Chapter 5 of 6 · 6657 words · ~33 min read

V.

Het was nu bepaald, dat de bruiloft van Gudmund en Hildur den tweeden Pinksterdag op Elvakker zou worden gevierd. Op den Vrijdag vóór Pinksteren reed Gudmund naar de stad om eenige inkoopen te doen voor een feest voor de thuiskomst van het jonge paar, dat op Närlunda den dag na de bruiloft zou worden gegeven. In de stad kwam hij in gezelschap met een paar jongelieden uit zijn gemeente. Zij wisten, dat dit Gudmunds laatste tocht naar de stad was vóór zijn huwelijk en naar aanleiding daarvan zetten zij een groot drinkgelag op touw.

Allen legden het er op aan, dat Gudmund drinken zou en het gelukte hun eindelijk hem geheel buiten westen te maken.

Hij kwam op den Zaterdagmorgen zóó laat thuis, dat zijn vader en de jongen reeds naar ’t werk waren gegaan en sliep toen nog tot laat op den namiddag. Toen hij opstond en zich aankleeden wilde zag hij, dat zijn jas op een paar plaatsen gescheurd was. „Het schijnt wel of ik vannacht gevochten heb,” zei hij, en probeerde te bedenken wat hij gedaan had. Hij kon zich wel herinneren, dat hij de herberg tegen elf uur had verlaten met een paar kameraden; maar waar zij toen heen gegaan waren wist hij niet meer. ’t Was alsof hij in een dikke duisternis probeerde te kijken. Hij wist niet of ze alleen maar op straat hadden rondgezworven of dat ze bij iemand binnen waren geweest. Hij kon zich niet meer herinneren of hij zelf of een ander het paard had opgetuigd en wist niets meer van de thuisreis.

Toen hij in de groote kamer kwam was die geschuurd en in orde gebracht voor het feest. Al het werk voor dien dag was afgeloopen en de huisgenooten zaten aan de koffie. Niemand zei iets van Gudmunds tocht. Zij schenen overeengekomen te zijn, dat hij deze laatste weken de vrijheid zou hebben te leven zooals hij wilde.

Gudmund zette zich aan de tafel en kreeg zijn kop koffie. Terwijl hij daar zat en de koffie op het schoteltje goot en weer terug in de kop om ze af te koelen, was Moeder Ingeborg met haar koffie klaargekomen en nam de courant op, die pas gekomen was, om er uit voor te lezen. Ze las de eene kolom na de ander en Gudmund, zijn vader en de anderen luisterden. Onder allerlei wat zij voorlas, was ook het bericht van een gevecht, dat den vorigen nacht op de groote markt had plaats gehad tusschen een bende dronken boeren en een paar arbeiders. Zoodra de politie kwam, vluchtten de vechtersbazen, maar een van hen bleef levenloos op de markt liggen. De gevallene werd naar het politiebureau gedragen, en daar geen uiterlijke beschadiging aan hem gevonden werd, probeerde men hem weer bij te brengen. Maar alle pogingen waren te vergeefs geweest en eindelijk had men ontdekt, dat het lemmet van een mes in zijn schedel stak. ’t Was het lemmet van een buitengewoon groot zakmes, dat door den schedel in de hersens gedrongen en dicht bij het hoofd was afgebroken.

De moordenaar was met het heft gevlucht, maar daar de politie hen, die aan het gevecht hadden deelgenomen, zeer goed kende, had men hoop hem spoedig te zullen vinden.

Terwijl Moeder Ingeborg voorlas, zette Gudmund zijn kop koffie neer, stak de hand in den zak, haalde zijn zakmes er uit en keek er vluchtig naar. Op eens ging hem een schok door de leden; hij keerde het mes om en stak het daarna zóó snel in den zak, alsof hij zich er aan gebrand had. Hij raakte daarna zijn koffie niet meer aan; maar zat lang volkomen onbewegelijk met een peinzende uitdrukking op ’t gezicht. In zijn voorhoofd kwamen diepe plooien. ’t Was duidelijk, dat hij ingespannen over iets nadacht.

Eindelijk stond hij op, rekte zich uit, snakte naar adem en liep langzaam naar de deur. „Ik moet me eens wat bewegen. Ik ben den heelen dag nog niet buiten geweest,” zei hij en ging de kamer uit.

Ongeveer op ’t zelfde oogenblik stond ook Erland Erlandsson op. Hij had zijn pijp leeggerookt en ging naar de kleine kamer om nieuwe tabak te halen. Toen hij daar zijn pijp stond te stoppen, zag hij Gudmund aankomen. De kleine kamer zag niet op de plaats uit, zooals de groote kamer, maar op een kleinen tuin, waar een paar hemelhooge appelboomen stonden. Achter dien tuin lag een moeras, waar in het voorjaar groote plassen water lagen, die in den zomer bijna droog werden. Zelden ging iemand dien kant uit. Erland Erlandsson vroeg zich verwonderd af wat Gudmund daar te maken had en volgde hem met de oogen. Hij zag toen, dat zijn zoon de hand in den zak stak, daar iets uit nam en het ver weg in ’t moeras slingerde. Daarop liep hij door het tuintje, sprong over een heg en ging den weg op.

