Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 35 DE MAN, DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE.
DE MAN DIE VEERTIG DRAKEN DOODDE.
EERSTE HOOFDSTUK.
EEN AFGODENFEEST.
Tsai-Soi, de lentegod van China, hield zijn intocht in Peking.
Zijn plomp afgodsbeeld, uit hout vervaardigd en zoo hoog als een huis, werd op een grooten wagen rondgereden en lachte met breeden grijns naar de joelende scharen aan zijn voeten.
In de rechterhand droeg het beeld een zak, gevuld met het kostelijkste, grofkorrelige graan, de linkerhand werd zegenend uitgestrekt naar de volksmenigte, die den God omvangrijke hoeveelheden groenten, schapen en varkens offerde.
Tsai-Soi nam alles in ontvangst met den breeden grijnslach en zijn priesters dreven de schapen en varkens weg— — —
Tsai-Soi is een machtig God!
De keizer en de prinsen, gevolgd door de voornaamste hoogwaardigheidsbekleeders, komen hem offers brengen.
Peking is als een krioelende mierenhoop, als Tsai-Soi zijn intocht houdt.
Alles spreekt slechts van Tsai-Soi en tracht in zijn gunst te komen.
Een smeekschrift aan dezen God wordt door den voornaamsten mandarijn van het keizerlijk ministerie geschreven. Daarin wordt op bevel van den keizer het weer voorgeschreven: zoo en zooveel regen, zoo en zooveel zonneschijn, en dit verzoekschrift wordt het beeld om den hals gehangen.
Tweemaal leest men het, in tegenwoordigheid van den keizer voor, opdat de datums van den regenval goed mogen doordringen in zijn goddelijke hersens.
Gerustgesteld keert de keizer dan terug en het volk offerde verder en verbrandde papieren ossen, terwijl Tsai-Soi grijnsde en stom en dom bleef kijken met zijn gelaat van hout.
Te midden van de vroolijke feestvreugde, het krijschen der muziekinstrumenten en het knallen van het vuurwerk, wandelden een jonge man en een jong meisje.
Hij heet Win-Seng en zijn kleeding is zoo armoedig dat iedere voorname Chinees hem ontwijkt als een verworpeling. Maar hij is krachtig en goed gebouwd en hij is niet ouder dan hoogstens twintig jaren.
Een slanke vrouwengestalte gaat aan zijn zijde. Zij is diep gesluierd en haar tunica is van een sneeuwwitte kleur, doch zonder eenig versiersel van zijde en goud. Win-Seng dringt door de menigte heen.
„Kunnen wij geen zijstraat inslaan?” vraagt het meisje, „ik ben vermoeid en mijn voeten kunnen mij niet meer door de groote stad dragen. Win-Seng, moest je je zwarte roos van Han-strom naar hier voeren—Win-Seng, ik heb honger.”
„Wij moeten naar de gezantschapstraat”, antwoordde Win-Seng, „daar woont de broeder van onze moeder, I-lai-ko genaamd. Hoe zouden wij zonder geld een onderdak kunnen vinden, wij moeten naar I-lai-ko, mijn duifje. Wat zegt Confucius—zonder geld, moet je voor den tempel bidden. Met geld kun je in den tempel bidden. Wil je dezen nacht hongerig en verkleumd op straat blijven?”
Zijn woorden werden onderbroken door de begeleiders van een machtig Mandarijn, die met luid geschreeuw de lieden uit elkander joegen.
„Maakt plaats, ellendige honden die in het stof kruipt, maakt plaats voor Kwo-Saing, den man die veertig draken doodde, de ster der gerechtigheid! Maakt plaats, gij bedelaars, die het leven niet waard zijn.”
Op deze wijze schreeuwden zij voort en hunne zwaarden baanden een weg door de volksmenigte.
Vermoeid, met onverschillig gebaar lag de geweldige op zijn zijden kussen, dat met muskusgeur was doortrokken. Zijn witharig hoofd knikte slaperig de maat waarin de dragers liepen, die zijn baldakijn torsten.
