Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 125 EEN VREEMDE GESCHIEDENIS
EEN VREEMDE GESCHIEDENIS
EERSTE HOOFDSTUK.
DE STAALMAGNAAT VAN NEW-YORK.
Lady Forster zat in haar prachtig boudoir droomerig voor zich uit te staren in het groote park, dat de woning van mr. Forster, bijgenaamd „de groote Staalkoning”, omsloot.
De lange, smalle, fijne handen waren als in pijn samengestrengeld en hoewel een oppervlakkig toeschouwer absoluut niets bemerken kon, had iemand, die eenige menschenkennis bezat, ongetwijfeld gezien, dat Lady Forster verdriet had, doch dit zorgvuldig wilde verbergen.
Toch was zij alleen en niemand zou het immers wagen haar, de jonge, doch machtige meesteres van het huis te storen, zoodat zij zichzelf thans verwonderde, dat zij geen lucht gaf aan haar beprangd gemoed.
—„En ik wil niet”—prevelde zij zacht voor zichzelf, „ik wil niet”....
Er kwam een harde trek op het zeldzaam mooie gezicht van Lady Forster, een trek van groote bitterheid, die de lijnen om kin en mond scherper deed uitkomen en den fijnen Griekschen neus nog spitser scheen te maken!
Loom, traag, als in groote vermoeidheid stond zij op, steunde met haar rechterhand op de leuning van het gouden damesstoeltje, waarin zij gezeten was en bracht met een gratie, grenzende aan een tooneeleffect, de linkerhand aan het blanke, hooggewelfde voorhoofd.
„O, God! Dit leven is verschrikkelijk... dat is te ellendig... Alle menschelijkheid is weg... ik gevoel mij een slavin... een dier... een hond die geslagen is en toch weer teruggeroepen wordt om de hand des meesters te lekken... Bah!”...
Grenzelooze verachting sprak uit deze woorden, die zij als tot zichzelf zeide! En onmiddellijk daarop klonk het weer, zéér beslist:
—„Ik wil niet huilen!... Ik moet mij beheerschen!...”
Een kloppen op de deur der kamer deed haar opzien.
Vlug zette zij zich neder, nam een boek op haren schoot en nam de houding aan van iemand, die aan ’t lezen is geweest.
Andermaal werd er geklopt, doch nu harder en dringender.
—Binnen!
De deur werd geopend en een bediende, gekleed in fijn blauw laken, afgezet met goud koordstiksel, trad het boudoir binnen.
—Wat wenscht ge, Karl?
—Mr. Forster verzoekt u in de bibliotheek te komen, Mylady—antwoordde de bediende.
—Dadelijk?
—Tijd heeft mr. Forster niet genoemd, doch mylady weet zelf wat mr. Forster’s bevel is.
—Zwijg! Al goed! Zeg dat ik binnen een half uur aanwezig zal zijn.
De man boog en verdween gluiperig door de deur, die hij daarna geruischloos sloot.
Lady Forster kneep de handen tot een vuist, die zij krampachtig schudde.
—Verspieders!—dacht zij toornig.—Forster is krankzinnig. Wat hebben wij er aan om baronnen en graven, die hun land met schande en oneer hebben moeten verlaten, hier te engageeren als huisbedienden? Overal spionneeren ze, overal vleien zij Forster!...
Weer werd er geklopt.
Kon men haar dan niet met rust laten?
Wat nu weer?
—Of u oogenblikkelijk komen wil, mr. Forster moet op reis.
—Goed—antwoordde zij bijna toonloos, maar toch met een kleine opflikkering van hoop in de bruine oogen.
Even nadat de bediende heengegaan was, ging Lady Forster, met vorstelijke fierheid voortschrijdende, naar de bibliotheek van mr. Forster, die aan een groote, met papieren overdekte schrijftafel zat.
Forster was een kerel van ruim vijftig jaren. Hij was middelmatig van lengte, gezet van omvang en had een groot, leelijk hoofd, waarin als een paar vonken vuur zijn twee kleine oogen schitterden.
