Part 2
Miss Bonn wierp een snellen blik op haar gasten die blijkbaar in druk gesprek waren met elkaar.
Dit stelde haar gerust en Raffles hoorde haar zeggen:
„Mon Dieu, waar kan het blauwe couvert gebleven zijn? Het moet gevonden worden. Gij weet— — —”
„Sst,” fluisterde de oude, „ga nu naar je vrienden, ik zal zoeken. Heb je het stellig hier neergelegd?”
„Ja. Ik liet het op mijn schrijftafel liggen, in mijn vreugde vergat ik het weg te sluiten.”
„Dat is dom!”
„Mag ik de heeren verzoeken, met mij een kop thee te gaan drinken in de eetkamer?” vroeg Miss Bonn aan haar gasten.
Met een buiging stemden beide toe en eenige oogenblikken later zaten zij aan de rijkgedekte tafel in druk gesprek.
Eerst een kwartier later trad de vader binnen.
John Raffles, die hem met scherpen blik aankeek, bemerkte, dat hij zeer opgewonden en zenuwachtig was. De groote onbekende wist, waardoor. De oude had het blauwe couvert niet gevonden.
Welk geheim kon hierachter verborgen zijn?
„Neemt mij niet kwalijk,” sprak de oude man. „als ik uw gesprek moet storen. Ik zou mijn dochter graag even alleen spreken.”
„Ga uw gang,” antwoordden beide heeren.
Een paar minuten later trad Miss Bonn weer binnen met haar lieftalligen glimlach.
Niemand zou hebben vermoed, dat zij nog kort geleden bevend van angst met verwrongen gelaat voor haar schrijftafel had gestaan, alle kastjes en laden had opengetrokken en, toen het blauwe couvert niet werd gevonden, de schrijftafel van den muur rukte, de kleeden optilde en zocht, alsof het een voorwerp van groote waarde was, dat teruggevonden moest worden.
Maar dat, wat zij hoopte te vinden, was verdwenen. Het blauwe couvert was er niet meer.
„Ik heb het hier op de schrijftafel gelegd,” had Miss Bonn tot haar vader gezegd.
„Het kan jou en mij den nek breken. Wat een dwaasheid van je, om het couvert hier te laten liggen,” had de oude geantwoord. „Daar in den haard zou het voor eeuwig vernietigd zijn geweest. En vertel nu eens, wat denk je met Lord Turkington te doen?”
„Hetzelfde, wat met Heresford is gebeurd.”
Haar vader knikte.
„Dan maar gauw,” meende hij, „men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is. Wat ik nog wou zeggen, de vriend, die door je aanbidder is meegebracht, bevalt mij niet.”
„Mij ook niet,” antwoordde Miss Evelin, „ik voelde mij angstig in zijn tegenwoordigheid, vanaf het eerste oogenblik, toen hij in mijn boudoir kwam!”
„Maakt hij je het hof?”
„Neen. Hij schijnt een uiterst koel en nuchter mensch te zijn. Ik zal trachten te informeeren hoeveel vermogen hij bezit. Misschien kan hij de opvolger van Lord Turkington worden.
„Maar de heeren zullen mij missen,” viel zij zichzelf in de rede, „ik zal naar hen teruggaan. Zoek alleen nog maar door. Het couvert moet hier in de kamer zijn, of misschien— —” zij aarzelde eenige oogenblikken, „of een der heeren zou het moeten hebben.
„Gij weet, met hoeveel ijverzucht minnaars als Lord Turkington overal op letten; misschien heeft hij het weggenomen.”
De oude dacht even na en antwoordde:
„Je hebt gelijk, Lord Turkington zal in het blauwe couvert een aan jou gerichten brief vermoeden. Dan is er niet het minste gevaar bij de zaak.”
Eenigszins gerustgesteld verliet Miss Bonn het boudoir en ging naar Lord Turkington en Raffles terug.
Zij brachten den avond in een schouwburg door, soupeerden daarna te zamen en bij de champagne vroeg Lord Turkington in tegenwoordigheid van Raffles de hand van Miss Evelin Bonn.
„De koning is dood, leve de koning,” dacht Raffles.
