Chapter 4 of 5 · 3984 words · ~20 min read

Part 4

„Ik heb mijn plan reeds ontworpen; zoudt gij in het belang van de opheldering van de misdaad een paar dagen met mij als mijn gast naar Parijs willen gaan?”

„Zeer zeker.”

„All right, notaris! Dan zullen wij morgen met de avondboot vertrekken. Doch tevens verzoek ik u, mij het adres van een notaris te geven, dien gij kent en dien ik morgenmiddag om drie uur kan bezoeken. Blijf dan, evenals bij Mr. Lewin, ook bij dezen notaris in een zijvertrek.”

„Hebt gij misschien ook de bedoeling om uw vermogen aan Miss Evelin Bonn te vermaken?”

„Ik niet en toch ook weer wel. Ik zal het u morgen vertellen. Welken notaris beveelt gij mij aan?”

„Notaris Byer, dat is een goed vriend van mij en hij woont slechts twee huizen van mijn kantoor verwijderd.”

„In orde! Ik zal precies drie uur bij notaris Byer zijn en verzoek u mij direct, nadat ik mijn aangelegenheid heb afgedaan, te verwachten.”

Het duizelde notaris Barrison, toen hij Raffles verliet. Het was meer dan hem in zijn dertigjarige practijk was overkomen.

Denzelfden avond bevond zich Lord Turkington als gast bij Miss Evelin Bonn, en toen hij diep in den nacht naar huis ging, voelde hij zich de gelukkigste aller stervelingen.

Hij hoorde niet, dat Miss Evelin Bonn tot haar vader zei:

„Voordat wij met hem hebben afgedaan, wil ik mij met Mr. Veith bezighouden. Zooals Mr. Veith mij vertelde, is hij van plan naar Parijs te gaan. Daar zal zijn dood niet opvallen.”

„En wat denk je met Lord Turkington te doen?”

„Zijn vrouw te worden! Mocht hij mij in den loop der tijden gaan vervelen, dan—” Zij maakte een veelbeteekenende handbeweging. „Gij begrijpt mij immers?

„Het is mij meer waard om een Engelsche Lady te worden, dan de eenvoudige Evelin Bonn te blijven.

„Ik hoop door Lord Turkington aan het Hof te worden voorgesteld. Mijn carrière kan zoodoende schitterend worden.”

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE PARIJSCHE CHEF VAN POLITIE.

Den volgenden morgen bracht een bediende aan Miss Bonn een prachtig bouquet orchideeën, uit de kostbaarste bloemen bestaande, benevens een ochtendgroet van Mr. Veith. Aan den ruiker was met gouddraad een klein etui bevestigd, waarin zich een schitterende diamanten ring bevond.

De bediende wachtte op antwoord en zei tot het kamermeisje, dat Mr. Veith liet vragen, wanneer hij lijn opwachting mocht komen maken.

Miss Evelin las den brief, die erbij was bezorgd, en sprak:

„Noodig Mr. Veith uit, om tegen twaalf uur te komen lunchen.”

Met een stralend gezicht ontving zij den Afrikaan.

Zij was zoo beminnelijk mogelijk tegen hem.

„Volgens den wensch van uw vader,” vertelde de huwelijkscandidaat, „zal ik hedenmiddag om drie uur, vergezeld door uw vader, mijn notaris opzoeken en daar het document opstellen, dat uw vader vóór onze verloving van mij verlangt.”

Zij sloeg haar arm om zijn hals en kuste hem.

Zij zag niet, hoe Mr. Veith, toen hij het boudoir verliet, om zich vandaar naar den ouden heer Bonn te begeven, een zakdoek te voorschijn haalde en zijn mond met zooveel kracht afveegde, alsof hij zooeven iets walgelijks met zijn lippen had aangeraakt.

Waren het de kussen der bekoorlijke Miss Evelin geweest?

Met den ouden man had hij een kort onderhoud.

Zij spraken af, dat zij elkaar om drie uur bij notaris Byer zouden ontmoeten.

Op dezelfde manier als de vorige keeren speelde zich hier de scène af.