Een stompe neus, eenigszins uitstaande oorschelpen, een breede mond met een eeuwigen grijnslach er omheen, een bijna vierkante kin en hoekige jukbeenderen gaven hem een wreed, onaangenaam uiterlijk.
Forster was voortgekomen uit de onderste lagen der maatschappij, had zich een plaats veroverd op een groote ijzer- en staalgieterij, toen de schooljaren geëindigd waren.
Reeds spoedig was de enorme lichaamskracht van Forster spreekwoordelijk geworden en iedereen, die met hem samenwerkte voor de ontzettende vuren der hoogovens, had ontzag voor hem. Van dit ontzag maakte Forster, die reeds vroeg een heerschzuchtig karakter had, een gretig gebruik en regeerde binnen enkele maanden de gansche groep werklieden, die op zijn afdeeling werkzaam waren.
Toen kwam de zucht naar boven om evenals groote heeren te kunnen bevelen en Forster begon systematisch te zoeken naar die middelen, welke hem in staat stelden te kunnen regeeren.
Forster’s natuur, karakter en levensopvatting waren niet van dien aard, dat hij zich gaandeweg op zou kunnen of willen werken.
Alles moest even vlug gebeuren en ieder middel was hem welkom.
Wat hem hinderde, vernietigde hij. Voor geen misdaad deinsde hij terug en bracht zijn belang het mee dat hij iemand vermoorden moest om den persoon, welke hem in den weg stond op te ruimen,... hij aarzelde niet om door een schijnbaar ongeluk zijn tegenstander te dooden.
Slechts enkele maanden was hij op de ijzer- en staalgieterij, toen een chef-werkmeester heenging en diens plaats dus vacant kwam.
Brutaalweg ging hij naar de directie en vroeg niet, maar eischte dezen post voor zichzelf op.
De directeur, een goed en verstandig man, weigerde op een zoo brutale manier in te gaan en gaf niet onduidelijk te kennen dat hij zulke werklieden liever gaan dan komen zag.
Forster had toen gedreigd en gezegd:
—Als gij mij niet neemt, ligt uw bedrijf hedenavond stil.
Toen had de directeur gelachen om den „hoogmoedswaanzin” van dezen werkman en hem daarna weggestuurd met de woorden: „Meld je bij den kassier, ontvang je loon en verdwijn onmiddellijk. Begrepen?”
Forster had zich toen beheerscht en was vlak bij den directeur gaan staan, hem toevoegende met scherpe, harde stem:
—Volgend jaar zijn wij concurrenten!
Zoodra Forster bij de werklieden was gekomen, klom hij op een werkbank, sloeg met een hamer zóó geweldig hard op een stuk staal, dat het precies was alsof klokgelui het publiek bijeen riep.
De werklieden stroomden om hem heen, en met zijn harde stem, die van hartstocht soms trilde, zweepte hij de mannen op.
Hij zegde hun hoeveel zij arbeiden moesten, rekende met wiskundige zekerheid voor hen uit hoeveel „de groote heeren” verdienden, noemde deze „bloedzuigers” en schold op „het tuig”, dat hen allen regeerde.
En de mannen, verhit door het werk, opgezweept door de krassende stem van een hunner, hoorende de sommen, die door hun arbeid verdiend werden, waren stil geworden en morrend togen er dien avond velen huiswaarts.
De massa was wakker geworden.
Forster rustte niet. Hij hield den volgenden dag een vergadering met de werklieden, rekende hun met slimheid en vooropgezet doel andermaal voor hoe alles daarginds op het kantoor toeging en het gevolg was dat drie dagen later een algemeene werkstaking geproclameerd werd, waarvan Forster het leidende lichaam en het denkende hoofd was.
Groote ontsteltenis was er geweest bij de directie, maar meer nog bij de commissarissen en aandeelhouders.
Want Forster had zijn tijd welgekozen.
Er waren zeer groote en belangrijke bestellingen gekomen uit Europa, waar het broeide tot een oorlog en de ijzer- en staalprijzen waren ontzettend gestegen.
