Chapter 1 of 5 · 3998 words · ~20 min read

Part 1

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 32 DE BLAUWE DOOD.

DE BLAUWE DOOD.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEKROONDE SCHOONHEID.

Het had verschillende maanden geduurd, voordat John Raffles onder de zorgvuldige behandeling van Charly Brand van zijn laatste avontuur in Indië was hersteld.

Wonderschoone herfstdagen hadden zij, ver van de menschen, in het kleine Schotsche badplaatsje doorgebracht.

Opnieuw versterkt naar lichaam en geest keerde Lord Lister naar Londen terug, waar hij een huis betrok aan de Trinity Square, dat hij had gehuurd onder den naam Lord Randolph.

Zij bevonden zich sinds twee dagen in Londen en zaten gezellig aan hun ontbijt, toen de secretaris zijn vriend een courant gaf met de woorden:

„Dat is inderdaad de mooiste vrouw, die ik ooit heb gezien.”

John Raffles keek vluchtig naar het portret, dat in de courant werd gepubliceerd en een droevige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat.

„De mooiste vrouw, mijn beste Charly, is voor iedereen die, welke hij bemint.”

„Je hebt gelijk,” antwoordde zijn vriend en op dit oogenblik bedacht hij, dat hij een nauwelijks genezen wonde in het hart van den Lord pijnlijk had aangeraakt.

John Raffles verzonk in stil nadenken en Charly Brand zag aan hem, dat zijn gedachten ver van Londen waren. Daarom deed hij al zijn best om zijn vriend niet te storen en verdiepte zich weer in de courant.

Hij begon het artikel te lezen, dat nadere bijzonderheden omtrent de mooie vrouw behelsde.

Het betrof een wedstrijd, georganiseerd door de Londensche „Times”, wie wel de schoonste vrouw in Engeland was. De jury had aan het origineel van het portret den eersten prijs van duizend pond sterling toegekend.

Plotseling keek John Raffles zijn vriend aan en vroeg terwijl hij een cigarette opstak:

„Hoe heet de dame?”

„Miss Evelin Bonn, een tooneelspeelster. Waarom vraag je dat?”

„Ik moet haar ergens gezien hebben. Geef mij de courant nog eens.”

De secretaris voldeed aan zijn verzoek en Raffles keek eenige minuten onderzoekend naar het portret.

„Een eigenaardig gezicht,” sprak hij, „het verraadt geen gunstig karakter. De wenkbrauwen zijn merkwaardig recht geteekend, de neuswortel iets te dun, de kin te gevuld. Het is het portret van een oplichtster of van een nog gevaarlijker persoon.

„Ik begrijp niet, hoe de jury den eersten prijs heeft kunnen toekennen aan een dergelijk persoontje. Men moest liever op het karakter letten dan op uiterlijkheden.”

Hij stond op en maakte zich gereed om uit te gaan.

„Mag ik je vergezellen?” vroeg Charly Brand.

„Lord Turkington verwacht mij, om met mij een pas door hem gekochte nieuwe auto te probeeren. Ik weet niet, of je hem welkom zult zijn.”— —

Een uur later bevond John Raffles zich bij zijn nieuwen vriend, Lord Turkington, met wien hij zeer intiem was geworden door het avontuur in Indië. [1]

Nauwelijks had de Lord hem begroet, of deze toonde hem reeds in de courant het portret van Miss Evelin Bonn.

„Dat is de mooiste vrouw,” riep Lord Turkington, „die ik ooit heb gezien. Ik zou dolgraag kennis met haar willen maken.”

„Een gevaarlijk vuur, waaraan gij u zoudt kunnen branden,” antwoordde Raffles, „voor zulk een vrouw geraakt men niet in vervoering. Die bekijkt men zooals men een mooi costuum of een briljant beziet.

„Dergelijke vrouwen kunnen den man, dien zij in haar netten vangen, het leven kosten en ik vind, dat het leven van elken man, zelfs dat van den eenvoudigsten werkman, meer waarde heeft dan dat van een vrouw, die door het toeval met groote schoonheid is bedeeld.”