Toen Mr. Veith en Bonn voor het huis van den notaris afscheid van elkaar namen, sprak Mr. Veith:

„Ik rijd van hier dadelijk naar het station en moet, zooals ik reeds aan Miss Evelin vertelde, voor veertien dagen naar Parijs.

„Zeer dringende zaken beletten mij, reeds nu van mijn geluk te genieten.

„Ik wil mijzelf het verdriet van het afscheid besparen en verzoek u daarom, Miss Evelin mijn afscheidsgroeten over te brengen en haar te zeggen, dat ik haar uit Parijs dadelijk zal schrijven. Ik hoop, dat zij mij trouw zal antwoorden.”

De vader verzekerde hem nogmaals, dat zijn dochter, ontroostbaar was over de scheiding, al was deze ook slechts van korten duur, maar zaken gingen voor alles en daarom moest zij zich erin schikken.

Hierop namen beiden afscheid van elkaar.

Mr. Veith deed alsof hij eenige oogenblikken naar den wegrijdenden Mr. Bonn keek, daarop keerde hij zich snel om en liep terug naar het zoo juist verlaten huis.

In een particulier vertrek van den notaris wachtte hij op notaris Barrison.

„Wij hebben weinig tijd te verliezen,” zei Mr. Veith tot hem, „om vijf uur vertrekt onze trein naar Parijs. Haast u dus, onze aangelegenheden in orde te brengen.

„Ik geloof, dat ik alles zoo heb voorbereid, dat wij binnen een paar dagen reeds succes hebben”.

Samen verlieten zij het huis en begaven zich naar de woning van den notaris, die in allerijl zijn beambten en zijn familie mededeelde, dat hij voor eenige dagen op reis ging.

Den volgenden dag bevonden zij zich te Parijs.

Mr. Veith stapte met notaris Barrison in het Grand Hotel af.

Reeds eenige minuten na hun aankomst zat de zoogenaamde mr. Veith aan zijn schrijftafel en schreef een brief aan miss Evelin Bonn, zooals slechts een vurig minnaar dien in elkaar zet.

In tegenwoordigheid van den advocaat bezorgde de millionnair het schrijven ter post en nu moesten zij wachten op de dingen die komen zouden.

Twee dagen nadat mr. Veith zijn brief had verzonden, kocht hij verschillende witte muizen en bracht die sierlijke diertjes in een kooitje mee naar het Grand Hotel.

Hierop begaf hij zich met zijn begeleider naar den chef van de Parijsche geheime politie, monsieur Lebaudy.

Nadat beide heeren zich hadden voorgesteld, sprak Mr. Veith:

„Wij zijn naar Parijs gekomen om hier een duivelsche misdaad te ontmaskeren. Zoudt u zoo goed willen zijn de eerstvolgende uren in ons gezelschap door te brengen? Wij verwachten namelijk uit Londen een brief, die door een misdadigster aan ons wordt gezonden. Ik hoop bepaald en geloof mij niet te vergissen, dat vorenbedoeld schrijven tot uitvoering van een moord op mijn persoon zal worden gebruikt”.

Monsieur Lebaudy stemde toe en hield het tweetal gezelschap.

Tot de avondpost moesten zij wachten.

Met deze kwam een brief, dien de kellner in de kamer bracht en die direct werd herkend als het blauwachtig couvert, dat door Miss Evelin Bonn werd gebruikt.

Raffles overhandigde den brief aan den chef van politie.

„Er is mij aan uw getuigenis zeer veel gelegen, mijnheer Lebaudy, onderzoek nauwkeurig het poststempel en den omslag, opdat wij, zooals onze Engelsche wetten dat eischen, naar waarheid kunnen getuigen, dat deze brief door de post behoorlijk in onze tegenwoordigheid aan Mr. Veith is afgegeven,” sprak de notaris.

Mr. Lebaudy onderzocht den brief zeer scherp en antwoordde:

„De brief is in ongeschonden toestand.”

„Dan zal ik hem openen,” sprak Mr. Veith.

Met zijn zakmes sneed hij het couvert open en haalde er een vel postpapier en een blauw linnen couvert uit, dat voor het antwoord bestemd was.

