Part 3
„Nu moet Lord Turkington uit de handen dier duivelin worden gered, voordat hij een lijk is. Reeds morgen zal ik den strijd tegen Miss Evelin Bonn beginnen. Ik zou Raffles niet zijn, als ik haar haar slachtoffer niet kon ontstelen.”
ZESDE HOOFDSTUK.
DE AFRIKAANSCHE MILLIONNAIR.
Het was ongeveer tien uur in den morgen, toen het kamermeisje van Miss Evelin Bonn een kostbaar bloemstuk en een doos in de slaapkamer harer meesteres bracht, terwijl zij deze tevens een brief overhandigde. Miss Bonn opende het schrijven en las:
„Dear Lady!
Eerst gisteren ben ik uit mijn Zuid-Afrikaansche mijnen te Londen aangekomen en ik las in de couranten, dat ook gij te Londen vertoeft. Ik ben betooverd door uw portret en ben daarom zoo vrij, mijzelf bij u te introduceeren. Hierbij zend ik u een diamanten collier, dat is samengesteld uit steenen, die in mijn eigen mijnen zijn gevonden. Ik zal zoo vrij zijn, u hedenmiddag tegen één uur persoonlijk te bezoeken.
Met de meeste hoogachting,
Uw onderdanige dienaar, JAMES VEITH.”
Haastig opende Miss Bonn het fluweelen etui en een prachtig diamanten collier vonkelde haar tegen.
Begeerig schitterden haar oogen en een zegevierend lachje vloog over haar gelaat.
Zij belde haar kamermeisje en toen deze verscheen, sprak zij:
„Ik moet dadelijk mijn vader spreken.”
Eenige oogenblikken later bevond de oude Bonn zich in de kamer zijner dochter.
„Duivel!” riep hij, toen hij de schitterende, vonkelende steenen reeds bij de deur ontdekte, „wat heb jij daar voor een kostbaar ding? Heeft Lord Turkington dat gezonden?”
Een minachtend: „Pah!” was het antwoord.
„Lord Turkington heeft het nog niet noodig gevonden, om mij, behalve bloemen, iets van waarde te schenken”.
De oude bekeek de steenen met een kennersblik.
„Dat is een vorstelijk cadeau. Wie is de gever?”
„Lees den brief!”
De oude bukte zich en raapte den brief op, die op het kleed voor het bed was gevallen.
Langzaam las hij en sprak:
„Ik feliciteer je. Dat is de beste vangst, die je had kunnen doen. Deze Veith is een van rijkste eigenaren van diamantmijnen in Zuid-Afrika.
„Hij is rijker dan een half dozijn Engelsche Lords te zamen”.
„Wij moeten Lord Turkington gauw onschadelijk maken”, sprak miss Bonn. „Hij zal een omgang tusschen mij en den Afrikaanschen millionnair niet toestaan”.
„Wij moeten voorzichtig zijn”, antwoordde de oude, „en nog wachten. Het zou de opmerkzaamheid der politie kunnen trekken, als zoo kort na den dood van den graaf van Heresford, die je tot universeel erfgename heeft benoemd, weer een Engelsche Lord, nadat hij jou zijn vermogen heeft vermaakt, aan hartverlamming sterft.
„Ik geloof, dat je beter deed, Lord Turkington eenvoudig te laten schieten om je met den Afrikaanschen millionnair, die veel meer waard is, bezig te houden”.
„Waarom?” vroeg miss Bonn lachend. „Twee vliegen in één klap is beter dan één.
„Laat het maar aan mij over, de zaak te regelen. Zeg vóór alles tegen den portier, dat ik voor Lord Turkington, als hij vandaag mocht komen, niet te spreken ben”.
De oude verdween om het bevel zijner dochter uit te voeren.
Tegen één uur des middags bleef een prachtige auto voor de villa staan.
Er stapte een heer uit, die de villa binnenging.
Vol nieuwsgierigheid wierpen de portier en de bediende een blik op het kaartje, dat de vreemdeling hun in de hall had gegeven en zij lazen: James Veith, Kaapstad.
Mr. Veith behoefde slechts een paar minuten te wachten, voordat hij door een bediende naar het boudoir van miss Evelin Bonn werd geleid.