„Kom, kom,” antwoordde Lord Turkington, „gij schijnt, sinds gij in Indië zijt geweest, een vrouwenhater te zijn geworden.”

„Geenszins,” sprak Lord Lister met een smartelijken trek om den mond, „ik acht en vereer elke vrouw, die een goed karakter heeft. Maar ik veracht degenen, die, alleen omdat zij een schoon uiterlijk hebben, denken, dat de mannen geschapen zijn om schatten voor haar te verdienen, opdat haar schoonheid in een geschikte omlijsting geplaatst kan worden.

„Dergelijke schepsels zijn nutteloos in de wereld. Even nutteloos als een schoone maar giftige bloem.”

„Zijt gij een vijand van elke schoonheid? Het schoone heeft ook een doel.”

„Zeker,” antwoordde Raffles, „maar niet de schoonheid van den vorm, wel de innerlijke schoonheid.

„Ik blijf bij mijn meening, Lord Turkington. En daarom waarschuw ik u als oudere vriend. Blijf deze schoone vrouw ver uit den weg, want gij zoudt anders uw ondergang tegemoet gaan.”

„Het is merkwaardig,” sprak Lord Turkington, „reeds een uur lang, sinds ik het portret in de courant heb gezien, zie ik het beeld van deze vrouw onophoudelijk voor oogen. Ik heb reeds een brief geschreven aan het adres van Miss Evelin Bonn, dat in de courant vermeld stond, waarin ik haar vroeg, wanneer mijn bezoek haar aangenaam zou zijn.”

Raffles stak een cigarette aan en staarde de blauwe rookwolkjes na, terwijl hij sprak:

„Het is ten slotte ook eigenlijk hetzelfde, op welke wijze men zich voorbereidt op de eeuwigheid. De eene doet het door spel, de andere door alcohol, een derde door de vrouw, weer anderen door zorgen en arbeid. Het slot is toch altijd hetzelfde. Wij moeten maar bedenken, dat er op een goeden dag een eind aan komt.

„Het voornaamste voor een mensch is, dat hij op zoo weinig mogelijk onbeschreven bladen in zijn levensboek heeft terug te zien.”

Lord Turkington lachte:

„Sinds gij uit Indië zijt teruggekeerd, zijt gij een philosoof geworden.”

„Op het oogenblik stel ik het allermeeste belang in uw nieuwe auto,” antwoordde Raffles, het gesprek afbrekend.

„Ja”, knikte Lord Turkington, „ik zou bijna het doel van uw bezoek vergeten. Kom, laat ons de auto eens gaan probeeren.”

TWEEDE HOOFDSTUK.

EEN UITDAGING TOT EEN DUEL.

In het weelderige boudoir van een villa in het Regentpark lag Miss Evelin Bonn op een met een ijsbeervel bedekte divan, gehuld in een wonderlijk Japansch morgenkleed. Zij keek met half gesloten oogen naar een ouden man, die voor haar zat en die met halfluide stem den inhoud voorlas van verschillende brieven, die met de ochtendpost waren gekomen.

„Dear Lady!” las hij. „Verrukt over uw wonderschoon portret verzoek ik u, de eer te mogen hebben, kennis met u te maken.

LORD RICHARD TURKINGTON.”

De oude wachtte even en keek degeen, die voor hem lag, eenige minuten aan.

„Wie is dat?” vroeg de diva eindelijk, terwijl zij geeuwde.

„Een der rijkste en voornaamste Peers van geheel Engeland,” antwoordde de oude. „Ik geloof, dat wij niet noodig hebben, de andere brieven te openen. Lord Turkington weegt op tegen de geheele verdere correspondentie. Het is de moeite waard om kennis met hem te maken.”

„Schrijf hem dan.”

De oude man stond op.

„Wanneer wil je hem ontvangen?”

„Hedenavond, zeven uur, te soupeeren.”

Zij stond eveneens op, belde de kamenier en begon toilet te maken.

Toen Lord Turkington en John Raffles in den namiddag van hun autotocht terugkeerden, vond de eerste een blauwachtig, deftig couvert op zijn schrijftafel liggen.

