Part 4
Raffles las aandachtig al die plannen, die, hoewel nog geheel onvolledig, hem een inzicht gaven in de ploertige wijze van werken, die de „staalmagnaat” er op nahield.
Zorgvuldig borg hij de dingen in een enveloppe weg en sloot ze in een der koffers, die op zijn pakkamer stonden.
Toen zette hij zich nader en dacht zeer ernstig na.
Forster was thuisgekomen en ging allereerst naar de vertrekken van zijn vrouw.
Niemand was er aanwezig.
Wat kon hier gebeurd zijn?
Een angstig voorgevoel maakte zich meester van Forster.
Hij riep de kamenier bij haar naam, doch kreeg geen enkel antwoord.
Zijn oog viel op een klein briefje, dat op een werktafeltje lag.
Hij rukte het open en las:
Mijnheer Forster!
Vanmiddag verzocht graaf Timmys mij even een boodschap te doen. Ik ging. Bij mijn terugkeer zag ik niemand meer. Zelfs John was vertrokken. De overige bedienden wisten van niets en ik deed onderzoek. Het bleek mij dat mevrouw gevlucht is en ik wilde mij niet blootstellen aan uw toorn.
Vergeef mij.
CHARLOTTE, kamenier.
Roerloos stond hij daar.
Eindelijk rilde hij, als schudde hij iets van zich af en liep naar de breede marmeren gang.
Met luide stem brulde hij:
—Timmys!... Timmys!!...
De deuren der kamers van het overige dienstpersoneel werden geopend en men snelde naar Forster toe, die nog steeds stond te roepen!...
Niemand kon antwoord geven op de vragen, de driftige vragen van Forster.
Stil!
Een auto reed voor!
Forster zelf vloog naar de deur en liep den chauffeur, die het briefje met de auto bracht, bijna omver.
—Vanwaar komt ge?
—Garage „Motor Car’s Cy.”—antwoordde de man.
—Wat moet je?
—Dit briefje geven—zeide de chauffeur nijdig, die alles behalve gesticht was over den door Forster gebruikten toon.
Forster las met inspanning het geschrevene.
Hij waggelde naar binnen, zocht een doorgang door de opdringende bedienden en sloot met harden slag de deur der bibliotheek.
De beheersching was evenwel te hevig geweest en een groote zwakte kwam over den „staalmagnaat”.
Ruim een uur zat hij zoo.
Toen was het alsof hij opleefde.
—Wat weet die Timmys eigenlijk? Hij weet dat ik in geheime betrekking sta tot enkele diplomaten, maar meer ook niet. En dat hij ’t geheele rommeltje heeft meegenomen is mij wel. Als alles achter den rug is, en niemand mij meer treffen kan, zoek ik hem toch. Nu is het slechts uitstel van executie. Wacht maar, Timmys... Wacht maar!.... Het komt wel...
Een vreemde glimlach ontsierde zijn toch al zoo wreed gelaat en het werd er nog onaangenamer door.
Forster ging voor zijn bureau staan en drukte op het geheime knopje....
Hij stak de hand uit... tastte driftig in ’t rond... vond niets... stiet een doordringenden kreet uit... en sloeg met een harden slag op den grond... bewusteloos.
Uren lag hij zoo.
Niemand van het personeel waagde het om binnen te komen en er heerschte een groote ontroering bij allen, die in het huis Forster’s waren.
Den volgenden morgen drongen twee bedienden binnen en vonden Forster nog steeds bewusteloos. In allerijl werden doktoren geroepen, die onmiddellijk tot behandeling overgingen.
Forster’s sterk gestel was een reden dat eenige uren later hij de oogen opsloeg en direct vroeg, zij het dan ook met zwakke stem:
—Alles moet geheim blijven! Beloof me dit.
De doktoren keken elkander aan.
Forster zag dit. Hij werd driftig en riep thans, veel luider:
—Is het al bekend? Vervloekt. Laat mij de couranten zien.