De diva voelde haar hart luider kloppen, toen zij het door de Afrikaansche zon gebruinde gelaat van den vreemdeling zag, dat omgeven werd door een langen, zwarten baard.
Het was een bijzonder mooi man.
Na eenige minuten waren zij reeds zoo vertrouwelijk met elkaar, alsof zij elkaar reeds jarenlang kenden.
Miss Bonn noodigde haar gast uit om bij haar te lunchen en terwijl zij samen in de weelderig ingerichte eetkamer zaten, trad een bediende binnen, die miss Bonn een kaartje overhandigde van Lord Turkington, die in de hall wachtte.
„Het spijt mij”, sprak zij tot den bediende, „zeg den Lord, dat ik hem niet kan ontvangen”.
De bediende boog en antwoordde:
„Wij hebben dit den Lord reeds medegedeeld, maar zijn Lordschap dringt erop aan, te worden toegelaten.”
Mr. Veith zag hoe een diepe rimpel van misnoegen zich tusschen de wenkbrauwen der schoone miss Bonn groefde.
„Zeg tegen mijnheer, dat ik niet te spreken ben”.
De bediende boog weer en verliet de eetkamer.
Miss Bonn sprak tot haar nieuwen vriend:
„Het is een vurige aanbidder van mij, misschien kent gij hem: Lord Richard Turkington”.
Mr. Veith dacht eenige oogenblikken na.
„Ik herinner mij, den naam wel eens gehoord te hebben. Eenvoudige Engelsche adel.”
„Zijn zij vermogend?”
„Voor zoover ik heb gehoord, neen; Lord Turkington moet op vrij bescheiden voet leven”.
Miss Bonn lachte.
Het was een glashelder, koket lachje.
„Dan begrijp ik niet, wat de Lord van mij wil. Hij moet liever een eenvoudig opgevoede en spaarzame vrouw nemen. Vooral deze laatste eigenschap bezit ik volstrekt niet. Ik zou mij diep ongelukkig voelen, als ik moest rekenen”.
„Een mooie vrouw mag niet rekenen”, antwoordde mr. Veith op hoffelijken toon. „In het geheel geen zorgen hebben. Zorgen bederven de schoonheid. Wanneer ik het geluk had, een mooie vrouw te bezitten, dan zou ik al haar wenschen letterlijk voorkomen”.
Miss Bonn antwoordde met een betooverend lachje.
Uit haar oogen straalde een verleidelijke glans en zij zag, hoe mr. Veith onder haar blikken als een schooljongen bloosde.
„Ik moet morgen helaas”, zoo vervolgde mr. Veith, „voor eenige weken naar Parijs vertrekken. Ik hoop, dat gij mij na mijn terugkomst op dezelfde vriendschappelijke wijze zult ontvangen als nu.
„Het allerliefst zou ik u, hoe kort ik u ook eerst ken, voor altijd bij mij behouden. Ik ben ongehuwd en geloof stellig, dat mijn vermogen mij toestaat, een schoone vrouw de mijne te noemen”.
Zuchtend en met een koketten blik antwoordde miss Bonn:
„Gij zijt de eerste man, die indruk op mij maakt”.
„Werkelijk?” vroeg de mijnkoning, op haar toetredend.
Zij antwoordde met een betooverend glimlachje en keek hem met veelbelovenden blik aan.
Er ontstond een pauze, en plotseling sloeg mr. Veith zijn armen vast om haar heen.
Willoos liet zij zich door hem kussen.
Zij bemerkten beide niet, dat de oude mr. Bonn de kamer was binnengekomen. Hij gaf blijk van zijn tegenwoordigheid door te kuchen.
De Afrikaan wist niet, dat de oude achter een gordijn het geheele gesprek had afgeluisterd.
„Pardon”, sprak mr. Veith, terwijl hij den ouden man met een blik vol ergernis aanzag.
„Mijn vader”, zoo stelde miss Bonn hem met een lieftallig lachje aan haar bezoeker voor.
Dadelijk verdween de ergerlijke uitdrukking op het gelaat van mr. Veith. Hij stak mr. Bonn zijn hand toe en als vrienden drukten zij elkaar de hand.
„Deze heer heeft mij zooeven een huwelijksvoorstel gedaan, papa”.
