Chapter 6 of 6 · 2531 words · ~13 min read

VI.

Nauwelijks was Gudmund uit het gezicht, of Helga haastte zich langs een anderen weg naar beneden, den berg af. Ze sprong voorbij ’t groote moeras zonder stil te houden en liep zoo hard ze kon tusschen de boschheuvels uit naar den weg. In de eerste hoeve, waar ze aankwam, vroeg zij een paard en wagen te leen om naar Elvakker te rijden. Ze zei, dat er een leven op het spel stond, als ze er niet kwam en beloofde er voor te betalen. De menschen uit de kerk waren al thuis gekomen en hadden van de uitgestelde bruiloft verteld. Allen waren heel verontwaardigd en vol medelijden en men wilde niet weigeren Helga te helpen, omdat ze een gewichtige boodschap voor de bruidshoeve scheen te hebben. Op Elvakker zat Hildur Eriksdochter in een kleine kamer boven in het huis, waar zij zich als bruid had gekleed. Zij had haar moeder en verscheidene boerenvrouwen bij zich. Hildur schreide niet, maar ze was buitengewoon stil en zoo bleek, dat het scheen alsof ze elk oogenblik ziek kon worden. De vrouwen spraken steeds door over Gudmund. Allen keurden zijn handelwijze af en schenen ’t als een geluk voor Hildur te beschouwen, dat ze niet aan hem verbonden werd. Sommigen vonden, dat Gudmund zijn schoonouders te weinig had ontzien, door niet reeds in de Pinksterdagen te spreken over wat hij gedaan had. Andren zeiden, dat hij, die zulk een groot geluk te wachten had, beter op zichzelf had moeten toezien. En andren wenschten Hildur geluk, omdat ze ontsnapt was aan de ellende te huwen met iemand, die zóóveel drinken kon, dat hij niet wist wat hij deed.

Onder dit alles scheen Hildur ongeduldig te worden en stond op om heen te gaan. Zoodra ze buiten de deur was, kwam haar beste vriendin, een jong boerenmeisje en fluisterde haar toe: „Er is iemand beneden, om je te spreken.”

„Is het Gudmund?” vroeg Hildur en even straalden haar oogen.

„Neen, maar ik geloof, dat het iemand zijn kan, die hij gezonden heeft. Zij wil aan niemand anders de boodschap afgeven dan aan jou.”

Nu had Hildur den heelen dag zitten denken, dat er iets komen moest om een eind te maken aan deze ellende. Ze kon maar niet begrijpen, dat zulk een vreeselijk ongeluk haar treffen zou. Ze meende, dat er iets moest gebeuren, zoodat ze de bruidskroon en den krans weer kon opzetten, zoodat de bruidsstoet naar de kerk kon gaan en de bruiloft beginnen. Toen ze nu hoorde van iemand, die Gudmund gezonden had werd ze levendig en liep snel naar buiten naar Helga, die in de bijkeuken op haar stond te wachten.

Hildur was er wel verwonderd over, dat Gudmund Helga naar haar toezond, maar ze dacht, dat hij misschien niemand anders had kunnen vinden op den feestdag en groette haar vriendelijk.

Ze wenkte Helga haar te volgen naar de melkkamer, die aan den anderen kant van de binnenplaats lag.

„Ik weet geen andere plaats waar we alleen kunnen zijn,” zei ze. „We hebben het huis nog vol menschen.”

Zoodra ze daarbinnen waren, ging Helga dicht op Hildur toe en zag haar aan.

„Eer ik iets zeg, zou ik willen weten of Hildur van Gudmund houdt.”

Hildur week ontstemd terug. Het was haar al pijnlijk een enkel woord met Helga te moeten wisselen en ze had al heel weinig lust haar tot haar vertrouwde te maken. Maar nu was zij in nood, en ze dwong zich te antwoorden:

„Waarom denk je dan, dat ik met hem zou willen trouwen?”

„Ik meen, of je nu nog van hem houdt.”

Hildur werd als versteend, maar ze kon niet liegen onder den vorschenden blik van Helga.

„Misschien heb ik vroeger nog nooit zooveel van hem gehouden als vandaag,” zei ze; maar zóó zacht, dat men gelooven kon, dat ieder woord, dat ze zei, haar pijn deed.