De doktoren probeerden hem te kalmeeren, doch dit ging niet. Ten lange leste besloot men de couranten te geven en een hunner las een sensationeel stukje voor, dat dien dag aller aandacht getrokken had. Onder het dik gedrukte hoofd: „Een vreemde geschiedenis” meldden de bladen het volgende:
Heden is er in de wereld der geldkringen, in de omgeving der speculanten, iets voorgevallen, zooals alleen in Amerika, de Nieuwe Wereld, gebeuren kan.
Zoo men weet behoort de „staalmagnaat” Forster tot een der rijkste, zoo niet de rijkste, mannen van onze wereld.
In enkele jaren tijds heeft hij het weten te brengen tot dezen stand, hij die tot voor eenige jaren nog als gewoon werkman voor de hoogovens stond.
Met de kracht van een electrische vonk heeft hij zich naar boven gewerkt, maar evenals de vonk veel kwaad berokkenen kan, heeft hij ook in zijn omgeving zeer veel leed veroorzaakt. Leed aan anderen, leed aan onschuldigen. Iedereen die hem dwarsboomde, iedereen die hem op eerlijke wijze bestreed, werd doodeenvoudig „opgeruimd”. Hoe dat opruimen gebeurde, weten wij niet te zeggen, niettegenstaande daarover allerlei geruchten de ronde doen.
Wel weten wij dat er een opmerkelijk aantal ongelukken voorviel tijdens de dagen dat hij als werkman op de hoogovens werkzaam was. Daarna was hij leider van de groote staking, die de ijzer- en staalindustrie enorme nadeelen heeft gebracht. Bij de inwilliging der eischen, zagen de directeuren van de verzamelde hoogovens hem in hun midden opgenomen. Reeds toen begon de verrader zijn rol te spelen. De arbeiders, wier belangen hij moest behartigen, werden ontslagen, omdat machines hun werk verbeterden of vlugger deden. Twee jaren nadien kwamen uit Europa onrustbarende berichten. IJzer- en staalprijzen stegen per minuut en met millioenen werd er gespeculeerd. Toen was hij het die door verzwijging van een draadbericht op één dag heer en meester werd en hoofddirecteur der beroemde hoogovens. Doch ook hier speelde hij een dubbele rol. Met geld, verdiend door de hem toevertrouwde kapitalen, kocht en verkocht hij privé, met het gevolg dat een jaar later hij optrad als ijzer- en staalindustrieel met de nieuwste fabrieken en hoogovens.
Forster zat evenwel nog niet stil. Eerzuchtig, hoogmoedig als hij is, streefde hij naar wereldheerschappij en verzamelde onder het mom van huisbedienden graven en baronnen om zich heen, die in werkelijkheid niets anders schijnen te zijn dan gewetenlooze diplomaten.
Een hunner, graaf Timmys, Portugees van geboorte, maar eertijds verbonden aan verschillende gezantschappen, is heden met de noorderzon vertrokken.
Hieraan is een inderdaad geheimzinnige geschiedenis verbonden.
Forster hield zijn mooie, jonge vrouw, die vroeger als typiste bij hem was werkzaam geweest, gewelddadig gevangen met het gevolg dat een zenuwspecialiteit noodig was om mevrouw Forster’s gezondheid te herstellen.
Gedurende een tweetal dagen is deze specialiteit van goeden naam en faam ten huize van Forster geweest. Gisteren schijnt deze specialiteit onheusch te zijn behandeld en kreeg hij „toevallig” woorden met graaf Timmys, die een dolk trok en den specialiteit te lijf wilde gaan.
Of dit gebeurd is, staat nog niet vast. Wel zijn mevrouw Forster, de zenuwspecialiteit en diens assistent met graaf Timmys spoorloos verdwenen.
Evenals een bediende, die al gedurende enkele jaren bij Forster dienstbaar was en die door de politie indertijd ijverig gezocht is geworden in verband met een geheime moordgeschiedenis op een secretaris van een bekend gezantschap.