De oude voorraden „smolten” als het ware weg en alle arbeidskrachten waren dringend noodig.
Besprekingen tusschen directie en raad van commissarissen eenerzijds en de werklieden met Forster als leider anderzijds vonden plaats en heimelijk rees er een vrees, gebaseerd op afkeer voor dien kleinen man met het afschuwelijk wreede gelaat.
De eischen, die hij stelde, waren krankzinnig hoog, doch er was geen macht ter wereld, die hem bewegen kon om iets van zijn begeerten te laten vallen.
Men schoot niet op. De werklieden bleven staken... de toestand werd al drukkender en dringender... Er moest een einde aan komen.
Toen kwamen de commissarissen—echt Amerikaansch—op een idee.
Men zou Forster voorstellen om plaats te nemen in de directie. Men zou den werklieden meer loon geven en minder werkuren.
Nam men dit voorstel aan, dan zou men immers binnen afzienbaren tijd kunnen zoeken naar een middel om Forster te ontslaan en daardoor ontkomen aan de macht van dezen man.
Het voorstel werd gedaan... besproken... en goedgekeurd!
De werklieden namen hun werk weer op, meenende, dat nu een hunner in den raad van directeuren was opgenomen, hunne belangen beter zouden behartigd worden.
Forster zette zich vast in ’t zadel en alhoewel de verhouding tusschen hem en de overige directeuren niet vriendschappelijk was, dwong hij toch eerbied bij hen af, door de wijze waarop hij nacht en dag werkte.
De commissarissen, eerst van plan zich zoo gauw mogelijk van hem te ontdoen, zagen hem na enkele maanden anders aan en hielden zeer ernstig rekening met alles wat Forster naar voren bracht.
In enkele maanden tijds had hij immers zeer ingrijpende veranderingen tot stand weten te brengen. Had met een onmeedoogende zekerheid ingegrepen in de wijze van fabricage, had machines voorgesteld en gekregen, die honderden arbeiders het brood ontnamen, maar die de onkostenrekening belangrijk verminderd hadden.
Hij werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, las zeer veel, hield alles bij wat in verband stond met de ijzer- en staal-industrie.
Toen kwam er een oogenblik, dat de fabrieken en hoogovens een noodzakelijke uitbreiding moesten ondergaan. De toestanden waren van dien aard dat de gansche beurs, en dus ook ’t geld van den wereldhandel, beheerscht werd door... staal.
Staal werd speculatief.
Wie geld wilde verdienen, kocht staal....
Niemand sprak over iets anders dan staal.
Forster, die dit alles had zien aankomen, die zelf alle maatregelen had genomen voor dit gebeurde, was gereed.
Dit was zijn oogenblik. Nu moest hij handelen.
Met hetzelfde brutale geweld dat hij twee jaren geleden had gebruikt tegenover de directie, ging hij nu zonder eenigen angst ter beurze.
’t Was juist een troebele tijd tusschen enkele mogendheden in de „Oude Wereld”—Europa.—
Er werd meer naar staal en ijzer dan naar levensmiddelen gevraagd.
De beurs was dien dag zeer hoog geopend. De koersen waren buitengewoon en men was van gedachten, dat ze nog hooger zouden worden.
Forster had, door zich in verbinding te stellen met buitenlandsche persbureaux, zich op de hoogte gebracht van den internationalen toestand, en had dien morgen uit een dringend telegram gelezen, dat het geschil daarginds in Europa bijgelegd was geworden.
Wie evenwel weet of wel eens gelezen of gehoord heeft, hoe sommige beursspeculanten dergelijke geheimen weten te gebruiken om toch tot hun doel—veel millioenen te verdienen!—te geraken, begrijpt ook, dat toen Forster op de beurs verscheen, hij er niets over verbaasd was dat men nog niets wist, althans dat de leiders der speculatieve fondsen precies deden alsof de toestand nog buitengewoon gunstig was.
Forster wist dat een combinatie van acht personen, allen multi-millionnairs, in verbinding stonden met de gezanten, die op hun beurt weer enorme bedragen kregen voor hunne stilzwijgendheid.