Miss Evelin Bonn echter boog zich naar Lord Turkington en antwoordde:
„Ik ben bereid, mij aan u te geven, maar ik kan het beslissende woord niet spreken, voordat gij met mijn vader de geheele zaak hebt geregeld. Papa wenscht dat, omdat hij het mijn moeder op haar sterfbed heeft beloofd.”
„Wanneer mag ik komen om met uw Papa alles te bespreken?”
Zij dacht eenige oogenblikken na.
„Om twee uur des middags.”— — —
„Wilt u mij een genoegen doen, Lord Turkington?” vroeg Raffles op den terugweg, „en mij den inhoud, meedeelen van het onderhoud met den vader van uw toekomstige bruid?”
De vragen van Raffles begonnen den jongen Lord reeds onaangenaam te worden.
Het kwam hem voor, alsof hij min of meer onder voogdij stond.
Maar hij beloofde het.
VIERDE HOOFDSTUK.
OP EEN VERKEERD SPOOR.
Bij inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard werd den volgenden morgen een bekend Londensch advocaat en notaris, de heer Barrison, aangediend.
Toen de beide heeren tegenover elkaar zaten, sprak de advocaat:
„Ik kom in een uiterst kiesche aangelegenheid bij u. Ik ben jarenlang de notaris geweest van den graaf van Heresford.”
„Ah!” riep inspecteur Baxter uit, „dat is dezelfde, over wiens plotselingen dood ik in de courant heb gelezen.”
Notaris Barrison kuchte.
„Mijn cliënt is plotseling gestorven. Gistermiddag. En dat is de oorzaak van mijn komst bij u.”
Inspecteur Baxter luisterde met gespannen aandacht.
„Vreest gij een misdaad, notaris?”
Zijn bezoeker haalde de schouders op.
„Ik sprak met den dokter, en hij verzekerde mij, dat de graaf van Heresford aan hartverlamming was gestorven. Maar luister eens— —”
Hij zweeg eenige oogenblikken alvorens verder te gaan.
„Twee dagen geleden kwam de graaf van Heresford op mijn kantoor en maakte daar zijn testament. Daarin benoemde hij zijn verloofde Miss Evelin Bonn, wonende te Londen aan het Regentpark, tot universeele erfgename.
„Ik moest dadelijk een afschrift van het testament gereedmaken en dat uit zijn naam aan Miss Evelin Bonn zenden. Dat was, zooals gezegd, eergisteren.
„Gisteren, dus een dag later, stierf de graaf.”
Baxter trommelde nerveus met zijn vingers op de stoelleuning en wist niet, wat hij uit dat verhaal zou opmaken.
De notaris bemerkte, dat de inspecteur van politie blijkbaar niet begreep, wat hij van hem verlangde.
Hij vervolgde daarom:
„Vindt ook gij het verband tusschen het testament en den daarop volgenden dood van den erflater, laat ons zeggen zeer vreemd?”
„Zeer zeker,” antwoordde de chef van Scotland Yard, „die zaak klinkt ontegenzeggelijk heel vreemd.
„Maar zooals gij zelf zegt, de dokter stelde immers als doodsoorzaak een hartverlamming vast. Hoe kunt gij dan een misdaad vermoeden?”
„Daarom kom ik bij u!”
Inspecteur Baxter glimlachte gevleid, terwijl zijn secretaris Marholm, die schijnbaar in een dikken bundel acten verdiept was, zachtjes lachte en mompelde:
„Maar mijn waarde heer! Dan zijt gij aan het verkeerde adres! Breng ons den moordenaar, dan zullen wij hem vasthouden, maar meen niet, dat wij in staat zijn om iemand, dien wij niet hebben, te vangen.”
„Zooals gezegd,” antwoordde inspecteur Baxter, „ik vind geen oorzaak om aan misdaad te denken.
„Zooals ik in de couranten las, was, toen de graaf stierf, een bekende van hem, een zekere Lord Randolph bij hem.”
„Dat wekt juist mijn argwaan op,” riep notaris Barrison, „wie is deze Lord Randolph, ik ken dien naam niet.
