Chapter 3 of 4 · 3990 words · ~20 min read

Part 3

Hoe hij evenwel het gesprek wendde of keerde, Forster liet geen naam hooren en hulde zich in een geheimzinnigheid die zelfs Raffles niet vermocht te onthullen.

Had Professor Edenshir nu maar niet gesproken over zijn politieke kennissen in dien zin dat Forster weten wilde wie het waren, dan was er nog een kans geweest.

Nu was het slechts een vragen wederzijdsch zonder tot een oplossing te komen.

’t Was nu reeds tegen middernacht en Raffles was nog niet ver gevorderd.

Plotseling was zijn besluit genomen; hij zou probeeren door inbraak achter de geheimen van Forster te komen.

Hij stond op en beweerde dat hij nog even naar de patiënte ging zien, om daarna naar zijn hotel te gaan.

Morgenochtend vroeg zou hij terugkeeren.

Forster kreeg op dat moment de post binnen, die een kantoorbeambte hem bracht, zoodat de gelegenheid gunstig was om heen te gaan.

Gedurende enkele minuten bleef Raffles in de breede marmeren gang staan en deed alsof hij in gedachten verzonken was. Voor ’t geval dat ook professor Edenshir bespionneerd werd, nam hij dezen maatregel, die niets anders was dan om te zien of Forster zijn kamer ook verlaten zou.

Langzaam ging hij naar de kamers, waar Charly als ziekenoppasser bij Issi was, die thans zekerheid had dat zij niet als een gevangene werd behandeld.

Toen Raffles binnenkwam, snelde Charly op hem toe en zeide, zonder eenige tegenspraak te dulden:

—Wat is dit nu weer voor krankzinnigheid?

—Niets anders dan dit, beste jongen: Een jong onschuldig kind, dat in een zwak oogenblik toestemde in een huwelijk met een rijken plebéjer, moet beschermd worden. Daarenboven schijnt het mij toe alsof deze man iets in zijn schild voert dat niet deugt. Hij verdient een lesje. Dat is alles.

—Waar bemoeit ge je mee?

—Met alles waar ik plezier in heb.

—Mooie genoegens—bromde Charly.—Wanneer je nu nog eens een grap uithaalt, maar dit is zoo wanhopig treurig.

—Beste Charly, naderhand zult ge het goede hierin zien. Is je post van ziekenoppasser zoo zwaar?

Zonder af te wachten ging Raffles naar Issi toe, die nog steeds voor het wijd geopende raam lag.

Juist toen hij het raam wilde sluiten kwam de maan door de wolken en bescheen deze zacht den schitterend aangelegden weg door het park, loopende van den hoofdweg naar Forster’s huis.

Raffles’ gedachten werden ineens in beslag genomen door een eenzamen wandelaar, die met voorzichtige schreden naderbij kwam en opzag naar de lichte vensters, waarachter Forster te werken zat.

—Nog zoo laat bezoek?—mompelde Raffles bij zichzelf, toen hij den kerel de breede trappen van het bordes meende op te zien gaan.

Toch werd er niet gebeld.

Een van ’t personeel misschien.

—Mevrouwtje—zoo begon Raffles tegen Issi—kan er nu nog bezoek komen?

—Voor Forster!—antwoordde zij mat.

—Zoo laat nog?

—Geheime zaken—merkte zij smalend op.

—Zoo! zoo!.... Een zaak als die van mijnheer Forster is geweldig van omvang. Zoo iemand heeft nooit rust.

—Meent u?

—Ja. Me dunkt ’t is altijd wat.

—Men neemt te veel, professor! O, u weet niet wat het zeggen wil. Ik lijd er onder. Elke dag is mij ellendiger. En dan wil de kerel hebben, dat ik daarin zal meedoen. Hij eischt van mij dat ik den Russischen gezant tot mij halen zou, omdat het in zijn belang is. In den laatsten tijd, professor, heb ik gehoord van vergaderingen, waarin men het wel en wee uitsprak over millioenen.

—Bereidt men een oorlog voor?

Issi knikte slechts.

—U behoeft mij niets meer te zeggen, ik weet voldoende.

—Wat zult ge doen?