Hij was gekleed in een met goud bestikte kaftan en groote, kostbare paarlsnoeren waren door zijn grijze haarvlecht geslingerd. Gouden banden, met edelsteenen bezet, hielden de vilten sandalen aan zijn voet en zijn hand, waaraan kostbare ringen prijkten, bewoog een schitterenden waaier van pauwenveeren waarin smaragden en robijnen fonkelden.
De lange nagels flikkerden van diamantpoeder en toonden aan de macht en het aanzien van dezen man.
Af en toe greep hij in een kleinen buidel die ter rechter- en ter linkerzijde was geplaatst en dan wierp hij een regen van glinsterende koperen munten in de volksmenigte.
Dat deed hij ook op het oogenblik, toen hij bij Win-Seng was aangekomen.
Onder luid geschreeuw wierp het volk zich op de rollende goudstukken.
Alleen Win-Seng deed het niet. Door het gedrang werd het meisje de sluier afgerukt en juist in dit oogenblik keek de machtige Kwo-Saing naar haar om.
Zijn verveeld lachje verdween van zijn gelaat en in zijn oogen schoten lichtsprankels.
Het meisje was schoon, zoo schoon, als hij nog nooit een in Peking had gezien.
Hij zag, hoe de jongeling den sluier weer bevestigde en haar uit het gedrang voerde.
Zachtjes riep hij den naam van een van zijn lijfwachten. Als een afgerichte tijger kroop de slaaf naar zijn heer toe en luisterde sprakeloos naar diens bevel.
Terstond wenkte hij twee wachters aan zijn zijde en verdween met hen onder de volksmenigte, terwijl Kwo-Saing den weg naar zijn paleis vervolgde, thans niet meer vermoeid en onverschillig, maar met volle handen en opgewonden gebaren zijn muntstukken onder het volk strooiend.
Kwo-Saing lachte als een plomp en dik afgodsbeeld.
„Maakt plaats, maakt plaats daar, honden”, schreeuwden zijn slaven. „De machtige Kwo-Saing, de man die veertig draken doodde.”
Zijn paleis lag dicht bij het hotel van den Franschen gezant.
Men zei in Peking: „Kwo-Saing is de voornaamste onderdaan van den keizer. Kwo-Saing is het duurste en slechtste geld van de Russen en Engelschen. Want Kwo-Saing is valsch!”
„Boeddha is groot en machtig!” sprak Kwo-Saing luide en op fluisterenden toon vervolgde hij: „Als hij verstand en macht geeft.”
Win-Seng en Anitai waren kinderen van een deugniet, die alles verspeelde.
Toen hij geen land en huis meer bezat, verkocht hij zijn veertienjarige dochter Anitai aan Ma-leng-sadok, een ouden theehandelaar in Tsien-tsin, die van den keizer, voor bewezen diensten, gedecoreerd was.
Veertig dollar was de koopsom voor Anitai.
Haar broeder Win-Seng hoorde van een getrouwen slaaf, dat zijn zuster verkocht was en bij nacht en ontij vluchtte hij met Anitai naar Peking, terwijl hun vader in een opiumroes lag.
Ma-leng-sadok liet den oude daarom een kop kleiner maken.
Win-Seng wist het, maar Anitai’s vrijheid was het hoofd van den vader waard, want Confucius leert:
„Een speler is slechter dan een moordenaar!”
Met groote moeite gelukte het den jongen man, zijn zuster en zichzelf buiten het volksgewoel te brengen en de stille Gezantschapstraat in te slaan.
Deze straat stak gunstig af bij de vuile, morsige buurten der hoofdstad.
Diepe rust heerschte hier. Het gejoel van het volk was slechts op verren afstand hoorbaar, als de branding der zee.
De geelzijden draagstoel van Kwo-Saing was juist in het paleis verdwenen. Behalve Win-Seng en zijn begeleidster was er niemand te zien.
Met onderzoekende blikken liep de jonge Chinees voorwaarts.
Tien jaren waren voorbijgegaan, sinds hij als knaap met zijn moeder zijn oom bezocht.
Slechts vaag kon hij zich het groote steenen gebouw met de blauw-wit-roode vlag herinneren. Zijn oom was portier van het Fransche gezantschap.