Zoodra zijn zoon uit het gezicht was ging Erland op zijn beurt naar buiten en liep naar het moeras. Hier waadde hij door de modder, maar bukte zich spoedig en nam iets op, waar hij met den voet tegen gestooten had. ’t Was een groot zakmes, waarvan een lemmet was afgebroken. Hij keerde het om en om, bekeek het aan alle kanten, terwijl hij nog in het water stond. Toen stak hij het in den zak, maar nam het er weer uit en onderzocht het nog een paar maal, vóór hij weer in huis ging.

Gudmund kwam niet thuis voor allen ter ruste gegaan waren. Hij ging dadelijk naar bed, zonder het avondeten, dat in de groote kamer klaar stond, aan te roeren.

Erland Erlandsson en zijn vrouw sliepen in de kleine kamer. Tegen het aanbreken van den dag meende Erland voetstappen bij het venster te hooren. Hij stond op, schoof het gordijn ter zijde en zag, dat Gudmund naar het moeras ging. Hij trok schoenen en kousen uit, en liep in het water heen en weer, als iemand, die iets zoekt. Hij deed dit lang achter elkaar, ging toen naar den kant, alsof hij van plan was heen te gaan, maar keerde spoedig terug en begon weer te zoeken. Een vol uur stond de vader naar hem te kijken. Toen ging Gudmund naar huis en naar bed.

Den eersten Pinksterdag zou Gudmund naar de kerk rijden. Toen hij ’t paard begon op te tuigen, kwam zijn vader over de plaats. „Je hebt vandaag vergeten het tuig te poetsen,” zei hij, terwijl hij voorbij ging, want de wagen en het tuig waren vuil en ongepoetst.

„Ik had wat anders om aan te denken,” zei Gudmund lusteloos en reed weg zonder er iets aan te doen.

Na de godsdienstoefening ging Gudmund met zijn verloofde naar Elvakker en bleef daar den geheelen dag. Daar kwamen veel jongelieden bij elkaar om Hildurs laatsten avond als meisje te vieren en er werd tot laat in den nacht gedanst. Er werden velerlei soorten wijn en andre dranken rondgediend, maar Gudmund roerde ze niet aan. Dien heelen avond sprak hij bijna met niemand, maar hij danste woest en lachte nu en dan luid en schel, zonder dat iemand wist waarom.

Gudmund kwam niet thuis voor ongeveer twee uur en zoodra hij het paard op stal gebracht had, ging hij naar het moeras achter het huis. Hij trok schoenen en kousen uit, stroopte zijn broek op en liep in het water. ’t Was een lichte zomernacht en de vader stond in de kleine kamer achter het gordijn en keek naar zijn zoon. Hij zag hem gebogen over ’t water loopen en zoeken als den vorigen nacht. Hij ging nu en dan naar den kant, alsof hij wanhoopte iets te vinden, maar een poos later begon hij weer door het water te waden. Eens ging hij een emmer halen uit den stal en begon water uit de kleine plassen te scheppen, alsof hij van plan was die leeg te maken; maar dat vond hij zeker een hopeloos werk, en hij zette den emmer weg. Hij probeerde het ook met een net en ploegde daarmee ’t heele moeras door, maar hij scheen niets anders dan modder omhoog te werken. Hij ging niet naar binnen voor ’t zóó laat in den morgen werd, dat de menschen in huis begonnen op te staan. Toen was hij zoo moe en uitgeput door ’t waken, dat hij wankelde onder ’t loopen en zich op zijn bed wierp, zonder zijn kleeren uit te trekken.

Toen de klok acht uur sloeg, kwam zijn vader hem roepen. Gudmund lag op bed met zijn kleeren vol modder en klei; maar zijn vader vroeg niet wat hij gedaan had; hij zei alleen, dat het nu tijd was om op te staan en sloot de deur. Na een uur kwam Gudmund beneden in de groote kamer in zijn mooie bruidegomskleeren. Hij was bleek en zijn oogen brandden onrustig, maar niemand had hem ooit zoo mooi gezien. Zijn trekken waren als door een inwendigen glans verhelderd. ’t Was alsof men iemand zag, die niet meer uit vleesch en bloed bestond, maar alleen uit wil en ziel.

’t Was plechtig in die groote kamer. De moeder had haar zwarte kleeren aan en een mooie zijden shawl om de schouders, ofschoon zij niet mee naar de bruiloft kon gaan. Alle knechts hadden ook hun beste kleeren aan. Frisch berkenloof was op den haard gezet. De tafel was met een tafellaken gedekt en er stonden veel spijzen op den disch.

Na het eten las Moeder Ingeborg een psalm en een stuk uit den bijbel. Daarop wendde zij zich tot Gudmund, dankte er hem voor, dat hij een goede zoon geweest was, wenschte hem geluk in de toekomst en gaf hem haar zegen. Moeder Ingeborg kon haar woorden goed kiezen en Gudmund was zeer aangedaan. Telkens kwamen hem de tranen in de oogen, maar het gelukte hem ze te bedwingen. Zijn vader sprak ook een paar woorden. „’t Zal je ouders zwaar vallen je te moeten missen,” zei hij en Gudmund was weer op het punt in schreien uit te barsten. Alle knechts traden ook naar voren, schudden hem de hand en dankten hem voor den tijd, die voorbij was. De tranen stonden Gudmund al dien tijd in de oogen. Hij kuchte, en probeerde een paar keer te spreken, maar hij kon nauwelijks een woord over de lippen krijgen.