Het was het antwoord van Mrs. Evelin Bonn, dat zij hem des avonds om zeven uur verwachtte.

De jonge edelman las den brief en daar hij een verklaring tegenover zijn nieuwen vriend wilde vermijden, deelde hij dezen niets van den inhoud van het schrijven mee. Hij stak den brief in zijn borstzak en samen gingen zij dineeren.

Toen zij later afscheid van elkaar namen, vroeg Raffles:

„Waar brengt gij den avond door?”

„Wij kunnen elkaar in de Pennsylvania-club ontmoeten; ik zal daar na het theater zijn.”

Kort daarop ging Lord Lister heen.

Des avonds bezocht de groote onbekende met zijn secretaris de Pennsylvania-club en ook daar liep het gesprek over den schoonheidswedstrijd van de „Times”. Bijna alle leden der Club bleken vurige bewonderaars te zijn van Miss Evelin Bonn.

Alleen Raffles maakte hierop een uitzondering.

Toen Lord Turkington tegen middernacht in de Club verscheen, bemerkte Lord Lister aan het roode gezicht van den Lord en aan diens schitterende oogen, dat hem iets prettigs moest zijn overkomen.

Hij zou niet lang in onzekerheid blijven.

Geen enkele verliefde kan het geheim, dat hem gelukkig maakt, lang voor zich houden.

Hij moet zijn hart tegen iemand uitstorten.

Voor Lord Turkington was Raffles de vertrouwde, met wien hij zich naar een zijvertrek begaf, waar hij hem vertelde, dat hij den avond had doorgebracht in gezelschap van Evelin Bonn en dat zij een diepen, onuitwischbaren indruk op hem had gemaakt.

„Ik zal haar trouwen,” eindigde hij zijn verhaal.

In plaats van te antwoorden haalde zijn vriend een voortreffelijk bewerkt Browning-pistool uit zijn zak te voorschijn.

„Wat moet ik daarmee doen?” vroeg Lord Turkington.

„Dit is mijn antwoord op uw biecht. Denk daaraan, als gij naar aanleiding van deze kennismaking een dergelijk wapen ter hand neemt. Gij bevindt u op gevaarlijk terrein.”

„Gij zijt een pessimist,” antwoordde de jonge Peer lachend. „Kom, ik wil de verovering, welke ik hedenavond heb gemaakt, met de beste champagne, die wij in de Club kunnen krijgen, vieren.”

De groote onbekende nam echter geen deel aan de nu volgende drinkpartij, maar verliet het Clubgebouw en ging met Charly Brand naar huis.

Hij gevoelde oprechte vriendschap voor den Lord en het speet hem, dat deze zich door de bekoorlijkheden der tooneelspeelster had laten verleiden.

Lord Lister kende de vrouwen voldoende om te begrijpen, wat van een dergelijke te verwachten was.

Verscheidene dagen waren verloopen, toen Raffles op een wandeling een ander lid der Club ontmoette, die naar hem toekwam en hem aansprak met de woorden:

„Hebt gij het laatste nieuwtje al gehoord?”

Raffles haalde de schouders op.

De ander, een jonge, Schotsche graaf, vervolgde:

„De graaf van Heresford en Lord Richard Turkington zijn mededingers geworden. Als ik mij niet heel erg vergis, is een duel tusschen die twee onvermijdelijk.”

„Mededingers? In hoeverre?” vroeg Lord Lister.

„Herinnert ge u de bekroonde schoonheid, Miss Evelin Bonn?”

John Raffles knikte.

„Wel, de dame heeft de beide Lords dagen achtereen bij zich ontvangen. Beide Lords zweren, dat zij door haar worden bemind.”

Raffles lachte hartelijk.

„Lord Heresford is een oude, grijze man, dan heeft Lord Turkington meer kans.”

„Dat is de vraag,” antwoordde de jonge Schot. „Lord Heresford bezit ongetwijfeld een grooter vermogen dan Lord Turkington. Wie weet, of in dit geval ook niet het geld het meeste gewicht in de schaal legt, waar het de gunst van de schoone Miss Evelin Bonn betreft.”