—De plannen verijdelen.

—Kunt ge dat?

—Misschien.

—Zijt ge even sterk als zij?

Raffles glimlachte. Eigenaardig hoe men woorden overneemt van hen met wie men veel spreekt. Want onder de millionnairs werd nooit gevraagd „hoe rijk” maar „hoe sterk is hij?”

—Wanneer ik niet even sterk ben, zal ik compagnons nemen.

—Hoe zal men een professor in de zielkunde kunnen gelooven op zakengebied?

—Vraag niet meer, later zal u alles duidelijk wezen.

Issi zweeg even, doch zij begon later weer opnieuw:

—Ik wil hier weg. Ik moet mijn vrijheid hebben. Ik kan zóó niet leven.

—Waar is uw moeder?

—Daar kan ik niet heen.

—Ik zal morgen een schuilplaats voor u zoeken. Dan vlucht gij morgennacht met mijn vriend, die heden geregeld bij u is om u op te passen.

—Dank u. Verlos mij van dien man. Ik heb hem nooit liefgehad.

—Genoeg. Ga rusten. Tot morgen.

Behoedzaam ging Raffles thans de trappen af. Juist wilde hij de deur der bibliotheek openen om zoo brutaal mogelijk binnen te treden, hopende daardoor te weten te komen, wie daar straks bij Forster was gekomen, of graaf Timmys trad hem opzijde.

Het livrei-pak zat strak om het lichaam en de houding was onberispelijk voor een bediende.

—Wel, graaf?—vroeg Raffles, onmeedoogend drukkend op het woord „graaf”—het schijnt dat ge u zeer goed kwijt van uw taak.

Als getroffen door een zweepslag kromp Timmys ineen onder den doorborenden blik van Raffles.

—Wat bedoelt ge?—vroeg Timmys stamelend.

—Gij spionneert—minachtte Raffles terug.

—Excuseer mij, professor. Ik doe alleen dienst als schildwacht.

—En gij volgdet mij.

—Ik stond in die nis, professor. Ik moet er voor zorgen, dat niemand die kamer binnengaat. Er is een bijeenkomst—fluisterde hij.

—Is uw meester zoo laat bezig?

—Heden wel.

—Vergeef mij dan mijn meening. Ik dacht dat u spionneerde en dat vind ik vooral van u onverantwoordelijk. Hoe is het trouwens mogelijk dat gij in dezen dienst zijt?

—Forster betaalt goed.

—Hoeveel?

—Duizend dollar per maand.

—Hm!... En daarvoor bewaart gij geheimen, die zooveel schatten meer waard zijn?

—U vergist zich, professor. Niemand weet hier geheimen. Alleen personenkennis. Maar wat er gesproken wordt tusschen Forster en den Russischen gezant is ons een raadsel.

—Dus de gezant is er?

Timmys werd eerst doodsbleek, toen vuurrood en met één sprong greep hij een dolk, die in de nis lag.

Raffles had alles opgemerkt, doch vóór dat graaf Timmys bij hem was, had Raffles zich tot hem gekeerd, greep den pols als met een schroef vast, zoodat de dolk kletterend op den grond viel.

Timmys had een gesmoorden vloek doen hooren en wreef zich, een pijnlijk gezicht zettende, met kracht den ontwrichten pols.

—Dwaas die gij zijt—zeide Raffles,—gij wildet mij dooden. Waarom?

—Gij weet iets dat niemand weten mag. Gij moet sterven.

—Dat is zoo. Maar thans nog niet. Wees eens even kalm. Jij hebt mij niets gezegd, is ’t wel? En wat wildet ge nu doen? Dooden kunt ge me niet. En verraden zal ik je niet. Vervloekte Portugeesche driftkop, denk je, dat ik met jullie vervloekte geschiedenissen iets wil te maken hebben?

Hem moet ik eerst voor een poosje opbergen. Hij is te gevaarlijk door zijn ongemotiveerde drift, overlegde Raffles bij zichzelf. Ik zal hem thans even geruststellen, maar morgen is het tijd om te werken.

Hier was iets geheimzinnigs, iets dat hij doorgronden wilde. Hij gevoelde het als een ding van groot belang.