Zijn vader zou hem naar ’t huis van zijn bruid brengen en de bruiloft mee vieren. Hij ging naar buiten, spande het paard voor den wagen en kwam toen binnen en zei, dat het tijd was om te gaan. Toen Gudmund in den wagen stapte zag hij, dat die was schoongemaakt. Alles was zoo keurig en goed verzorgd, als hij ’t altijd placht te willen hebben. Op ’t zelfde oogenblik zag hij ook hoe de hoeve er uitzag. Er lag nieuw grint in de oprijlaan, hoopjes oud bouwmateriaal en ander afval, die daar in zijn tijd voortdurend gelegen hadden, waren weggeruimd. Aan beide zijden van het hek stonden een paar geschoren berken als een eerepoort; een groote krans meidoorn hing aan den weerhaan, en uit alle luikjes staken bouquetten lichtgroen berkenloof. Weer was Gudmund op het punt in schreien uit te barsten. Hij greep de hand van zijn vader, juist toen die ’t paard wilde aanzetten, alsof hij hem beletten wou weg te rijden.

„Is er nog iets?” zei zijn vader.

„Ach neen,” zei Gudmund. „Er is niets. ’t Is maar het best, dat we wegrijden.”

Gudmund moest nog ééns afscheid nemen eer hij ver van de hoeve was. Helga van ’t groote moeras stond te wachten aan ’t hek, waar het boschpad van haar hoeve uitkwam op den weg. De vader reed zelf en hij hield het paard in, toen hij Helga zag.

„Ik heb op jelui gewacht, want ik wilde Gudmund vandaag gelukwenschen,” zei Helga. Gudmund boog zich voorover, uit den wagen en drukte Helga de hand. ’t Kwam hem voor, dat zij mager geworden was en dat haar oogen rood waren. Ze had zeker iederen nacht liggen schreien, omdat zij naar Närlunda verlangde. Maar nu deed ze haar best er vroolijk uit te zien en lachte hem vriendelijk toe. Hij werd weer heel bewogen, maar kon niets zeggen. Zijn vader, die immers den naam had, dat hij niet sprak, voor de nood op het hoogst was, zei toen: „Ik denk, dat Gudmund met dezen gelukwensch wel eens zoo blij is als met ieder ander.”

„Ja, dat is zeker,” zei Gudmund.

Zij drukten elkaar nog eens de hand, en de vader reed voort. Gudmund lag achterover in den wagen en keek Helga na. Toen ze achter een paar boomen verdween, schoof hij haastig het voetkleed weg en stond op, alsof hij uit den wagen wilde springen.

„Wou je Helga nog iets zeggen?” vroeg de Vader.

„Neen, och neen,” antwoordde Gudmund en ging weer zitten.

Zij reden nog wat verder. De vader reed langzaam; ’t was alsof hij ’t prettig vond zoo te rijden met zijn zoon naast zich. Hij deed geen moeite om snel vooruit te komen.

Op eens legde Gudmund het hoofd tegen zijn vaders schouder en barstte in hevig schreien uit.

„Wat scheelt er aan?” vroeg Erland en trok zoo heftig aan de teugels, dat het paard stilstond.

„Iedereen is zoo goed voor me en ik verdien het niet.”

„Je hebt toch ook geen kwaad gedaan?”

„Ja, vader, dat heb ik wel.”

„Dat kunnen we toch niet gelooven.”

„Ja, ik heb een mensch vermoord!”

De vader haalde diep adem. Dat klonk bijna als een zucht van verlichting en Gudmund hief verwonderd ’t hoofd op en zag hem aan.

De vader zette het paard weer aan; toen zei hij zacht: „Ik ben blij, dat je er zelf over spreekt.”

„Wist u ’t dan, Vader?”

„Ik zag het wel Zaterdagavond, dat er iets niet in orde was, en ik heb je mes in ’t moeras gevonden.”

„O! was u het, die ’t mes vond.”

„Ik vond het en zag, dat het eene lemmet afgebroken was.”

„Ja, Vader, ik weet, dat het lemmet er afgebroken is, maar ik kan toch maar niet begrijpen dat ik het gedaan heb.”

„’t Is zeker in woestheid en dronkenschap gebeurd.”

„Ik weet niets; ik kan me niets herinneren. Ik kan aan mijn kleeren zien, dat ik aan ’t vechten ben geweest en ik weet, dat het lemmet van mijn mes weg is.”

„Ik begrijp, dat je van plan was het te verzwijgen,” zei de vader.

„Ik dacht, dat de andre kameraden misschien even erg buiten westen waren als ik en zich niets herinnerden. Misschien was er ook geen ander bewijs tegen me dan dat mes, en daarom gooide ik het weg.”

„Ik kon wel begrijpen, dat je zoo redeneeren zou.”

„U kunt wel begrijpen, Vader.... ik weet niet wie er dood is; ik heb hem misschien nooit gezien. Ik herinner me niet, dat ik het gedaan heb. Ik vond niet, dat ik hoefde te lijden voor wat ik niet met opzet heb gedaan. Maar al gauw kwam ik op de gedachte, dat ik gek geweest was, toen ik het mes in het moeras gooide. Dat droogt immers zomers uit en dan kon iedereen het vinden. En daarom probeerde ik het terug te krijgen, gistrennacht en vannacht.”

„Dacht je er niet over, dat je bekennen moest?”