„Dat zou een geluk zijn voor Lord Turkington.”

Beide heeren wisselden nog eenige woorden, waarna Raffles zich naar Lord Richard Turkington begaf.

„Het is goed, dat gij komt,” riep deze hem toe, „ik wilde mijn bediende reeds naar u toezenden. Ik heb een secondant noodig.”

John Raffles floot zachtjes.

„Ik heb reeds gehoord, dat er een duel zou plaats hebben tusschen u en den graaf van Heresford. Denkt gij het niet nog te kunnen vermijden?”

„Neen!” luidde het antwoord van Lord Turkington, „die man veroorloofde zich vandaag een afbrekende kritiek over mij in de Club en snoefde er op, de verloofde van Miss Evelin Bonn te zijn!”

„En hoe gedraagt Miss Bonn zich?”

„Zij denkt niet aan een dergelijke verbinding. De oude graaf is een gek. Ik heb hem naar aanleiding van zijn uitlating een beleediging toegevoegd, die hij met gelijke munt betaalde.

„Een duel is onvermijdelijk. Ik bid u, ga graaf van Heresford opzoeken, om al het noodige met hem te regelen. Ik laat de keus der wapens aan hem over.”

John Raffles zag in, dat volgens de strenge etikette, die in hun kringen heerschte, een andere uitweg onmogelijk was en een duel dus onvermijdelijk.

Een uur later trad de groote onbekende de woning van den graaf van Heresford binnen en werd door den bediende in de studeerkamer van den graaf gebracht.

Na een beleefde begroeting sprak Raffles:

„Ik veronderstel, dat gij weet, voor welke kiesche aangelegenheid ik bij u kom.”

„Ja,” antwoordde de graaf, „gij zijt de vriend van Lord Richard Turkington en gij wenscht van mij te vernemen, wie mijn secondant is, omdat gij het noodige voor het tweegevecht wenscht te regelen.”

Lord Lister boog toestemmend.

„Ik heb,” vervolgde de graaf, „nog geen keus gedaan. Gij staat mij daarom zeker toe, dat ik u eenige regelen meegeef voor mijn vriend baron Van der Velde.”

Hij nam aan de schrijftafel plaats en begon den brief te schrijven.

Op dit oogenblik werd aan de deur geklopt en de kamerdienaar van den graaf trad binnen.

Op een zilveren blad bood hij den graaf een blauwachtig couvert aan en de oogen van den ouden man straalden van vreugde, toen hij het aannam.

„Gij verontschuldigt een oogenblik?” sprak hij tot Raffles, „mag ik, voordat ik verder schrijf, dezen brief lezen?”

Hij opende het couvert en nam er een brief uit, benevens een enveloppe voor het antwoord.

Hij las verscheidene minuten lang.

Hierop nam hij schrijfpapier, zette eenige regels daarop, vouwde het papier samen en stak het als antwoord in het meegezonden couvert.

Haastig bevochtigde hij het, sloot het en belde den bediende.

Toen deze binnentrad, sprak hij:

„Dadelijk per ijlbode— —” verder kwam hij niet. Zijn gelaat werd vaalbleek, hij hijgde naar adem en met een zwaren slag viel hij op den vloer neer.

Verschrikt en vol ontzetting keken Raffles en de kamerdienaar naar den ouden heer.

„Raffles had het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug, tilde den graaf op en legde hem op den divan. Daarop legde hij zijn hand op diens voorhoofd, dat ijskoud was en voelde den pols, die niet meer klopte.

Ontsteld beval hij den bediende:

„Haal den dichtstbij wonenden dokter zoo snel gij kunt.”

De bediende ijlde weg en reeds een paar minuten later stond de dokter van den graaf, die in de buurt woonde, aan diens legerstede.

Een kort onderzoek volgde en toen dit was afgeloopen schudde de dokter het hoofd en sprak:

„Hartverlamming! Hij is dood!”

John Raffles was gedurende het onderzoek naar de schrijftafel gegaan en had den brief met het lichtblauwe couvert ongemerkt bij zich gestoken.