„Kom dan gauw met me meê,” zei Helga. „Ik heb een wagen daar op den weg. Ga nu alleen even naar binnen om iets om te doen en dan rijden we dadelijk naar Närlunda.”

„Waar zal dat voor dienen, dat ik daarheen rijd?” vroeg Hildur.

„Je moet daarheen rijden en zeggen, dat je Gudmund wilt toebehooren, wat hij ook heeft gedaan, en dat je trouw op hem wachten zult, terwijl hij in de gevangenis zit.”

„Waarom moet ik hem dat zeggen?”

„Omdat alles weer goed zal worden tusschen jelui.”

„Maar dat is immers onmogelijk! Ik wil niet trouwen met iemand, die in de gevangenis heeft gezeten.”

Helga ging een paar stappen achteruit, alsof ze tegen een muur geloopen was. Maar ze vatte spoedig weer moed. Ze kon immers wel begrijpen, dat iemand, die zoo machtig en rijk was als Hildur, zoo denken moest.

„Ik zou niet gekomen zijn, om je te vragen naar Närlunda te rijden, als ik niet wist dat Gudmund onschuldig was.”

Nu deed Hildur een stap naar Helga toe.

„Weet je dat? Of is ’t maar alleen iets, dat je gelooft?”

„’t Zou beter zijn als we gauw in den wagen gingen, dan kon ik onderweg vertellen.”

„Neen, je moet eerst uitleggen wat je bedoelt. Ik moet weten wat ik doe.”

Helga was in zulk een spanning van verlangen, dat ze bijna niet stil kon staan, maar ze moest toch aan Hildur vertellen, hoe ze wist, dat Gudmund de moordenaar niet was.

„Heb je dat niet dadelijk aan Gudmund gezegd?”

„Neen, ik zeg het nu aan jou. Niemand anders weet het.”

„En waarom kom je daarmeê bij mij?”

„Omdat nu alles weer in orde kan komen tusschen jelui. Hij zal nu wel gauw hooren, dat hij geen kwaad heeft gedaan; maar ik wil dat je als uit jezelf bij hem komen zult en alles weer goed maken.”

„Moet ik niet zeggen, dat ik weet, dat hij onschuldig is?”

„Je moet heelemaal uit jezelf komen,—nooit laten merken, dat je mij gesproken hebt. Anders vergeeft hij nooit, wat je van morgen hebt gezegd.”

Hildur luisterde zwijgend toe. Hier was iets, wat ze nog nooit in haar leven had ontmoet en ze trachtte het te begrijpen.

„Weet je, dat ik het was, die wilde, dat je van Närlunda weg zou gaan?”

„Ik weet wel, dat het niet de familie op Närlunda was, die me weg wilde hebben.”

„Ik kan niet begrijpen, dat je vandaag hier komt en me helpen wilt.”

„Ga nu maar met me meê, zoodat alles weer goed kan worden!”

Maar Hildur zag Helga aan, steeds in dezelfde gedachten verdiept.

„Misschien houdt Gudmund wel van jou,” zei ze. Maar nu was Helga’s geduld ten eind.

„Wat zou ik nu voor hem kunnen zijn?” vroeg ze heftig. „Je weet wel, dat ik niets anders ben dan het kind van een armen keuterboer—en dat is nog niet het ergste met mij.”

De twee jonge meisjes slopen onbemerkt van de hoeve weg en zaten spoedig in den wagen. Helga reed, en ze spaarde het paard niet, maar ’t ging in snelle vaart. Beiden zwegen. Hildur zat Helga aan te zien. ’t Was alsof ze meer over haar verwonderd was en meer over haar dacht, dan over den heelen rit.

Toen ze bij de hoeve kwamen, gaf Helga de teugels aan Hildur. „Rijd nu alleen naar de hoeve en spreek met Gudmund. Ik kom later en zal dan over het mes spreken. Maar je moet er geen woord van aan Gudmund zeggen, dat ik je gehaald heb.”

