Chapter 5 of 5 · 698 words · ~3 min read

Part 5

Nieuwsgierig keek Raffles de auto’s na, die voor het huis van miss Evelin Bonn stilhielden en hij zag er een dozijn mannen uitstappen.

„Scotland Yard heeft zich mobiel gemaakt,” fluisterde Raffles en reed verder.

Lord Turkington had zijn goed humeur verloren.

Te vergeefs trachtte Miss Evelin Bonn hierin verandering te brengen.

Zelfs de champagne, die zij voor hem schonk, vroolijkte hem niet op.

Hij had een gevoel, alsof hij Raffles schandelijk credit had aangedaan en hij dacht erover na, op welke wijze hij het weer goed kon maken.

Een bediende bracht een brief binnen, die juist was bezorgd.

Met een zachten vreugdekreet greep miss Bonn naar het couvert dat een harer blauwe enveloppes scheen te zijn.

Zij dacht, dat het het antwoord van Mr. Veith was.

Haastig scheurde zij het couvert open en las.

Plotseling zag Lord Turkington, hoe Miss Evelin Bonn wankelde en haar gelaat doodsbleek werd.

Verschrikt wilde hij haar helpen, maar zij weerde hem af en las nogmaals den inhoud van den brief, die luidde

„Miss Bonn!

Ik heb u een diamanten collier gezonden en een ring. Beide zijn Parijsche imitatie en niet waard, dat ik ze terug kom halen. Misschien zult gij de dingen willen dragen op uw laatsten gang naar het schavot.

Daar ik er een sport van maak, misdadigers te straffen, lever ik u aan het gerecht over en ben blij, de rij mijner daden met deze vermeerderd te hebben. Ik heb u het leven ontstolen.

JOHN C. RAFFLES.”

Met starenden blik keek Miss Bonn naar den brief.

Lord Turkington wist niet, wat hij uit haar vreemde houding moest opmaken.

Daar hoorde hij het geluid van vele mannenstemmen in huis.

Ook Miss Bonn hoorde het.

„Mijn God, wat is dat?”

Angstig luisterde zij aan de deur.

Plotseling werd deze opengeworpen.

Een aantal mannen met revolvers in de hand snelde de kamer binnen.

„In naam der wet,” riep inspecteur Baxter, „neem ik u gevangen, Miss Evelin Bonn, wegens gepleegden moord en een poging tot een nieuwen!”

Bleek als een lijk staarde Miss Bonn de beambten aan.

„Mag ik den heeren om een verklaring verzoeken?” vroeg Lord Turkington vol ontzetting.

De beambte boog vol eerbied voor den lord en sprak:

„Het doet mij leed, niet aan den wensch van uw lordschap te kunnen voldoen. Uw lordschap zal bij het verhoor alles vernemen.”

Daar weerklonk een schot.

Een oogenblik luisterden allen.

„Mijn vader!” riep Miss Bonn en in het volgende oogenblik had zij, zonder dat iemand het had kunnen beletten, een gouden flacon, die zij aan een ketting droeg, geopend en aan den mond gezet.

Als door den bliksem getroffen, viel zij op den grond.

„De blauwe dood,” mompelde notaris Barrison, „zoo stierf de graaf van Heresford en waarschijnlijk nog anderen.”

Daarop wendde hij zich tot Lord Turkington:

„Om u voor een dergelijken dood te bewaren, heeft J. C. R. (hij noemde den naam niet) deze misdadigster ontmaskerd. Het is zijn werk. Wij zouden het niet hebben gekund.”

Lord Turkington keek als versuft om zich heen.

De notaris moest hem steunen, opdat hij niet zou neervallen.

Inspecteur Baxter had zich over de doode heengebogen en nam den brief, dien zij nog in de hand hield.

Vol belangstelling las hij den inhoud en plotseling stiet hij een vloek uit.

„Wat is er, inspecteur?” vroeg detective Marholm.

„Vervloekt! Ik vind hier een brief van Raffles. Er gebeurt waarachtig niets meer, zonder dat Raffles zich ermee bemoeit!”

„Of omgekeerd,” antwoordde detective Marholm, „zonder Raffles gebeurt er niets meer!”

„Zonder gekheid, heeren,” sprak notaris Barrison, „ik hoorde, wat gij daar van Raffles zeidet. Wij moeten hem dankbaar zijn, dat hij met zijn buitengewoon talent deze duivelsche misdadigster heeft ontmaskerd.”

„Raffles?” vroeg politie-inspecteur Baxter.

„Ja, Raffles,” herhaalde notaris Barrison, „zijn werk is het, dat wij hier staan en dat de moord, gepleegd op den graaf van Heresford, is opgehelderd en gewroken.”

„Een moord?”

„Een moord, heer inspecteur.”

„Waarvan hij niets vermoedde,” dacht detective Marholm.

„Raffles heeft dezen moord ontdekt,” vervolgde notaris Barrison, „en verdient daarvoor openlijk gehuldigd te worden.”

„Een standbeeld,” sprak Marholm met luide stem, „en daaronder in gouden letters het opschrift:

„Aan den genialen Raffles, van de dankbare Engelsche politie.”

AANTEEKENING

[1] Zie deel 29: „Het Indische Raadsel”.