Part 2
—Kort? O, ’t is zoo eindeloos lang het verhaal van ’t leed, dat tusschen ons is. Maar kort zal ik ’t vertellen. Toen ik nu ruim een jaar geleden met jou trouwde, wist ik zoo weinig van alles wat er gebeurde. Ik wist niet dat jij een mensch was, die niets ontziet wanneer het er op aankomt geld te verdienen. Alles offert gij daaraan op. Toen wist ik nog niet op welk een wijze gij de onmetelijke kapitalen hadt verkregen, die jou in staat stellen zoo te leven als nu! Wel heb ik mij menigmaal verwonderd dat gij zoo spoedig opgeklommen waart, maar ach, hier in ons land, waar zooveel avonturiers hun slag slaan, is niets vreemd. Ik begreep er dus niets van, doch pijnigde mijn hersenen ook niet met een oplossing van dit vraagstuk. Later toen ik, zooals jij het noemde, „de groote wereld” werd binnengeleid... toen ik hoorde en zàg hoe de kapitalen zich vermeerderen,... toen ik bemerkte dat gij met vuur speeldet en de wereld meende te kunnen beheerschen, heb ik je gewaarschuwd. Jij meende toen dat ik met je vijanden had gesproken. Jij maakte tumult. Jij sloot mij òp. Jij ontnam mij mijn vrijheid. Jij omringde mij met een bende trawanten, die gij huurdet. Mannen van adel. Adel die niet geadeld was en die vreugde schepte in jouw plannen. Zij stelden mij tot spot. Zij moesten mij lééren!... lééren... Gij meendet, dat gij alles doen mocht wat gij zèlf wilde. Gij vernietigde iets in mij... mijn geloof in de menschen. Waarom liet gij mij niet de eenvoudige typiste?... Waarom naamt gij mij? Dacht gij met jouw geld, waar bloed aan kleeft, mij gelukkig te maken?...
Even zweeg Issi en keek haar man doordringend aan.
Toen vervolgde zij:
—Gij zijt daarna begonnen met mij te overtuigen van je goed recht. Ik zàg... ik begreep alles!... Ik wist de gruwelijke oneerlijkheid van jou bestaan... van het bestaan der staalcombinatie, waarvan gij de ziel bent. Ik smeekte je er niet mee verder te gaan.... op te houden met zoo schandelijk bedrijf. Ge wildet niet, en ge dwongt mij met je mee te leven. Gisteren moest gij mij meenemen naar die partij van Baltimore, omdat er geld te verdienen was. Ik moest dienen om de aandacht af te leiden. Dat wilde ik niet...
Forster sprong op...
—Eén oogenblik nog—zeide Issi—ik ben zoo gereed. Thans zeg ik je, dat het niet langer zoo kan! Ik wil niet. Ik ga heen en ge moet zelf weten wat ge doet. Maar ik wil niet genoemd worden bij de namen van hen die niets dan ellende brengen over de wereld. Ge meent dat een vrouw een zwak, een onnut schepsel is. Vergis je niet. Ik weet dat gij thans niet alleen met je staal bezig bent een ontzettende daad te bedrijven, maar dat ge ook je onzalig geld uitzet op een hooge troefkaart... Wees gewaarschuwd.
Vermoeid zweeg Issi.
Forster knarste op zijn tanden.
—Eens—stiet hij uit,—kwam een man met je vader in botsing... en—vervolgde hij somber—je vader werd gedood, zoo men zegt bij toeval. Jij hebt iets, meen ik, van die krankzinnige eerlijkheid van je vader... Ik zou kunnen bewerkstelligen dat een toeval ook jou trof... Jij hebt mij gewaarschuwd... ik doe het jou!...
Geheimzinnig hadden deze woorden geklonken. Heesch had Forster ze uitgestooten en Issi moest onwillekeurig huiveren voor den man, aan wien ze vastgekoppeld was. Vooral toen hij gewaagde van haar vader, schrok zij hevig op. Een geweldig vermoeden rees bij haar naar boven. Was Forster misschien de moordenaar? O! die pijnlijke onzekerheid. Die gruwelijke onzekerheid. Dat was om gek te worden!...
