Part 2
Anitai bracht het theeservies weg, daarop kwam zij weer terug en bleef in dezelfde deemoedige houding bij de deur staan.
John Raffles, die zich in het aangrenzende vertrek kleedde, keek een tijdlang naar het meisje. Deze onderdanigheid was hem pijnlijk en hij besloot, haar vertrouwelijker te maken door haar een gouden haarkam te geven.
„Anitai!” riep hij.
„Ja heer, ik kom. Wat beveelt de heer?”
„Je zingt, zooals je mij hebt verteld.”
„Ja, heer.”
Voor het eerst keek hij haar in de oogen. Fluweel-zwart, met een geheimzinnigen glans keken zij hem aan.
Hij kon zijn blik niet afwenden en keek, als in een roes, in de groote, zwarte, geheimzinnige Oostersche sterren.
„Zing een lied voor mij”, verzocht hij, „dan zal ik je als belooning deze gouden kam geven en in je haar steken.”
Met een vreemd, deemoedig glimlachje keek Anitai hem aan en liet toe, dat Raffles een zware gouden kam in haar volle, prachtige, gitzwarte haren stak.
„Je bent schoon, schoon als de zon—de koningin van het oosten”, fluisterde Raffles en keerde zich daarop als verschrikt over zijn eigen woorden van het meisje af.
„Heer, wat zegt gij? Ik begrijp uw woorden niet, maar zij klinken als uit een sprookje van Tufu of Pe-ku-li.”
Raffles had intusschen een koffer geopend, die veel voortbrengselen van het hemelsche rijk, welke hij had gekocht, bevatte.
Hij nam er een paar sierlijke muiltjes en een zijden, met goud bestikte kassawaika uit en spreidde die voor Anitai uit.
„Tooi je hiermee, Anitai, ik wil je beschouwen als een meesteres en mijn dwaasheid moge een verontschuldiging vinden in je onvergelijkelijke lieftalligheid en bekoring.”
De oogen van het meisje glansden als het morgenlicht op donkere wateren, een gelukkig lachje omspeelde haar wangen en zij sloeg de blikken neer naar den grond, waar de glinsterende kassawaika lag, het rijke gewaad eener vorstin.
Raffles echter, de koele Europeaan, keek voor het eerst sinds vele jaren met stralende blikken naar het beschroomde, lieftallige gelaat van een jong meisje en genoot van haar schoonheid.
„Ik zal Huen-Schang vertellen, hoe hij zich tegenover je te gedragen heeft. Wacht mij tegen den middag terug; opdat je niet geheel en al onbeschermd achterblijft, geef ik je deze kleine revolver. Bewaar haar goed.”
Hij gaf haar het wapen en liet haar alleen.
Met een vreemde gewaarwording keek Anitai hem na.
Een rilling liep langs haar lichaam. Had zij gedroomd?
Neen! In heur haar stak een gouden naald en aan haar voeten ritselde de kassawaika.
Neen, zij had niet gedroomd!
De trotsche, sterke vreemdeling had haar tot meesteres verheven. Tot meesteres, omdat zij, zooals hij vertelde, zoo schoon was als de zon!
Met schitterende oogen nam zij het gewaad van den vloer op.
De kleine kamers geleken haar een heiligdom. Zij voelde nog de nabijheid van den fieren man, dien zij onderdanig wilde zijn, als een slavin, maar tevens als een koningin.
Zij wist, dat, wanneer de avondschaduwen neerdaalden en de maan groetend achter de hooge boomen zou opkomen, als de nachtegalen hun lied zouden kweelen en de bloemen haar bedwelmende geuren in de zoele lucht zonden,—dat dan hij terug zou keeren en zij hem zou mogen dienen, als een koningin—als een slavin.
VIERDE HOOFDSTUK.
EEN HANENGEVECHT.
In de Thu-lin-straat, tegen den muur van het keizerlijk paleis, bevonden zich eenige door vreemdelingen dikwijls bezochte theehuizen en een koffiehuis, door een Maleier opgericht en dat „De vliegende zwaan” heette. Het reusachtige dier, dat boven den gevel prijkte, kon echter evengoed een groote kangoeroe als een kameel voorstellen, maar geen zwaan.