De oude man zette een verbaasd gezicht en schudde het hoofd.
Daarop sprak hij tot mr. Veith:
„Het spijt mij, u mijn toestemming niet te kunnen geven, mr. Veith. Gij kent mijn dochter niet en eveneens zijt gij voor Evelin een onbekende. Ik heb ervoor te waken, dat met het geluk van mijn kind niet roekeloos wordt omgesprongen”.
De bezoeker richtte zich vol trots op.
„Ik hoop, dat gij mijn naam kent”, antwoordde hij op hoogmoedigen toon, „mijn naam waarborgt voor dergelijke onderstellingen als de uwe. Ik ben bereid om uwe dochter, die op mij een betooverenden indruk heeft gemaakt, te trouwen en haar als een koningin te behandelen”.
„Ik ben een man van zaken”, antwoordde de oude man, „en beschouw het huwelijk van de practische zijde. Voordat ik mijn dochter, die nog niet meerderjarig is, aan een man toevertrouw, zou deze persoon mij voldoende waarborgen moeten verstrekken, dat het mijn dochter, zelfs ingeval van zijn overlijden, nimmer aan iets zou ontbreken”.
„Ik verzeker u”, sprak mr. Veith, „dat ik mijn geheele vermogen aan uw dochter wil nalaten, wanneer ik daardoor haar hand zou verwerven?”
„Dat is mannelijk gesproken”, glimlachte de oude, „wanneer gij deze belofte nakomt, dan kunt gij met uw notaris overleggen, wanneer wij een dergelijk contract zullen opmaken. Ik zal blij zijn, als ik mijn dochter, die aan alle kanten door aanbidders wordt lastig gevallen, goed getrouwd weet”.
Na eenige oogenblikken stilzwijgen sprak mr. Veith:
„Ik moet helaas morgen voor eenige weken naar Parijs. Het zou een groote geruststelling voor mij zijn, wanneer ik daarheen kon gaan als de aanstaande van uw dochter. Wanneer het u dus aangenaam is, dan kunnen wij nog vandaag in den loop van den middag het door u gewenschte practische gedeelte van de zaak in orde brengen. Ik zal dan zoo vrij zijn, u tegen vier uur met mijn auto af te halen”.
De oude boog toestemmend.
Daarop sprak Miss Evelin:
„Ik vind het afschuwelijk, dat de heeren in mijn tegenwoordigheid over zaken spreken.”
Mr. Veith verontschuldigde zich:
„Ik vraag u vergiffenis, maar ik ben er mijnheer uw vader dankbaar voor, dat hij de gelegenheid gaf, een regeling te treffen, die mij tot den gelukkigsten aller menschen maakt.”
Een half uur later verliet Mr. Veith als gelukkig bruidegom het huis, terwijl Miss Evelin Bonn een vreugdedans uitvoerde over de schitterende vangst.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
EEN VREESELIJKE ONTDEKKING.
„Zijt gij al bij uw notaris geweest?” vroeg Raffles aan Lord Turkington, „om de aangelegenheid met Miss Evelin Bonn in orde te maken?”
„Neen”, antwoordde Lord Turkington, „maar ik ben van plan, er hedenmiddag heen te gaan om de zaak te regelen.”
Op zijn gelaat was duidelijk misnoegen te lezen en de Groote Onbekende begreep, dat het hem onaangenaam was, te worden uitgehoord.
„Mag ik u vragen, hoe het Miss Evelin Bonn gaat? Zij was gisteren, toen ik haar een visite wou brengen, ongesteld.”
Lord Turkington wierp een vluchtigen, onderzoekenden blik op zijn vriend.
„Ik werd helaas zelf ook niet ontvangen—maar gij schijnt u plotseling bijzonder voor Miss Evelin Bonn te interesseeren.”
De Groote Onbekende lachte zachtjes.
„Stel u gerust, Lord Turkington, het doel van mijn visite was alleen om den tijd te dooden.
„Ik hoop, dat gij mij voldoende kent om te weten, dat ik moeilijk in verrukking kom voor een vrouw, zelfs al is zij zoo schoon als Miss Bonn.”
Beide heeren maakten een eind aan het gesprek en Lord Lister, die dringende zaken voorwendde, ging heen.