Hij liep vlug en met een beslisten stap naar de tijdingzaal, waar groote opwinding heerschte.
Volgens de laatste telegrammen uit Londen, Parijs en Berlijn, allen natuurlijk van belanghebbenden afkomstig, bleek het dat de toestand hachelijker werd.
Forster schreed voort tot bij den vertegenwoordiger der regeering:
—Moet dit spel zoo langer voortgaan?
—Wat bedoelt u?
—Lees dit telegram.
Forster overhandigde het telegram en de regeeringsvertegenwoordiger las het met nauw verholen ontzetting.
—Hoe komt u daaraan?
—Doodeenvoudig—antwoordde Forster—ik laat mij door niemand leiden. Ik leid zèlf.
De staalcombinatie, die ook evenals Forster, alles reeds wist, was wel is waar onder den indruk dat een buiten de combinatie staande persoon iets naders kon mededeelen.
En om zeker te zijn van hun winst, deden zij onmiddellijk het voorstel, dat Forster toetreden zou tot hun combinatie.
Hij had geglimlacht als een kind, dat door dwingen datgene verkrijgt wat het wenschte en stemde toe te zullen zwijgen indien men hem voor altijd opnam in de staalcombinatie.
Lang beraadslagen was zeer nadeelig en dus besloot men ook dezen eisch van Forster in te willigen.
Dien dag stegen de prijzen geweldig.
Groote hoeveelheden staal, ijzer en grondstoffen werden verhandeld en menigeen stak zijn kapitaaltje in „staal”.
Den daarop volgenden dag kwam de tegenslag.
Geruststellende berichten, één dag achtergehouden, werden gevolgd door algeheele geruststelling.
Onmiddellijk zakte de koers en menigeen, die nog redden wilde wat er te redden viel, verkocht direct wat hij den vorigen dag gekocht had.
Millioenen guldens werden er door de leden van de „staalcombinatie” verdiend,
Ook Forster kwam op die manier in het bezit van een groot kapitaal, waarvoor hij zich de functie van hoofddirecteur kocht van de groote ijzer- en staalgieterij, waar hij tot heden toe directeur was geweest.
Toen begon hij pas goed te werken.
Als alleenheerscher deed hij gewaagde dingen, kocht en verkocht, oefende druk uit op de beurs, en vervulde iedereen met wien hij in nadere aanraking kwam, met ontzetting.
Eindelijk was het tijdstip gekomen, waarop hij alle teugels in handen krijgen kon en op een vergadering van commissarissen, allen leden van de „staalcombinatie”, sloeg hij zulk een toon aan, dat men hem dreigde met ontslag.
Doch nu veranderde hij de rollen, en in een korte uiteenzetting bewees hij, hoe hij op dit oogenblik alles in handen had. Hoe hij zelfs de kapitalen zijner medebestuurders in zijn macht had.
Forster had alles zorgvuldig gedocumenteerd, had overal menschen neergezet, die hij geheel in zijn macht had. Was bezitter geworden, zonder dat de commissarissen eenig vermoeden hadden van het werken van Forster, van de beste, grootste ertsvelden uit Amerika.
Kortom, Forster was de machthebbende.
En toen het desondanks toch tot een breuk kwam tusschen hem en enkele der commissarissen, deelde hij hun sarcastisch mede dat ook hij groote fabrieken had laten bouwen en alle werklieden met hèm meegingen.
Van dat oogenblik af was Forster zelf opgetreden als heer en meester, door velen gevreesd, door weinigen vertrouwd.
Hij had den naam van „Staalmagnaat” en werd een der rijkste menschen van de gansche wereld geschat.
Issi Stancy was een beeldschoon, doch arm, doodarm meisje, dat nevens de zorg voor zichzelf, ook nog in de nooden en behoeften moest voorzien van haar ziekelijke, zwakke moeder en vijf broertjes en twee zusjes, allen jonger dan zij.