Het huis was grooter en hooger dan het aangrenzende. Naast de zuilengalerijen, waarin de koffietafeltjes en zitplaatsen waren, bevonden zich winkels, waar alle denkbare Europeesche voorwerpen te krijgen waren.
Hier concentreerde zich voor een groot gedeelte het leven der keizerlijke beambten.
De menschen, die vroeger in groote afgetrokkenheid in het paleis leefden, waren door de Europeanen er langzaam toe gebracht, dit leven te veranderen en daar de blanken bij voorkeur dit koffiehuis bezochten, waren ook zij er heen gegaan en konden zich ten slotte hun leven niet meer er zonder denken.
Hier werden nieuwtjes verteld, die de Pekingsche courant niet kon opnemen, hier werd er steeds door hanen- en sprinkhanengevechten voor gezorgd, dat de verveling niet de overhand kreeg.
Een groot plein grensde aan het gebouw en hier hadden zich eenige groepjes verzameld om naar een hanengevecht te kijken.
Onder de aanwezigen bevond zich ook de Italiaansche groothandelaar Saltorelli en zijn zakenvriend Raffles, vergezeld door een voornamen Chinees.
Behalve hen was er nog een groot aantal toeschouwers aanwezig. Wel een half dozijn soldaten van verschillende gezantschappen, eenige Europeanen met slappe, vermoeide trekken, lieden, die tot de dienaren van een der paleizen behoorden, koelies, palankijndragers en bedelaars.
Een oorverdoovend geschreeuw, gelach en handgeklap vervulde de lucht.
„Dertig op den witkop!” schreeuwde een Fransch soldaat tot een Engelschen.
„Vijftig er tegen; halt Lorming, halt! Ik verwed nog een flesch saki erbij, dat de roodkop het zal winnen!” riep de Engelschman. „Goddam, ik draai dat satansbeest den nek om, als het niet wint.”
„My, My, kittel hem toch met een mes onder de veeren, om hem een beetje levendiger te maken. Je hanen zijn sufferds, evenals je zelf, Tsin-kar, vervloekte slaapkoppen!” riep een Hollander.
„Laat ze dan braden!” sprak de Chinees en had door die woorden de lachers op zijn zijde.
De beide kemphanen, die met steile veeren tegenover elkaar stonden, waren een paar zeldzaam mooie dieren.
Het eene goudrood, het andere geelwit met een blauwachtig glanzenden staart. Beide hanen waren krachtig gebouwd en ieder droeg aan zijn rechterpoot een klein, vlijmscherp geslepen spoor.
Aan beide zijden van de kampplaats hurkten met geopende zakken en scherpe, dolkachtige messen in de hand, de eigenaren der dieren, twee halfnaakte Chineezen, die de gevederde vechtersbazen met hun geschreeuw en messteken tot woede prikkelden.
Maar de vogels schenen minder bloeddorstig te zijn dan de toeschouwers. Zij liepen heen en weer, fladderden af en toe tegen elkaar op, maar bleven over en weer tamelijk vredelievend.
Dit ergerde de toeschouwers. De soldaten hadden talrijke weddenschappen gesloten, de meesten van hen schenen reeds dronken te zijn, want zij raasden en tierden zoo dat men het op straat kon hooren. Zij gesticuleerden als waanzinnig en deden alsof zij de baas waren.
Door de vreedzame stemming der hanen geraakten zij hoe langer hoe meer in woede.
„Diable, als het nu niet gauw begint, draai ik de vogels den nek om!” riep de Franschman.
Een tweede, die naast hem zat, stond op en sprak:
„Vriend, wij zullen zelf eens een handje helpen.”
Hij trok zijn bajonet en boorde de punt tusschen de veeren van den witten haan.
De pijniging was zoo groot, dat het gekwelde dier opsprong en den eenen Chinees naar het hoofd vloog.
Een brullend gelach der soldaten weerklonk, terwijl de Chinees den fladderenden haan trachtte af te weren.
De Chineezen schreeuwden en scholden en om nog meer pret te hebben, stiet de Fransche soldaat opnieuw naar den haan, zoodat hij nu met bloedig gekleurde veeren op den grond lag.
