Part 4
De prins glimlachte en sprak op vriendelijken toon:
„Gij zijt thuis en ik kan niet heengaan, want ik ben bij jou thuis. Ik ben de keizerlijke prins Tuan en jouw slaaf.”
„In het keizerlijk paleis ben ik? Je bent een schurk, want je liegt. Een keizerlijk prins rooft niet!” antwoordde Anitai, hem met vonkelende oogen aanziende.
Kwo-Saing, die naderbij geslopen was om te luisteren, verdraaide zijn oogen en veegde zich het angstzweet van het voorhoofd.
De prins echter amuseerde zich over de openhartigheid. Het meisje bezat werkelijk de gave om zijn verveling te verdrijven.
„Zeg mij, waar ik ben, of de straf van Boeddha zal je treffen, als je liegt!” dreigde de kleine, van den divan opspringend.
„Bij mij ben je, bij den broeder van de zon en de maan,” antwoordde prins Tuan, „en bij mij zal je blijven, roos van Peking en heerscheres worden. Een koningin van de zon. Want je bent schoon als de zon. Kijk, mijn kostbare bloem van Paiho, hoe bevalt je dat?”
Hij haalde een met goud beslagen étui uit zijn kleed te voorschijn en gaf het Anitai.
Als verblind staarde het meisje op kostbare, schitterende en vonkelende edelsteenen, die in heerlijke kleuren, als een vuurwerk, straalden.
„Gij zijt dus toch de keizerlijke prins? Ik geloof het. Maar gij zijt oud en leelijk en mijn heer, de Engelsche mandarijn, is jong en schoon, al is hij ook niet zoo rijk en machtig als gij zijt. Ik tooi mij veel liever met geurige bloemen.”
De luisterende Kwo-Saing wentelde zich van schrik op den grond. Hij dacht, dat nu prins Tuan in de handen zou klappen, dat de eunuchen zouden komen om Anitai naar het roode blok in den zwarten toren te sleepen.
Hij zelf zou het zijden koord om den hals krijgen.
Hij geloofde zijn ooren niet, toen hij den prins op goedigen toon hoorde zeggen:
„Roos van Peking, ik wil je de kostbaarste bloemen bezorgen, als ik je handen mag kussen. Ik zal de keizerin, de vertegenwoordigster van moeder aarde, roepen, opdat zij je ziet en je zegent!”
„De keizerin?” riep Anitai rillend. „In Peking zegt men, dat zij wreed en tyranniek is. De dood en martelingen zijn haar vrienden en zij mishandelt de vrouwen van den keizer—en uw vrouwen.”
Opnieuw kromde Kwo-Saing zich van angst en weer lachte prins Tuan. Zoo vroolijk was hij in jaren niet geweest. Openhartigheid was hem nieuw.
„Jou zal zij geen kwaad doen, roos van Peking, ik zweer het op mijn keizerlijk woord. Morgen hoop ik weer van je schoonheid te genieten. De zon zij met je!”
De prins ging heen. Het juweelenkastje echter liet hij achter.
Anitai wierp zich weenend op den divan. Zij smeekte alle goden om hulp en bijstand.
Plotseling voelde haar hand de kleine revolver, die Raffles haar had gegeven.
Daar trad de keizerin binnen, vergezeld door den opper-eunuch Li.
Waggelend—want de kleine omwonden voeten waren nauwelijks in staat om het vette lichaam te dragen—naderde zij Anitai en wierp een blik vol haat op de schoone mededingster. Zij had eenmaal prins Tuan bemind, doch haatte hem nu. Slechts door haar sluwheid kon zij haar ware gevoelens voor den prins verborgen houden.
„Wie ben je?” vroeg zij met harde stem.
„Ik heet Anitai, ben een wees en de slavin van een Engelschman,” luidde het antwoord.
Een ironisch glimlachje vloog over het gelaat der keizerin.
„De witte duivels houden er geen slaven op na, je ben een domme gans! Je behoort nu tot het huishouden van prins Tuan en moet aan al zijn wenschen gehoorzamen.”
„Nooit” riep Anitai. „Liever dood ik mij zelf!”
„Je waagt het, ons te trotseeren? Weet je, wie ik ben?”
„Jawel!” riep het jonge meisje, „een vrouw zonder erbarmen of medelijden. Men noemt u in Peking wreed en harteloos.”
De keizerin werd bleek van woede.
Zij was zeer fijngevoelig als iemand het durfde wagen om haar de waarheid te zeggen.
„Ik zal je laten dooden! Geef haar zweepslagen!”
Met wijdgeopende oogen van angst staarde Anitai naar de dikke, wanstaltige gedaante van den dienaar, die een leeren zweep uit zijn rijkversierden gordel te voorschijn haalde en zich gereed maakte om Anitai te slaan.
„Heb medelijden!” smeekte het jonge meisje. „Spaar mij!”