Forster bemerkte den angst bij Issi en ging koud, meedoogenloos voort:
—Van dit oogenblik af moogt ge geen voet meer buiten dit huis zetten zonder geleide. Ik zal mijn orders geven. Niemand moogt ge buiten mij, of mijn zaakgelastigde—Forster gebruikte gaarne mooie woorden—ontvangen. Tot op het oogenblik dat gij uit eigen vrije beweging naar mij toe zult komen om met mij te genieten van het door mijn vernuft verdiende geld, wordt ge beschouwd als mijn gevangene.
—Dat is onrecht,—riep zij uit.
—Mijn recht bedoelt ge. Een recht dat ik gekocht en betaald heb. Niemand kan mij dat beletten. Mijn macht is grooter dan ge denkt. Geen enkele rechter durft mij aan... Niemand zal het ooit wagen mij aan te vallen... Niemand... Iedereen weet, dat ik zelfs bevriend ben met de regeerders van andere landen!....
Issi zweeg zeer stil. Zij gevoelde haar onmacht tegenover deze geldkracht en boog het hoofd als in groote vertwijfeling.
Forster riep nu graaf Timmys.
Tijdens de jaren dat Forster voor een groot deel de macht van millioenen en nog eens millioenen menschen bezat, bestond er bij de van niet geworden multi-millionnairs een eigenaardige gewoonte.
Zij, die met een ontzettende praal en pracht op grenzeloos parvenuachtige wijze leefden en hun huizen tentoonstelden, kregen het idee om enkele vertrouwde dienaren te kiezen uit den adelstand.
Meestal waren deze personen uit Europa gekomen, als avonturiers, of om op deze wijze uit te wisschen een vlek, die op den familienaam rustte.
Enkelen hunner gingen doodeenvoudig gewoon aan ’t werk, om als een eerzaam burger te kunnen leven, doch anderen, gewoon aan hun luie leventje, boden zich aan als kamerpersoneel bij de millionnairs, welke meestal zeer vatbaar waren voor vleierij.
Forster nu had ook enkele bedienden, onder wie een graaf en vier baronnen.
Hij was er trotsch op dat hij vijf adellijke personen in dienst had en stelde graaf Timmys aan als chef over de anderen.
De „heeren” hadden het uitstekend bij Forster, wijl zij een zeer hoog salaris genoten en als zij hun „uitgaansdag” hadden, waren zij volkomen in de gelegenheid om de meest buitensporige genietingen te smaken.
Forster bemoeide zich alleen met graaf Timmys, een sluwen kerel, die nooit iemand open in de oogen zag, maar steeds als een gluiper met iemand sprak.
Graaf Timmys had in de tien maanden, welke hij in Forster’s dienst was geweest, zich het vertrouwen weten meester te maken van den parvenu, met het gevolg dat Forster Timmys’ zak goed vulde.
En het noodlot wilde bovendien dat Issi, die een geweldigen afkeer had van al dit „groot gedoe”—zooals zij het noemde—absoluut de adellijke bedienden behandelde als waren zij gewoon personeel.
Met haar onschuldig, rein hoofd en hart wenschte zij geen diensten gedrenkt met vleierij en gaf meer dan eens op luiden toon hare ontstemming te kennen over het optreden van graaf Timmys.
Deze, een Portugees van geboorte, was een zeldzaam hartstochtelijk mensch, die, wanneer men hem ééns beleedigde, iemand haten kon met een hevigheid die gevaarlijk te noemen was.
Forster wist dit. Hij wist ook dat graaf Timmys zijn vrouw niet mocht lijden, dat hij iedere daad aan hem vertellen zou, en kon dus geen beteren bewaker aanstellen dan dezen man.
—Timmys—gebood Forster—ik wensch dat van dit oogenblik af niemand mijn vrouw bezoekt, zonder mijn voorkennis.
De grafelijke bediende boog.
—Verder draag ik u op om, als mijn vrouw mocht uitgaan, haar schreden te volgen. Buiten het park mag zij niet gaan.
Andermaal boog Timmys.
—U wilt daarvoor wel zorgen?
—Zeer zeker, Sir! Mag ik u nog opmerkzaam maken op mevrouw’s brieven?