Spoedig daarop verliet hij met den dokter de woning.

De brief met het antwoord van den graaf, waarnaar hij eveneens informeerde, was intusschen reeds ter post bezorgd, zoodat het den grooten onbekende niet gelukte, inzage daarvan te nemen.

DERDE HOOFDSTUK.

EEN LACHENDE ERFGENAME.

Thuis gekomen, las John Raffles meermalen den brief, dien hij van de schrijftafel had weggenomen, daarop riep hij Charly Brand bij zich en gaf hem ook het schrijven ter inzage.

Hij keek met gespannen aandacht naar het gelaat van zijn vriend.

Maar hij ontdekte daarop niet de uitdrukking, die hij had verwacht.

„Geef mij den brief terug. Ik zie wel, dat je er niets bijzonders aan ontdekt,” sprak hij op geërgerden toon.

Zijn vriend keek hem verbaasd aan.

Wat bedoelde Raffles met deze vreemde opmerking!

„Ik begrijp je niet”, antwoordde de secretaris daarom op onthutsten toon, „die brief zegt immers niets”.

„Luister dan eens naar mij”, sprak Lord Lister, den brief ter hand nemend. „Ik zal je hem woord voor woord nogeens langzaam voorlezen.

„Mijn lieve graaf!

Ik ontving hedenmiddag van uw notaris het afschrift van uw testament, zoodanig ingericht, als papa het met u heeft besproken. Daarom zal ik dan ook mijn gegeven woord gestand doen en geef u vrijheid onze verloving bekend te maken. Zendt mij onmiddellijk antwoord wanneer ik u heden mag verwachten, opdat ik ervoor kan zorgen, thuis te zijn.

Gebruik voor uw antwoord bijgaand couvert, opdat ik bij de vele stukken, die de post bezorgt, uw brief dadelijk herken.

Een genoeglijken avond verwachtend,

blijf ik de uwe

EVELIN BONN.”

John Raffles had ieder woord, zonder een lettergreep te verwaarloozen, gelezen.

Peinzend keek hij nu naar den brief, die naar een onbekend parfum rook.

„Ik weet niet, wat je wilt”, sprak Charly, „vindt je iets vreemds in dit schrijven?”

De groote onbekende borg den brief zoo zorgvuldig in zijn portefeuille, alsof het een banknoot van hooge waarde was.

„Ja zeker, mijn lieve Charly, die brief vertelt mij zeer vreemde dingen. Kom, ik zal je eens vertellen, welke tragedie daaraan verbonden is”.

Hij stak een cigarette aan en ging op zijn gemak in een fauteuil bij den haard zitten, terwijl zijn secretaris tegenover hem plaats nam.

„Ik bevond mij twee uur geleden als secondant van Lord Turkington bij den graaf van Heresford. Het was een onaangename boodschap voor mij, omdat ik niet veel voelde voor de oorzaak tot dit duel.

„De graaf was juist van plan, een brief aan zijn secondant te schrijven, met wien ik de zaak verder zou kunnen regelen, toen een bediende hem een brief bracht. Hetzelfde schrijven, dat ik je zooeven voorlas.

„De graaf opende den brief in mijn tegenwoordigheid, las hem en schreef een antwoord, dat hij den bediende overhandigde met de woorden: „Haast u...”

„Hij kwam niet verder, want hij zonk op den grond neer en stierf.

„Een paar minuten later was reeds een dokter aanwezig, doch ook deze kon slechts den dood constateeren. Zijn diagnose luidde: hartverlamming”.

Raffles zweeg, blies rookwolkjes uit zijn cigarette om zich heen en staarde nadenkend in het haardvuur.

Charly Brand draaide zenuwachtig zijn duimen om elkaar heen.

„Ik weet werkelijk niet, welk merkwaardigs daarin steekt. Waarschijnlijk heeft de graaf uit vreugde over zijn bevoorrechting een beroerte gekregen. Ik herinner mij, weleens over dergelijke gevallen gelezen te hebben”.