Ook de kamenier is vertrokken.
Bij het instellen van een onderzoek bleek het Mr. Forster, dat uit zijn privé-vertrekken gestolen zijn zeer belangrijke documenten, waardoor de „staalmagnaat” zoo geweldig is geschrokken, dat een aanval van beroerte niet uitbleef.
De doktoren hebben rust voorgeschreven en de verwachtingen zijn van dien aard, dat het vermoeden gewettigd mag heeten, dat mr. Forster binnen enkele dagen geheel hersteld zal zijn.
Intusschen zien wij vol belangstelling den uitslag van deze vreemde historie tegemoet.
Forster zweeg lang stil en vroeg: „Hoe weet men dit alles?”
De doktoren moesten het antwoord schuldig blijven en Forster gelastte dat onmiddellijk de bedienden ondervraagd zouden worden.
Een hunner wist te vertellen, dat een journalist was wezen vragen naar een en ander, maar dat hij niets had te weten kunnen komen.
Op staanden voet werd de man toch ontslagen en Forster gaf bevel dat niemand eenige inlichtingen geven mocht.
Dien dag hield Forster het bed.
Met zware, sonore slagen klepelde de beursklok van het enorme groote beursgebouw in Wallstreet het aanvangsuur.
Stroomen heeren renden naar binnen, liepen in haastigen pas de portiers voorbij en begaven zich allereerst naar de tijdingzalen, waar door middel van electrische „tijdingborden” de stand werd aangegeven van de verschillende fondsen die verhandeld werden.
Het was een geraas en geweld, dat hooren en zien verging en nog steeds stroomden nieuwe bezoekers binnen.
Overal hoorde men den naam van Forster noemen en vooral in den „staalhoek” was de stemming wonderlijk.
De noteeringen waren dien dag buitengewoon laag en menigeen, die in tijden van spanning staal gekocht had, zag met bezorgde blikken de verschillende orders na, die blijken gaven van buitengewone slapte.
Eenigszins bezijden de groep van staalspeculanten stond een knap, elegant heer met een beminnelijken glimlach op de lippen.
’t Scheen wel alsof hij met alles en allen heimelijk spotte, zoo keek hij met een zekere minachting neer op al dat gewriemel rond hem heen.
Hij had dien morgen gelezen dat de verhouding tusschen twee Europeesche mogendheden minder gunstig was, doch wist ook dat de staal- en ijzernoteeringen geheel in handen waren van Forster.
Verschillende agenten kwamen op hem toe.
—Koopen?
—Neen!—klonk het flegmatieke antwoord—ik ben Lord Divonshart met een speciale opdracht hier aanwezig. Ik zoek Forster, een uwer groot-industrieelen.
Enkele minuten later was Lord Divonshart, alias Raffles, omringd van de zwendelagenten van Forster.
Zij allen hadden, zooals zij beweerden, enorme hoeveelheden staal en ijzer, goede kwaliteit, maar tegen zéér hooge prijzen.
Lord Divonshart noteerde steeds maar neer, en ten slotte had hij minstens drie kwart-gedeelte van den aanwezigen voorraad gekocht.
Alle verkooporderbriefjes werden geëndosseerd aan de Engelsche bank, die bij informatie mededeelde dat ten name van Lord Divonshart een bedrag was gedisponeerd van vijftig millioen dollar met een overwaarde, dat wil zeggen crediet van tweehonderd millioen dollar.
Groot was de verbazing onder de „staalmannen” bij het hooren van deze sommen en iedereen poogde iets naders te vernemen van den geheimzinnigen Lord, die zoo groote koopen sloot.
Niets kwam men evenwel te weten en de spanning steeg met ieder oogenblik.
Morgen... morgen!... dan zou men ongetwijfeld meer weten.
Lord Divonshart zat evenwel niet stil. Zoodra de beurs op het daarvoor gestelde uur gesloten werd, ging hij naar de fabrieken van Forster toe en vroeg de directie te spreken.