—Prachtig, Timmys! Ge hebt twintig dollar méér per maand om uw opmerkingsgave. Mevrouw mag geen papier noch schrijfmaterialen hebben buiten mijn wil.
Issi stond daar als een vlammende engel. Haar oogen schoten vuur. En toch was zij onmachtig tegen gewetenlooze schurken als zij beiden waren.
Zij trilde over haar gansche lichaam en haar zelfbeheersching was zoo hevig, dat haar zenuwen te sterk werk moesten doen. Zij viel met een licht gilletje op een stoel bewusteloos neer.
Hard, koud, zeide Forster:
—Wij zullen haar wel klein krijgen, roep haar kamenier.
Enkele minuten later was deze aanwezig en binnen een kwartier opende Issi de oogen en vroeg met zwakke stem:
—Breng mij naar mijn kamers.
Ondersteund door haar kamenier schreed Issi voort naar haar kamers en bleven de beide mannen achter.
Forster zette zich neer aan de schrijftafel en bemerkende dat Timmys nog steeds te wachten vroeg hij barsch:
—Waar wacht ge op?
—Een bewijs van salarisverhooging.
—Vertrouwt ge mij niet?
—’t Is alleen voor eigen zekerheid.
—Niemand leent je toch op een vod?—vroeg Forster met een grijnslach op zijn gelaat.
—Uw handteekening opent de deuren der paleizen, Sir,—antwoordde Timmys met een glimlach.—De macht is wonderlijk.
—Dat is de macht van ’t geld—mompelde Forster, terwijl hij het gevraagde bewijs gaf.
DERDE HOOFDSTUK.
PROFESSOR EDENSHIR.
In een der groote hotels van de machtige wereldstad New-York woonde in een der weelderigst ingerichte appartementen John C. Raffles met zijn secretaris Charly Brand uit Londen.
Raffles was ingeschreven als de graaf van Divonshart en Charly Brand als Sir Douglas.
Raffles was naar New-York gekomen, nu enkele weken geleden, omdat hij behoefte had aan andere nieuwere indrukken en geen andere beweegredenen had hij gehad dan alleen eens voor een wijle uit de Londensche omgeving te zijn.
Hij lag thans languit op een divan en keek droomerig naar de geweldige drukte die daar beneden op het plein heerschte.
Charly was verdiept in den nieuwsten Amerikaanschen roman, beschrijvend het leven en werken van de trustkoningen, de leugenaars der samenleving.
—Interessant, Charly?—vroeg Raffles.
—Buitengewoon—antwoordde Charly, terwijl hij het boek dichtsloeg.—De schrijver van dezen roman schijnt mij toe te zijn iemand die achter de schermen heeft gekeken. De toestanden worden tenminste zoo goed beschreven dat het mij onmogelijk toeschijnt dat een oppervlakkige toeschouwer, die buiten deze sfeer staat, het onmogelijk beschrijven kan op de manier als deze het doet. ’t Moet wel eens de moeite waard wezen het leven dier parvenu’s van dichtbij mee te maken.
—Zoudt ge dat gaarne willen?
—Waarom vraagt ge dat?
—Wel, jongenlief, dan introduceeren wij ons zelf.
—Laten wij dat later doen!
—Och, waarom nu niet?
—Omdat wij naar hier zijn gekomen voor jou genoegen èn om uit te rusten. Als jij tusschen al die zakenmenschen komt, is het weer mis. Dan begint gij toch.
—Ik zal er toch eens over denken. Er is misschien weer wat te leeren, en daarvoor zijn wij immers nooit te oud......
Raffles met Charly spraken nog langen tijd te zamen en de tijd snelde voorbij in zalig nietsdoen.
Op een andere plaats, in de woning van Mr. Forster, viel een gansch ander tooneel voor.
Issi’s zenuwen waren door een voortdurende prikkeling en nu ten laatste door het onmenschelijk optreden van haren echtgenoot zoodanig geschokt, dat zij, zoodra zij op haar kamer was gekomen, last had gegeven dat haar kamenier het rustbed in orde moest maken.
Nauwelijks was dit gereed of in groote vermoeidheid zeeg Issi neer en stamelde om een doctor.
De kamenier, een vertrouwde van Forster,—want hij had het personeel zelf gekozen om zeker te zijn van alle maatregelen,—ging naar de Bibliotheek en bracht de boodschap over.