Een half uur later bevond hij zich bij notaris Barrison.
Voordat deze hem groette vroeg hij:
„Hebt gij reeds iets ontdekt in de geheimzinnige zaak van den graaf van Heresford?”
„Ik hoop van wel”, antwoordde Raffles, naast de schrijftafel plaats nemend.
„Gij maakt mij zeer nieuwsgierig.”
De Groote Onbekende stak een sigarette aan, zooals altijd, wanneer hij een ernstig gesprek voerde en begon:
„Kent gij een collega van u, een zekeren notaris Lewin?”
„Ja”, antwoordde notaris Barrison, „ik ben meermalen in ambtszaken met hem in aanraking geweest. Wenscht gij iets van hem?”
„Ja, ik kom van Lord Turkington. Deze deelde mij mede, dat hij dien heer vanmiddag zou gaan bezoeken, om hem zijn vermogen, in geval van overlijden, te laten overschrijven ten name van Miss Evelin Bonn.”
„Aha!” riep Barrison uit, „dat is interessant. Precies zooals bij den graaf van Heresford.”
Beide heeren keken elkaar eenige oogenblikken vragend aan.
„Gij ziet”, vervolgde Raffles, „dat Miss Bonn volgens een vast programma werkt.
„Zij schijnt met Lord Turkington denzelfden weg op te willen als met den graaf van Heresford.”
Notaris Barrison knikte en herhaalde:
„Als met den graaf van Heresford.”
„Ik heb nu het verzoek tot u te richten”, sprak Raffles verder, „om u in verbinding te stellen met Mr. Lewin en het mogelijk te maken, dat wij beiden getuigen worden van de ambtelijke conferentie tusschen hem en Lord Turkington, zonder dat mijn vriend iets van onze aanwezigheid vermoedt.”
„Met welk doel?”
„Om een getuige te hebben, want ik hoop, dat gij als kroongetuige in de zaak-Heresford de hoofdpersoon zult zijn. Ikzelf ben om verschillende redenen verhinderd, mij persoonlijk met de zaak te bemoeien.
„Ik kan alleen, evenals op een speeltafeltje, de kaarten zoo neerleggen, dat gij ongetwijfeld het spel moet winnen.
„Vraag mij alstublieft niet, welke redenen ik heb, maar laat het u voldoende zijn, dat ik bereid ben mijn krachten te geven om deze geheimzinnige misdaad aan het licht te brengen.”
„Ik zal u vertrouwen, Lord Randolph, hoewel door uw woorden het tegendeel het geval moest zijn. Maar gij geeft mij door uw handelwijze het bewijs, dat gij werkelijk bezig zijt, mij te helpen.”
„Zeer zeker”, antwoordde Raffles, „ik ben altijd een vijand van schurkenstreken geweest en het is niet de eerste, die ik, in plaats van de politie, ontmasker— —”
Notaris Barrison stelde zich in telefonische gemeenschap met Mr. Lewin en deze beloofde, hem op te bellen, zoodra Lord Turkington bij hem zou komen.
Ook was hij bereid, zijn collega in de gelegenheid te stellen, om in een zijvertrek getuige te kunnen zijn van de ambtelijke verhandeling.
Twee uur verliepen, voordat de advocaat door de telefoon berichtte, dat Lord Turkington in zijn spreekkamer wachtte.
Dadelijk begaven Raffles en notaris Barrison zich op weg en een half uurtje later bevonden zij zich in een kleine kamer in de woning van notaris Lewin, door een portière van de studeerkamer gescheiden en waar zij elk woord, dat gesproken werd, konden verstaan.
Toen zij achter het zware gordijn stonden, kwam Lord Turkington bij den notaris binnen. Nadat de begroeting had plaats gevonden, stelde Lord Turkington den heer, die hem vergezelde, voor als mr. Lodewijk Bonn.
„Waarmede kan ik u van dienst zijn, heeren?”
„Ik ben van plan,” zoo begon Lord Turkington, „mij met Evelin Bonn, wier vader deze heer is, eerstdaags te verloven en wil aan die dame, ingeval van mijn overlijden, mijn geheele vermogen nalaten.”
„Bezit gij andere erfgenamen?” vroeg de advocaat.