„Zou het niet mogelijk kunnen zijn, dat de man om de een of andere reden een misdaad op den graaf heeft gepleegd?”
De oogen van den politie-inspecteur begonnen hoe langer hoe meer te schitteren.
„Dat zou kunnen,” sprak hij, „het zou waarschijnlijk zijn, wanneer niet de dokter, zooals gij mij reeds hebt verteld, hartverlamming als oorzaak van den dood had vastgesteld.”
„Er bestaan allerlei soorten van vergift, die een hartverlamming kunnen veroorzaken.”
Inspecteur Baxter schudde bedenkelijk het hoofd,
„Dat geef ik gaarne toe, maar dan zou, in elk geval Lord Randolph er belang bij moeten hebben om den graaf van Heresford te vermoorden.”
„Waarschijnlijk is Lord Randolph de minnaar van Miss Evelin Bonn.”
Inspecteur Baxter sprong op.
„Een gewaagde gevolgtrekking!” riep hij uit.
„Het zou de moeite waard zijn om werk van de zaak te maken. Kunt gij mij misschien nadere bijzonderheden omtrent Lord Randolph mededeelen?”
„Ik weet alleen,” antwoordde notaris Barrison, „dat Lord Randolph lid is van onze voornaamste clubs en een intiem vriend van Lord Richard Turkington.”
Inspecteur Baxter dacht een poosje na en drukte daarna op een electrische bel.
Detective Weber trad bijna op hetzelfde oogenblik binnen.
Hij was sinds eenige jaren in dienst der Engelsche geheime politie en kwam uit Duitschland, waar hij tooneelspeler was geweest. Juist door zijn vroeger beroep was hij uitstekend geschikt om detective te zijn. Het viel hem gemakkelijk, van allerlei vermommingen gebruik te maken, zoodat hij volkomen onkenbaar was.
„Ik heb een opdracht voor u,” sprak inspecteur Baxter. „Ik wensch zoo spoedig mogelijk te weten, of een zekere Lord Randolph ten huize van Miss Evelin Bonn verkeert.”
Hij wendde zich tot den notaris en vervolgde:
„Gij wilt wel zoo goed zijn, mijn beambte het adres der dame te geven.”
Notaris Barrison haalde een visitekaartje te voorschijn en schreef het gewenschte op.
Detective Weber nam het kaartje in ontvangst en ging heen.
Notaris Barrison stond op.
„Gij zult mij bericht zenden,” sprak hij, „zoodra gij iets bijzonders hebt vernomen.”
„Onmiddellijk!” antwoordde Baxter.
De heeren namen afscheid van elkaar.
Reeds twee uur later kwam detective Weber terug om zijn nieuws mede te deelen.
„Miss Evelin Bonn,” zoo vertelde hij, „is de bekroonde schoonheid van de „Times” en van beroep tooneelspeelster.
„Zij bewoont een weelderige villa aan het Regentpark samen met haar vader, een man van zestig jaar.
„Zij zijn ongeveer drie maanden in Engeland. Vroeger moeten zij in Parijs gewoond hebben.
„De graaf van Heresford en Lord Turkington verkeerden als intieme vrienden in het huis van Miss Evelin Bonn. Ook vertelde de bediende, wiens vertrouwen ik heb gewonnen, mij, dat Miss Evelin Bonn zich spoedig zou verloven. Lord Randolph is pas eenmaal in haar huis geweest.”
„Dus hij komt daar niet als intiem vriend, zooals notaris Barrison zegt?”
„No, Sir. Maar hij is de vertrouwde vriend van Lord Turkington.”
„Het is goed,” antwoordde inspecteur Baxter. „Ik zal mij dadelijk met notaris Barrison in verbinding stellen en diens meening hooren— —”
Een uur later bevond notaris Barrison zich weer op het hoofdbureau van politie.
Toen hij de mededeelingen van den detective had gehoord, sprak hij:
„Daar hebben wij het! Ik heb mij niet vergist. Al is Lord Randolph ook niet de intieme vriend van Miss Bonn, zooals ik veronderstelde, hij converseert toch met Lord Turkington. Dan zal Lord Turkington zijn vriend tot de daad hebben overgehaald.”