—Vervloekte nonsens,—bromde Forster.—Is het zoo erg?
De kamenier, die waarschijnlijk getroffen was door Issi’s lijdend gelaat, zeide:
—Ditmaal geloof ik dat het zeker noodig is, Sir. ’t Is trouwens een veel te mooi duifje om nu al dood te gaan.
Forster greep het telefoonboek.
Welken doctor moest hij nemen?
Allemaal kwakzalvers!
Wacht, een professor. En dan liefst een buitenlandsche.
Forster sloeg een blad op, waarin iedere week de bezoeken van beroemde vreemdelingen werden aangekondigd.
Hij lette er niet op dat hij een courant nam van een maand oud, doch zag alleen: „Aangekomen in Victoria-Hotel, appartement nummer I, Professor Edenshir van Oxford, specialiteit in zenuwziekten.”
Het telefoonnummer stond er bij, zoodat, wilde men den geleerden bezoeker zèlf opbellen, men dit doen kon.
Nu wilde het grillige lot, dat Professor Edenshir vertrokken was en dat Raffles met Charly de kamers in het Victoria-Hotel betrokken hadden.
Raffles wist dit wel en reeds twee malen had een persoonlijk bezoek van een patiënt tot een grappige vergissing gevoerd.
De telefoon belde en Raffles zeide:
—Weer voor de zenuwspecialiteit? Waarachtig, Charly, als het niet verandert zie ik mij genoodzaakt me in te laten schrijven als student in de zielkunde om later te kunnen practiseeren.... Hallo!—
Aan de andere zijde deed Forster op zijn bekende ruwe manier zijn verhaal, en Raffles luisterde met spanning.
Eindelijk hoorde Charly Raffles zeggen:
—Goed, Sir Forster. Ik kom binnen ’t uur.
Hij legde de telefoon neer, en streek zich in gedachten over ’t voorhoofd. Langzaam liep hij op Charly toe en sprak:
—De hand van ’t noodlot, Charly!—
—Mijn God, Edward! Wat is er?
—Ah! Wees niet ongerust. Ge wildet de millioenen-koningen van dichtbij zien? Ge kunt het. Een hunner, Forster, ik hoorde weinig goeds van hem, telefoneerde om professor Edenshir voor de zenuwen van zijn vrouw. Wij gaan er heen.
—Edward!—
—Nu?
—Pleeg geen onzinnige daad.
—Welke?
—Ge wordt bij een patiënt geroepen.
—Och, kom! ’t Is een zenuwgeschiedenis, misschien wel eene van de „mode”. Koud water, Charly, èn rust. Dat is mijn methode. Geloof mij, dat ik mij niet in gevaar begeef.
Hoe gaarne Charly ook meeging, toch vond hij het raadzamer om thuis te blijven, zoodat Raffles alleen per auto zich brengen liet buiten New-York, waar het huis van den „staalmagnaat” gelegen was.
—Vóór u naar de zieke gaat—verzocht hem de portier van Forster—wordt u gewacht bij Mr. Forster.
—Breng mij er heen—gelastte Raffles.
Weinige oogenblikken later stond Professor Edenshir, alias Raffles, voor Forster.
Onbeleefd, onhandig, ruw, ontving de werkman-millionnair de elegante verschijning van Raffles, die zich nu al geweldig ergerde bij het zien van zulk een onaangenaam uiterlijk.
Hij nam daarom ook maar onmiddellijk de gelegenheid waar om zelf de richting van het gesprek aan te geven en vroeg:
—Is mijn consult voor u persoonlijk?
—Neen!—viel Forster barsch in.—Jullie geleerde heeren meenen zeker dat heel de wereld ongezond is. Ik ben niet ziek. En al was ik ziek, dan nog kwam er geen doctor bij mij.
—Mijnheer—viel Raffles in—u kunt sterk wezen, gezond naar ’t uiterlijk, maar u lijdt aan een ernstige kwaal.
—Wat zegt u?—zeide Forster, veel minder gerust dan even daarvoren.
—U lijdt—herhaalde Raffles—aan een geheime kwaal.
—Welke?