Met kracht viel een klap op haar schouders neer en ontlokte haar een luiden gil van pijn.
„Sla haar opnieuw!” beval de keizerin. „De tong van deze slang zal aan banden worden gelegd.
„Vooruit!”
Opnieuw hief de eunuch de zweep op.
Zonder te weten wat zij deed, haalde Anitai het wapen, dat Raffles haar had gegeven, te voorschijn en drukte af met gesloten oogen, zonder te weten waarop zij schoot.
Een knal weerklonk—een woeste gil volgde, daarop viel een lichaam met dof geluid neer.—
Nu opende Anitai haar oogen en zag de keizerin op den grond liggen.
De opper-eunuch had van ontsteltenis de zweep laten vallen, hij riep slaven en beval hen, de keizerin naar haar slaapvertrek te dragen.
Binnen een paar minuten was het vertrek, waarin Anitai zich bevond, leeg. Niemand bekommerde zich om haar. Zij zat als wezenloos op den divan en had nauwelijks de kracht om te denken.
Werktuigelijk speelde haar hand met het kleine wapen, dat, zonder dat zij het wist, een groot woord had gesproken in de geschiedenis van China.
Zij kon zich geen voorstelling maken over de gevolgen van hare handeling.
Zij wist niet, dat de misdaad die zij had begaan, met den dood werd gestraft.
Waarom sloeg men haar! Zij had niemand kwaad gedaan. Zij had recht zich te verdedigen.
Hoe kwamen deze menschen er toe om haar in het paleis op te sluiten en haar te willen dwingen prins Tuan lief te hebben?
Zij verafschuwde dien leelijken man.
Hij kwam haar voor als een griezelige vogelspin.
Daarop dacht zij aan Raffles, aan zijn fiere mannelijke schoonheid.
Zonder dat zij het wist beminde Anitai hem. Zij zou zich voor den gehaten vreemden blanken duivel laten dooden. Haar gansche leven lang wilde zij hem als een slavin dienen.
Zij zou er mee tevreden zijn als een hond op den drempel van zijn kamer te mogen liggen.
Ook nu weer had zij hare redding aan hem te danken.
Glimlachend keek zij naar het wapen, dat hij haar had gegeven en zij herhaalde de woorden die hij tot haar had gesproken:
„Wanneer men u aanvalt hebt ge het recht u te verdedigen. Niemand mag zijn medemensen ongestraft kwaad doen.”
Liefkoozend gleden haar slanke vingers over den zilveren loop van de revolver.
Daarop kuste zij het wapen en stak het in haar zak.
Droomerig staarde zij naar de deur. Daar ontwaarde zij het kistje met de edelsteenen; zij nam eenige van de schitterende juweelen in haar hand en speelde ermee.
Zoo verliep wel een kwartier, toen een geluid haar deed opkijken.
Zij hoorde, hoe een sleutel in het slot van een verborgen deur werd gestoken en met een zacht geknars werd omgedraaid.
Angstig keek Anitai in de richting van het geluid.
Plotseling werd een deur in het behang geopend. Een koude luchtstroom kwam het vertrek binnen en een man, gehuld in een wit golvend gewaad, stond vóór haar.
„Schrik niet, dochter des Hemels. Ik zoek u om u te bevrijden. De priesters van de zon zijn machtiger dan de keizer en zijn dienaren. Volg mij, opdat ik u geleide.”
Als verdoofd door deze woorden, die haar de vrijheid beloofden, snelde Anitai op den priester toe, keek hem in het goedige gelaat en stamelde woorden van innige dankbaarheid.
Deze echter fluisterde haar toe:
„Spreek zacht. De vreemde mandarijn wacht u in onzen tempel. Den priesters der zon blijft niets verborgen, vraag niet verder, volg mij!”
Gebiedend strekte de priester de hand uit en wees op de deur.
Anitai snelde er heen.
De priester echter legde midden in het vertrek een eigenaardigen zwarten steen neer, waarop met gouden letters geschreven stond: „De Zon!”
Daarop ontstak hij poeder, dat met een scherpe, doordringende lucht het vertrek vulde, ging naar de deur, sloot deze zorgvuldig achter zich dicht, ontstak een kleine kaars en ging de innig-verheugde Anitai voor als gids door vele donkere lange gangen.
De weg kwam de vluchtelinge eindeloos voor, de tocht duurde wel twee uur.
Eindelijk werd het al lichter en lichter om hen heen, en nadat de priester een deur had ontsloten, stond Anitai in de zonnige ruimte van een kleinen tempel.
Als verblind sloot ze haar oogen.
Zij hoorde hoe de priester sprak:
„Gij zijt gered. Sluier uw gelaat, want gij staat in de stralen van de grootste aller koninginnen, de zon.”
Daarop werd zij voor den tempel gebracht en met een luiden vreugdekreet snelde zij naar Raffles, die met een draagstoel op haar wachtte.