Haar vader was op de ijzergieterij, door de onhandigheid van een kameraad, eens getroffen geworden door een gloeienden bak met ijzererts en was een gruwzamen dood gestorven.
Er was gefluisterd geworden dat de kameraad dit met opzet had gedaan, want Issi’s vader was iemand met een oprecht en groot, trouw karakter, en had met zijn kameraad woorden gehad over diens optreden.
Issi was toen een meisje geweest van negen jaren en ging nog school.
Moeder had na vader’s dood gesjouwd en gezwoegd en toen Issi even zeventien jaar was, moest zij van den geneesheer voortdurend rust nemen.
Goede raad was duur.
Issi was mooi, beeldschoon, maar niet sterk, en uit werken gaan, of dag in dag uit op een fabriek of atelier te zitten, was ongunstig.
’t Beste was op een kantoor, waar zij licht schrijfwerk zou kunnen verrichten.
Dat was juist in den tijd dat mr. Forster van zich spreken liet en de nieuwe ijzergieterijen geopend werden.
Door bemiddeling van den geneesheer kwam zij in contact met Forster, die toen hij den naam Stancy hoorde, even verbaasd had gekeken,
—Stuur ’t meisje eens bij mij—had hij gezegd.
Issi was gekomen!
Haar zenuwachtig blosje had hare schoonheid zeer verhoogd en de ruwe, hartstochtelijke Forster was onmiddellijk gereed met zijn plannen.
—Je wilt dus typiste worden?
—Ja mijnheer,
—Goed. Ik zal je een beginsalaris van vijftig dollar per maand geven. ’t Ligt geheel aan je zelf of je gauw meer verdienen kan. Een dame—hij drukte zeer sterk op dat woord—als jij kan veel meer verdienen.
Even had Issi gerild bij den ruwen toon van Forster, doch de gedachte aan zulk een hooge som vergoedde alles en vol vreugde was zij naar moeder getogen om alles te vertellen.
De goede ziel was innig blij en toen haar kind den volgenden Maandag in een hagelwit pakje naar haar nieuwen werkkring ging, voelde zij een echt moederlijken trotsch door haar ziel varen.
—Zij is een koning waardig—dacht moeder Stancy.
Reeds van het eerste oogenblik af betoonde Forster zich opvallend vriendelijk tegen Issi.
Was hij tegen de andere bedienden, hij had er zeer velen, ruw soms, speelde hij bij ’t geringste vergrijp hunnerzijds als een beest op, tegen Issi was hij bijna teeder en niemand verwonderde zich er over, toen na drie maanden Issi benoemd werd tot particulier secretaresse van mr. Forster.
Issi zelf was er niet blij om.
Zij bezat een vluggen geest, was buitengewoon vlug en leerzaam en droeg ieders achting weg.
Tusschen haar en haar collega’s op de groote bureaux was een vriendschap ontstaan, die enkele menschen genieten, omdat zij anderen steeds de behulpzame hand bieden. Iedereen hield van het mooie, zachte, lieve dametje, dat voor iedereen een glimlach, voor iedereen een vriendelijk woord over had.
En nu moest zij haar plaats verwisselen.
Zij moest dag in, dag uit in de hooge, strenge kamer van den ruwen Forster zitten, en zij huiverde al bij de gedachte, dat zij hem helpen moest in zijn particuliere zaken. Brieven lezen, beantwoorden, opbergen... wie weet... wat àl meer.
Ook de collega’s vonden het spijtig, doch niemand waagde het aanmerking te maken op den wensch en het bevel van hun patroon, mr. Forster.
Moeder, eenvoudige, ziekelijke ziel, die zij was, vond, toen zij dit hoorde, het heerlijk. Zij zag hierin een bewijs dat Issi boven anderen uitverkoren was en zegende in stilte mr. Forster.
Issi was dan werkzaam dicht bij Forster en hij omringde haar met een bijna vaderlijke teederheid.