„Hola, witkop, hola,—vooruit!” riep een andere soldaat.
John Raffles, geërgerd door de brutaliteit van den Franschman, die het dier opnieuw wilde pijnigen, trad naar hem toe en sprak op bevelenden toon:
„Berg onmiddellijk uw wapen op!”
„Oho!” riep de soldaat opspringend, terwijl zijn door den drank roodgekleurde oogen Raffles vol woede aankeken, „wat beteekent dat? Wie zijt gij? Wat wilt gij—mij bevelen geven?”
„Ja, ik zal u beletten, de dieren verder te mishandelen”, sprak Lord Lister met ernstige stem.
„Gij—gij—keer u om, als het u niet bevalt, vervloekte Engelschman!”
„Goddam, jij Fransch canaille!” riep nu een der Engelsche soldaten woedend uit, geprikkeld door die woorden. „Ik zal je met je eigen bajonet tot plumpudding slaan, als je nu je mond niet houdt!”
„Mille tonnerres, wat wil die brutale Chamberlain?”
„Weg met de Engelsche bloedhonden!” riepen de Franschen woedend uit.
Wel een dozijn soldaten schreeuwden nu door elkaar, trokken de sabels en wilden gaan vechten.
Reeds wilden de Chineezen angstig vluchten, toen de woede der twistenden door de hanen werd afgeleid, die plotseling op elkaar aanvielen en elkaar kam en borst met de snavels openreten.
Alle twist was onmiddellijk gestaakt.
Nu gold aller belangstelling welke der beide hanen wel zou overwinnen.
„Hiep, hiep, hoera!—de witkop wint!”
„Doe je best, doe je best, roode!—Zoo is het goed!”
„Gebruik je spoor, gele—hoera, prachtig!”
„Nog dertig op den gele!”
„Veertig op den roode!”
„Zestig op den gele!”
„Wil je wel eens, beest, gauw wat! Je vecht voor mijn geheele maandgeld!”
De omstanders vochten bijna mee, hun oogen glinsterden koortsachtig.—De roode won.
De gele trachtte met matte vleugelslagen te vluchten.
De Chineezen snelden schreeuwend nader en vingen de bloedende dieren in hun zakken.
De soldaten betaalden hun weddenschappen, lachend streken de winners het geld op, met vloekwoorden gaven de verliezers het af.
Saltorelli ging met Raffles in het koffiehuis.
De door Raffles terechtgewezen soldaat schreeuwde hen na:
„Wij zien elkaar weer!”
„Gij hebt u een vijand bezorgd ter wille van een kleinigheid, beste Lord”, sprak Saltorelli en voegde er bij: „Gij schijnt niet bang te zijn voor China?”
„Ik ben alleen bang voor mijn vrienden”, glimlachte Raffles met den blik van een philosoof.
Op dit oogenblik naderde een voorname Chinees, vergezeld door verschillende waardigheidsbekleeders, Signor Saltorelli en begroette hem en de Italiaan nam de gelegenheid waar om Raffles voor te stellen.
Het was prins Thun, de meest gehate man in China!
Dat wil zeggen, niet gehaat door het volk of de Mandarijnen, maar door keizerin Tsu-si en haar vertrouwden, aan wier spits prins Tuan staat.
Zij vreest prins Thun, omdat hij na den dood van de keizerin en van den jongen keizer, voor wien de keizerin-moeder het bewind voert, de eventueele troonopvolger wordt.
De prins had in Europa gestudeerd en stond bekend als bijzonder vriendelijk jegens vreemdelingen.
Sinds drie jaar was hij voor den tweeden keer getrouwd met de dochter van een Mandarijn. Het huwelijk was geheel uit liefde gesloten. Zijn eerste vrouw, een prinses, was na de geboorte van een zoon gestorven. Pu-Hi was diens naam.
De tokolieden en arbeiders spreken nog altijd van de geweldige pracht der huwelijksfeesten, van den hoogen, breedgetakten olijfboom, wiens takken tot aan de uiteinden met goudstukken waren behangen. Alles knielde voor dit zinnebeeld van sterke vruchtbaarheid en beroemde nakomelingschap.