Raffles nam een bankbiljet van vijftig dollar.

—Pak aan, graaf!—spotte Raffles—en wee je gebeente als ge me een stroobreed in den weg durft leggen.

En terwijl hij wachtte totdat zijn auto voorkwam, dacht Raffles al maar over de plannen die hij uitvoeren moest als hij tot een oplossing komen wilde.

De ontdekking wàs er, maar wat zou deze brengen?

Raffles zat eenige oogenblikken daarna rustig in zijn auto, die met snellen gang hem voerde naar het Victoria-Hotel.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE ONTVLUCHTING VAN ISSI.

Den volgenden morgen ging Raffles reeds vroeg naar het huis van Forster toe.

Hij had zich voorgenomen dat hij, eer het jaar vier en twintig uren ouder was geworden, al een heelen boel gedaan moest hebben.

Het zou een drukke dag van voorbereiding, een drukke avond en nacht van uitvoering wezen!— —

Met vluggen, jeugdigen stap klom hij de treden van het bordes op en liep den portier voorbij, alsof hij reeds een bekende in Forster’s huis was.

Zijn eerste gang was naar Issi’s kamers.

Binnengekomen zijnde informeerde hij eens naar de gezondheid van Issi. De rust had haar zichtbaar goed gedaan en zij zag er jeugdiger en schooner uit dan ooit.

Raffles vroeg zich opnieuw af, hoe of het mogelijk was geweest dat dit meisje getrouwd was met een zooveel ouderen man, die daarenboven nog een wreedaard was.

—Mevrouwtje—zoo sprak Raffles—ik ga aanstonds op weg een goede schuilplaats voor u te zoeken. Blijft gij bij uw besluit?

—Zeker, professor.

—Goed. U begrijpt wel dat uw echtgenoot géén toestemming geeft tot uw vertrek. Daarom zullen wij geheimzinnig te werk gaan en uw heengaan zal zoo iets van een vlucht wezen.

—Alles is mij wel, professor,—antwoordde Issi,—ik wil alleen weg van onder de macht van dezen man. ’t Moet!

—Dat zal gebeuren. Houd u rustig en luister naar den raad van mijn assistent. Deze handelt meestal in mijn geest en zal u, mocht er onverhoopt een voorval komen waaruit het werken van Forster blijkt, bijstaan. Zorg er voor dat u hedenavond zeer sterk zijt.

Hierop ging Raffles weer heen, na nog even met Charly te hebben gesproken.

Zijn eerste gang was naar Forster’s kamers.

Een bediende verwittigde Raffles dat Sir Forster reeds vroeg uitgegaan was en hem verzocht had te vragen of professor Edenshir naar het bureau der hoogovens komen wilde, waar Forster op hem wachten zou.

—Zeer goed. Is graaf Timmys hier?

—Deze is hedenmorgen vroeg vertrokken.

—Waarheen?

—Naar New-York.

—Ontslagen?

—Neen, professor. ’t Was een buitengewone spoedboodschap, welke verricht moest worden.

—Waarom moest Timmys dat doen?—vroeg Raffles voorzichtig. Hij wilde probeeren dezen knecht uit te hooren.

—Dat is werk wat Timmys altijd doet.

—Is Timmys langer hier in dienst dan gij?

—O neen! veel korter.

—Dan begrijp ik niet dat Forster u niet belast met geheimzinnige zendingen... of—voegde hij er zacht aan toe—zijt gij niet betrouwbaar?

—Ik dien nu drie jaren hier. Ik ben reeds huisknecht bij hem geweest toen hij nog niet getrouwd was. Ik ben maar een eenvoudige jongen, Sir, maar eerlijk. Ik heb veel gezien van mijn heer en meester, maar ik moet zwijgen, omdat ik veel verdien en daardoor mijn oude ouders steunen kan. Maar anders bleef ik geen uur meer hier.

Raffles keek den spreker eens scherp aan. Was dit soms een comediespel om hem in een val te lokken?

Doch neen. De kerel was zoo onbevangen, deed zoo eenvoudig, dat het waarheid wezen moest wat hij stond te vertellen.