’t Was soms meer dan ergerlijk, vond Issi, dat een patroon zulke malle dingen vroeg of zeide. Deed hij dat voor anderen? Bracht hij voor andere dames bonbons mee? Kregen deze mooie costuumpjes? Gaf hij die een zoo hoog salaris? Informeerde hij bij deze zoo belangstellend naar hunne familie? Had hij bij hen zulk een zachte stem?
Neen!... Neen!!... gilde het dan in Issi’s hart, en zij gevoelde instinctmatig een zekeren afkeer.
Toen op een middag had Forster haar uitgenoodigd om mee te gaan naar een theater.
Haar verontwaardiging was hevig, doch uit angst dezen man te beleedigen, die haar en haar familie brood gaf, zweeg zij stil en antwoordde op zijn herhaald aandringen:
—Als moeder het goed vindt.
Toen had hij gelachen en gezegd:
—Dat komt in orde.—En ’s avonds, toen zij thuiskwam, had zij haar oogen niet kunnen gelooven... Forster zat reeds hij haar moeder!
Deze glimlachte toen zij binnenkwam en Forster was heengegaan, zeggende:
—Mevrouw, bij u beveel ik mijn belangen aan!—
Hij! mr. Forster, noemde moeder mevrouw!!...
Het duizelde Issi!
Met zachte stem, al maar met de handen strijkend over Issi’s mooie bruine lokken, had moeder toen verteld dat mr. Forster, hij, die verscheidene malen millionnair was, de hand en het hart gevraagd had van Issi!
Woedend was Issi opgesprongen, doch moeder had haar gekalmeerd en toen zij volhardde met te zeggen: „dàt nooit!”...... had moeder geschreid, lang, ó zoo lang!....
Met tact had Issi dien avond geweigerd mee te gaan met Forster. Deze bleef toch dezelfde voor haar, doch zij wist niet dat Forster iederen dag bij haar moeder kwam.
Dagen verliepen. Moeder scheen zwakker, zieker te worden. Uren lang zweeg zij, als in gepeins verzonken, en als zij nog iets zeide, was het steeds over Forster.
Dan klaagde zij over de woning, dan over de kamer, dan over dit, dan over dat en steeds kwam het hier op neer dat het alles veel anders wezen zou wanneer Issi maar mevrouw Forster worden wilde.
Eindelijk bezweek zij en stemde toe met Forster te zullen trouwen.
Alles gebeurde als in een droom.
Zij leefde die dagen niet, zij liet zich leven!
Zij maakte een groote reis, kreeg een prachtig huis, midden in een park naar haar naam genoemd, bezat auto’s, rijtuigen, zeldzame japonnen... kortom, alles was sprookjesachtig mooi.
Doch in Issi was alles koud en haar familie, die door Forster tot een hoogeren levensstand verheven was, gevoelde zich veel gelukkiger dan Issi zelf.
Dit alles was nu ruim een jaar geleden, op het oogenblik dat een bediende Issi roepen kwam om te verschijnen bij Forster, die in de bibliotheek zat te wachten.
TWEEDE HOOFDSTUK.
DE MACHT VAN HET GELD.
De „staalmagnaat”—Forster—hief het hoofd op toen zijn jonge vrouw binnenkwam.
Zij opende en sloot zelf de deur en trad daarna langzaam de kamer binnen, voortdurend haren echtgenoot aanziende.
—Ge liet me roepen!
—Ja! Wat duurt dat toch lang altijd. En waarom leert ge nooit goede antwoorden te geven aan graaf Timmys?
—Ik gaf een goed antwoord—antwoordde Issi nonchalant.—Hij vroeg mij alleen of ik bij u wilde komen. Meer niet. Wanneer hij mij gevraagd had, of ik onmiddellijk had willen komen, dan was dit natuurlijk ook gebeurd.
—Goed! Goed!... Je deed niets anders dan lezen. Mijn belangen staan toch wel hooger dan die vervloekte romannetjes?
—Heeft uw „graaf” dit zoo goed gezien?—vroeg Issi niet zonder scherpte.—Niet alleen is het bespottelijk om je te omringen met al die adellijke vleiers, maar het gespionneer schijnt je welgevallig te zijn.