Zijn tegenwoordige vrouw, Wandé, was de dochter van een mandarijn van de eerste klasse, beschaafd en zeer geleerd.
Behalve de kunst van borduren, kon zij drieduizend letters teekenen, kende de geboden van Boeddha, de wijze spreuken van Confucius en zong met welluidende, zoete stem schoone liederen bij de gitaar.
Wandé is schoon als de leliën op het veld.
Haar lichaam vertoonde sierlijke, slanke vormen. Op den fijngevormden zwanenhals droeg zij het schoone kopje gracieus en sierlijk.
Altijd is zij gekleed in witte zijde, geborduurd met groote roode koelewangbloemen.
Haar kapsel is geheel Europeesch en versierd met schitterende spelden. Haar tanden zijn volkomen gaaf, wit en klein, als glinsterende rijstkorrels; want zij kauwt niet, zooals de andere vrouwen, roode sirih. Zij houdt van de vrouwen der blanke vreemdelingen en tooit zich zooals zij dat doen.
Prins Thun zou de gelukkigste aller stervelingen zijn, als ook Wandé moeder werd van een zoon. Maar de arme, rijke Wandé heeft de met goud behangen olijfboom weinig geholpen.
Tsai-Soi, de lentegod, en Choang-Wong-Ja, de god der vruchtbaarheid, hooren haar smeekbeden zwijgend aan.
Met droevige gedachten en glimlachend gelaat wandelt de prinses daarheen en als zij bij zonsondergang in haar purperen palankijn het paleis verlaat en door haar bedienden door de drukke straten wordt gedragen, dan weent zij achter de zijden gordijnen van haar draagstoel bittere tranen, bij het zien van de kleine, aardige jongens van gelukkige moeders.
De armste vrouw in het Hemelsche Rijk is rijker dan de rijkste vrouw van den machtigsten man.—
Haar hart is vervuld van bitterheid, als zij in het paleis het vroolijke lachen hoort van Pu-Yis, den zoon der overleden gade van den prins, als zij ziet, hoe de vader vol trots naar hem kijkt en haar met een smartelijken blik gadeslaat.
Hij weet, dat het geluk hem ontzegd is, nog een zoon te bezitten.
Zij echter gelooft aan haar schuld.
Hoeveel zonneschijn en geluk zou Boeddha in haar schitterend paleis tooveren door zulk een klein, geel kindergezichtje!
Tevergeefs!
Nu heeft eindelijk de opperpriester van Tsai-Soi, den machtigen lentegod, haar beloofd, den vloek van haar hoofd weg te nemen.
Rijke offers en waardevolle geschenken moet zij geven. Zij wil liever arm zijn, dan de liefde van haar echtgenoot te verliezen.— — —
Het verlangen van den prins naar een zoon van de geliefde vrouw had prins Tuan aan de keizerin medegedeeld en in hun haat smeedden zij een duivelsch plan, om prins Thun doodelijk te wonden.
De keizerin beval den opperpriester van den tempel van Tsai-Soi bij zich en gaf hem een opdracht, zooals die niet gemeener bedacht had kunnen worden.
De opperpriester was een aanhanger van de Ming-partij en als zoodanig haatte hij Thun, die de door hem verafschuwde Tsingdynastie en vreemdelingenheerschappij beschermde.
Met zijn vrouw wilde hij hem straffen, zij zou hem een zoon schenken en prins Thun zou onteerd zijn, een bastaard bezitten. De geheimen van den tempel Tsai-Soi zouden haar doen vallen en den dood in zijn hart brengen.— —
Wandé was in den tempel om te offeren.
Zij verbrandde goudpapier en welriekende kaarsen voor het plompe, grijnzende afgodsbeeld, en haar gebed, dat zij telkens herhaalde, luidde:
„Machtige Tsai-Soi, zend het geluk tot mij en maak mijn deemoedig hart gelukkig door het bezit van een zoon.”
Daar naderde haar de opperpriester Kusam en sprak:
„Hebt gij de offers gebracht, die Tsai-Soi wenschte?”
Wandé antwoordde met zachte stem:
„Ja!”