„Wat ben jij een slimmerd!” dacht detective Marholm.
„Maar neem mij niet kwalijk,” antwoordde inspecteur Baxter, „Lord Turkington behoort tot de aanzienlijkste families van Engeland. Gelooft gij werkelijk, dat hij, om zijn verloofde het nagelaten fortuin van den graaf van Heresford te bezorgen, een misdaad op zijn geweten zou laden?”
„Neen,” antwoordde notaris Barrison, „niet om het geld, maar misschien om de persoon van Miss Evelin Bonn.
„Gij hebt, geloof ik, vergeten, heer inspecteur, dat mijn cliënt het testament maakte ten voordeele van zijn verloofde. Lord Turkington had ongetwijfeld achter het net gevischt bij zijn aanzoek om de hand van Miss Evelin Bonn.”
„Gij zoudt gelijk kunnen hebben,” knikte de inspecteur na een oogenblik nagedacht te hebben, „als het niet een lid van een onzer voornaamste adellijke families betrof.”
„De liefde is een voornamer factor bij groote misdaden dan de hebzucht.”
Op dit oogenblik trad een detective binnen en meldde:
„Detective Weber heeft mij verteld, dat gij, chef, u met het geval bezighoudt. Ik zag zoo even in de middageditie van de „Times” het volgende interessante bericht:
„Naar wij uit betrouwbare bron vernemen zijn aan het overlijden van den graaf van Heresford bijzondere omstandigheden verbonden.
„Op het oogenblik, waarin hij zoo plotseling door den dood werd verrast, bevond zich de secondant van Lord Turkington bij den graaf, om dezen een uitdaging tot een duel over te brengen.
„De oorzaak tot dit tweegevecht is de vrouw, die door ons blad wegens haar schoonheid werd bekroond, Miss Evelin Bonn.
„Het duel is door den dood van den graaf onmogelijk gemaakt.
„Lord Turkington zal nu als gelukkig medeminnaar eerstdaags de Londensche gezelschapswereld verrassen met het bericht van zijn verloving met Miss Evelin Bonn.”
De detective had het bericht langzaam en duidelijk voorgelezen.
De notaris en de inspecteur van politie keken elkaar zwijgend aan, eindelijk sprak de laatste:
„Gelooft gij na het hooren van dit bericht nog aan een misdaad van Lord Turkington tegen den graaf van Heresford?”
„Neen,” sprak notaris Barrison, „iemand, die een ander uitdaagt, is niet tot een lage misdaad in staat, maar toch kan ik de gedachte niet van mij afzetten, dat er een misdaad is gepleegd jegens den graaf van Heresford.”
Inspecteur Baxter werd zenuwachtig.
„Ik begrijp u niet,” sprak hij op mismoedigen toon, „ik houd een misdaad voor buitengesloten. Alle personen, die volgens uwe meening met misdadige bedoelingen met den graaf van Heresford in betrekking kunnen hebben gestaan, blijken nu buiten eenige verdenking te moeten blijven.
„Het spijt mij, maar ik kan mijn tijd niet langer aan u opofferen.”
Notaris Barrison begreep den wenk en nam afscheid.
Op denzelfden tijd zat Raffles tegenover Lord Turkington en vertelde, volgens afspraak, den inhoud van zijn onderhoud met den vader van Miss Evelin Bonn.
Stralend bij de gedachte aan het groote geluk, dat hem deelachtig zou worden, sprak hij:
„De vader wenscht, dat ik, voordat wij onze verloving publiek maken, mijn geheele vermogen bij notariëele acte aan zijn dochter zal vermaken.”
„En gij hebt u daartoe bereid verklaard?”
„Natuurlijk, ouwe vriend, waarom zou ik mijn geheele vermogen niet aan mijn aanstaande vrouw willen vermaken? Dat is immers niet meer dan recht en billijk!”
„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles, „en wanneer zal dat geschieden?”
„Ik verlang ernaar, Miss Evelin Bonn als mijn verloofde aan de wereld te kunnen voorstellen en zal daarom reeds morgen mijn testament bij een notaris opmaken.”
„Hebt gij de middageditie van de „Times” gelezen, Lord Turkington?”