„Neen,” antwoordde Lord Turkington, „ik ben de laatste afstammeling mijner familie, zooals gij misschien weet, en heb niemand verantwoording te doen van mijn vermogen. Ook kan niemand aanspraak maken op de erfenis.”
„Goed,” sprak notaris Lewin, „dan zal ik het document opstellen. Wees zoo goed op dit blad papier den naam en de woning van uw aanstaande te schrijven, opdat ik het nauwkeurig kan invullen.”
Een paar minuten lang werd alleen het krassen van de pen van den notaris vernomen.
Daarop werd het stil.
Notaris Lewin kuchte en sprak:
„Ik zal nu zoo vrij zijn, u het document voor te lezen. Gij kunt het later van uw handteekening voorzien.”
Hij kuchte weer en las:
„Hierdoor verklaar ik, ondergeteekende, dat het mijn ernstige en heilige wil is, aan mijn verloofde, Miss Evelin Bonn, wonende te Londen, Regent Park—”
„Halt!” viel de oude Bonn hier in de rede, „ik ben zoo vrij om op te merken, dat mijn dochter tot op heden nog niet de verloofde is van dezen heer.”
„Een slimme vos,” fluisterde Raffles in Barrisons oor.
„Zeer juist,” antwoordde notaris Lewin, „ik zal de zinsnede veranderen.”
Weer schreef hij eenige oogenblikken, daarop las hij opnieuw:
„Hierdoor verklaar ik, ondergeteekende, dat ik aan Miss Evelin Bonn, wonende te Londen, Regent Park, met welke jongedame ik van plan ben, mij binnen eenigen tijd te verloven, mijn geheele vermogen, dat ik aan roerende en onroerende goederen bezit, ingeval van mijn overlijden vermaak.
„Dit verklaar ik in tegenwoordigheid van notaris Hugo Lewin, Broadstreet—eigenhandig onderteekend en gezegeld.
„Ik verzoek u dit van uw handteekening te willen voorzien, Lord Turkington.”
Weer hoorden notaris Barrison en Raffles het krassen der pen in Lord Turkington’s hand, toen was aan de ambtelijke formaliteit voldaan.
„Zoudt gij zoo goed willen zijn,” sprak Lord Turkington nu, „nog heden een afschrift van deze wilsbeschikking aan Miss Evelin Bonn te zenden?”
„Natuurlijk, uw lordschap,” antwoordde de notaris.
„Precies zooals bij Lord van Heresford,” fluisterde Barrison.
Lord Turkington en Mr. Bonn namen afscheid en Barrison met Raffles begaven zich in het vertrek waar Mr. Lewin zich bevond.
Toen zij dezen begroetten, was het alsof hij plotseling schrikte en met scherpen blik keek hij Lord Lister aan.
Raffles merkte dit wel op, maar kon er de oorzaak niet van vermoeden, daar hij den heer Lewin niet kende.
Deze scheen trouwens reeds weer gerustgesteld te zijn, misschien was het slechts een oppervlakkige gelijkenis, die hem een oogenblik had getroffen. Eenige jaren geleden had hij namelijk in een gezelschap Lord Lister, den grooten onbekende, ontmoet. Hieraan dacht hij nu.
„Mag ik nu weten,” vroeg hij den heeren, „waarom gij de ambtelijke verhandeling als getuigen in de zijkamer hebt bijgewoond?”
„Daarover kan ik u op het oogenblik niet voldoende inlichten; ik hoop dat echter binnen een paar weken te kunnen doen,” antwoordde notaris Barrison.
Kort daarop gingen beide heeren heen, nadat zij den notaris hadden bedankt en begaven zich naar een restaurant in Broadstreet.
„Het is vreemd,” sprak notaris Barrison, toen zij aan een der kleine gedekte tafeltjes hadden plaatsgenomen , „de behandeling der zaak bij notaris Lewin en bij mij is precies dezelfde.
„Maar ik heb nog niet het flauwste vermoeden, of het verdere verloop van de zaak evenzoo zal zijn, als bij den dood van den graaf van Heresford het geval was.”
„Precies zoo,” antwoordde Raffles op beslisten toon.
„Ik veronderstel, dat gij meer weet dan ik, Lord Randolph?”