„Zoo volg mij dan en neem mijn hand.”
Sidderend volgde de prinses en liep om het afgodsbeeld naar een met zuilen versierde ruimte.
Het was hier schemerdonker, de muren waren vol gouden inschriften en grillige beelden stonden overal. Hier en daar prijkten afgodsbeelden met duivelachtig verwrongen trekken. Geheel op den achtergrond, geheel in het donker, bevond zich een blok.
Daarheen begaven zich de twee en Kusam beval de prinses te knielen.
Angstig gehoorzaamde Wande en nu zag zij, dat voor haar een holte in het blok was uitgehouwen, in den vorm van een menschelijk lichaam.
Daarnaast stond het metalen afgodsbeeld van Tsai-Soi.
Kusam verbrandde den inhoud van een wierooksvat, bedwelmende, blauwachtige rookwolken stegen op en Wandé zag, hoe de priester een afschuwelijk zwart masker voor het gelaat deed.
Naar haar toe gebogen mompelde hij vreemde woorden en verdoofd door den damp van den wierook, zonk zij bewusteloos op het blok neer.
Onmiddellijk doofde Kusam met een demonisch lachje de wierookvlam, sloeg op een koperen gong en eenige priesters snelden naderbij.
De opperpriester sprak tot hen:
„Daar ligt de vrouw van onzen grootsten vijand, prins Thun, die door Boeddha voor zijn ongehoorzaamheid wordt gestraft, door hem geen verdere erfgenamen te geven.
„Zij echter wil de genade van Tsai-Soi deelachtig worden. Legt haar op het offerblok en voert Win-Seng, het slachtoffer van Kwo-Saing, tot haar. Hij moet de schande van Thun met zijn leven bezegelen.”
De opperpriesters sleurden de ongelukkige, bewustelooze vrouw naar den offersteen van Tsai-Soi en Win-Seng werd binnengebracht.
Door de belofte van Kusam om hem zijn vrijheid terug te geven en het drinken van een geheimen, verhittenden drank, werd hij een gewillig werktuig van den machtigen Tsai-Soi en tot beul van de eer van prins Thun.
Een maand daarna verlangde prins Thun van den tempel van Tsai-Soi een vrouwenbewaker, omdat hij reden had om zijn eer te bewaken.
A-si-bar, de groote Boeddhapriester, troostte hem met de woorden:
„De wijze schikt zich in zijn noodlot, zooals het water in den vorm van een vat.”
„Ik zou het verdragen, wijze priester, wanneer niet mijn vijanden nu over mijn eer en mijn hart te gebieden hadden”, antwoordde prins Thun met toornige stem.
„Hoon Tsai-Soi en zijn priesters niet! Heeft hij u met schande gezegend, wend u dan tot Boeddha, maar niet tot de menschen.”
In dit oogenblik traden twee opperpriesters binnen en voerden een gesluierden slaaf met zich mee.
Diep bogen zij voor den machtigen prins en brachten hem den vrouwenbewaker.
De prins beval den slaaf te ontsluieren en hij zag een jongeling van twintig jaar. Het was de ongelukkige Win-Seng.
De priesters openden hem den mond en lieten zien, dat zijn tong was uitgerukt.—Win-Seng was stom.
Dadelijk daarop ging de Boeddha-priester heen en Win-Seng stond alleen voor zijn machtigen heer, die hem met een blik vol argwaan opnam.
Eindelijk maakte prins Thun een eind aan het zwijgen en vroeg:
„Hoe komt het, dat gij een slachtoffer van Tsai-Soi geworden zijt?”
Win-Seng duidde door gebaren aan, dat hij door geweld zoover was gebracht.
„Dus je haat de priesters?” vroeg prins Thun.
Het antwoord hierop gaven hem Win-Seng’s oogen, die fonkelden van haat, toen hij de vraag door met het hoofd te knikken bevestigend beantwoordde.
„Ik zal je de gelegenheid geven, als je mij trouw bent, je te wreken. Volg mij!”
Prins Thun bracht hem naar de vertrekken van Wandé.
Op zijden kussens lag zij daar, droomend in het maanlicht starend.