—Extroiridatismisme. [1]
—Dat versta ik niet.
—’t Is niet te vertalen,—zeide Raffles—doch ik kan u onder mijn behandeling nemen.
—Is ’t gevaarlijk?
—Nogal.
—Direct gevaar??
—Wanneer u dringende zaken hebt te doen, kunt u ze eerst wel afhandelen, want mijn behandeling is van dien aard, dat u volkomen rust moet genieten.
—Dat is tenminste een eerlijke verklaring—meende Forster.—Andere doctoren zouden beginnen met mij nu al te pijnigen met rust, nu, nu al mijn werk noodig is aan een buitengewone zaak. Doch verder. Ik heb u laten roepen voor mijn vrouw. Op geld—vervolgde Forster—behoef ik niet te zien. Doch ik wil mijn vrouw gezond hebben.
Raffles luisterde aandachtig toe.
—Hoe oud is de patiënte?
—Een en twintig jaar.
—En u?
—Drie en vijftig.
—Kinderen?
—Gelukkig niet.
—Waren er voor dezen dag meerdere verschijnselen van zenuwachtigheid?
—Voor zoover ik weet niet!
—Hoe is haar familie?
—Vader doodgebleven voor een hoogoven.... een bak gloeiende erts over ’t lichaam. Moeder leeft nog,—bitste Forster kortaf. Die kerels vroegen ook letterlijk alles.
Raffles gaf te kennen de patiënte te willen zien.
Hierop deed Forster schaamteloos een omstandig verhaal, hoe hij het noodig oordeelde zijn vrouw te behandelen en eindigde:
—U is dus gewaarschuwd. Iedere poging om haar van onder mijn macht te krijgen wordt gestraft.
Raffles was hevig verontwaardigd. Zulk een dier-mensch had hij nog nooit ontmoet en met een niet te miskennen bitterheid antwoordde hij:
—Uw wil als echtgenoot zal geschieden, doch mijn eisch als medicus moet in alles geëerbiedigd worden!
—Dat zal gebeuren.
Hierop werd professor Edenshir naar de kamers van Issi gebracht en Forster gaf de kamenier een wenk om goed op te letten. Zelf keerde hij terug naar zijn werkkamer in de bibliotheek.
Zoodra Raffles op het rustbed toegetreden was beval hij:
—Open die gordijnen.
—Mevrouw wenscht dat niet—wierp de kamenier tegen.
Raffles sprak niet, liep op de zware overgordijnen toe, en schoof ze met kracht op zijde.
Het volle daglicht stroomde de kamer binnen.
—Dank u, doctor!—fluisterde de patiënte.
De kamenier was ontzet. Zulk een man had zij nog nooit gezien. Zij keerde zich om, want Raffles had zulk een gloed in de oogen dat zij ze niet weerstaan kon.
Nu boog hij zich over Issi heen en deed precies alsof hij een arts was die een diagnose stellen moest.
Inmiddels bemerkte hij dat de kamenier de minste zijner bewegingen volgde en met scherpte toeluisterde of zij ook iets hooren kon.
—Roep uw meester hier—beval Raffles na verloop van een twintig minuten—èn vlug!— — —
De kamenier vloog weg.
Ademloos kwam zij binnen bij Forster en hijgde:
—Dat is een duivel, die kerel! U moet komen! Dadelijk.
Onwillig stond Forster op en ging met de kamenier mede.
Inmiddels had Raffles gezegd:
—Mevrouwtje, ik begrijp alles. Vertrouw op mij. Ik zal u redden. Doe alles wat ik zeg. Houd u ziek, doodziek en zeg niets. Opgepast,
Hierbij had Raffles, die door innig medelijden bewogen was, de hand van Issi warm gedrukt, en hij voelde waarom Issi spontaan zeide:
—Goddank!—
Forster kwam luidruchtig binnen.
—Waarom is ’t hier zoo licht?
—Op mijn bevel!—antwoordde Raffles streng.
—Zieken moeten duisternis hebben. Dan kunnen ze slapen.
—Krankzinnigen of stervenden—antwoordde Raffles hàrd—hebben licht noodig. U hebt recht als man, doch ik als geneesheer. Dit moet open blijven.
Forster zweeg nijdig stil.
