisch als een hoen, is dat dan zoo plotseling opgekomen?”

„Geen half uur geleden, Mylord.”

„En hoe was het daarvoor?”

„Ik gevoelde mij gezonder dan ooit.”

„Dat is zeer vreemd,” riep Raffles uit.

„Kan het geen griep zijn, Mylord?” vroeg de oude dame, die vol bezorgdheid over het glanzende haar van haar eenigen zoon streek.

„Zoo plotseling, neen, Mevrouw, dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles met vaste stem.

Hij was op Joe toegetreden, schoof een stoel aan, ging zitten, en nam de pols van den jongen bokser.

Toen lichtte hij zijn oogleden op, bekeek het ooglid, schudde het hoofd, en mompelde:

„Dat is onbegrijpelijk!”

„Sta eens op en doe een paar passen,” beval hij.

Joe stond op, en liep eenige malen op en neer, daarbij liep hij niet recht, maar wankelde, als iemand die duizelig is.

„Sluit je oogen, strek je armen uit, en doe nu langzaam een paar passen achteruit,” beval Raffles weder.

Joe gehoorzaamde.

„Ga nu eens zitten, en leg je eene been over het andere.”

Weer gehoorzaamde de jonge man.

Met den kant van de geopende rechterhand gaf Raffles onverhoedsch een korten slag tegen het onderbeen, even onder de knie.

Het been bleef onbewegelijk neerhangen.

Raffles stond op, keek Joe eenigen tijd zwijgend en onderzoekend aan, en vroeg toen:

„Zeg mij eens nauwkeurig, wat gij gedaan hebt, nadat Simons en ik u verlaten hebben, heden morgen om elf uur.”

„Ik ben naar huis gewandeld om te lunchen, Mylord!”

„Wat hebt gij gegeten?”

„Geroosterd brood, een ei, wat koud vleesch en wat druiven.”

„Dat hadt gij zeker alles gereedgemaakt, Mevrouw?” zoo wendde Raffles zich tot de oude dame, die vol ongerustheid en vervuld van een vage vrees had toegeluisterd.

„Zeker, Mylord, en ik verzeker u dat het vleesch zoo uitstekend was als het maar te krijgen was. Ik wist immers wel dat het beste voor Joe nog nauwelijks goed genoeg was! Trouwens—wij allen hebben gisteren van het zelfde vleesch gegeten!”

„Waar hebt gij den druiven gekocht?”

„In een delicatessenwinkel hier in de buurt.”

„Als gij er nog van hebt, breng er dan eenige hier, als ik U verzoeken mag,” vroeg Raffles.

De oude dame verliet haastig het vertrek, terwijl Joe Raffles verwonderd en ontsteld aanstaarde.

„Wat denkt gij eigenlijk, Mylord?” barstte hij toen uit.

„Nog niets, mijn waarde Joe, dan dat je aan een heel eigenaardige, plotseling opgekomen zwakte lijdt—ik zou het, als ik geneesheer was, „acute seniliteit” noemen—en die bestaat niet, voor zoover ik weet. Het is eenvoudig ouderdomszwakte, mijn jongen. Ik merk zelfs eenige symptonen, die zich juist zoo voordoen bij aderverkalking en daarvan kan bij jou geen sprake zijn.”