Gudmund zat in de groote kamer op Närlunda naast moeder Ingeborg en sprak met haar. De vader zat op een kleinen afstand van die beiden te rooken. Hij zag er vergenoegd uit en sprak geen woord. ’t Was duidelijk, dat hij vond, dat alles nu goed ging en dat hij niet hoefde in te grijpen.

„Ik zou wel eens willen weten, Moeder, wat u zoudt gezegd hebben, als u Hildur als schoondochter hadt gekregen,” zei Gudmund.

Moeder Ingeborg hief het hoofd op en zei kalm:

„Ik zal met vreugde iedere schoondochter ontvangen, wie ze ook zijn mag, als ik maar weet, dat ze zóó van je houdt, als een vrouw van haar man houden moet.”

Nauwlijks had ze dat gezegd of ze zagen Hildur Eriksdochter de hoeve oprijden. Ze kwam dadelijk daarop de kamer in en was in menig opzicht anders dan gewoonlijk. Ze kwam niet als anders vlug het vertrek binnen, maar ’t scheen bijna, alsof ze lust had aan de deur te blijven staan als een bedelaarster.

Ze kwam toch naar voren en reikte Moeder Ingeborg en Erland de hand. Toen wendde ze zich naar Gudmund en zei: „Ik zou je wel even willen spreken.”

Gudmund stond op en zij gingen in de kleine kamer. Hij bood Hildur een stoel aan, maar ze ging niet zitten. Ze was rood van verlegenheid, en de woorden kwamen langzaam en schuw over haar lippen.

„Ik was zeker ... Ja, ’t was zeker al te hard, wat ik je van morgen zei.”

„Wij hebben je ook overrompeld,” zei Gudmund. Hildur werd nog meer verlegen en beschaamd.

„Ik had moeten nadenken. Wij konden ..... ’t Moest immers ...”

„’t Is zeker ’t beste zoo als ’t nu is, Hildur. We moeten er maar niet meer over spreken. Maar ’t is lief van je dat je kwam.”

Ze verborg ’t gezicht in de handen, haalde zoo diep adem, dat het klonk als een snik; maar hief het hoofd weer op.

„Neen!” zei ze. „Zóó kan ik het niet. Ik wil niet, dat je me voor beter houdt dan ik ben. Er was iemand, die bij me kwam om te zeggen, dat je onschuldig was, en me raadde gauw hierheen te gaan en alles weer goed te maken. En ik moest niet zeggen, dat ik al wist, dat je onschuldig was, want dan zou je niet vinden, dat het iets groots was, dat ik kwam. Nu zeg ik je, dat ik wou, dat ik zelf op die gedachte gekomen was, maar dat ben ik niet. Maar ik heb den heelen dag naar je verlangd en gewenscht, dat het tusschen ons weer goed zou kunnen worden. En hoe het ook gaat, ik wil je toch zeggen, dat ik er blij om ben, dat je onschuldig ben.”

„Wie heeft je dien raad gegeven?” vroeg Gudmund.

„Dat mocht ik niet zeggen.”

„Ik ben er verwonderd over, dat iemand het weet. Vader komt nu juist van den commissaris van politie. Hij heeft naar de stad getelegrafeerd, en er is antwoord gekomen, dat de moordenaar al gevonden is.”

Toen Gudmund dat zei, voelde Hildur dat haar knieën knikten en ze ging haastig zitten. Ze werd bang, omdat Gudmund zoo kalm en vriendelijk was, en begon te merken, dat zij in ’t geheel geen macht meer over hem had.

„Ik begrijp wel, dat je nooit kunt vergeten hoe ik van morgen gedaan heb.”

„Ja, dat kan ik je wel vergeven,” zei hij op den zelfden kalmen toon. „Daar zullen we nooit meer over spreken.”

Ze rilde, sloeg de oogen neer en bleef zitten, alsof ze op iets wachtte.

„’t Was een groot geluk, Hildur,” zei hij, terwijl hij op haar toekwam en haar hand vatte, „dat het tusschen ons uit is; want vandaag is ’t me helder geworden, dat ik van een ander houd. Ik geloof, dat ik lang van haar gehouden heb, maar ik heb het niet geweten vóór vandaag.”

„Wie is het, waar je van houdt,” klonk het dof.