„Neen, ik had geen tijd, ik had door het bezoek aan mijn verloofde geen gelegenheid om de courant te lezen.
„Ik stel er ook geen belang in. Betreft het mijn persoon?”
„Ja,” antwoordde Raffles, „en wel het duel met den graaf van Heresford.”
De Lord balde zijn vuist en sloeg daarmee op tafel.
„Vervloekte courantenpraatjes, die journalisten bemoeien zich met elke particuliere zaak, al hebben ze er niets mee te maken!
„Wat gaat hun mijn zaken met den graaf van Heresford aan of mijn verhouding tot Miss Evelin Bonn? Ik zou graag een rijzweep nemen en de menschen, die dergelijke dingen in de couranten publiceeren, mee om de ooren slaan.
„De duivel moge hen halen!”
„Wees niet zoo opgewonden, Lord Turkington,” trachtte Raffles hem te kalmeeren, „de pers is de koningin der aarde! Er zouden veel meer ongelukken en misdaden in de wereld geschieden, wanneer de pers niet geruststellend, ophelderend of afschrikwekkend werkte.
„En nu, zie ik u vanavond nog in de club?”
„Het spijt mij, ik heb beloofd, den avond bij mijn aanstaande door te brengen. Wij zullen elkaar in de komende dagen zeer zelden ontmoeten.”
Lord Turkington merkte het fijne glimlachje niet op, dat op Raffles’ gelaat verscheen.
Hij gaf Lord Turkington een hand en sprak:
„Ik hoop, dat gij toch tijd zult vinden, om af en toe een enkel woordje met mij te babbelen.”
Hierop namen zij afscheid van elkaar.
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE DOOD VAN DEN FOXTERRIËR.
Het was een uur daarna, toen de bediende van Lord Lister dezen een brief bracht, en Raffles zag, dat het een van de lichtblauwe couverts van Miss Bonn was.
Haastig opende hij het en las:
Geachte Heer.
Het zou mij zeer veel genoegen doen indien gij hedenavond bij mij wilde komen soupeeren.
Hoogachtend,
Miss EVELIN BONN.”
Raffles lachte spottend.
„Met spek vangt men muizen,” mompelde hij. „Zij denkt mij in haar netten te verstrikken.
„Voor dat doel zoekt zij mijn gezelschap, om mij later, als het haar gelegen komt, des te sneller in het verderf te kunnen storten. Of— —” hij dacht eenige oogenblikken na en stond toen van zijn stoel op.
Spoedig daarna verliet hij het huis om zich naar de begrafenis van den graaf van Heresford te begeven.
Met grooten luister werd de overledene ten grave gebracht.
Toen de droeve stoet zich weer huiswaarts begaf, naderde een bejaard heer met grijze haren Raffles en sprak:
„Heb ik de eer, met Lord Randolph te spreken?”
Lord Lister boog toestemmend.
„Ja, die ben ik.”
„Staat gij mij toe, dat ik mij aan u voorstel? Notaris Barrison.”
De groote onbekende antwoordde met een hoffelijke buiging:
„Het is mij zeer aangenaam, kennis met u te maken.”
„Zoudt gij mij een kort onderhoud willen toestaan?”
Beide heeren begaven zich naar de studeerkamer van den overledene en namen daar in fauteuils plaats.
„Ik hoorde van de bedienden,” zoo begon notaris Barrison, „dat gij bij het overlijden van mijn ongelukkigen cliënt tegenwoordig zijt geweest. Ik stel er bijzonder veel belang in, van u te vernemen, of u de een of andere vreemde omstandigheid gedurende de treurige gebeurtenis is opgevallen.”
John Raffles dacht eenige minuten na, hij weifelde of hij den notaris deelgenoot zou maken van zijn vermoedens.
Hij besloot, geheel waar jegens den ouden heer te zijn.
„Ik koester het vermoeden, notaris, en ben ook reeds bezig, mijn onderzoek in die richting te leiden, dat de dood van den graaf van Heresford niet een natuurlijke is geweest.”
„Waarop berusten uw vermoedens?”
„Niet op feiten, notaris, maar op dat, wat men een inwendige stem noemt.”