„Neen; gistren dacht ik er alleen aan hoe ik het geheim kon houden en ik probeerde te dansen en vroolijk te zijn, zoodat niemand iets aan me merken zou.”

„Was je dan van plan vandaag te trouwen zonder het te bekennen? Dat was een groote verantwoording, die je op je nam. Begreep je dan niet, dat je, als je ontdekt werd, Hildur en haar familie meê in je ellende zou brengen?”

„Ik dacht, dat ik hen ’t beste spaarde door niets te zeggen.”

Zij reden langs den weg in vliegende vaart. De vader scheen nu haast te hebben. Hij sprak voortdurend met zijn zoon. Hij had nog nooit in zijn leven zooveel woorden gesproken.

„Ik zou graag willen weten hoe je op andere gedachten gekomen was,” zei hij.

„Dat kwam door dat Helga me geluk wenschte. Toen brak er iets hards in me. Ik werd zoo bewogen, toen ik haar zag. Ik werd ook bewogen door Moeder en u van morgen en ik wilde spreken en zeggen, dat ik uw liefde niet waard was; maar dat harde was toen nog in me en bood weerstand. Maar toen Helga kwam, was het uit. Ik vond, dat ze eigenlijk boos op me moest zijn, omdat ik er schuld aan had, dat ze van ons weg moest.”

„Nu denk ik, dat je ’t met me eens ben, dat we ’t zoo gauw mogelijk aan Hildur’s familie moeten zeggen,” zei de vader.

„Ja,” antwoordde Gudmund zacht. „Ja zeker,” voegde hij er dadelijk daarop luider en met vaster stem bij. „Ik wil Hildur niet meêsleepen in mijn ongeluk. Zij zou het mij nooit vergeven.”

„De menschen op Elvakker zijn op hun eer gesteld, even goed als andren,” zei de Vader. „En dit moet ik je zeggen Gudmund, dat toen ik van morgen van hier reed, dacht ik, dat ik er over spreken moest met den rechter hoe het met je gesteld was, als je niet besloot het zelf te doen. Want ik kon er niet zwijgend bij staan en Hildur laten trouwen met iemand, die ieder oogenblik voor moord kon worden aangeklaagd.”

Hij klapte met de zweep en reed al sneller.

„Dit wordt het moeilijkste voor je,” zei hij. „Wij zullen maken, dat het gauw voorbij is. Ik denk dat de rechtersfamilie het goed van je zal vinden, dat je je zelf aangeeft; ze zullen wel vriendelijk voor je zijn.”

Gudmund antwoordde niet. Zijn gezicht kreeg een steeds pijnlijker uitdrukking, naarmate zij Elvakker naderden. Zijn vader bleef doorpraten om den moed er bij hem in te houden.

„Ik heb nog eens zooiets gehoord,” zei hij. „Er was een bruidegom, die een kameraad op een jacht had doodgeschoten. Dat was niet zijn bedoeling geweest en het werd niet ontdekt, dat hij het gedaan had. Maar een paar dagen daarna zou hij trouwen en toen hij op de hoeve kwam, waar zijn bruiloft gevierd zou worden, ging hij naar zijn bruid en zei:

„Van onze bruiloft kan niets komen. Ik wil je niet meêsleepen in de ellende, die mij wacht.”

Maar zij stond daar in haar bruidskleed met krans en sluier, en ze nam hem bij de hand en leidde hem binnen in de zaal, waar de gasten bijeen waren en waar alles gereed stond voor de huwelijksplechtigheid. Zij vertelde nu aan allen met luider stem wat haar bruidegom haar zoo juist was komen zeggen.

„Ik heb hierover gesproken, opdat allen zouden weten, dat je niet oneerlijk tegenover me bent geweest,” zei ze toen, zich tot haar bruidegom wendende. „Maar nu wil ik dadelijk ons huwelijk laten sluiten. Want je blijft dezelfde—al is je nu een ongeluk overkomen en wat je ook wacht—ik wil het samen met je dragen.”

Juist toen de Vader dit verhaal verteld had, waren ze bij de lange straat, die naar Elvakker leidde. Gudmund wendde zich met een weemoedigen glimlach naar hem toe: „Zoo zal het ons niet gaan,” zei hij.

„Wie weet,” zei de Vader en richtte zich op in den wagen. Hij keek zijn zoon aan en zag weer met verwondering hoe mooi hij dien dag was.

„’t Zou me niet verwonderen als hem iets groots en onverwachts gebeurde,” dacht hij.

Het huwelijk zou in de kerk gesloten worden, en veel menschen waren al verzameld op de hoeve om mee te rijden in den bruidsstoet. Verscheidene familieleden van den rechter, die ver weg woonden, waren ook gekomen. Zij zaten op de stoep voor ’t huis in hun mooiste kleeren, gereed voor den tocht naar de kerk. Wagens en sjeezen stonden op de plaats en men hoorde de paarden in den stal stampen, terwijl ze geroskamd werden.

De speelman zat alleen op de trap bij de schuur en stemde de viool. Voor een venster op de bovenverdieping stond de bruid in haar bruidstooi en keek ter sluiks naar buiten om haar bruidegom te zien voor hij haar in het oog kon krijgen.

Erland en Gudmund stapten uit den wagen en vroegen dadelijk of zij Hildur en haar ouders alleen mochten spreken. Spoedig stonden zij allen in een kleine kamer, waar de schrijftafel van den rechter stond.