—Dat moet wel! Aangezien mijn vrouw mij niet in de gelegenheid wenscht te stellen om haar gade te slaan wanneer ik het wil, ben ik genoodzaakt andere maatregelen te nemen.
—Bah!...
Dit was het eenige wat Issi hooren liet, waarop onmiddellijk een uitbarsting van Forster volgde:
—Zeker!... Zeker!... Ik wil weten wat je uitvoert... Ik ben je heer en meester. Ik heb je genomen voor mij... Je behoort mij toe... Niemand anders. En jij met je overdreven kunsten, met je krankzinnige beginselen zou mij treffen... mij vernietigen. Jij zelf bent de oorzaak, dat ik je moet laten bewaken. Zoolang jij niet verandert, beschouw ik je als mijn gevangene.
—Zoolang ik zelf wil!—viel Issi hem driftig in de rede.
—Wat meent ge wel? Ge hebt geen wil. Ik, ik alleen ben baas. Zonder mij ben je niets. Een kind van een werkman.
—Een éérlijke man dan toch!
Forster sprong als van een adder gebeten overeind. Hij liep op Issi toe, doch deze week op zijde en greep het schelkoord.
—Nog één stap, Forster, of ik schel, en je baronnen en graven, die je toch al verachten, kunnen dan getuigen zijn van de mishandeling die gij mij toedienen wilt.
Dit scheen te helpen, want Forster bleef staan en siste tusschen de tanden:
—Slang!—
—Hebt ge mij daarom laten roepen? Om me dàt te zeggen?—vroeg Issi, met een van drift trillende stem.
Forster gaf geen antwoord, want de telefoon ratelde en dus moest hij den geluidshoorn opnemen.
Issi bleef geduldig staan. Zij kwam weer tot zichzelf en begreep, toen zij haar echtgenoot zoo driftig hoorde telefoneeren, dat er weer een of andere dringende zaak moest behandeld worden.
Forster legde de telefoon neer en keerde zich naar zijn vrouw.
—Zijt ge verstandig geworden?
—Laten wij tenminste dáár niet meer over spreken. Dat is al zoo menigmaal door ons behandeld. Maar dat gij mij ’t verwijt doet van mijn geboorte is schandelijk. Ik vroeg u niet te trouwen. Liever woonde ik gelukkig op een twee-en-dertigste étage, in een kleine kamer, dan hier met ongeluk.
—Ongeluk dat ge je zelf op den hals haalt.
—Dank je!
—Is ’t dan zoo niet? Kun je niet alles krijgen wat je begeert? Ben jij niet de schoonste vrouw van New-York? Wordt ge niet geprezen als een gelukkige sterveling? Maar je vervloekte overgevoeligheid, je idiotisme, dàt, dàt is een belemmering. Ben ik een man om zich over mij te schamen? Kijkt niet iedereen mij naar de oogen? Wordt mijn naam niet genoemd in schier alle steden der wereld?...
—Met eere?
—Wat kan mij dat schelen? Met eere of met vrees! Als hij maar genoemd wordt. Dan is ’t mij allang goed. Geld is de hoofdzaak. Dan hebt ge macht. Met macht doe je alles. Dàt is de hoofdzaak. Al ’t andere is nonsens. Je bezit een macht met je oogen...
—Was ik maar leelijk.
—Dan moest ik je niet hebben—gaf hij ruw terug.
—Misschien was ik dan gelukkiger.
Forster werd weer driftig. Hij sloeg met de vuist op tafel en riep:
—Genoeg! Ik heb je hier laten roepen om een verklaring te hooren, waarom jij gisteravond niet mee wilde gaan naar de partij, die mijn vriend Baltimore gaf, ter eere van jou?
—Omdat ik van alles walg.
—Verklaar je nader.
—Ga zitten!—gebood Issi—en als je mij wilt aanhooren zal ik je alles zeggen. Ook ik was van plan je een verklaring te geven. Zoo kan ’t niet langer. Luister.
—Maak het kort,—antwoordde hij zeer norsch.