Het was al acht uur in den avond en hij moest zich haasten om een onderdak te vinden.
Anitai kon zich, vermoeid door de lange wandeling, nauwelijks meer op de been houden.
Op dit oogenblik kwamen eenige krijgslieden in snellen draf aangereden.
Win-Seng naderde hen en vroeg naar het huis met de blauw-wit-roode vlag.
De grootste en zwaarst-gewapende van hen antwoordde:
„Volg ons, wij gaan naar dat gebouw.”
„Ik ben een bloedverwant van I-lai-ko, gij zult hem wel kennen”, sprak Win-Seng.
„Ik ken hem en ben er trotsch op een stofje te zijn, dat hij met zijn voeten mag betreden. [1]
„Volg mij, ik zal u geleiden, als gij een bloedverwant van I-lai-ko zijt”, antwoordde de soldaat en ging met zijn makkers vooraan.
Win-Seng en Anitai volgden en stonden eenige oogenblikken later voor het paleis. De ijzeren deur werd geopend, Win-Seng zag een hal, die van goud schitterde.
Plotseling kreeg hij een geweldigen klap op het hoofd, zoodat hij bewusteloos neerviel. Het laatste wat hij hoorde, was een kreet van Anitai.
De ijzeren deur werd achter haar gesloten, twee slaven kwamen te voorschijn, namen den levenloozen Win-Seng op en droegen hem weg.
Voor den tempel van den grijnzenden Tsai-Soi legden zij hem neer. De laatste stralen der ondergaande zon beschenen hem, toen de priesters kwamen om den slaven hun last af te nemen.
„Kwo-Saing zendt u dit offer. Hij heeft een Eunuch (vrouwenbewaker) noodig voor den keizerlijken harem. Tsai-Soi moge zijn genade schenken.”
Zoo spraken de slaven tot de priesters. De priesters grijnsden en sleepten het levenlooze lichaam van Win-Seng in den donkeren tempel.
Tsai-Soi echter hurkte als een grijnzend ondier voor den ingang en bewaakte zijn diepste geheimen.
TWEEDE HOOFDSTUK.
EEN VERIJDELDE MEISJESROOF.
Nacht en duisternis heerschten in Peking. De maan was weer verdwenen. Koud woei de wind door de straten en bijna geen leven was in Peking te bespeuren.
Alleen daar, waar het gebouw van het Engelsche gezantschap lag, was de straat door magnesia-fakkels verlicht en een hoop bedelaars en gepeupel van allerlei soort hurkte rondom de wachtende draagstoelen.
Bij den Engelschen gezant was een groote avondpartij. Alle voorname Europeanen en andere vreemdelingen waren uitgenoodigd.
Juist traden twee heeren, gevolgd door bedienden van het gezantschap, buiten de deur.
Een van hen was een rijzige, breedgeschouderde man in zijn beste levensjaren, terwijl de ander klein en dierlijk gebouwd en van weinig opvallend uiterlijk was.
Deze laatste was de Italiaansche groothandelaar Saltorelli en de ander: John C. Raffles, die onder den naam van een zekeren Lord Cheekman een pleizierreis naar China had gemaakt.
Eigenlijk was het een studiereis, zooals hij, voor zijn vertrek uit Londen, tot zijn vriend en helper Charly Brand had gezegd.
Hij wilde het terrein bestudeeren voor het uitvoeren van eenige meesterstukjes en nu eens de Chineesche politie in al haar eigenaardigheden leeren kennen.—
„Wilt gij werkelijk te voet gaan, mijn beste Lord?” vroeg de koopman.
„Maar waarom niet, Signor Saltorelli. Ik denk, dat de wijn en de gerechten zoo voortreffelijk zijn geweest, dat men een dergelijke kleine wandeling noodig heeft voor de spijsvertering. Ik loop dus. Het is niet de eerste keer en Peking is voor ons, Europeanen, veiliger dan Londen en Parijs.”
„En toch—en toch—ik waarschuw u, mijn waarde Lord. Menigeen is hier verdwenen, zonder dat ooit een knoop van hem weer te voorschijn kwam.”
