Chapter 4 of 6 · 1177 words · ~6 min read

IV.

Gudmund meende, dat hij Hildur Eriksdochter lief had tot op den dag, dat ze hem de belofte afdwong, dat Helga van Närlunda zou heengaan. Tenminste tot dien tijd toe was er niemand geweest, die hij meer had bewonderd en hooger geacht. Geen jong meisje scheen hem toe met Hildur gelijk te staan, en hij was er heel trotsch op geweest, dat het hem gelukt was haar te winnen. Het was hem een genot geweest aan de toekomst met haar samen te denken. Ze zouden rijk en aanzienlijk worden, en hij voelde, dat het goed wezen zou te leven in een huis, dat door Hildur bestuurd werd. Hij dacht er ook graag aan, dat hij volop geld hebben zou, als hij met haar getrouwd was. Hij zou zijn akkers kunnen verbeteren, de oude gebouwen sloopen en nieuwe opbouwen, de hoeve vergrooten en een echte groote boer worden.

Denzelfden Zondag, toen hij met Helga op den kerkweg geloopen had, was hij ’s avonds naar Elvakker gereden. Toen was Hildur begonnen over Helga te spreken en ze had gezegd, dat ze niet naar Närlunda wilde komen vóór dat meisje daar vandaan was. Gudmund had eerst geprobeerd, dat als scherts op te vatten; maar het bleek al gauw, dat Hildur ’t in vollen ernst meende. Gudmund verdedigde Helga uitstekend; hij zei, dat ze zoo jong geweest was toen ze voor ’t eerst in een dienst werd gezonden, dat het geen wonder was, dat het verkeerd ging, toen zij met zoo’n slecht mensch als Peter Maartenszoon in aanraking kwam. Maar sinds zijn moeder haar in bescherming genomen had, had zij zich altijd goed gedragen.

„’t Kan niet goed zijn haar nu te verstooten,” zei hij. „Dan kan ’t wel gebeuren: dat ze weer in ellende komt.”

Maar Hildur had niet willen toegeven. „Als dat meisje op Närlunda moet blijven, kom ik er nooit,” zei ze. „Ik kan zoo’n mensch in mijn huis niet dulden.”

„Je weet niet wat je doet,” zei Gudmund. „Niemand heeft ooit Moeder zoo goed op kunnen passen als Helga. Wij zijn er allen blij om geweest, dat ze bij ons is gekomen. Vroeger was Moeder vaak knorrig en gedrukt.”

„Ik zal je niet dwingen haar weg te zenden,” zei Hildur, maar het was duidelijk te merken, dat ze bereid was hun huwelijk op te geven, als hij in deze zaak niet toegaf.

„Neen, dan moet het maar gaan, zooals je wilt,” zei Gudmund. Hij vond niet, dat hij voor Helga zijn heele toekomst kon opofferen. Maar hij werd heel bleek, toen hij toegaf en was den heelen avond stil en ontstemd.

Het was nu hierdoor, dat Gudmund bang was geworden, dat Hildur misschien niet heelemaal zóó was als hij zich had voorgesteld. Hij vond ’t ook niet prettig, dat zij haar wil tegenover den zijnen had doorgezet, maar ’t ergste was, dat hij ’t niet anders kon inzien, dan dat zij ongelijk had. Hij voelde, dat hij graag zou toegegeven hebben als ze getoond had groot van hart te zijn; maar in dit geval vond hij, dat ze alleen kleingeestig en harteloos was geweest.

Iedere keer, dat Gudmund nu Hildur ontmoette zat hij te onderzoeken en er over te denken of dat wat hij gemeend had bij haar te vinden ook weer voor den dag zou komen.

Nu zijn wantrouwen eenmaal gewekt was, duurde het ook niet lang of hij vond het een en ander, dat niet was zooals hij ’t wenschte.

„Zij is wel iemand, die ’t eerst aan zich zelf denkt,” mompelde hij, telkens als hij van haar weg ging, en hij vroeg zich af, hoe lang haar liefde voor hem zou duren, als die op de proef werd gesteld. Hij beproefde er zich meê te troosten, dat alle menschen ’t eerst aan zich zelf dachten, maar toen kwam plotseling Helga hem in de gedachte. Hij zag haar weer zooals zij op het Ting stond en den Bijbel naar zich toe rukte en hij hoorde haar roepen: „Ik trek mijn aanklacht in! Ik houd nog van hem. Ik wil niet, dat hij een valschen eed zal doen.”

Zóó had hij gewild, dat Hildur wezen zou. Helga was voor hem een maat geworden waarmee hij iedereen mat. Voorwaar! daar waren niet velen, die zich in liefdevolle toewijding met haar zouden kunnen meten.

Met den dag hield hij minder van Hildur; maar hij kwam niet op de gedachte, dat hij van dat huwelijk zou kunnen afzien. Hij trachtte zich zelf wijs te maken, dat dit alles maar verbeelding was. Want voor enkele weken nog hield hij haar voor het beste meisje dat er op de wereld bestond.

Was het in ’t begin van hun verloving geweest, dan zou hij zich misschien hebben teruggetrokken. Maar nu was hun huwelijk al in de kerk afgekondigd, de dag van de bruiloft was bepaald en bij hem thuis waren ze al met groote reparaties begonnen. Hij wilde ook niet den rijkdom en de goede positie, die hem wachtten, verliezen. En wat zou hij voor reden opgeven voor ’t verbreken van hun verloving? Wat hij op Hildur had aan te merken waren zulke kleinigheden, dat ze op zijn lippen zouden opgaan in lucht als hij ze probeerde uit te spreken.

Maar zijn hart was dikwijls bezwaard en telkens als hij in het kerspel of in de stad wezen moest, kocht hij daar bier of wijn in een winkel om zich daarmee in de goede stemming te brengen. Als hij een paar flesschen gedronken had was hij weer trotsch op zijn huwelijk en ingenomen met Hildur. Dan begreep hij niet wat het was, dat hem kwelde.

Gudmund dacht veel aan Helga en verlangde haar weer te ontmoeten. Maar hij meende, dat Helga hem een stumper vond, omdat hij de belofte niet had gehouden, die hij haar geheel vrijwillig had gedaan, maar integendeel haar had laten heengaan. Hij kon het niet uitleggen, noch zich verontschuldigen, en daarom vermeed hij haar te ontmoeten.

Op een morgen toen Gudmund op den weg liep, ontmoette hij Helga, die naar het dorp was geweest om melk te koopen. Gudmund keerde om en ging met haar terug. Ze scheen dat niet prettig te vinden, en liep hard, alsof ze van hem af wilde komen en zei niets. Gudmund zweeg ook, omdat hij niet recht wist hoe hij het gesprek zou beginnen.

Een rijtuig kwam aan op den weg, heel in de verte. Gudmund liep in gedachten en merkte het niet, maar Helga had het gezien en keerde zich naar hem toe.

„’t Is beter, dat je niet met mij loopt, want als ik me niet vergis, is het de familie van den rechter van Elvakker, die daar komt aanrijden.”

Gudmund zag snel op, herkende het paard en den wagen en maakte een beweging alsof hij wilde omkeeren. Maar onmiddellijk daarna richtte hij zich op en liep kalm voort naast Helga, tot het rijtuig voorbij was. Toen liep hij langzamer. Helga bleef snel doorloopen en zij scheidden zonder dat hij een woord tot haar had gesproken. Maar dien heelen dag was hij tevredener over zichzelf dan hij in lang was geweest.