„Ik denk wel, dat u in de courant gelezen hebt van dat gevecht in de stad, den nacht van Vrijdag op Zaterdag, toen er een mensch vermoord werd,” zei Gudmund tegen den rechter, zóó rad alsof hij een les opzei.

„Ja, dat heb ik wel gelezen,” zei de rechter.

„Ik was in de stad dien nacht,” zei Gudmund.

Nu antwoordde niemand. Het werd doodstil, Gudmund vond, dat zij hem allen met zulk een ontzetting aanstaarden, dat hij niet doorspreken kon. Maar zijn vader kwam hem te hulp.

„Gudmund was door een paar vrienden uitgenoodigd. Hij had zeker wel te veel gedronken dien nacht, en toen hij thuis kwam, wist hij niet, wat hij gedaan had. Maar hij kon wel merken, dat hij gevochten had, want zijn kleeren waren gescheurd.”

Gudmund zag, dat de ontzetting, die de anderen voelden, toenam bij elk woord, maar zelf werd hij kalmer. Er werd een gevoel van verzet bij hem wakker en hij nam weer het woord over.

„Toen nu de courant kwam, Zaterdagavond, en ik van dat gevecht las, en van het lemmet, dat in den schedel gestoken was, nam ik mijn mes uit den zak en zag toen, dat er een lemmet aan ontbrak.”

„Dat zijn ernstige berichten, die Gudmund ons brengt,” zei de rechter. „’t Zou beter geweest zijn, als hij ons dat gistren had verteld.”

Gudmund zweeg, maar nu kwam zijn vader hem weer te hulp.

„Dat was niet zoo gemakkelijk voor Gudmund. ’t Was wel een groote verzoeking alles te verzwijgen. Hij verliest veel door deze bekentenis.”

„Ja, we moeten zeker nog blij zijn, dat hij nu spreekt, zoodat we niet in zijn ellende worden meegesleept,” zei de rechter bitter.

Gudmund hield voortdurend zijn oogen op Hildur gericht. Ze was gekleed met krans en sluier en nu zag hij hoe zij de hand ophief en een van de grootste haarspelden uittrok, die den krans vasthielden. Ze scheen het onwillekeurig gedaan te hebben. Toen ze merkte, dat Gudmund haar aanzag, stak zij de haarspeld weer in den krans.

„’t Is immers nog niet volkomen bewezen, dat Gudmund dien doodslag heeft begaan,” zei de vader, „maar ik begrijp wel, dat u de bruiloft wilt uitstellen tot alles tot klaarheid is gekomen.”

„We hoeven niet over uitstel te spreken,” zei de rechter. „Ik denk wel, dat Gudmund zoo zeker van zijn zaak is, dat we het er over eens kunnen worden, dat het tusschen hem en Hildur dadelijk uit is.”

Gudmund antwoordde niet dadelijk op dat voorstel, dat tot hem gericht werd. Hij ging naar zijn bruid en stak de hand uit. Ze bleef onbewegelijk zitten en scheen hem niet te zien.

„Wil je geen afscheid van me nemen, Hildur?”

Nu zag zij op en haar groote oogen vonkelden koud toen ze hem aanzag.

„Heb je met die hand het mes gebruikt?” vroeg ze.

Gudmund antwoordde haar met geen enkel woord, maar wendde zich tot den rechter.

„Ja, nu ben ik zeker van mijn zaak,” zei hij. „Het dient nergens toe de bruiloft uit te stellen.”

Hiermeê was het gesprek uit en Gudmund en Erland gingen heen. Ze moesten door verscheidene kamers en gangen voor ze buiten waren en overal zagen zij toebereidselen voor de bruiloft. De deur van de keuken stond open en ze zagen hoe een menigte menschen daar druk in beweging waren. Een geur van gebraad en gebak kwam hun te gemoet; de geheele haard stond vol groote en kleine pannen; de koperen potten, die anders aan den muur hingen, waren afgenomen en in gebruik.

„Dat is nu voor mijn bruiloft, dat ze zoo’n drukte maken,” dacht Gudmund, toen hij voorbij ging.

’t Was als moest hij nog een glimp zien van den rijkdom van die oude boerenhoeve terwijl hij door het huis ging. Hij zag de eetzaal waar groote tafels gedekt stonden, met lange rijen zilveren bekers en kannen. Hij ging voorbij de kleedkamer waar de vloer vol groote kisten stond en de wanden met een eindelooze massa kleeren waren bedekt. Toen hij later op de plaats kwam, zag hij een menigte nieuwe en oude wagens; prachtige paarden werden uit den stal geleid en sierlijke dekens in de wagens gelegd. Hij zag uit over een paar binnenplaatsen omgeven met koe- en paardenstallen, schapenhokken, magazijnen, schuren en nog veel andere gebouwen.

„Dat alles had het mijne kunnen zijn,” dacht hij, toen hij in den wagen stapte.

Op eens kwam een bitter berouw over hem. Hij had wel uit het rijtuig willen springen en naar binnen gaan en zeggen, dat het niet waar was wat hij gezegd had. Hij had alleen willen schertsen, en ze aan het schrikken maken. ’t Was onzinnig dom van hem geweest te bekennen. Waar was dat nu goed voor. Voor niemand was het er beter door geworden. De doode was immers dood. Neen, die bekentenis had geen ander gevolg dan dat hij ook in het verderf werd gestort.