Raffles moest de proef op de som hebben.

—Dus als gij evenveel, zoo niet meer zoudt kunnen verdienen ging gij weg?

—Ja. ’t Is hier met al die baronnen en graven géén werk. Op ’t oogenblik ben ik even rustig. Ik moest van Timmys wacht doen, maar anders commandeert dat „kanalje” mij veel meer dan vroeger Forster.

—Goed. Je wilt weg. Ge kunt bij mij komen.

—Hier?

—Wat bedoel je. Hier in New-York?

—Ja, Sir!

De man stamelde van hoop en blijdschap en keek naar Raffles’ lippen om te zien als het ware, wat professor Edenshir zeggen zou.

—Gij blijft hier in New-York. Onder één voorwaarde.

—En die is?

—Dat gij mij trouw zult dienen en alles zult doen wat ik wensch.

—Sir!—antwoordde de man eenvoudig—ik wil dit alles zéker doen. Maar ik heb hier veel geleerd en vertrouw weinigen meer. Ik behoef toch b.v. nooit iemand te......

De man zweeg.

—Nu?—vroeg Raffles.

Even schudde de man met ’t hoofd en sloeg de oogen neer.

Toen zeide hij heel zacht, zonder verband tusschen zijn daareven gesproken woorden:

—Iemand kwaad te doen bijvoorbeeld.

Raffles dacht na. Deze vraag werd niet zonder bedoeling gedaan. ’t Was wel zeer eigenaardig, dat hij dezen man nù ontmoeten moest. Probeeren dan of hij er profijt van hebben kon.

—Hoe komt ge aan zulk een gedachte?

—Dat weet ik niet. ’t Was alleen maar een vraag.

—Hebt ge hier dan al eens iemand moeten vermoorden bijvoorbeeld?

Een doodelijke bleekheid toog over ’s mans gelaat. Er ging Raffles plotseling een licht op. Deze man bleef dáárom bij Forster. ’t Kon niet anders. Hij was geketend aan dit bestaan en durfde wellicht niet eens buiten New-York, bang als hij was dat men hem nog eens arresteeren zou.

Welk een geheim zou hier nu weer achter zitten?

Raffles streek zich over ’t hoofd en zeide daarna:

—Uw vraag, uw gansche optreden geeft mij te denken. Ik wil eens ernstig met je spreken. Misschien zal dat je goed doen. Kunt ge hedenavond bij mij komen?

—Waar?

—Om acht uur in het Victoria-Hotel.

—Neen, professor. Dat zal niet gaan. Ik heb vanavond dienst.

—Is hier dan geen stil plaatsje waar wij kunnen spreken?

—Jawel, maar zeer gevaarlijk.

—Dat is minder.

—En dan, professor, niet om acht uur, maar om twaalf uur hedennacht.

Raffles keek weer naar den huisknecht. Vermoedde men iets van de plannen omtrent Issi’s vlucht?

Dat was toch niet mogelijk. Dat kon niet. ’t Was een merkwaardige samenloop van omstandigheden, die, wanneer men de macht had ze te gebruiken, allen dienstbaar gemaakt konden worden aan het doel wat Raffles zich voorgesteld had.

Buitendien, wanneer hij er voor zorgde dat Issi, bijgestaan door Charly, vluchten kon, dan was hij hier toch.

—Ik zàl komen!—zeide Raffles met harde stem, terwijl hij den man doordringend aanzag.—Maar weet dat ik nooit bang ben. Begrepen?

Hij zweeg even en zeide daarna:

—Wijs mij de plaats waar ik wezen moet!

—Weet u de bibliotheek?

—Ja. Ga voort.

—Die trap gaat ge op en ik zal er wezen om met u te gaan.

Raffles verdiepte zich er niet verder in, want hij moest nog heel wat doen. Hij nam dus afscheid van den huisknecht en reed enkele minuten later naar het bureau van Forster, bij de hoogovens en ijzerfabrieken.

Raffles werd ontvangen door een ambtenaar, die hem onmiddellijk naar Forster bracht.

—U komt juist intijds, professor—riep Forster op zijn gewone luidruchtige manier. Hij zag er zeer opgewonden uit.