Op het oogenblik, waarop de Afrikaner den inhoud te voorschijn haalde, lieten de aanwezige heeren een luid „Ah!” hooren.

Voorzichtig legde de mijnbezitter het couvert op tafel en las:

Mijn inniggeliefde James.

Sedert jij weg bent, voel ik mij in Londen eenzaam en verlaten. Het is mij alsof de zon niet meer schijnt. O, mijn geliefde, ik zou nooit hebben geloofd, dat ik een man in zoo korten tijd zoo vurig en innig zou kunnen beminnen als ik dat jou doe. Je brief heb ik eerst twee uur nadat hij in huis was in handen ontvangen. Door de vele correspondentie, die ik krijg, bleef hij onopgemerkt tusschen de overige brieven liggen. Ik zend je daarom een couvert zooals ik ze gebruik en verzoek je, dit voor het antwoord te willen reserveeren! Mijn portier, mijn bediende, mijn kamermeisje hebben de opdracht, zoodra de brievenbesteller het blauwe couvert brengt, het mij direct te overhandigen. Schrijf alsjeblieft dadelijk. Verlangend ziet je antwoord tegemoet, je je eeuwig liefhebbende

EVELIN.

N.B.: Heb je mij nog lief?”

„Jawel!” riep de notaris uil, „ik houd ook al van haar! Vervloekt, heer chef van politie, dit is de meest duivelachtige, de meest geslepen misdaad, waarvan ik ooit heb gehoord!”

Monsieur Lebaudy keek den notaris vol verbazing aan.

„Mag ik vragen, hoe deze zaak in elkaar zit? Tot nu toe heb ik nog niet het geringste vermoeden van een misdaad.”

„Daar ligt het, daar!” antwoordde de notaris, met zijn rechterhand naar het blauwe couvert wijzende.

De chef van politie keek naar het couvert, dat er zoo onschuldig uitzag en sprak op twijfelenden toon:

„Bedoelt gij die blauwe enveloppe?”

„Ja! Die verbergt den dood voor u, voor mij en voor iedereen, die, zonder het geheim te kennen, het couvert zou gebruiken.”

„Dat blauwe couvert?” vroeg monsieur Lebaudy nogmaals.

„Dat draagt den dood met zich mee!” sprak nu ook Mr. Veith.

De politiebeambte stond op en bekeek het voorwerp van alle kanten.

„Niet waar?” vroeg de notaris, „men ziet niet aan het ding, wat het werkelijk is—maar ik zal het u verklaren:

„Gij weet, dat de afzendster van den brief verzocht, het couvert voor het antwoord te gebruiken. Om dit te doen, zou Mr. Veith de gegomde klep moeten sluiten, nietwaar?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde de chef van politie.

„Welnu, om dit te doen, moet men den gegomden rand bevochtigen.”

„Zeer zeker!”

„Wee u, wanneer gij of een ander den gomrand met de lippen aanraakt, gij zoudt binnen eenige seconden een lijk zijn.”

Een zacht „mille tonnerres!” weerklonk van de lippen van den chef van politie.

„Ik heb,” sprak Mr. Veith, „om u een bewijs te leveren van dezen misdadigen toeleg, een paar witte muizen gekocht. Ik zal nu met een klein schaartje stukjes van den gegomden rand afsnijden en deze aan de diertjes te vreten geven. Gij zult de uitwerking dadelijk zien.”

Hij nam een schaar, sneed smalle papierstrookjes af en wierp deze in de kooi.

Met groote opmerkzaamheid stonden de drie heeren om de kooi om te zien wat er gebeurde.

Het diertje had het stukje papier opgeknabbeld en begon aan een tweede.

Een paar seconden speelde het nog hiermede; plotseling wierp het zich op den rug, rillingen voeren door het kleine lichaam, het stiet een angstig piepend geluid uit en een seconde later was het dood.

De mannen durfden nauwelijks ademhalen.

Met strakke oogen keken zij naar het onschuldige, kleine slachtoffer.

Daarop riep de Afrikaner:

„Blauwzuur, monsieur Lebaudy!”

De chef van politie nam een zakdoek en waaide zich koelte toe. Het gebeurde had hem zeer aangegrepen.