De laatste weken was hij niet zoo erg op dat huwelijk gesteld geweest, maar nu hij ’t moest opgeven, voelde hij eerst wat het waard was. ’t Was veel Hildur Eriksdochter te verliezen en alles wat zij meebracht.

Wat beteekende het of ze eigenzinnig en met zichzelf ingenomen was? Ze was toch de allerbeste van allen daar in de streek en door haar zou hij tot groote macht en eer gekomen zijn.

’t Was niet alleen Hildur en haar bezittingen die hij nu miste—’t waren ook kleiner dingen. Op dit oogenblik zou hij naar de kerk gereden zijn en allen, die hem zagen, zouden hem benijd hebben. En vandaag zou hij aan ’t hoofd van den bruiloftsdisch hebben gezeten;—vandaag zou hij rondom in vreugde en dans geweest zijn. ’t Was zijn groote geluksdag, die hem nu ontviel.

Erland keerde zich naar zijn zoon en zag hem aan. Nu was hij niet meer zoo mooi en bezield als dien morgen; maar hij zat onverschillig en zwaarmoedig neer, met doffen blik. De vader vroeg zich zelf af of zijn zoon berouw had, dat hij bekend had en wilde ’t hem vragen, maar hij vond het ’t beste te zwijgen.

„Waar zullen we nu heen rijden?” vroeg Gudmund na een poos. „Is het niet het beste maar dadelijk naar ’t politiebureau te rijden?”

„Je moet liever eerst naar huis om te rusten en uit te slapen,” zei de vader. „Je hebt de laatste nachten zeker niet veel geslapen.”

„Moeder zal wel schrikken, als ze ons ziet.”

„Ze zal niet zoo verwonderd zijn,” zei de vader. „Ze weet evenveel als ik. Ze zal er blij om zijn, dat je ’t bekend hebt.”

„Ik geloof, dat Moeder en u en allen thuis blij zullen zijn, als ik in de gevangenis kom,” zei Gudmund bitter.

„We weten, dat je veel verloren hebt, doordat je goed gehandeld hebt,” zei de vader. „Maar we kunnen toch niet anders dan blij zijn, omdat je jezelf overwonnen hebt.”

Gudmund meende, dat hij ’t niet zou kunnen verdragen nu naar huis te rijden en te hooren hoe allen hem prezen, omdat hij zijn toekomst verwoest had. Hij zocht naar een voorwendsel om te voorkomen, dat hij iemand ontmoeten zou eer hij zich zelf tot meerder kalmte had gebracht. Nu reden ze voorbij de plaats, waar ’t pad naar het groote moeras begon.

„Wilt u hier stilhouden, Vader? Ik geloof, dat ik naar Helga zal gaan en met haar spreken.”

Gewillig hield de vader ’t paard in. „Kom maar zoo gauw mogelijk thuis om te rusten!” zei hij.

Gudmund ging het bosch in en was spoedig uit het gezicht. Hij dacht er niet aan om Helga op te zoeken; hij was maar blij, dat hij alleen was en zich niet hoefde te bedwingen. Hij voelde een onredelijke boosheid tegen alles, schopte tegen de steenen, die hem in den weg lagen en bleef nu en dan staan om een grooten tak af te breken, alleen omdat een blad hem tegen ’t gezicht getikt had.

Hij volgde den weg naar het groote moeras maar ging de hoeve voorbij en liep den berg op, die daarachter lag. Hier werd het hem al gauw moeilijk om vooruit te komen. Hij had het pad willen verlaten en om den hoogsten top te bereiken, moest hij over een breeden zoom van hoekige rotsblokken.

’t Was een gevaarlijke wandeling over die scherpe rotspunten en hij had armen en beenen kunnen breken als hij misgestapt had. Dat wist hij heel goed, maar hij ging door, alsof hij er pleizier in had zich aan gevaar bloot te stellen.

„Als ik val en een ongeluk krijg, kan niemand me hier boven vinden,” dacht hij. „Maar wat zou dat? Ik kan even goed hier liggen sterven als jaren lang in de gevangenis zitten.”

Maar alles ging goed en een paar minuten later was hij boven op den grooten berg. De bovenste top was nog kaal en van daar uit had men een mijlenver uitzicht. Hij zag dalen en meren, donkre bosschen en rijk bebouwde streken, kerken en landgoederen, kleine boschhoeven en groote dorpen. Heel in de verte lag de stad in een witten sluier van zonnelicht gehuld, waaruit een paar glinstrende torens omhoog staken. Wegen slingerden zich door de dalen en een trein schoot snel voorbij den zoom van het bosch. Hij overzag een heel rijk.

Hij wierp zich neer op ’t veld, maar hield voortdurend de oogen op dat groote panorama gericht. Dat landschap daar voor hem was grootsch en trotsch; er was iets in, dat hem zich zelf en zijn zorgen zoo klein en onbeduidend deed voorkomen.

Hij herinnerde zich, dat hij, toen hij een kind was en gelezen had hoe de Verzoeker Jezus op een hoogen berg had gebracht en Hem alle heerlijkheid van de wereld had getoond, altijd gedacht had, dat ze hier op den grooten berg hadden gestaan; en hij herhaalde de oude woorden: „Dit alles zal ik u geven, als ge nedervalt en mij aanbidt.”