„Ga vooruit!” beval prins Thun en Win-Seng trad aan de legerstede der jonge vrouw.
De zilveren stralen van de maan beschenen de tengere gestalte der schoone vrouw en weerspiegelden zich in de kostbare steenen, die zij om den hals droeg.
Zoodra zij Win-Seng zag, sprong zij vol ontzetting van haar legerstede op en zonk op haar knieën.
„Tsai-Soi! Almachtige! Heb erbarmen met mij!” riep zij met opgeheven armen.
Win-Seng keek haar aan en deinsde verschrikt terug.—
Hij herkende haar.
Prins Thun echter doorzag in dit oogenblik het schandelijke werk der Tsai-Soi-priesters en vroeg Win-Seng met dreigende stem:
„Kent gij haar?”
Een bevestigend knikje volgde.
Eenige seconden heerschte een dof, drukkend stilzwijgen in het vertrek.
„Was zij je slachtoffer, schurk, in den tempel van die honden?”
Met van woede verwrongen gelaat schreeuwde prins Thun en greep naar zijn scherpgeslepen zwaard.
Win-Seng, die den dood een uitkomst vond, ontblootte gelaten zijn hals voor het doodend wapen en gaf een toestemmend teeken.
Met een kreet, als van een ten doode gefolterd wezen, ontving prins Thun het antwoord van den slaaf en vol ontzetting schreeuwde hij:
„Honden!—honden! Gij hebt mijn hart gebroken. Daarvoor zal ik u ten verderve brengen. Ik heb je bemind, Wandé, als een godin van goedheid, schoonheid en deugd!
„Nu verscheur ik mijn kleeren, nu zal ik mijn hoofd in zak en assche verbergen.—
„Punkuwong heeft mij het hart uit de borst gescheurd en jou onteerd. Voortaan zal ik als een eenzame ronddolen. Mijn smart zal tot in de wolken dringen en tot in het midden der aarde reiken.
„Wandé—Wandé—waarom voerde het noodlot je naar de priesters! Bijgeloof en waanzin!—
„De vreemde blanke duivels hebben gelijk, als zij zeggen, dat wij een doode massa zijn. Onze priesters—onze doodgravers!—Honden!—Ik zweer het bij Boeddha, ik zal uw tempels slechten en deze steden en menschen tot stof vertrappen, want gij hebt mij in uw waanwijsheid alles, alles geroofd!—
„Sta op, slaaf. Gij draagt de eer van prins Thun, van den machtigsten generaal in dit Rijk en ik wil je niet dooden, want je bent door Wandé en mijn eer geheiligd. Je leven behoort voortaan deze vrouw.—
„Wandé—wreek jezelf en mij, als je voortaan nog de vrouw van prins Thun wilt heeten!”
Met deze woorden snelde de edele Chinees heen.—
Win-Seng stond op. Het was hem vreemd te moede.
De woorden van den prins hadden hem verward.
Daar hoorde hij plotseling, hoe Wandé op klagenden toon sprak:
„De beschermer van mijn jeugd en schoonheid heeft mij verlaten. Mijn geloof is op een schandelijke wijze bedrogen, het is mij, alsof ik in duizend scherven was gevallen. Mijn ziel is vervuld van schrijnend wee, mijn oogen zijn vol tranen.
„Ea-saa-bar, mijn overleden vader, neem mij tot u; het leven is niets dan ongeluk en teleurstelling.”
Zij hield de slanke handen voor het gelaat en weende bitter.
Win-Seng wist geen troost voor zulk een groot verdriet. Zachtjes sloop hij uit het vertrek in een aangrenzende kamer en legde zich rillend van ontroering op het tapijt neer.—
Nu was de prinses alleen.
Urenlang hoorde Win-Seng haar weenen, eindelijk hoorde hij het niet meer en viel in een diepen slaap.
Zoo gingen de uren voorbij; ten slotte stond de prinses op, schudde als gedachtenloos haar lange zijden haren uit het rood-geweende gelaat en vouwde wanhopig de handen, als een ten doode gekweld wild om zich heen kijkend.