—Dat doet mij werkelijk genoegen. De patiënte..

—Ja, ja!—viel Forster hem plotseling in de rede—dat komt wel. Ik ben op het oogenblik aan geheel andere dingen bezig. En ik wilde u juist vragen of mijn vrouw vervoerd kan worden.

—Waarheen—vroeg Raffles in groote verbazing.

—Naar de buitenplaats van een mijner vrienden.

—Naar den Russischen gezant?—vroeg Raffles.

Als geëlectriseerd sprong Forster op.

—Hoe—weet—u—dat?...

Woest rolden zijn oogen door hun kassen, doch Raffles bleef kalm staan en zeide:

—Gewoonlijk weet ik alles, zonder dat ik er moeite voor doe. Gedachten, vriend. Gedachten, anders niet. U weet uw ziekteverschijnsel gaf mij redenen tot nadenken en dit bracht mij de wetenschap dat u zeer veel hooggeplaatste personen telt onder uw kennissen. Op ’t oogenblik is uw vriendschap buitengewoon voor dezen gezant, maar toch zal ik mij er ernstig tegen moeten verzetten dat u uw echtgenoote er zult heen brengen. Vertrouw haar liever toe aan een goed sanatorium, waar liefde en vrede, licht en reinheid heerschen.

Forster stond precies als een buldog, die gereed is voor een sprong naar het slachtoffer.

Raffles keek hem strak aan.

’t Was een zwijgend beproeven van elkanders krachten, want nu Raffles zekerheid had dat er groote geheimen bestonden, wist hij ook dat er zeer veel op ’t spel stond.

En gedachtig aan Issi’s woorden voelde hij, dat hier een inspannend maar goed werk te doen was.

—Wat u weet is gevaarlijk, professor—merkte Forster op.

—Meent u?

—Zéér gevaarlijk.

Forster drukte enorm op deze woorden, hij wilde professor Edenshir bang maken.

—Ik gevoel niets van dat gevaar. Waarschijnlijk is het dus geheel aan uw zijde....—zeide Raffles nonchalant.

De aderen van Forster rezen op zijn voorhoofd, en toornig stiet hij uit:

—Mijnheer, nog nooit heeft iemand mij durven noch kunnen dwarsboomen. Door u laat ik ’t ook niet doen. Wie mij in den weg staat ruim ik op.

—Een oud handwerk van u?—merkte Raffles vragend op.

Forster wankelde.... Hij keek met groote oogen naar Raffles en stamelde:

—Wie zijt gij? Hoe durft ge?....

—’t Doet mij genoegen, waarde Forster, dat ge mij, hoewel ik eigenlijk niets positiefs gezegd heb, gesterkt hebt in mijne meening.

Forster zeide niets, maar toen Raffles met een energieke beweging de deur opende en heenging met de woorden: „Als u beleefder en kalmer zijt geworden kom ik naar u toe”, kende zijn drift geen grenzen meer. Hij nam zich voor om professor Edenshir te dooden.

Raffles huurde daarna in een der meest afgelegen parken een kleine villa.

’t Was minstens zes à zeven uur rijdens van Forster’s woning af, zoodat als Issi hier naar toe vervoerd werd, men niet bevreesd zou wezen dat zij de eerste tijden ontdekt zou worden.

Raffles liet alles gereed maken, zóó, dat het voor een jonge vrouw een lusthof was.

Er waren kamers vol licht en lucht, met smaak gemeubileerd en voorzien van alles wat een rustigen, aangenamen indruk maakt.

Hij nam een dienstbode aan, iemand van wie een informatie-bureau gunstige getuigenis gaf en liet deze direct alles in orde maken voor de komst van Issi.

Toen ging hij naar Forster’s huis, nadat hij zich eerst overtuigd had dat Forster nog op het Bureau was.

Tijdens Raffles’ afwezigheid was Timmys teruggekomen en met een bijna volkomen onderdanigheid boog deze.

—Graaf Timmys, ik kom daar juist van mr. Forster,—zeide Raffles.

—Ja, Sir?

—Mevrouw moet naar het buiten van den Russischen Gezant.