„Kom, Signor, zoo gauw raakt men niet verloren.—Wel thuis. Morgenavond zal ik zoo vrij zijn, gevolg te geven aan uw uitnoodiging. Goeden nacht—mijn groeten aan de dames—tot weerziens!”
„Wel thuis, Lord Cheekman”, riep Saltorelli hem toe van uit zijn riksha (tweewielig rijtuig) en bij vervolgde: „Neem in elk geval een fakkeldrager mee!”
„Mijn sigaar geeft licht genoeg”, antwoordde Raffles.
„Voorwaarts!” riep Saltorelli tot zijn dragers, „die Engelschen zijn eigenaardige stijf koppen.”
John Raffles liep door de bedelende Chineezen door zonder notitie van hen te nemen. Langzaam slenterde hij de straat langs en eerst toen eenige bijzonder brutale kerels onder heftige bewegingen hem kash-kash (geld-geld) naschreeuwden en hem met een troepje volgden, zoodat de vieze lucht van het gepeupel hem hinderlijk werd, maakte hij een kort proces en deelde met zijn wandelstok eenige gevoelige slagen uit naar links en rechts.
Dat hielp.
Schreeuwend en krijschend gingen zij naar de anderen terug en John Raffles liep alleen de stille Gezantschapstraat verder door, om in de Chineesche wijk te komen.
De groote onbekende had zijn intrek genomen midden in Peking. Hij wilde de stad en de bevolking nauwkeurig bestudeeren en dacht, dat dit in het Europeesche gedeelte moeilijk zou gaan.
Hij woonde bij een zekeren Huen-Schang, een goudsmid. Het huis, dat hij bewoonde, was uiterst zindelijk.
Lord Lister had op al zijn reizen nog nergens een dergelijke zindelijkheid aangetroffen. Het gebouw lag achter een grooten muur te midden van een bloeienden tuin onder oranje- en pereboomen.
De ingang was langzamerhand een soort marktplaats geworden en achter den muur lagen werkplaatsen.
Des avonds werd de bronzen poort dichtgegrendeld en het huis in den tuin was dan van de geheele wereld afgesloten. Een beter verblijf kon John Raffles zich niet wenschen. Weinig Europeanen woonden in Peking zoo goed als hij.
Peinzend liep de groote onbekende de Gezantschapstraat door.
Bij het Fransche paleis stak hij een nieuwe sigaar aan en terwijl hij stil stond, hoorde hij plotseling de verstikte kreten van een meisje uit het aangrenzende paleis van een Chinees.
Een oogenblik luisterde hij—de kreten klonken als in grootsten doodsangst, toen werd alles weer stil.
Daar klonk het weer—duidelijk hoorde hij het roepen van een naam: Win-Seng!—Win-Seng!—daartusschen vernam hij een scheldende, twistende stem.
John Raffles dacht een oogenblik na, wat hij zou doen, toen ging hij, zonder aan het gevaar, dat misschien dreigde, te denken, naar de deur van het paleis en klopte daarop luid met zijn stok.
Oplettend luisterend, hoorde hij, hoe daarbinnen sloffende schreden naderden.
Hij greep naar zijn revolver en hield die gereed om te schieten.
Een luikje werd geopend in de groote deur, waardoor een lichtstraal in de duisternis viel.
In de Chineesche taal, die Raffles niet verstond, vroeg iemand, wat hij wenschte. Onbevreesd stelde Lord Lister onmiddellijk een wedervraag in het Engelsch, wat het geschreeuw te beteekenen had?
„Frankenhond!” schold de portier.
Geprikkeld door dezen Chineeschen vloek naderde de groote onbekende met een sprong het venstertje en voordat de portier het kon vermoeden, sloeg Raffles hem met zijn stok in het gelaat.
Het gevolg hiervan was een vreeselijk geschreeuw van den portier en het afvuren van een pistool op Raffles.
Tengevolge van de duisternis miste het schot, maar het werd nu levendig in het gebouw van het Fransche gezantschap en gewapende dienaren met lantarens snelden naar buiten.
Ook in het paleis van den Chinees was alles in oproer. Kleine vensters werden geopend, papieren lantarens ontstoken en gewapenden snelden heen en weer.