Notaris Barrison stak hem zijn hand toe, welke Raffles drukte.
„Ik dank u, Lord Randolph,” sprak hij, „het gaat mij even als u. Een inwendige stem roept ook mij onophoudelijk toe: de graaf van Heresford is niet een natuurlijken dood gestorven.
„Ik heb in deze aangelegenheid reeds met den inspecteur van politie van Scotland Yard gesproken.”
John Raffles lachte ironisch.
„Ik zie Sir, dat gij hierom lacht en waarlijk, ik moet u gelijk geven.
„De politie schijnt er niet te zijn, om misdaden op te sporen, doch alleen om een misdadiger te vangen.”
„Nauwelijks dit laatste,” antwoordde Raffles en hij vervolgde:
„Ik zou graag omtrent een zaak inlichtingen van u bekomen. Wat voor een document heeft de graaf van Heresford ten behoeve van Miss Evelin Bonn bij u laten opmaken?”
In de oogen van den notaris kwam een glans van genoegen.
„Ik zie, dat gij hetzelfde spoor volgt als ik, Lord Randolph. De graaf van Heresford benoemde eenige dagen geleden Miss Evelin Bonn als zijn universeele erfgename ingeval van zijn overlijden.”
„Ik heb mij dus niet vergist,” riep Raffles uit, „ik vermoedde dit reeds.”
Op dit oogenblik trad Lord Turkington de kamer binnen. Hij had eveneens aan de begrafenisplechtigheid deelgenomen en wilde juist afscheid nemen.
„Mag ik de heeren aan elkaar voorstellen?” vroeg Raffles, „notaris Barrison, Lord Richard Turkington.”
Beide heeren maakten een buiging.
„Gij hadt immers het plan,” sprak Raffles, „een notaris te gaan opzoeken. Notaris Barrison heeft jarenlang de zaken van den graaf van Heresford geregeld en is een der bekwaamste en beroemdste advocaten van geheel Londen.”
„Ik ken mijnheer,” antwoordde Lord Turkington, „maar ik kan tot mijn spijt geen gebruik maken van zijn diensten, daar ik reeds jarenlang mijn eigen notaris heb. Zooals ik reeds zei, het spijt mij oprecht.
„Gaat u met mij mee, Lord Randolph?”
„Ik ben helaas verhinderd,” antwoordde Raffles, „wij zullen elkaar eerst hedenavond bij Miss Evelin Bonn terugzien.”
Raffles zag duidelijk, dat bij die woorden een lichte schaduw over het gelaat van Lord Turkington trok.
Deze had gehoopt den avond alleen met zijn verloofde door te brengen.
„Zijt gij door Miss Evelin Bonn uitgenoodigd?”
Raffles boog toestemmend.
„Ja, Lord Turkington. Ik heb kort voordat ik naar de begrafenis ging een uitnoodiging gekregen.”
„Zoo, zoo,” antwoordde Lord Turkington, „dan zullen wij elkaar vanavond terugzien.”
Hij nam afscheid en verliet het vertrek.
Nu stond ook Raffles op.
„Ik hoop, notaris, dat, wanneer de graaf van Heresford op misdadige wijze den dood heeft gevonden, ik dit zal ontdekken. Misschien heb ik daarvoor uw hulp noodig.”
„Het zou mij veel genoegen doen, als ik u de behulpzame hand kon bieden. Ik was zeer bevriend met den graaf van Heresford en betreur zijn dood op smartelijke wijze.”
Nu verlieten ook de beide heeren het sterfhuis, namen ieder een rijtuig en vertrokken in verschillende richtingen.— —
Eenige uren later trad John Raffles het boudoir van Miss Evelin binnen, waar hij reeds Lord Turkington vond aan de zijde zijner verloofde.
Lord Turkington en Miss Bonn waren in vroolijke stemming.
„Wij zullen nog een paar maanden wachten met het publiek maken van onze verloving,” sprak Lord Turkington tot Raffles, „opdat de wereld, die den graaf van Heresford in één adem noemt met mijn verloofde, geen stof tot praatjes heeft.”
De avond werd op aangename wijze doorgebracht.