Wat een beweging! Welk een ellende! Een geschiedenis die onaangenaam was.
—Wat is het geval?—vroeg hij gemelijk.
—Er schijnt hier iets ontzettends gebeurd te zijn. Deze jonge vrouw is buitengewoon mishandeld. Weet u daarvan?
—Ik niet!—zeide Forster.
—Onmiddellijk moet hier een klacht bij de justitie ingediend worden. Er is hier iets vreeselijks gebeurd. Deze jonge vrouw is sterk getroffen in haar zenuwen. Zij heeft daarbij duidelijke sporen op het lichaam dat zij mishandeld is,—zeide professor Edenshir, die zeer sterk overdreef.
—Justitie?....—bromde Forster, die nooit, of zelden althans, uit het veld geslagen was,—die duld ik niet.
—Mijn ambt brengt het mee, Sir—gaf Raffles ten bescheid,—dat ik van gevallen als deze kennis geef aan de rechterlijke macht. Hier is, misschien buiten uwen wil, een vrouw krankzinnig gemaakt. Toen ik binnenkwam heerschte hier een atmosfeer die minstens 60 % stikstof bevatte. Afschuwelijk. Daar moet het sterkste gestel onder heengaan. Bovendien hebben mij de voeten der patiënte bewezen, dat zij gedurende langen tijd niet gewandeld heeft. Haar maag is niet in orde, haar geest verduisterd.... Lichamelijke uitputting.... ’t Is meer dan schande....
Raffles wond zich op. Hij sprak met stemverheffing en met autoriteit, zóó dat Forster zich met verbazing afvroeg of de „gestudeerde lui” dan toch werkelijk zoo knap waren dat zij alles zagen.
Forster vergat dat hij even te voren Raffles veel verteld had van de verhouding tusschen hem en Issi, en hoe hij, die steeds weer de macht van het geld huldigde, ook thans een mensch dwingen wilde al zijn handelingen goed te keuren.
En Raffles maakte van al het meêgedeelde een gretig gebruik. Hij wilde probeeren of hij dezen parvenu een les kon geven, desnoods zijn gansche kapitaal afnemen om te kunnen verdeelen onder al de menschen die door Forster als dieren behandeld waren geworden of nog behandeld werden.
Forster streek zich verlegen achter ’t oor.
—Kan ik uw ambtsgeheim koopen?
Raffles stond ineens voor Forster.
Met een buitengewone zelfbeheersching zeide hij:
—Ik, noch mijn collega’s zijn te koop, mijnhéér Forster! U moet niet denken, dat uw dollars alles kunnen dekken wat ’t licht niet aanschouwen mag. Uw jeugdige echtgenoote is doodelijk ziek. Of u neemt die maatregelen welke ik beveel, of ik klaag u aan.
—Denkt u dus dat ik mij door jou de wetten laat voorschrijven?—riep Forster ruw uit.
—Ge zult wel moeten—antwoordde Raffles kalm.
—Mijn deur uit,—schreeuwde Forster.—Ik ben hier baas. Niemand anders. Begrepen.
—Ik ga, mijnheer Forster. Ik klaag u aan als moordenaar!— —
—Ga je gang,—brulde Forster.—Meen niet, dat ik, de staalmagnaat, iets vrees. Staal is mijn kapitaal, staal ben ik ook zelf!— — —
Opeens veranderde professor Edenshir’s gelaat en fluisterend zeide hij:
—Zie zoo, ik weet wat ik aan u heb. ’t Was alleen maar een proef. Doe nu wat ik zeg en alles komt goed voor u.
Forster stond als van den bliksem getroffen.
Hij begreep er niets meer van en mompelde bij zichzelf: „Voor die geleerde heeren moet je verduiveld altijd oppassen”— — —
Professor Edenshir, alias Raffles, sprak nu kalm over de verschijnselen van de ziekte en constateerde dat Issi een lichten graad van krankzinnigheid had.—Het allerbeste—besloot hij—is dat u alles hier uit de omgeving weg laat ruimen. Niets mag hier blijven, en dan moet u een mannelijken verpleger nemen.
—Dien heb ik.