Eindelijk scheen zij weer tot het bewustzijn van haar toestand te komen. Zij ging naar een hoek van het vertrek, waar een groot, porseleinen afgodenbeeld van Tsai-Soi stond. Met haar zwakke krachten sleurde zij het naar den grond, zoodat het in duizend stukken brak.
Door het geluid gewekt, sprong Win-Seng verschrikt van de mat op en luisterde eenige minuten, daarop maakte de slaap zich weer van hem meester.
Kort daarna sloeg Wandé het gordijn van paarlen, dat voor zijn kamer hing, opzij en zacht sloop zij naar de rustplaats van den ongelukkige, die als een marmeren beeld in het licht der maan neerlag.
De zwarte oogen der prinses fonkelden, toen zij op hem neerzag. Daarop gleed een waanzinnig lachje om haar mond, zij boog zich over hem heen en kuste hem.
Win-Seng glimlachte in den droom; het was hem, als speelde hij met Anitai op een weide vol bloemen. Vermoeid van hun kinderlijk spel rustten zij. Uit de verte klonk trompetgeschal tot hen door—en Anitai kuste hem.
Wandé knielde naast hem en zong zachtjes een lied.
Daarop trok zij de met goud gestikte kassawaika open en haalde van haar borst een dolk te voorschijn.
Voorzichtig opende zij de tunica van Win-Seng.
Zacht, als streelend, zocht haar hand zijn hart.
Zij kuste het scherpe staal en hief de hand op om het wapen in de borst van den slaper te stooten.
Plotseling opende hij de oogen en keek met een glimlach naar Wandé.
Hij geloofde, dat zij Anitai was.
Maar als gloeiende doodslampen fonkelden de oogen der prinses en slaapdronken sloot hij de zijne opnieuw.
En weer hief Wandé den dolk op.
Een geritsel aan het paarlengordijn schrikte haar op.
Met een kreet stond zij op en staarde naar een vreemdeling—een blanke duivel, die op geheimzinnige wijze het vertrek was binnengekomen.
De vreemdeling trad nader.
„Waarom wildet gij dien ongelukkige dooden? Heeft hij u kwaad gedaan?” fluisterden zijn lippen.
Wandé balde de vuisten.
„Ja, hij overlaadde mij in den tempel van Tsai-Soi met smaad en schande. Ik werd zijn slachtoffer.”
„Hoe moet ik dat begrijpen?”
„Ik bracht den lentegod offers opdat hij mij een zoon zou schenken. De priesters verdoofden mij en...” zij zweeg blozend en vervolgde daarna zuchtend:
„De lentegod verhoorde mijn bede, maar hij druppelde wanhoop en dood in mijn hart.
„De priesters zijn vrienden van de keizerin, daaraan heb ik niet gedacht en de keizerin haat mijn echtgenoot, prins Thun.”
„Ik ken de duivelsche streken der priesters, maar beloof mij, prinses, dat gij dien ongelukkige en uzelf geen leed zult doen, voordat ik met uw echtgenoot heb gesproken. Wijs mij den weg naar hem!”
Wandé sprak:
„Ga de gang links door. Daar zult gij een gewapenden slaaf op een rieten mat voor het slaapvertrek van mijn heer vinden. Zeg hem, dat gij den prins wenscht te spreken.”
De vreemdeling dankte en verliet het vertrek.
Als een groote hond sprong de slaaf op, toen hij den vreemdeling zag aankomen en met opgeheven zwaard wilde hij zich op hem werpen.
De vreemdeling echter maakte een gebiedende handbeweging en sprak:
„Wek prins Thun, ik moet hem dringend spreken.”
Hierop verdween de slaaf om eenige oogenblikken later den bezoeker in het slaapvertrek van den prins te brengen.
Prins Thun had zich van zijn legerstede opgericht en keek den binnenkomende verbaasd aan.
Hij herkende hem dadelijk.
„Wat wenscht gij, Lord Cheekman, dat gij mij op dit ongewone uur bezoekt?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „iets zeer buitengewoons. Ik zal u een vreemde geschiedenis vertellen.”
Met een handbeweging noodigde de prins den grooten onbekende om plaats te nemen en Raffles begon de geschiedenis van Anitai en Win-Seng te vertellen.