De onmenschelijke wreedheid, de gemeenheid en list, waarmee deze misdaad was uitgedacht en voorbereid, waren zelfs voor hem ongekend.

„Ik hoop,” sprak notaris Barrison, „dat ik u volkomen overtuigd heb.

„De misdaad moest gepleegd worden op een persoon, die zich hier in de Fransche hoofdstad bevindt. Gij zijt derhalve als chef der veiligheidspolitie de aangewezen persoon, om de vervolging dezer zaak op u te nemen.”

„Natuurlijk,” antwoordde de chef van politie, „sta mij toe, dat ik dit couvert dadelijk door onzen scheikundige laat onderzoeken.

„Van den uitslag van dit onderzoek hangt het verdere verloop der zaak af.”

Lebaudy borg het corpus delicti zorgvuldig in zijn portefeuille.

Daarop nam hij ook den brief, dien mr. Veith had ontvangen, tot zich.

Den volgenden morgen reeds zou hij den uitslag meedeelen.

Het onderzoek, dat de scheikundige der politie nog dien nacht deed, had het verwachte resultaat.

De kleefstof van het couvert bestond uit een gomoplossing, welke sterk vermengd was met blauwzuur.

Reeds met de eerstvertrekkende stoomboot reisden mr. Veith, notaris Barrison en monsieur Lebaudy naar Londen.

De Fransche politieambtenaar moest, om miss Evelin Bonn gevangen te kunnen nemen, zich in het bezit stellen van een bevel tot inhechtenisneming, afkomstig van de Londensche politie, en zoo waren ook Londensche detectives noodig om de giftmengster in verzekerde bewaring te stellen.

Zoodra zij in de Theemsstad waren aangekomen, begaf notaris Barrison zich met monsieur Lebaudy naar Scotland Yard, om Baxter met het voorgevallene in kennis te stellen en de noodige formaliteiten in orde te brengen.

Mr. Veith daarentegen had voor korten tijd afscheid van zijn beide reisgezellen genomen en als plaats van ontmoeting het bureau van den notaris opgegeven.

Mr. Barrison wist echter, dat zij hem terug zouden zien.

Nog eenmaal drukte hij hem de hand en bedankte hem hartelijk voor de hulp, die hij in deze zaak had geboden.

NEGENDE HOOFDSTUK.

DE ONTMASKERDE.

Miss Evelin Bonn was in een zeer zenuwachtige bui. Zij en haar vader zaten in haar weelderig ingericht boudoir.

Reeds urenlang wachtte zij op den brief Van mr. Veith, en zij kon zich niet verklaren, waarom deze wegbleef.

„De Afrikaansche millionnair zal door zaken verhinderd zijn geweest,” sprak haar vader, „het is niet noodig, dat je je daarover opwindt.”

Op dit oogenblik trad een bediende binnen en meldde:

„Een heer, die zijn naam niet wil noemen, wenscht de lady te spreken.”

Miss Evelin Bonn haalde misnoegd de wenkbrauwen op en sprak:

„Ik ben niet voor naamlooze menschen te spreken.”

De bediende ging heen.

„Ik heb een gevoel, alsof wij een onaangename tijding zullen krijgen,” zei miss Evelin tot haar vader.

„Je bent zenuwachtig.”

„Ik kan het niet helpen. Vannacht is mij de doode graaf van Heresford verschenen om mij naar het altaar te leiden.”

„Je ziet spoken en—”

Verder kon de oude niet spreken.

Als verlamd van schrik staarde hij naar de deur, waardoor een gemaskerd heer binnenkwam.

„Ik ben gewend, om ontvangen te worden,” sprak de indringer, „en wensch een onderhoud met u te hebben.”

„Roep de politie!” riep miss Bonn tot haar vader.

De gemaskerde lachte, nam plaats alsof hij thuis was en stak een sigarette aan.

„Wel,” sprak hij op onverschilligen toon, „roep de politie als getuige bij ons onderhoud. Dit zal zeer interessant voor haar zijn.”

Miss Bonn beefde plotseling over haar geheele lichaam.

Een bang voorgevoel maakte zich van haar meester.

„Wie zijt gij? Wat wilt gij?” vroeg zij met moeite.