Meermalen werd op Raffles geschoten, maar geen enkele kogel trof hem, alleen een der Fransche soldaten kreeg een schampschot.
De paleisbewaarder van het Fransche gezantschap trad nu naar Raffles toe en vroeg hem naar de oorzaak van het tumult.
De groote onbekende noemde zijn naam en vertelde de reden van het rumoer.
Of het was omdat de paleisbewaarder Kwo-Saing haatte, in elk geval hij begaf zich naar de poort en verlangde, dat men hem en zijn bedienden onmiddellijk huiszoeking zouden toestaan, bij weigering waarvan Kwo-Saing de gevolgen voor zijn rekening had te nemen.
Raffles wist, dat dit verlangen niet gewettigd was, maar hier in dit land gold het steeds, zichzelf te helpen, vooral voor de Europeanen.
Eenige seconden verliepen, zonder dat zich iets in het paleis bewoog, daarop vernam men een bevel en de poort werd geopend.
Een hoop tot de tanden gewapende Chineezen stond in de vestibule.
Lord Lister hield het daarom niet voor raadzaam, zich onder hen te begeven en sprak tot den paleisbewaarder, die tevens tolk was:
„Zou het niet beter zijn, als wij die gele schurken buiten lieten komen?”
„Volkomen mijn idee, uwe Lordschap!” antwoordde de tolk.
„Naar buiten, duivelsche honden, of mijn Russische knoet zal je een handje helpen. Waar is Kwo-Saing, het hoofd der Pekingsche politie, de man, die veertig draken doodde, de grootste schurk?—Haalt hem hier! Wat voor een schanddaad bedrijft hij weer? Komt naar buiten!”
Hij liet zijn zweep eenige keeren met forschen slag door de lucht zwiepen en bracht zoodoende de slaven in beweging. Mismoedig kwamen zij naar buiten. Hun oogen fonkelden wraaklustig tegen de gehate vreemdelingen. Zij gehoorzaamden slechts aan de macht en het geweld van de Europeanen.
Op dit oogenblik verscheen ook Kwo-Saing.
Met een glimlach ging hij naar den tolk en sprak in slecht Engelsch:
„O, Excellentie—o, Excellentie! Welk een eer, welk een groote eer bewijst gij mijn nederig dak, deel te willen nemen aan mijn eenvoudig avondmaal! O, Excellentie, de eer zal te groot zijn; Boeddha zal er jaloersch op worden!”
Bij die woorden hief hij beide armen op, alsof hij Boeddha wilde aanroepen.
„Ik ben gaarne bereid, u niet verder lastig te vallen, als gij mij vertelt, wat de kreten, die uit uw huis weerklonken, te beteekenen hadden”, antwoordde Raffles.
De tolk echter sneed den Chinees elk antwoord af en sprak:
„Uwe Excellentie kan haar leugens wel voor zich houden en ons brengen waar wij moeten zijn en waar wij het verlangde kunnen vaststellen. Anders zal Uwe Excellentie morgen een zijden koord krijgen van den keizer!”
Hij wenkte bij die woorden eenige Fransche soldaten en trad met hen het paleis binnen, terwijl hij zijn knoet dreigend voor het gelaat van den verschrikten Kwo-Saing hield.
„Uwe Lordschap, dit is het eenige middel om iets bij dit boevenpak te bereiken”, riep hij tot Raffles, die buiten wachtte.—„En avant, vadertje mandarijn, wijs ons den weg!”
Kwo-Saing strompelde onder veel buigingen en een stroom van woorden over de hooge eer vooruit, en Raffles zag hem in het donker van het paleis verdwijnen.
Er verliep wel een half uur, voordat de indringers terugkwamen.
Raffles hoorde het luide lachen en de schertsende woorden van den tolk.
Nu was deze weer bij de poort gekomen en de bedienden sleepten een gesluierde vrouwengestalte met zich mede.
„Hahaha, Uwe Lordschap, dat was een grap, zooals als ik er zelden een in Peking heb beleefd. Dien ouden vrek heb ik flink gestraft.