Hier zette hij het doel zijner komst uiteen en na een zwaren strijd kreeg hij het zoover dat de directeuren, buiten Forster om, een koop afsloten, waarbij Divonshart eigenaar werd van de geheele massa staal en ijzer die in voorraad was, en ook de nog te maken voorraad gedurende twee jaren was zijn eigendom.
Dit gerucht ging als een loopend vuurtje de beurswereld door en de meest scherpzinnigste handelaars waren voor een wijle op het dwaalspoor gebracht.
Toen ’s avonds de beursberichten binnenkwamen bij Forster, hij was op, vreesden de doktoren een nieuwen aanval van beroerte, zóó hevig scheen hij getroffen door alles wat hij las.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
GEVALLEN.
Nadat de doktoren Forster gekalmeerd hadden en hem een stillenden drank hadden ingegeven, wilde hij hebben dat men onmiddellijk de directie zijner fabrieken liet roepen.
Deze kwam en geen pen ter wereld is in staat te beschrijven de woede, die Forster openbaarde. Als een duivel ging hij te keer en toen een der heeren opmerkte dat men toch in ieder geval een enorme winst had gemaakt, werd hij zoo boos, dat men vreesde voor zijn leven.
En toch......
Met ijzeren wilskracht hield hij zich staande en bezwoer dat hij tot iederen prijs de staalmarkt terug moest hebben. Hij, hij alleen moest de noteeringen hebben, niemand anders.
De telefoon ging over en een der directeuren nam den hoorn ter hand om hem enkele oogenblikken later twijfelend aan Forster te geven.
—Men vraagt u zelf!
—Geef hier! Ja. Hallo? Wiedaar?
... ... ... ...
—Ah! Ja, dat is een beroerde geschiedenis. Men heeft gelegenheid gehad.
... ... ... ...
—Wat zegt u? Een Engelsche Lord?
—Niet mogelijk. Dat is niet zoo. Ik zal probeeren met den man te handelen. ’t Moet. Niet goedschiks, dan maar op een andere manier.
Nog zeer lang bleef Forster aan de telefoon. Men begreep zooveel wel uit het gesprek, dat men huiverde bij de plannen van dezen man.
Doch niemand wist dat daar buiten Lord Divonshart, met een instrument, bevestigd aan den telefoondraad, alles afluisterde wat er gesproken werd tusschen Forster en zijn compagnon... een lid van een gezantschap.
Een half uur later kwam een der directeuren van de Forster hoogovens bij Lord Divonshart in het Victoria-Hotel.
—U wenscht?
—Lord, ik kom in opdracht van mijn chef, mr. Forster. Of u onmiddellijk mee wilde komen?
—Waarom?
—Mr. Forster is eenigszins ongesteld en wenscht u te spreken.
—Over den koop?
—Ja.
—’t Spijt mij zeer, maar ’t is mij onmogelijk. Wanneer ik mr. Forster hier ontvangen kan, zal mij dit zeer aangenaam zijn.
Welke moeite men ook deed, Lord Divonshart, alias Raffles, was niet te bewegen om mede te gaan. Hij dacht: „Wanneer ik mij daarheen begeef, keer ik niet meer terug.”
Onverrichter zake keerde de directeur terug.
’t Zal zoowat middernacht geweest zijn, dat een auto stilhield voor het Victoria-Hotel en Forster, ondersteund door zijn twee directeuren, binnen trad.
Lord Divonshart moest gewaarschuwd worden.
Deze was nog op, want hij had dit bezoek verwacht.
Forster trad gejaagd binnen.
—Mijnheer—riep hij—u had wel wat meer medelijden mogen hebben.
—Waarom?
—Ik ben ziek.
—Toch niet zoo ziek of u kon komen.
—Omdat het van zeer groot belang is.
—Is u een staaleigenaar? Ik koop thans tegen hooge prijzen.
—Ge hebt gekocht.
—Ook dat. Maar nog lang niet genoeg.