„Wat gij daar zegt, klinkt heel waarschijnlijk, mijn lieve Charly. Maar mijn zoogenaamd detective- of misdadigersinstinct zegt mij, dat de oorzaak van den dood van den graaf niet een natuurlijke is, doch dat hier een misdaad aan ten grondslag ligt. Ik denk, dat de zaak zich zoo heeft toegedragen:

„Miss Evelin Bonn heeft eenige uren van te voren van den notaris van den Peer een afschrift van het testament gekregen, waarbij de graaf haar tot zijn eenige erfgename benoemt. Onmiddellijk daarna sterft de erflater, als het ware op bevel.

„Hier ligt immers het vermoeden voor de hand, dat de dood geen natuurlijke oorzaak heeft gehad”.

„Jij hadt beslist detective moeten worden”, riep Charly vol bewondering uit.

Zijn vriend lachte.

„Ik zei je al vroeger eens, dat ik, om detective te zijn, slechts een vierde gedeelte noodig zou hebben van het verstand, dat mij te pas komt voor het beroep, dat ik heb gekozen”.

Op dit oogenblik trad de bediende binnen en meldde: „Lord Richard Turkington”.

De Lord trad de kamer binnen en zonder de gewone begroetingswoorden te uiten, riep hij:

„Ik kom daarjuist van de club en vernam daar den dood van mijn medeminnaar.

„Hoe heeft zich dat toegedragen?”

„Een hartverlamming, Lord Turkington. Ik was persoonlijk tegenwoordig, toen de dokter het lijk onderzocht en de doodsoorzaak vaststelde. Een eigenaardige geschiedenis—”

Na een korte pauze vervolgde Raffles:

„Wilt gij mij een genoegen doen, Lord Turkington?”

„Gaarne, waarmee kan ik u van dienst zijn?”

„Rijd dadelijk met mij naar miss Evelin Bonn en stel mij aan haar voor”.

Lord Turkington keek den grooten onbekende eenige oogenblikken aan met een blik, die argwaan verried, maar spoedig schudde hij de gedachten, die in zijn hersens opkwamen, van zich af.

„Ik weet weliswaar niet”, sprak hij, „wat gij met dit verzoek beoogt, maar ik ben gaarne bereid, aan uw verlangen te voldoen.

„Daar ik zelf van plan was, miss Bonn nu te gaan bezoeken, verzoek ik u, mij te vergezellen”.

Eenige minuten later hadden de beide heeren in de auto plaatsgenomen.

„Wilt gij mij niet mededeelen, wat u er toe brengt, mijn—naar ik hoop—aanstaande verloofde te gaan opzoeken?” vroeg de Lord na een pauze.

John Raffles antwoordde op ernstigen toon:

„Alleen mijn vriendschap voor u, Lord Turkington. Ik hoop, dat gij aan mijn oprechte belangstelling niet twijfelt”.

Inplaats van te antwoorden, drukte Lord Turkington zijn hand. Na eenig stilzwijgen sprak de jonge edelman:

„Ik neem aan, dat de oorzaak van uw bezorgdheid voor mijn persoon daarin ligt, dat gij bang zijt, mij een zoogenaamde domheid te zien begaan. Maar ik zweer u, dat geen mensch, zelfs gij, aan wien ik zoo oneindig veel te danken heb, mij van mijn plan kan afbrengen om Miss Bonn tot mijn vrouw te maken.”

„Gij vergist u,” antwoordde Raffles, „als gij meent, dat ik van plan ben, mij tusschen u en Miss Evelin Bonn te plaatsen. Neen. Ik ben er alleen op gesteld om de dame, waarmee gij dweept, persoonlijk te leeren kennen.”

Zij hadden intusschen de woning der diva bereikt en werden dadelijk toegelaten.

Zooals Lord Lister had verwacht, wist Miss Evelin Bonn nog niets van den dood van den graaf.

Met de elegance en beminnelijkheid van een dame der groote wereld ontving zij de heeren en betoonde zich vooral tegenover Raffles, die haar als Lord Randolph werd voorgesteld, buitengewoon innemend.

Deze begreep evenwel dadelijk, dat deze bevoorrechting niet natuurlijk was, maar alleen aan den dag werd gelegd, omdat haar verstand het haar gebood.