„Eerst noodigde hij mij in zijn eetzaal, drong mij een glas saki op en legde daar een rol blanke dollars naast. Ik nam en sprak:
„„Kwo-Saing, de plaats is leeg.”
„Hij begreep—haalde een tweede—een derde—vierde—de plaats is telkens weer leeg.
„Halt, denk ik, nu ben je er zeker van, dat de kerel een misdaad heeft begaan. Bij duizend dollar houdt hij op, rolt zich als een egel in zijn tunica en is niet meer te spreken.
„Nu ga ik dus zoeken.
„Bij het vrouwenvertrek wil mij een walgelijk schepsel naar de keel vliegen, ik sla den kerel neer, dring het vertrek binnen en vind twee oude vrouwen. Reeds wil ik gaan, toen ik onder de zijden kussens een onderdrukt snikken hoor. Ik slinger ze uit elkaar en vind dit meisje geboeid en met een prop in den mond.
„Dat is dus de reden van het rumoer, Uw Lordschap, en daar gij bij dit tafereel mijn helper zijt geweest, verzoek ik u, mij het geld af te staan en zelf het meisje mee te nemen.
„En avant! Gaat naar uw holen terug, roovers en dieven!” riep hij tot de Chineesche dienaren, die het bevel dadelijk opvolgden en de deur achter zich sloten.
John Raffles dacht een paar minuten na, daarop besloot hij, het meisje mee te nemen naar zijn kosthuis.
Hij wenschte den tolk en diens bedienden goeden nacht en legde den arm van het gesluierde meisje in den zijne.
Hij voelde, hoe zij sidderde en beefde. Langzaam liep zij naast hem voort.
De Franschen keken hen eenigen tijd na, opdat het tweetal niet door de bedienden van Kwo-Saing achtervolgd kon worden, daarop begaven ook zij zich weer in hun paleis terug.
De straat was nu weer stil en leeg.
In de reuzenstad Peking had niemand iets van het nachtelijke avontuur gemerkt.
DERDE HOOFDSTUK.
DE ZWARTE ROOS VAN PAI-HO.
Raffles was met zijn beschermeling dien nacht ongehinderd thuis gekomen.
Hij had de menschen, waar hij in huis was, gewekt en hun het meisje toevertrouwd, zonder dat hij haar sluier had opgelicht en haar gelaat had gezien.
Toen hij zich omdraaide om naar zijn kamer te gaan, voelde hij, hoe zijn handen werden gegrepen en met heete kussen en tranen bedekt.
Haastig trok hij zich terug en eerst nu kwam hij tot het besef, dat hij meer had gedaan dan een menschenleven gered, dat hij een ziel voor den zedelijken ondergang had behoed.
Gekweld door onrustige droomen, sliep hij dien nacht slecht en tegen den morgen ontwaakte hij met het vage bewustzijn van alles wat er dien nacht was gebeurd.
Hij had geruimen tijd noodig om zich het nachtelijk tooneel, dat voor hem als Europeaan zoo vreemd was, weer te binnen te roepen.
Snel stond hij op, kleedde zich in een lichte tunica en klapte in de handen.
Dadelijk werd de deur geopend en zijn huisbaas, Huen-Schang, een dikke Chinees in een lange, lichtblauwe kaftan, violette zijden broek en vreemd gevormde gele puntschoenen verscheen op den drempel, een buiging voor hem makende.
„Wil de genadige heer, die de armoedige hut van zijn slaaf tot zijn woning heeft verkozen, een arm koopman de eer bewijzen het ontbijt te nuttigen, dat zijn karig huishouden hem kan verschaffen?” vroeg Huen-Schang op onderdanigen toon.
John Raffles moest telkens om de bloemrijke taal van zijn gastheer lachen, hoewel hij de uitdrukkingen bijna uit het hoofd kende.
„Graag!” antwoordde hij, een sigaar aanstekende.
„O, Excellentie., ik dank u, ik zal onmiddellijk bevel geven om u te bedienen. De eer, die Mylord mijn ellendig dak bewijst, zal u duizendvoudig vergolden worden! Ik hoop, dat gij ook heden over den slechtsten uwer knechts tevreden zult zijn.”
Hierop ging de beleefde man heen.