Raffles kon niets bijzonders ontdekken in het huis van Miss Evelin Bonn.
Het eenige, wat hem opviel, was, dat de vader van Miss Bonn zich niet liet zien.— —
Toen de groote onbekende zich den volgenden dag met Charly Brand in zijn studeerkamer bevond, legde hij den brief, dien hij bij den graaf van Heresford had weggenomen, voor zich neer, daarop haalde hij het blauwe couvert te voorschijn, waarin het antwoord gesloten was geweest en eindelijk het blauwe couvert met het briefje, dat de uitnoodiging van Miss Bonn had bevat.
Hij rook aan het couvert en aan het papier alsof hij een hondenneus had.
Maar niets bijzonders viel hem op.
Noch het papier, noch het couvert had een opvallende lucht.
„Wat doe je?” vroeg Charly Brand.
„Ik ken vergiften, mijn beste jongen,” antwoordde Lord Lister, „die men op stof, papier, bloemen of andere dingen kan aanbrengen en wier lucht in staat is een mensch, die ze inademt, bliksemsnel te dooden.
„Maar dit papier is volkomen reukeloos.
„Haal mij den kleinen foxterriër eens hier, die het eigendom is van den portier.”
Een oogenblik later kwam Charly Brand met den hond binnen.
Raffles streelde het diertje en speelde met hem om met hem vertrouwd te raken.
Daarop maakte hij tot groote verbazing van Charly Brand met een smal en bijzonder fijn pennemesje den vastgekleefden rand van het couvert los, dat de graaf van Heresford aan Miss Evelin Bonn had gezonden.
Het couvert was slechts losjes vastgekleefd, zoodat nog een vrij groote streep gom aan den rand overgebleven was.
Nu nam Raffles den foxterriër, zette het dier op tafel en liet zich door Charly Brand suiker geven.
Van die suiker liet hij het diertje geruimen tijd likken.
Daarop hield hij plotseling den gegomden rand voor den bek van het beest en noodzaakte dit zoodoende, dien rand af te likken.
De foxterriër deed het.
Opeens, juist toen Charly Brand een opmerking wilde maken, wat Raffles hem echter met een gebiedenden wenk belette, begon de hond als beschonken rond te draaien, hij sprong in de hoogte, stiet een kort geblaf uit en viel neer.
Hij was dood!
Verstijfd van ontzetting keek Charly Brand naar het doode beest.
„Wat is dat? Wat beteekent dat?” vroeg hij bevend.
Zijn vriend stond met over de borst gekruiste armer en somberen blik naar het levenlooze beest te kijken.
„Op dezelfde manier stierf de graaf van Heresford,” sprak hij op doffen toon.
Charly Brand meende niet goed verstaan te hebben.
Hij naderde Lord Lister en vroeg:
„Wat bedoel je?”
„Ik bedoel den dood van den graaf van Heresford,” herhaalde de groote onbekende. „Een duivelsche uitvinding om indirect een moord te plegen!”
„Ik begrijp dit alles niet.”
„Er zijn veel dingen, die het menschelijk verstand nauwelijks kan begrijpen. Daartoe behoort het blauwe couvert van de bekroonde schoonheid, Miss Evelin Bonn.”
„Wat is er dan met de couverts?” vroeg Charly Brand, die nog steeds niets begreep.
„Je hebt gemerkt,” antwoordde Raffles, „dat ik den terriër aan den gegomden rand van het couvert liet likken. Deze kleefstof bevat een sterk werkend gif. Hij, die met zijn tong een dergelijk couvert bevochtigt, is een kind des doods. Hij is reddeloos verloren!”
„Dat is een duivelsch werk!” fluisterde de secretaris.
„Dit couvert,” vervolgde zijn vriend, „heeft de graaf van Heresford eenige oogenblikken voor zijn dood gesloten.”
„Maar hoe kwam hij aan deze enveloppe?”
„Miss Bonn zond ze hem met het dringend verzoek, zijn antwoord erin te sluiten, opdat zij onder de vele correspondentie, die de post haar gewoonlijk bracht, den brief dadelijk zou herkennen.”
„Ik begrijp het nu,” sprak Charly Brand.