In sprakelooze verbazing zag Forster Lord Divonshart aan.
—Moet ge nog meer hebben?
—Ja.
—En ik kwam juist om het terug te koopen.
—Dat is onmogelijk.
—’t Moet.
—Niemand kan mij dwingen.
—Gij hebt misbruik gemaakt van mijn afwezigheid.
—Integendeel. Ik had juist naar u geïnformeerd.
—Doet er niet toe. De koop is ongeldig,
—U vergeet de leveringswet.
—Kan mij niet schelen!
—Dan leg ik morgen beslag op alles.
—Dat kunt ge niet!
—We zullen zien!
—Komt u namens een regeering?
—Namens mezelf.
—Is uw bedoeling geld te verdienen?
—Ja.
—Laat mij ’t dan terugkoopen.
—Welken koers?
—Tien procent hooger dan de uwe.
—Dank u. Wanneer er vandaag of morgen oorlog komt, maak ik minstens honderd procent.
—Er komt geen oorlog!
—Denkt u?
—Dat weet ik zeker!
—Durft u mij dat schriftelijk te geven?
—Als ge mij alles wat ge gekocht hebt terug laat koopen tegen den koers dien ik noemde.
—Neen!
—Wat eischt ge dan?
—Vijftig procent.
—Nooit. Ik geef twintig!
—Geen denken aan!
Lang nog waren de beide mannen bezig. Lord Divonshart, alias Raffles, bleef op zijn eisch en in dolle drift gaf Forster zijn toestemming.
Raffles eischte daarvan een onmiddellijke kwitantie op een bank, die direct zou uitbetalen.
Forster schreef een kwitantie van zeven en een half millioen dollar, zijnde het verschil tusschen Lord Divonshart’s koop en verkoop. Het koopbriefje van dezen kreeg Forster.
Bovendien schreef Forster een bewijs:
Ondergeteekende verklaart hiermede dat hij uit de beste bronnen weet dat er geen oorlog komen zal.
FORSTER.
Met een glimlach op ’t gelaat liet Raffles Forster uit, die afgemat en uitgeput plaats nam in zijn auto.
Den volgenden morgen vroeg haalde Raffles het geld van de bank en deponeerde dat elders.
Daarna ging hij naar het Amerikaansche regeeringsgebouw, waar hij den staatssecretaris alles uitvoerig uiteenzette.
Deze telegrafeerde de geheime nota’s, welke noodig waren om met de Europeesche mogendheden in contact te komen.
Van dat oogenblik af moest men geduldig afwachten.
—De „staal”-beurs opende dien dag met spanning. Er was een enorme vraag naar staal en ijzer, doch niemand kon verkoopen. Bijna alles was immers in handen van dien Lord Divonshart.
Onbevangen trad hij de beurs binnen en weldra werd hij bestormd met duizenderlei vragen.
Hij baande zich een weg door de rijen bezoekers, en raadde iedereen aan om wat hij te verkoopen had, dit op te geven aan de agenten van Forster.
Vreemd genoeg hadden allen een groot vertrouwen in Lord Divonshart.
Geen wonder.
Aan allen die hem aanhielden toonde hij Forster’s briefje en vertelde daarbij kalm en waardig: „’t Schijnt mij toe dat er iets met Forster gebeuren gaat.”
’s Avonds was Forster bezitter van al het staal, dat er op dat oogenblik in Amerika voorradig was.
Niettegenstaande hij, zooals hij het zelf noemde, „een strop had van zeven en half millioen”, zoo zou hij toch enorme winsten maken... als......
Tien dagen later.
Uit de door Raffles gestolen papieren, welke hij gedeponeerd had bij den regeerings-staatssecretaris, was het bekend geworden dat enkele groot-kapitalisten in Europa met enkele uit Amerika—onder wie allereerst Forster—het daarheen dreven dat er oorlog komen moest.
Er was geknoeid geworden, tusschen deze groot-kapitalisten en diplomaten. Landen waren gekocht en verkocht en nu, door één enkelen politieken zet, dreigde er dan werkelijk oorlog te komen.