„Dat kan wel zijn,” antwoordde deze, „wanneer uw tijd het veroorlooft, zou ik u willen verzoeken, met mij mee naar mijne woning te gaan. Daar zal ik u een verklaring geven omtrent den dood van graaf van Heresford.”
Notaris Barrison pakte ontroerd den arm van Raffles en vroeg:
„Meent gij dat werkelijk?”
„Zeker. Ga mee naar mijn huis.”
Zij maakten een einde aan hun maaltijd, namen een auto en reden naar de woning van den grooten onbekende.
Ondanks de opgewondenheid, die zich van Barrison had meester gemaakt, kon hij toch niet nalaten de pracht en weelderige inrichting der villa te bewonderen.
Eindelijk traden zij de studeerkamer binnen.
Alles lag daar nog precies zooals den vorigen avond.
Midden op de schrijftafel lag de doode foxterriër en niet ver van hem af lagen het blauwe couvert en het velletje papier van Miss Evelin Bonn.
Raffles bracht den notaris naderbij en wees met de hand naar het cadaver.
„Deze arme hond stierf denzelfden dood als de graaf van Heresford.”
Notaris Barrison keek met wijd opengespalkte, verschrikte oogen naar den dooden hond en antwoordde:
„Ik begrijp u niet, wat heeft deze fox met mijn overleden cliënt te maken?”
De groote onbekende nam het blauwe couvert op en hield het den notaris voor.
„Weet gij, wat ik hier heb, notaris Barrison?”
„Een blauw linnen couvert.”
„Ja, dat is waar,” sprak Lord Lister, „maar een linnen couvert, dat uw ongelukkige cliënt eenige oogenblikken voor zijn dood met zijn lippen bevochtigde, het sloot en aan zijn bediende gaf, opdat deze het aan Miss Evelin Bonn zou bezorgen.”
„Hoe zijt gij in het bezit ervan gekomen?”
„Ik heb het gestolen.”
„Gestolen?”
„Ja, gestolen van de schrijftafel van Miss Evelin Bonn.”
„Maar dit is immers strafbaar!”
„Ik pleeg bij voorkeur ongeoorloofde handelingen, die ertoe kunnen dienen om schurken voor hun misdaden te straffen.
„Weet gij, bij wien gij u op het oogenblik bevindt?”
Notaris Barrison werd door de eigenaardige vraag en door de geheele omgeving plotseling eenigszins angstig.
„Ik denk, bij uw Lordschap”.
„Ja, zeker”, antwoordde Raffles, „een Lord ben ik, een absoluut echte, Engelsche Lord, maar ik maak geen gebruik van mijn titel.
„Ik ben een koning geworden, een koning op een troon, dien ik mijzelf heb veroverd”.
Notaris Barrison twijfelde plotseling aan het verstand van Lord Randolph.
„Wat voor een koning?”
„Schrik niet”, lachte Raffles, „ik ben een koning der misdadigers”.
„Wat?”
„Maak u niet ongerust, notaris Barrison”, lachte Raffles, „om met u te kunnen werken is het noodig, dat ik u vertel, wie ik ben.
„Zoodra ik u mijn naam heb medegedeeld, zult gij weten, met wien gij te maken hebt, en dan zult gij er niet aan denken om voor mij te vluchten:
„Ik ben Raffles!”
Notaris Barrison dacht, dat alles donker om hem heen werd. Hij durfde nauwelijks adem te halen.
Dit was Raffles? Raffles, de groote onbekende, die reeds jaren lang door de gezamenlijke politie der geheele wereld werd gezocht, vooral door de Londensche en die door zijn ongehoorde, meesterlijke daden de vrees der rijken en der geheime misdadigers was? John C. Raffles, die door de armen der groote steden, door de ongelukkigen en misdeelden als een heilige werd gezegend?
„Maar neem toch plaats”, verzocht Lord Lister, „en neem een sigaar. Ik zie, dat het hooren van mijn naam uwe zenuwen heeft aangegrepen”.
„Dat is waar”, antwoordde notaris Barrison, „ik wil u wel bekennen, dat dit meer indruk op mij heeft gemaakt, dan wanneer de overleden graaf van Heresford plotseling in levenden lijve vóór mij had gestaan.