—Pardon, u moet een deskundige hebben. Ik heb een uitmuntenden assistent, die juist de geschikte man er voor is. Een kerel zonder medelijden. Iemand die een mensch kan zien sterven zonder een teeken van medegevoel.
Forster vond dit goed en Raffles telefoneerde Charly onmiddellijk te komen.
In het Latijn, waar Forster niets van verstond, gaf Raffles hem de noodige bevelen, en eer de nacht inging lag Issi voor een geopend raam, waar de heerlijke zomergeuren door naar binnenstroomden, en Issi’s zenuwen kalmeerden.
Charly gedroeg zich als een voorbeeldige ziekenverpleger en Raffles zat bij Forster urenlang te praten.
Professor Edenhirs kreeg zoo langzamerhand het geheele vertrouwen van Forster, die niet begreep dat een geleerde man zooveel van politieke aangelegenheden wist te vertellen.
VIERDE HOOFDSTUK.
RAFFLES DOET EEN ONTDEKKING.
Er heerschte een oogenblik stilte in de bibliotheekzaal, waar Professor Edenshir met Forster zat te praten.
Professor Edenshir had juist geluisterd naar de uiteenzetting van een beursspeculatie en zat nu te denken over het antwoord dat hij geven moest op de vraag van Forster: „Hoe is de politieke toestand op het oogenblik in Europa?”
Raffles klopte langzaam en met grooten ernst de asch van zijn sigaar en zeide:
—Die vraag, mijn waarde heer, is zeer moeilijk te beantwoorden. Vanzelf doet u deze met een bepaald doel. Ik mag toch wel aannemen dat u als groot-industrieel, als groot-kapitalist, zeer goed op de hoogte zijt van den algemeenen politieken toestand. U bedoelt dus de meer diplomatieke, de geheime nota’s der mogendheden. Nu ben ik wel-is-waar bevriend met verschillende diplomaten. Een geleerde moet zijn vrienden nooit zoeken in eigen kring, ziet u. Vandaar dat ik me speciaal heb toegelegd mijn vrijen tijd te besteden aan liefhebberij-politiek. Van liefhebberij is dit ernst geworden en menigmaal heb ik gezien dat een advies mijnerzijds gegeven opgevolgd is. Ik daarentegen hoorde dus de intiemste dingen en nu spijt het mij werkelijk, mijnheer Forster, dat ik u, uit kracht van die opgelegde geheimzinnigheid, niet vertellen mag wat ik er van denk.
Forster’s oogen glinsterden. Deze kerel was een macht. Dien moest hij voor zich weten te winnen zonder dat het veel kostte. Die andere politieke kerels eischten zoo’n gruwelijk hoog aandeel in de winst dat hij het meer dan erg vond.
Misschien wilde die professor wel toebijten. Geld was immers alles! En bovendien, deze kerel hier wist immers niet van zaken doen?
—U behoeft ook geen geheimen te verklappen, professor—poogde Forster vriendelijk te zeggen, terwijl hij Raffles voortdurend aanzag,—maar ik vroeg u alleen uw opinie.
—Buitengewoon gunstig voor de staalindustrie—zeide Raffles geheimzinnig.
—Meent u?—vroeg Forster in spanning.
—Natuurlijk—antwoordde Raffles.—Het is immers al een publiek geheim dat men bezig is met het afsluiten van bindende contracten voor de komende jaren.
Raffles vermoedde dit slechts op grond dat Forster er iets van had uitgelaten, doch nu hij het zoo positief zeide, gaf het den schijn, alsof Raffles meer wist en kreeg hij in de oogen van Forster een zeer bijzondere waarde.
Forster zweeg stil. Hij probeerde, zooals hij het bij zichzelf noemde, „Professor Edenshir te vangen”, maar de gelaatstrekken van dezen waren zóó ondoorgrondelijk, dat hij met geen mogelijkheid iets te weten kon komen.
Raffles van zijn kant moest meer weten van dezen millionnair. Dat hij iets in zijn schild voerde geloofde hij stellig. De belangstelling in de politieke omstandigheden was te gespannen om alleen een uiting te wezen van nieuwsgierigheid.
Er zat iets achter.
Wist Raffles nu maar met welke diplomatieke agenten de „staalmagnaat” onderhandelde, dan was hij al een heel eind verder.