„Ik kom uit naam van den graaf van Heresford,” antwoordde de gemaskerde.

Een kreet weerklonk door het boudoir.

De oude had intusschen zijn zelfbeheersching teruggekregen.

„Houd uw ongepaste aardigheden voor u, mijnheer, en maak mijn dochter niet verschrikt,” riep hij op barschen toon.

„Oho,” lachte de gemaskerde, „is het lieve duifje zoo vreesachtig? Dat had ik niet gedacht.”

„Zeg, wat gij hier komt doen. Ik heb geen lust, mij langer met u bezig te houden.”

„Maar ik wel,” hoonde de gemaskerde, „ik breng zooveel tijd voor u mee, als de graaf van Heresford noodig heeft om weer uit zijn graf te voorschijn te komen.”

Nu begon ook de oude Bonn bang te worden.

Een nieuwe gil weerklonk.

„De lady heeft werkelijk zenuwen,” spotte de indringer, „en daarom zal ik u niet langer lastig vallen dan noodig is. Namelijk—”

Hij kruiste zijn beenen over elkaar en fixeerde met zijn zwarte oogen de schoone miss eenige seconden.

„De graaf van Heresford bracht mij gisteren een bezoek.”

„De graaf is dood!” viel de oude hem in de rede.

„Natuurlijk is hij dood,” lachte de onbekende, „daarom komt hij ook niet zelf, maar zendt mij. Ik ben namelijk sinds zijn dood zijn buurman.”

„Hij is krankzinnig,” fluisterde miss Bonn haar vader toe.

„Gij vergist u, lady,” antwoordde de gemaskerde, „ik ben niet zoo krankzinnig als uw vrienden, die zich door uw schoonheid laten betooveren en dan met u in blauwe couverts correspondeeren.”

Miss Bonn rilde opnieuw.

Zij werd bang voor dezen bezoeker.

Ook de oude Bonn voelde bij de laatste woorden van den vreemdeling zijn knieën knikken en moest plaats nemen.

„Blauwe couverts,” vervolgde de geheimzinnige vreemdeling, „zien er aardig uit en zijn solide, maar gevaarlijk! Ik zou liever rose gebruiken.”

Miss Bonn hijgde naar adem.

Haar vader had het koude zweet op het voorhoofd.

„De graaf van Heresford, mijn buurman, heeft mij gezworen, dat hij nooit weer een blauw couvert wil gebruiken. Hij zal dien eed wel houden, want hij is dood. Hij gaf mij opdracht, daar hij, toen hij zijn testament maakte, krankzinnig was en geheel vergeten had, dat hij twee arme studeerende neven bezit, u te bevelen, mij een verklaring te geven, dat gij afstand doet van de nalatenschap ten behoeve zijner beide arme bloedverwanten.”

Miss Bonns oogen fonkelden van haat.

„Gij wilt ons dus afpersen?” riepen het jonge meisje en de oude man op verschrikten toon. (Zie het titelblad.)

De gemaskerde antwoordde lachend:

„Als gij het afpersing wenscht te noemen, dan ja. Ik houd mij bij voorkeur met dergelijke afpersingen bezig. Om het kort te maken, ik heb geen tijd genoeg om van u een schriftelijk antwoord te vorderen met ingesloten een voor de gezondheid bevorderlijk couvert van blauw- blauw-, drommels! bijna zou ik zeggen blauwzuur! Zeker omdat dat woord ook met blauw begint. Ik bedoel echter: van blauw linnenpapier.”

De met ringen getooide en van diamanten vonkelende handen van Miss Bonn omklemden krampachtig de leuning van haar stoel.

Alles in de kamer begon voor haar oogen te draaien.

Zij voelde zich een onmacht nabij.

„Ik ben bereid,” fluisterde zij nauwelijks hoorbaar, „aan den wensch van den graaf van Heresford te voldoen.”

„Dat zul je niet doen,” riep de oude Bonn uit, terwijl hij zich met een dolk in de hand op den gemaskerde wierp.

Deze was echter op een dergelijken aanval voorbereid.

Voordat de oude hem kon bereiken, gaapte hem de mond van een Browning-pistool tegen.