Eenige minuten verstreken, daarop werd de deur opnieuw geopend. De Groote Onbekende had reeds aan zijn schrijftafel plaats genomen om te gaan werken.
Hij hoorde, hoe het porselein op de bamboetafel klaar werd gezet, de aangename geur der thee prikkelde zijn reukorganen en een weeke stem sprak:
„Heer, ik wacht op uw hooge bevelen!”
Haastig keek Raffles om.
Dat was niet de stem van Huen-Schang. Hij zag bij de deur in deemoedige houding het meisje staan, dat hij dien nacht Kwo-Saing, den chef der politie, had ontstolen.
Ongesluierd stond zij voor hem. In den vollen glans der zon, het hoofd gekroond met het prachtige zwarte haar, gebogen en met de armen over de borst gekruist—een sierlijke kleine gestalte.
Lord Lister bekeek haar opmerkzaam.
Het meisje was een schoonheid, zelfs voor de meest verwende Europeesche oogen.
„Spreek je Engelsch, mijn kind?” vroeg hij verbaasd.
„Mijn moeder leerde mij die taal. Ik ben in Tai-ku geboren, een kind der zee. Mijn moeder bezat de mooiste bloemenboot van de Paiho-rivier. Ik hoorde sinds mijn kinderjaren veel vreemde talen en zing de liederen der vreemdelingen.”
„En hoe kom jij, roos der bloemenboot, in Peking?” vroeg Raffles verder.
„Vader heeft alles verspeeld,—de boot en moeder aan den slavenhandelaar Huong-bin, daarna ons huis en land en eindelijk mij, zijn eenige dochter. Ik heet Anitai en ik ben met mijn broeder Win-Seng gevlucht. Heer, mijn broeder hebben zij hier doodgeslagen. Dezelfde lieden, die mij gisteren roofden en uit wier handen gij mij hebt gered.
„Boeddha is groot en almachtig, dat hij mij, nietig stofje, heeft gespaard.”
„Ga zitten, mijn kind, terwijl ik eet, of, als je nog niet hebt ontbeten, neem dan aan mijn tafel plaats.”
Met uitnoodigende handbeweging kwam de Groote Onbekende haar tegemoet.
„O, heer, hoe zou ik, als slavin, aan de tafel van mijn heer mijn honger durven stillen, hoe zou ik durven plaats nemen en zijn genade verbeuren!”
„Je bent niet mijn slavin, zelfs niet mijn ondergeschikte; denk, dat je mijn gast bent, neem dus plaats en deel mijn maaltijd met mij.”
„Heer, gij beveelt en u behoort mijn leven. Maar aan uw tafel mag ik niet gaan zitten, want gij zoudt mij daardoor die plaats voor eeuwig geven.
„Boeddha zou vertoornd op mij zijn en Punkuwong, de schepper der wereld, zou mij haten, wanneer ik mij aan uwe zijde zou neerzetten zonder uw hart te bezitten.”
„Maar Anitai”, sprak Raffles zacht en met een glimlach, „dat is niet juist gesproken en gedacht. Onze gebruiken zijn anders en als ik je verzoek, iets te doen, dan zal ik dat verantwoorden tegenover Boeddha en Punkuwong. Mijn godsdienst staat je toe om te doen wat ik zeg.”
„Ja, ja, dat geloof ik, heer. Maar Confucius is ouder en heiliger in zijn leer dan de verlosser van het avondland. Ik heb onderricht gehad bij de monniken van het Sinkloster en ik weet, dat Confucius zeshonderd jaar eerder kwam en de geboden van Boeddha verkondigde. Daarom, heer, vergeef mij, als ik mij aan mijn zeden houd.”
Raffles begreep, dat het vergeefsche moeite zou zijn, haar te bewegen, den maaltijd met hem te gebruiken en hij nam dus alleen plaats.
Zoo sierlijk was de tafel nog geen enkelen keer voor hem gedekt geweest.
Welriekende bloemen waren hier en daar neergezet en alles getuigde van goeden smaak.
Zwijgend en snel at hij. Daarna stond hij op, liet Huen-Schang bij zich komen en gaf hem de opdracht, een draagstoel te bestellen.