John Raffles, die de gewoonte had om een persoon met half gesloten oogen op te nemen en er daarbij schijnbaar onverschillig uit te zien, ontdekte dat de miss hem meermalen met scherpe blikken aankeek.

Ondanks het levendige gesprek, dat zij, naar het scheen, met Lord Turkington voerde, gleed steeds weer een loerende blik naar Raffles, die zich met het doorkijken van eenige plaatwerken bezig hield.

In een hoek van het boudoir stond de schrijftafel, en daar had Raffles eindelijk dat ontdekt, wat hij zocht, nl. het blauwe couvert, dat de graaf van Heresford had gebruikt om zijn antwoord te verzenden. Maar alleen het couvert lag op de schrijftafel. De brief was er niet meer in.

Het was voor Raffles een kleinigheid om in den loop van het gesprek tusschen Miss Evelin Bonn en Lord Turkington op te staan en, zonder dat het werd opgemerkt, de schrijftafel te naderen. Met een handige beweging nam hij het couvert en stak het bij zich.

Daarop mengde hij zich in het gesprek van het tweetal en begon met de dame te redeneeren over haar vroeger verblijf in Parijs, waar zij tot voor eenige maanden had gewoond.

Hij bemerkte aan het beantwoorden zijner vragen, dat zij niet bijzonder verstandig was.

Midden in het gesprek trad plotseling een man van ongeveer zestigjarigen leeftijd het vertrek binnen.

Lord Turkington stelde hem voor als Mr. Lodewijk Bonn, de vader der schoone Miss.

„Pardon, heeren,” sprak de oude man, „ik kom met een treurige tijding voor mijn dochter. Zoo even hoorde ik van een bekende, dat de graaf van Heresford plotseling aan hartverlamming is overleden.”

„Wat?” riep Miss Bonn uit, „is de graaf van Heresford dood?”

„Ja,” antwoordde haar vader, „ik nam, nadat ik het bericht had gehoord, een rijtuig en begaf mij naar de woning van den graaf, waar men mij hetzelfde meedeelde.”

„Maar dat is onmogelijk,” riep Miss Bonn uit. „Een paar uur vóór zijn verloving met mij sterft hij? O, mijn God, hoe vreeselijk!”

Lord Turkington was bij deze woorden opgesprongen.

„Hadt gij werkelijk het plan, Miss Bonn, om u met den graaf van Heresford te verloven?”

Met fonkelende oogen keek hij Miss Bonn aan.

„Het was de wensch van mijn vader,” antwoordde zij op zachten toon, „ik werd er toe gedwongen. Gij zult toch niet gelooven, dat ik een man van dien leeftijd zou kunnen beminnen?”

Zij zag hem aan met een blik, die Lord Turkington door merg en been ging en drukte zijn hand.

Galant boog hij zich er over heen en kuste haar vingertoppen.

Nu mengde zich de vader in het gesprek:

„Je hebt immers nog antwoord gehad van den graaf van Heresford, dat hij je hedenavond wilde bezoeken.”

„Ja,” antwoordde Miss Bonn, „hij schreef mij, dat hij om zes uur bij mij zou zijn en nu—o God, het is vreeselijk! Ik smeekte den hemel, om mij van den graaf te bevrijden. Maar zijn plotselinge dood is verschrikkelijk!

„En toch ben ik dankbaar, dat het noodlot mij heeft behoed voor een huwelijk, zooals mijn vader dat wenschte!”

De oude man was naar de schrijftafel gegaan en vroeg:

„Wil je mij den brief laten lezen, dien de Lord je heeft geschreven?”

Miss Bonn kwam naast hem staan.

„Ik heb den brief weggesloten, maar— —” Zij zweeg plotseling en Raffles zag, hoe haar hand zoekend over de schrijftafel gleed.

Na eenige oogenblikken sprak zij op zachten toon tot haar vader, wat echter Lord Lister duidelijk kon verstaan:

„Hebt gij het blauwe couvert weggenomen?”

„Neen,” antwoordde de vader, eveneens met gesmoorde stem.