„Schiet niet!” riep miss Bonn, haar handen angstig smeekend opheffend.

„Stel u gerust,” lachte de vreemdeling, „het is maar een grap, die wij drijven, om onze zenuwen op de proef te stellen. Steek dien dolk weer bij u, mr. Bonn. Ik erken, dat uw zenuwgestel niets te wenschen overlaat.”

„De duivel woont in u!” knarsetandde de oude en ging weer naar zijn stoel terug.

„Ga nu aan uw schrijftafel zitten!” beval de gemaskerde de sidderende miss Bonn, „en schrijf wat ik u zal dicteeren.”

De diva waagde het niet, zich te verzetten en deed wat haar bevolen werd.

„Neem blauw schrijfpapier,” riep de vreemdeling, „en zet nu het volgende:

„Bij dezen verklaar ik onder eede, dat mij de nalatenschap van den graaf van Heresford niet rechtmatig toekomt en ik er geen aanspraken op kan of wil maken. De graaf van Heresford heeft het testament onder mijn invloed opgemaakt.

Miss EVELIN BONN.”

De onbekende stond op, nam de nog natte verklaring en las deze.

Bevredigd gaf hij het papier aan haar terug en sprak:

„Neem nu een blauw couvert en adresseer het op deze wijze:

„Aan notaris Barrison, Londen, Broadstreet.”

Weer gehoorzaamde miss Bonn.

De gemaskerde overtuigde zich er van, of het adres juist was, gaf het couvert aan miss Bonn terug en sprak:

„Sluit den brief nu hierin en— —sluit, alstublieft het couvert. Het blauw—blauwzuur,—och, hoe kom ik toch telkens aan dat woord, het blauwe papier zal geen schadelijke gevolgen hebben voor u, wanneer gij eraan likt.”

Hij lachte spottend, toen miss Bonn het couvert sloot, terwijl een lijkkleur haar gelaat overtoog.

„Vergeet den postzegel niet.”

Nadat miss Bonn ook deze had opgeplakt, stak de gemaskerde den brief in zijn zak.

„Zie zoo, nu heb ik met u afgehandeld. De doode graaf zal nu rustig kunnen slapen. Ik wensch u hetzelfde.”

Hij ging naar de deur, opende deze half en bleef toen staan, terwijl hij sprak:

„Ik voel mij nog verplicht u mijn naam te noemen.”

Hij wachtte eenige oogenblikken, toen klonk het scherp en duidelijk:

„John Raffles!”

Op hetzelfde moment was de deur achter hem dicht gevallen en met doodsbleeke gezichten keken vader en dochter elkaar aan.

„Wij zijn ontmaskerd,” kermde miss Bonn, „wij moeten vluchten, voordat het te laat is.”

„Nonsens!” schreeuwde de oude man, „de graaf heeft opvolgers genoeg. Wij zullen de schade wel weer inhalen.”

„Ik wist, dat ons heden iets onaangenaams zou overkomen,” zuchtte Evelin.

„Houd je goed. Lord Turkington kan elk oogenblik komen.”

„Begrijpt gij, hoe Raffles ons geheim ontdekt kan hebben?”

„De duivel hale dien kerel! Neen, ik begrijp het niet!”

TIENDE HOOFDSTUK.

DE ONTMASKERING.

Een uur later betrad Raffles als Lord Randolph de woning van zijn vriend lord Turkington.

Een bediende deelde hem mede, dat de lord zich bij miss Evelin Bonn bevond.

Onmiddellijk reed ook Raffles daarheen.

Hij was oneindig dankbaar, zijn vriend daar goed en wel aan te treffen.

„Waar zijt gij de laatste dagen geweest?” vroeg lord Turkington.

„In Schotland bij mijn broer,” loog Raffles. „Ik hoop, dat gij mij niet al te zeer gemist hebt. In het gezelschap van een zoo schoone vrouw vergeet men zijn beste vrienden.”

Miss Evelin Bonn behandelde hem met koele minachting.

Na een poosje trad de vader der jonge dame de kamer binnen.

De groote onbekende zag, dat miss Evelin haar vader met onrustige blikken aanzag.