Een glimlach vloog over Timmys’ gelaat.

—Dat is zeer vlug. Ik ga nu mede naar Engeland,—zeide Timmys, die, nu professor Edenshir meer wist dan gisteren, meende dat hij alles zeggen moest.

—Timmys—hernam Raffles—ge moet me helpen.

—Zeer gaarne. Ik wensch het gebeurde van gisterenavond goed te maken.

—Prachtig. Maak de groote reisauto gereed. Wij kunnen mevrouw daarmede vervoeren. Doch vlug. Want binnen ’t uur moet ik weer bij Forster terug wezen.

Timmys ging zich van zijn taak kwijten.

Raffles vloog naar boven en gaf Charly en Issi last vlug voort te maken.

Toen ging hij vlug naar beneden en liep naar de Bibliotheek, waar de huisknecht nog was.

—Hedenavond ben ik niet hier. Kom morgen bij mij. Ge kunt onmiddellijk in dienst komen bij Lord Divonshart in het „Liveman-park”, Villa nummer 18.

—Morgen?

—Ja.

—Maar hier dan?

—Een getuigschrift is voldoende.

—Dat krijg ik niet.

—Wil ik er een maken voor je?

—Is ’t voor uw vriend?

—Ja. Maar later kan het je toch te pas komen. Geef me papier. Ah! laat me even plaats nemen voor ’t bureau van je meester.

—Professor!.... riep de man verschrikt—dat mag niet!

—Ach wat. Ik weet toch alles.

—Ge jaagt mij den dood in. Als Mr. Forster merkt dat gij er gezeten hebt, vermoordt hij mij.

—Dan komt ge mij maar dadelijk achterop.;

—Ik màg niet!

—Lafaard! Wel durfdet gij een daad doen die veel erger is....

—Hoe weet ù dat,—riep de man ineenkrimpende van smart.

—Forster vertelde ’t mij!

—Dat is gemeen!

—Blijft ge dus nog hier?

—Neen!

—Laat mij door! Ga naar het door mij opgegeven adres. Ge zult het er goed hebben.

Raffles wachtte ’t antwoord niet meer af, maar trad brutaalweg de bibliotheek binnen.

Alles was goed gesloten, doch Raffles had op dergelijken tegenslag gerekend. Hij zette zijn instrumentje om sloten te openen er op en het bureau, waarin zooveel geheimen waren, was voor Raffles publiek eigendom.

Hij, die zoo menigmaal met allerlei dingen in aanraking was geweest, wist natuurlijk niet beter te doen dan te zoeken naar ’t een of ander verborgen laadje om te zien of hier bewijsstukken in lagen.

Lang mocht hij evenwel niet talmen, want ’t werd tijd om heen te gaan.

Met razende vlugheid doorzocht hij het bureau. Niets te vinden. Misschien was alles in de brandkluis van het groote kantoor.

Juist wilde Raffles den boel weer sluiten, toen hij vrij onzacht met zijn linkerhand in aanraking kwam met een knopje, dat beschermd werd door een laadje.

Een paneel week op zijde en Raffles zag een met staalplaten bekleede ruimte, waarin papieren lagen.

Zonder zich te bedenken stal hij deze en sloot alles verder zorgvuldig af.

Vijf minuten later kwam professor Edenshir met Issi en Charly de trappen af en tien minuten later suisde de auto, bestuurd door professor Edenshir, door New-York’s straten de pas gehuurde villa tegemoet.

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN NIEUWE STAALSPECULANT.

Graaf Timmys zat naast professor Edenshir voor in de auto en merkte met eenige verbazing op dat men niet naar het gewone buiten ging van den Russischen gezant.

—’t Is ook een buitengewoon geval—antwoordde Raffles terug.—Zoo direct zijn wij er.

Inderdaad. Raffles reed het park in en voor een allerliefste villa bleef de auto staan.

De deur werd onmiddellijk geopend en het vriendelijke gelaat van een ongeveer veertigjarige meid-huishoudster werd zichtbaar.

Tot heden toe liep dus alles goed.

Prachtig zelfs.

Met kalmte en waardigheid bracht men Issi naar een heerlijk groote tuinkamer, waar bloemen haar een vriendelijk welkom toeriepen.