Toen kwam ’t hem op eens voor alsof een dergelijke verzoeking dezer dagen tot hem gekomen was. Voorwaar! had niet de Verzoeker hem op een hoogen berg gebracht en hem alle macht en heerlijkheid van den rijkdom getoond.

„Verzwijg het kwaad maar, dat je gelooft, dat je gedaan hebt,” zei hij, „en ik zal je alle heerlijkheid van deze wereld geven.”

En toen Gudmund hieraan dacht, kwam een klein beetje tevredenheid over hem.

„Ik heb immers: „Neen!” gezegd,” zei hij. En op eens begreep hij wat er voor hem op het spel had gestaan. Als hij gezwegen had, zou hij den Verzoeker levenslang hebben moeten aanbidden. Een schuw, moedeloos man was hij geworden, niet meer dan een slaaf van zijn bezittingen. De vrees ontdekt te worden, zou hem altijd gedrukt hebben. Nooit meer zou hij zich als een vrij mensch hebben gevoeld.

Er kwam een gevoel van groote rust over Gudmund. Hij was er blij om, dat hij begreep, dat hij goed gehandeld had. Als hij terugdacht aan de dagen, die voorbij waren, was ’t hem alsof hij tastend door een groote duisternis was gegaan. ’t Was wonderlijk, dat hij eindelijk nog terecht gekomen was. Hij vroeg zich af hoe ’t gekomen was, dat hij niet verdwaald was.

„Dat kwam, omdat ze thuis zoo goed voor me waren,” dacht hij, „en de beste hulp was, dat Helga kwam en me gelukwenschte.”

Hij bleef nog een poos op den berg liggen, maar al spoedig vond hij, dat hij naar huis moest gaan, naar zijn vader en moeder om hun te zeggen, dat hij vrede met zichzelf gekregen had. Toen hij opstond om heen te gaan, zag hij Helga zitten op een terras wat lager op den berg.

Ze had niet dat groote, wijde vergezicht, waar zij zat;—alleen een klein stukje van het dal was zichtbaar voor haar. Dien kant uit lag Närlunda, en ze kon waarschijnlijk een gedeelte van de hoeve zien. Toen Gudmund haar ontdekte, voelde hij hoe zijn hart, dat dien heelen dag moeilijk en angstig gewerkt had, blij en vroolijk begon te kloppen, en op ’t zelfde oogenblik ging er zulk een storm van geluk door zijn ziel, dat hij bleef staan—over zichzelf verbaasd.

„Wat gebeurt er met mij? Wat is dat? Wat is dat?” dacht hij, terwijl het bloed hem door ’t lichaam bruiste, en het geluk hem zóó machtig aangreep, dat hij het bijna pijnlijk voelde. Eindelijk zei hij verwonderd tot zichzelf: „Maar ik heb immers háár lief! En dat wist ik niet voor nu!”

’t Kwam over hem met de kracht van een losgebroken waterval. Hij was al dien tijd, dat hij haar kende, gebonden geweest. Alles wat hem naar haar heentrok, had hij teruggehouden. Nu eerst was hij vrij van de gedachte, dat hij met een ander trouwen moest, vrij om van haar te houden.

„Helga,” riep hij, en begon op ’t zelfde oogenblik de helling af te klauteren om bij haar te komen. Ze keerde zich om met een uitroep van schrik. „Wees niet bang! Ik ben het maar.”

„Maar ben je dan niet in de kerk om te trouwen?”

„Och neen, er wordt geen bruiloft gevierd vandaag. Ze wil mij niet hebben, zij... Hildur.”

Helga stond op. Ze drukte de hand op het hart en sloot de oogen. Ze dacht zeker op dat oogenblik, dat het Gudmund niet was, die daar aankwam. ’t Was zeker zoo, dat haar oogen en ooren betooverd waren daar in ’t bosch. Maar ’t was zoo heerlijk dat hij kwam, al was ’t maar in een visioen, en ze sloot de oogen en bleef onbewegelijk staan om dien waan nog een oogenblik langer te behouden.

Gudmund was wild en als in een roes door die groote liefde, die in hem opgevlamd was. Zoodra hij bij Helga kwam, sloeg hij de armen om haar heen en kuste haar—en zij liet het toe, want ze was geheel bedwelmd en overweldigd door de verrassing. ’t Was immers veel te wonderlijk om te gelooven, dat hij, die nu juist in de kerk moest staan naast zijn bruid, werkelijk hier in ’t bosch gekomen zou zijn. Die verschijning of dubbelganger van hem, die bij haar gekomen was, mocht haar gerust kussen.

Maar op eens, terwijl hij haar kuste, kwam ze tot zich zelf en stootte hem van zich af. En ze begon hem met vragen te bestormen. Was hij ’t wezenlijk zelf? Wat had hij in het bosch te doen? Was er een ongeluk gebeurd? Waarom was de bruiloft uitgesteld? Was Hildur ziek? Had de predikant een beroerte gekregen in de kerk?

Gudmund had met haar niet over iets anders in de wereld willen spreken, dan over zijn liefde, maar zij dwong hem te vertellen hoe alles gegaan was. Terwijl hij sprak, zat ze stil toe te luisteren in gespannen aandacht.