„Dat doet er niet toe. Ik zal niet met haar trouwen, want zij houdt niet van mij. Maar ik kan ook niet met een ander trouwen.”

Hildur hief het hoofd op. ’t Was niet gemakkelijk te zeggen wat er in haar omging. Maar ze voelde op dit oogenblik, dat zij de dochter van een grooten boer, met al haar schoonheid en al haar bezittingen niets beteekende voor Gudmund. En zij was trotsch en ze wilde niet van hem scheiden zonder hem te toonen, dat zij zèlf iets waard was, ook zonder haar bezittingen.

„Ik wil, dat je me zeggen zult of ’t Helga van de hoeve in ’t groote moeras is, waar je van houdt.”

Gudmund zweeg.

„Want als het Helga is, dan weet ik, dat ze van je houdt. Zij was het, die bij me kwam en me zei, wat ik doen moest om alles tusschen ons weer goed te maken. Zij wist, dat je onschuldig was, maar ze zei het je niet; ze vertelde het mij het eerst.”

Gudmund zag haar voortdurend diep in de oogen.

„Meen je, dat dit een bewijs is, dat ze een groote liefde voor mij voelt?”

„Daar kun je zeker van zijn, Gudmund. Dat kan ik getuigen. Niemand in de wereld heeft je liever dan zij.”

Hij deed snel een paar stappen door de kamer. Daarna bleef hij voor Hildur staan.

„Maar jij dan... Waarom zeg je mij dat?”

„Ik wilde niet bij Helga achterstaan in edelmoedigheid.”

„O, Hildur, Hildur!” zei hij en legde de handen op haar schouders en schudde haar om zijn ontroering lucht te geven. „Je weet niet, neen! je weet niet hoeveel ik op dit oogenblik van je houd. Je weet niet hoe gelukkig je me hebt gemaakt.”

Helga zat aan den weg te wachten. Ze zat met de handen onder de kin en keek over ’t veld. Ze zag Gudmund en Hildur voor zich en dacht er aan hoe gelukkig ze nu zouden zijn.

Terwijl ze daar zat kwam een jongen van Närlunda voorbij. Hij bleef staan toen hij haar zag.

„Heb je dat gehoord van Gudmund?” zei hij.

Ja, dat had ze gehoord.

„’t Was niet waar, zooals we wel dachten. De rechte moordenaar is al gepakt.”

„Ik wist wel, dat het niet waar kon zijn,” zei Helga. Ze voelde zich zoo wonderlijk buitengesloten. Dien morgen was ze zoo vol vuur geweest. Ze had niet aan zich zelf gedacht, alleen aan dit ééne, dat de bruiloft van Gudmund en Hildur zou kunnen doorgaan. Maar nu kwam het over haar, ’t besef hoe alleen ze was. En ’t was hard niets te kunnen wezen voor hen van wie ze zooveel hield. Nu had Gudmund haar niet noodig, en haar eigen kind had haar moeder haar afgenomen. Zij gunde haar nauwelijks er naar te zien.

Ze dacht er aan, dat ze nu moest opstaan en naar huis gaan. Maar de weg over de heuvels scheen haar zoo lang en zoo zwaar. Ze wist niet hoe zij dien zou kunnen gaan. Er kwam een rijtuig aan van de zijde van Närlunda. Gudmund en Hildur zaten er in. Nu reden ze zeker naar Elvakker om te zeggen, dat ze weer verzoend waren. En morgen zou de bruiloft wezen.

Toen ze Helga zagen, hielden zij het paard in. Gudmund gaf de teugels aan Hildur en sprong uit den wagen. Hildur knikte Helga toe en reed voort.

Gudmund bleef op den weg voor Helga staan.

„Ik ben er blij om, dat je hier zit, Helga,” zei hij. „Ik dacht, dat ik naar ’t groote moeras zou moeten gaan om je te vinden.” Hij zei dat zoo heftig, bijna hard, en op hetzelfde oogenblik greep hij haar hand en hield die vast. En zij zag aan zijn oogen, dat hij nu wist wat in haar omging. Nu kon zij hem niet meer ontsnappen.

AANTEEKENING

[1] Het ouderlijk huis van Selma Lagerlöf.