Toen dit geregeld was gaf Raffles Charly een wenk en zeide:

—Graaf Timmys, wilt u mij even volgen?

—Gaarne.

Raffles ging naar een klein kamertje dat nergens ramen had. Wel was er een klein smal luchtgat, maar meer ook niet. ’t Scheen wel een proviandhokje te zijn, want nergens was ook maar een bewijs, dat er ooit iemand langer had vertoefd dan noodig was tot het verkrijgen van voorwerpen die daar opgeborgen waren.

Raffles stiet met den voet tegen een soort matras, en hij mompelde: „Ah, toch om gedacht.”

Hij keerde zich om en zeide tegen Timmys:

—Ziehier uw kamer voor dezen nacht, morgen zullen wij nader spreken.

Meteen gaf Raffles hem een duw, hield hem even een watje met vocht, dat een bedwelmenden invloed uitoefende, onder den neus en legde hem daarna neer op een matras, dekte hem toe met een deken, zette een zeer lange kaars bij hem neer, met allerlei benoodigdheden, zooals water, een fleschje wijn, cigaretten, opdat hij zich niet vervelen zou als hij ontwaakte.

Raffles met Charly gingen nu naar beneden, en namen afscheid van elkander, met de belofte dat Charly zorgvuldig op zou passen, en dat Raffles zoo spoedig mogelijk terug zou keeren.

Raffles reed nu met spoed naar het Victoria-Hotel, nadat hij eerst in een garage de boodschap achtergelaten had:

—Breng die auto onmiddellijk bij Mr. Forster, „den staalmagnaat”, terug met dezen brief:

De brief luidde:

Mr. Forster, bijgenaamd „de Staalmagnaat”.

Mijnheer!

Hierbij in beleefden dank terug uw auto, welke ik noodig had tot uitvoering van mijn plannen.

Professor Edenshir met zijn assistent en uw echtgenoote heb ik gevankelijk als reisgezelschap meegenomen bij mijn vertrek naar de oude wereld.

Van mij zult gij, indien ge mij met rust laat, geen last ondervinden in uw poging om uw millioenen op een oneerlijke wijze te vermeerderen.

GRAAF TIMMYS.

Daarna ging Raffles weer terug naar het Victoria-Hotel, na eerst zorgvuldig de grime van professor Edenshir te hebben verwijderd.

Reeds dadelijk bij zijn binnentreden werd hij hartelijk verwelkomd door den directeur van het mooie, groote hotel en deze informeerde belangstellend naar het uitstapje, dat Lord Divonshart gedaan had in de provincie New-York.

Lord Divonshart ging naar zijn appartementen, en opende nu de stukken, die hij gestolen had uit het bureau van Forster.

Getallen... niets dan getallen, die millioenen vertegenwoordigden....

Maar boven dit alles een plan dat opeens de geheimzinnigheden openden die Forster omgaven.

Forster moest al het staal en ijzer, alle grondstoffen aankoopen tot een lagen prijs. Hij en een graaf, verbonden aan een der gezantschappen, waren de compagnons in deze millioenen-affaire.

Wanneer nu alles in hun handen vereenigd was, zou men invloed gaan uitoefenen op de internationale politiek, dat wil zeggen, men zou partij probeeren te trekken van geschillen, die tusschen de mogendheden gerezen waren.

Dan zou men aanvankelijk doen alsof de voorraden staal en ijzer gecontracteerd verkocht waren aan één mogendheid en de andere zou zeer hooge prijzen gaan besteden voor staal en ijzer.

De beurs was op ’t oogenblik wat men in deskundige kringen slap noemt. Alleen iedereen was verbaasd dat Forster door talrijke agenten alles opkocht wat ook maar eenigszins dienstig was.

De internationale berichten waren immers zóó rustig dat niemand in de eerste jaren althans eenige vrees koesterde dat het tot een oorlog komen zou.

En Forster’s plannen waren zoo geheimzinnig, zóó af, zóó buitengewoon ondoorzichtig, dat men met geen mogelijkheid ook maar bij benadering raden kon wat er eigenlijk gebeurde.