Aarzelend nam hij in de hem aangeboden fauteuil plaats en Raffles ging tegenover hem zitten.
„Dit zijn dezelfde sigaren”, sprak Raffles, „die de Koning van Engeland uit Havana laat komen. Behalve zijn persoon kan alleen ik dit merk rooken. Koningen hebben hunne eigenaardigheden”.
Notaris Barrison bediende zich, en de geur van de wonderlijk fijne tabak kalmeerde hem.
Hij bedacht nu ook, dat Lord Lister een volmaakt gentleman was, die, ondanks zijn meesterstreken, nog nimmer een gemeene misdaad had gepleegd.
„Uit vriendschap voor Lord Richard Turkington”, zoo begon Raffles, „om hem van het verderf te redden, heb ik mij de zaak aangetrokken; en nu reeds heb ik resultaat.”
Notaris Barrison klopte de asch van zijn sigaar en antwoordde:
„Nu gij mij hebt verteld, wie gij zijt, twijfel ik er geen oogenblik meer aan, of gij zult de geheimzinnige misdaad aan het licht brengen”.
John Raffles stond op en greep weer het blauwe couvert.
„Kijk eens nauwkeurig naar dezen omslag en zeg mij, of gij er iets bijzonders aan ziet”.
De notaris nam het blauwe papier in de hand en bekeek het aandachtig.
Maar hoe scherp hij ook toekeek, hij zag er niets aan.
Schouderophalend gaf hij het terug en antwoordde:
„Ik kan er niets bijzonders aan ontdekken”.
„Dat geloof ik gaarne”, antwoordde Lord Lister, „en toch is dit couvert het middel tot een ontzettende misdaad”.
Weer keek notaris Barrison vol angst en vrees naar het lichtblauwe couvert
„In dit stuk papier woont de blauwe dood!”
„Wat?”
„Den blauwen dood noem ik het, sir. Het heeft voldoende kracht om mij en u en nog een kwart dozijn op dezelfde wijze naar de eeuwigheid te sturen als den graaf van Heresford en den kleinen foxterriër”.
„Uw antwoord klinkt vreeselijk. Ik kan er niets aan ontdekken”.
„Ik zal het u verklaren:
„Om het couvert te sluiten, moet men den gomrand aan de achterzijde bevochtigen”.
„Dat is waar”, knikte notaris Barrison.
„De gomstrook van dit couvert, of liever de gomoplossing, die den rand bedekt, is vermengd met blauwzuur. Zoodra het speeksel van een levend wezen dien rand aanraakt, wordt het blauwzuur opgelost, en de ongelukkige sterft binnen een paar minuten”.
De advocaat keek verstijfd van schrik om zich heen.
Hij durfde nauwelijks ademhalen.
„Dat is de vreeselijkste misdaad, waarvan ik ooit gehoord heb”, mompelde hij eindelijk. „Mijn God, kunt gij u niet vergissen?”
„Helaas neen”, antwoordde Raffles, „om mij te overtuigen heb ik den foxterriër als slachtoffer gekozen. Gij ziet de uitwerking van de proef, het arme dier is dood.”
De advocaat haalde zwaar adem.
Het koude zweet stond hem op het voorhoofd.
„Laten wij direct naar de politie gaan”, stelde hij voor.
Een spotachtig lachje van Raffles verbaasde hem.
„No, Sir, die weg zou verkeerd zijn. De politie zou ons niet kunnen helpen. Miss Evelin Bonn, van wie ik dit couvert heb gestolen, zou ontkennen, dat zij de gomoplossing met blauwzuur had vermengd. Dat zou ik toch ook gedaan kunnen hebben?”
„Gij hebt gelijk”, knikte de notaris.
„In de tweede plaats kan ik ook niet persoonlijk naar den politie-inspecteur Baxter in Scotland Yard gaan, om daar mijn bevindingen van deze geheimzinnige misdaad mee te deelen en tegelijkertijd te zeggen:
„Uit dankbaarheid voor de opheldering ben ik zoo vrij, mij persoonlijk aan u over te leveren. Mijn naam is Lord Lister, de Groote Onbekende.”
„Gij hebt gelijk”, antwoordde Barrison, „maar wat moet er dan gebeuren?”