Doch juist op het moment dat de bom te springen stond, greep Amerika in met vaste vuist en een onderzoek werd onmiddellijk door alle regeeringen ingesteld.
Enkele opzienbarende arrestaties volgden van mannen die in hooge eer en aanzien stonden.
Telegrammen werden heen en weer gezonden en het gevolg was dat men op den tienden dag na Raffles’ koopen op de beurs lezen kon, dat de internationale toestand gezuiverd was van alles wat hinderlijk was voor den vrede. En tien tegen één, zoo profeteerden, de hoogere staatslieden, dat de vrede voor geruimen tijd bestendigd was.
De beursnoteeringen waren dien dag normaal.
Alleen in den staalhoek was de verontwaardiging hevig en moest deze afdeeling op bevel van de overheid gesloten worden.
Forster die de beurs bezocht had, had een goed heenkomen gezocht, en zat thans op zijn privé-bureau.
Doch ook hier liet men hem niet met rust en men zocht hem op om onmiddellijke betaling.
De kas werd uitgeput...
En millioenen, die bij het welslagen der voorgenomen plannen zouden binnengestroomd zijn, moesten nog betaald worden.
Forster werd wanhopig.
Hij brulde dat men de deuren sluiten zou, maar niemand gaf gehoor aan zijn bevel.
Eindelijk steeg de toestand tot een paniek.
Hevige scènes waren er voorgevallen...
De toestand was niet meer te redden...
Toen greep Forster een revolver....
Een kleine hoofdwonde scheen een einde gemaakt te hebben aan een geweldig leven!...
ACHTSTE HOOFDSTUK.
SLOT.
Charly was door Raffles op de hoogte gehouden van alles wat er gebeurde en wist ook van den dood van Forster.
„Ik kom—zoo schreef Raffles—morgenochtend. Wij vertrekken dan onmiddellijk, nadat ik alles voor onze „patiënt” in orde heb gebracht!”
Dit was zoo gebeurd.
Raffles was naar het mooie villatje gekomen, waar Issi nog was.
Ook graaf Timmys was er nog, maar thans in een betere en ruimere kamer, waar hij bediend werd door John, die door Charly was aangenomen. Hij deed tevens dienst als bewaker.
Al deze menschen, behalve Charly, wisten nog niets van al het gebeurde.
Raffles ging eerst naar Timmys en deelde hem mede wat er gebeurd was.
—Ik zou je nu kunnen overleveren aan de politie. Dit doe ik niet. Maar ik gelast je onmiddellijk je gereed te maken, want ge wordt heden ingescheept naar Europa.
Timmys zweeg.
Hij maakte zich gereed en wachtte daarna af.
Voorzichtig deelde Raffles daarop al het gebeurde mede aan Issi.
Zij zuchtte als een mensch, die verlost wordt van een zwaren last.
Raffles stelde haar toen zeven en een half millioen ter hand, die hij, zooals hij zeide, „eerlijk verdiend had”.
Hij gaf John order, zijn meesteres trouw en eerlijk te dienen, vertrouwde Issi toe aan de goede zorg der vriendelijke huishoudster, en hoorde niet eens meer de woorden van dank, die Issi hem toestamelde.
Timmys nam plaats tegenover Raffles en Charly in een auto, die hem vlug naar Hoboken voerde.
Daar lagen de groote mailsteamers, en twee uren later zat Timmys op een Portugeesche boot, die reeds onder stoom lag.
—Menschen als hij zijn er genoeg in Amerika.
Toen ging Raffles naar het passagebureau voor Engelsche schepen en terwijl hij twee tickets nam voor speciale hutten, zeide hij:
—Op zee zullen wij kunnen rusten van al het werk, dat deze vreemde geschiedenis met zich mee bracht. Jammer dat Baxter er niet bij is geweest.
AANTEEKENING
[1] Hoogmoedswaanzin.