„Nog geen brief?” vroeg zij hem.

„Wat voor een brief?” vroeg lord Turkington, bij wien jaloezie opkwam.

„Een gewichtige brief over zaken, stel je gerust,” glimlachte zijn aanstaande.

„Een notaris, met wien ik zeer bevriend ben, vertelde mij, dat de graaf van Heresford u zijn geheele vermogen heeft nagelaten,” sprak Raffles tot miss Bonn.

Miss Evelin Bonn fronste het voorhoofd.

„Gij schijnt erg nieuwsgierig te zijn, lord Randolph, ik begrijp niet, welk belang gij stelt in den graaf van Heresford en mijn persoon.”

„Ik stel er in zooverre belang in,” sprak Raffles, „dat het mij verbaast, bij u niet het minste verdriet te bespeuren over den dood van een trouw vriend.”

„Wilt gij mij beleedigen?”

Lord Turkington, wien de opmerking van Raffles ook niet aanstond, merkte op onvriendelijken toon op:

„Uw optreden is ongepast, lord Randolph!”

„Werkelijk?” lachte Raffles, „heb ik u ooit aanleiding gegeven om u over mij te beklagen? Gij zult mij toegeven, lord Turkington, dat een persoon, die iemand zulk een groot vermogen nalaat, als de graaf van Heresford dit aan miss Bonn deed, aanspraak mag maken op eenige deelneming, al ware het slechts een gehuichelde.

„Mij doet de onverschilligheid der miss onaangenaam aan.”

Lord Turkington zag in, dat de woorden van Raffles op waarheid berustten.

Maar in zijn verliefdheid wilde hij dit niet toegeven en antwoordde:

„Ik verzoek u, lord Randolph, uw opmerkingen in deze aangelegenheid voor u te willen houden. Miss Evelin Bonn staat onder mijn bescherming en ik weet zeer goed, wat haar voor de buitenwereld te doen staat.

„Wanneer de graaf van Heresford zijn vermogen aan deze dame heeft nagelaten, dan is dat een particuliere zaak, die niemand iets aangaat. Miss Evelin Bonn heeft niets gedaan om het vermogen van den graaf te verwerven.”

„Het is mogelijk,” sprak Raffles met een eigenaardig glimlachje, dat miss Bonn het bloed naar de wangen dreef, „maar men spreekt er in de Londensche kringen reeds over en ik denk, dat gij als de toekomstige verloofde der miss en als Engelsch lord een uiterst wankelbare eer te verdedigen hebt.”

Lord Turkington richtte zich vol trots op:

„Zijt gij van plan, een voordracht over „eer” te houden, Lord Randolph?”

Raffles haalde de schouders op.

„Vat het op, zooals gij wilt, maar vergeet niet, dat ik als uw vriend voor u sta en slechts als vriend tot u spreek.”

„Ik bedank voor een vriendschap, die zich op beleedigende wijze uit.”

„Lord Turkington!”

„Lord Randolph!”

Zij keken elkaar met fonkelende oogen aan.

Een uitbarsting scheen onvermijdelijk.

Nu kwam miss Evelin Bonn, die zoo verstandig was om verder twistgesprek te willen vermijden, tusschenbeide.

„Ik bid u, heeren, bedenkt, dat gij u in gezelschap bevindt van een dame!”

Maar Lord Turkington had alle zelfbeheersching verloren.

Hij zag in Raffles niet meer den trouwen vriend, maar een vijand, die hem zijn geluk wilde ontstelen.

Met een vijandige uitdrukking in zijn oogen, trad hij op Lord Lister toe en sprak:

„Het spijt mij, dat men met personen, zooals gij er een zijt, niet duelleert. Ik zou deze zaak anders met de wapens willen beslechten!”

De groote onbekende, beantwoordde deze beleediging met een zachten, treurigen blik. Daarop verliet hij, zonder om te kijken, het vertrek.

Op straat gekomen, gaf hij een brief in een blauw couvert aan een jongen en beval dezen, den brief aan Miss Bonn te bezorgen.

Daarop nam hij een rijtuig.

Op eenigen afstand van het huis naderden in snelle vaart twee auto’s.