Ze viel hem niet in de rede, vóór hij over het afgebroken lemmet sprak. Toen sprong ze op en vroeg of het zijn gewone mes was, dat, wat hij gebruikte toen zij nog bij hem diende.

„Ja, dat was het juist.”

„Hoeveel van de lemmeten waren afgebroken?”

„Niet meer dan één.”

Het begon te werken in Helga’s hoofd. Ze zat met rimpels in het voorhoofd en trachtte zich iets te herinneren. Hoe was dat ook weer? Ja zeker, ze herinnerde zich duidelijk, dat ze dat mes van hem geleend had om er spanen mee te snijden, den dag vóór ze wegging. Toen had ze ’t gebroken, maar ze was er niet toe gekomen het hem te zeggen. Hij was haar ontweken en had niet met haar willen spreken in dien tijd. En hij had zeker het mes al dien tijd in den zak gehad en niet gemerkt, dat het gebroken was.

Zij hief het hoofd op en wilde er met hem over spreken; maar hij ging voort te vertellen van zijn bezoek op de bruidshoeve dien morgen en ze wilde hem alles laten zeggen. Toen ze hoorde hoe hij van Hildur was heengegaan vond ze dat dit zulk een verschrikkelijk ongeluk was, dat ze in verwijten tegen hem losbarstte.

„Dat is je eigen schuld,” zei zij. „Daar kom je met je vader aan en maakt haar doodelijk verschrikt met dat vreeslijk bericht. Zóó zou ze niet geantwoord hebben, als ze meester over zich zelf was geweest. Dit wil ik je wel zeggen, dat ik geloof, dat ze er nu al spijt van heeft.”

„Ze mag om mij zooveel spijt hebben als ze maar wil,” zei Gudmund. „Ik weet nu, dat ze een van die menschen is, die alleen aan zich zelf denken. Ik ben blij, dat ik van haar af ben.”

Helga drukte de lippen opeen, alsof ze wou beletten, dat haar groot geheim haar ontsnappen zou. Hier was zooveel om over te denken. ’t Was niet alleen de vraag hoe ze Gudmund vrij maken zou van de verdenking van moord. Die had ook de oneenigheid tusschen hem en zijn bruid ten gevolge gehad. Zou ze die niet kunnen probeeren bij te leggen met behulp van wat zij wist?

Weer zat ze stil te peinzen, tot Gudmund er over begon te spreken, dat hij nu zijn liefde aan haar gewijd had. Maar dat kwam haar als ’t grootste ongeluk voor, dat hem op dien dag overkomen was. Droevig was het, dat waarschijnlijk zijn voorgenomen huwelijk hem ontgaan zou; maar nog erger was het als hij zou trouwen met iemand als zij.

„Neen, zooiets moet je mij niet komen vertellen,” zei ze en stond knorrig op.

„Waarom moet ik je dat niet zeggen?” vroeg Gudmund en werd bleek. „Is het met jou misschien als met Hildur—dat je bang voor me ben?”

„Neen, daarom is het niet.”

Ze wilde hem uitleggen, dat hij zijn eigen ongeluk wilde, maar hij luisterde niet naar haar.

„Ik heb gehoord, dat er vroeger vrouwen waren, die aan de zij van hun man stonden, als ze in nood geraakten, maar die vindt je zeker niet meer tegenwoordig.”

Een schok ging Helga door de leden. Ze had zoo graag de armen om zijn hals geslagen, maar ze bleef stil staan. Vandaag moest zìj verstandig zijn.

„’t Is wel waar, dat ik je niet had moeten vragen mijn vrouw te worden, op denzelfden dag, dat ik naar de gevangenis moet; maar, zie je, als ik maar wist, dat je op me wou wachten tot ik weer vrijkwam, dan zou ik al dat akelige gemakkelijk dragen.”

„Niet ìk moet op je wachten, Gudmund.”

„Alle menschen zullen me nu voor een misdadiger houden, voor een, die drinkt en moordt. Maar als er nu maar iemand was, die me met liefde kon aanzien! Dat zou me moed geven, meer dan iets anders.”

„Dat weet je wel, dat ik nooit anders dan goed over je denken zal, Gudmund.”

Helga was heel stil geworden. Gudmunds smeeken werden haar bijna te zwaar. Ze wist niet meer hoe ze hem ontkomen zou. Maar Gudmund begreep er niets van; hij begon te gelooven, dat hij zich vergist had. Zij moest niet hetzelfde voor hem voelen als hij voor haar. Hij kwam dicht naar haar toe en zag haar aan, alsof hij door haar heen wilde zien.

„Zit je nu niet hier op deze rotshelling om naar Närlunda te kunnen zien?”

„Ja, dat doe ik.”

„Verlang je niet daar te zijn, dag en nacht?”

„Ja, maar ik verlang niet naar iemand.”

„Van wien houd je dan?”

Helga zweeg.

„Is het Peter Maartenszoon?”

„Ja, ik heb immers gezegd, dat ik van hem houd,” zei ze—en ze was als gepijnigd boven haar kracht.

Gudmund stond een poos naar haar te zien met een gezicht—doorgroefd van smart.

„Nu—goeden dag dan! Nu scheiden onze wegen,—die van mij en jou,” zei hij.

En op ’t zelfde oogenblik nam hij een grooten sprong van de rots naar het dichtstbijzijnd terras op den berg en verdween toen tusschen de boomen.