Eenige uren later bevond Anitai zich weer in het rustige huis van den goudsmid Huen-Schang en vertelde Raffles, nadat zij haar groote ontroering in een stroom van tranen had lucht gegeven, het vreeselijke avontuur, dat zij met de keizerin had beleefd.
Met de grootste belangstelling luisterde Lord Lister naar haar verhaal.
Hij kon nauwelijks afwachten, dat zij had uitgesproken, en opnieuw moest zij zich gereed maken om uit te gaan. In een riksa, die Raffles veel te langzaam ging, spoedde hij zich naar het paleis van prins Thun.
Vol verbazing keek deze naar den grooten onbekende, die met het jonge meisje bij hem kwam, en volgens Chineesch gebruik wilde hij een ontbijt aanbieden.
Maar Lord Lister bedankte hiervoor.
„Het is nu geen geschikte tijd, prins Thun, om ons met beleefdheden op te houden. Hoor, wat er gebeurd is. Het toeval heeft Anitai, de zuster van den ongelukkigen Win-Seng, als werktuig der wraak uitverkoren.
„De keizerin is door haar hand gevallen.”
Prins Thun dacht, dat Raffles krankzinnig was geworden. Hij hield van verbazing den adem in.
John Raffles zag de uitwerking, die zijn woorden hadden teweeggebracht, en herhaalde:
„Ik spreek de zuivere waarheid, Prins Thun, de keizerin is doodgeschoten!”
Nog steeds kon de Prins deze woorden niet gelooven.
Daar trad een keizerlijke bode binnen en berichtte, dat de audiëntie, die de keizerin den prins dien middag zou toestaan, ten gevolge van plotselinge ziekte der keizerin, niet kon plaats vinden.
Raffles en de prins wisselden een snellen blik.
„Als het waar is, wat gij mij hebt medegedeeld, dan hebt gij er het grootste aandeel aan, als ik den keizerstroon bestijg”, sprak prins Thun, „want gij hebt dit meisje uit de handen van den schurk Kwo-Saing gered en zij is daardoor de kleine oorzaak geworden, die zulke groote gevolgen had.
„Ik zal haar nu naar mijn gemalin brengen, daar is zij veilig. Daarna verzoek ik u, met mij in het paleis der keizerin te gaan.”
Hij ging met Anitai en Raffles naar de vrouwenvertrekken en gaf het jonge meisje aan de hoede zijner echtgenoote over.
Met tact zorgde hij ervoor, dat Anitai niets van Win-Seng te zien kreeg. Hij had den ongelukkige eene woning aangewezen in het afgelegen gedeelte van het paleis.
Nu begaf hij zich met Raffles naar de verboden stad.
Slechts bij groote plechtigheden is het den Europeanen veroorloofd een deel der verboden stad, zooals het reusachtige paleis wordt genoemd, te betreden.
Geen enkele Europeaan heeft nog ooit zijn voet in het inwendige van dit gebouw gezet. Zoo was Raffles de eerste, die onder geleide van den prins het paleis mocht binnengaan.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
BIJ DEN OPPER-EUNUCH.
De verboden stad is eigenlijk geen aaneengesloten complex van gebouwen, maar wordt gevormd door dozijnen grillige bouwwerken en sierlijke paleizen.
Een torenhooge muur omsloot haar aan alle kanten en honderden gewapende soldaten beletten iederen vreemdeling er binnen te dringen.
Achter den muur strekten zich groote, prachtvolle tuinen uit en bijna in het midden van het schoone park verhief zich het kleine paleis, dat de keizerin bewoonde.
De wachters van het paleis beletten hun het verdere binnendringen, toen zij de inwendige gebouwen naderden.
„Ik wensch den opper-eunuch Li te spreken,” sprak prins Thun.
Hij moest bijna een half uur wachten alvorens de almachtige vertegenwoordiger der keizerin verscheen.
Met een onderdanigen glimlach begroette hij den prins en vroeg naar diens verlangen.
„Men heeft mij een zeer gewichtige audiëntie afgezegd,” begon prins Thun, „ik moet de keizerin beslist spreken.”
„Het spijt mij zeer,” luidde het antwoord van den opper-eunuch, „doch de keizerin heeft bevolen, dat niemand haar mocht storen. U moet uw verzoek schriftelijk indienen.”
Vergeefs zocht prins Thun en ook Raffles op het gelaat van den eunuch een aanwijzing te vinden, dat er iets buitengewoons moest zijn gebeurd.
Reeds wilde prins Thun afscheid nemen, toen Raffles hem te hulp kwam. Hij wendde zich tot den opper-eunuch en vroeg:
„Spreekt gij Engelsch?”
Li knikte bevestigend.
„All-right!” zei Raffles. „Dan zullen wij beide spoedig tot eenig resultaat komen.
„Uit mijn woning is gisteren door een chef van politie in Peking, den man, die veertig draken doodde, Kwo-Saing, een jong meisje geroofd, dat aan mijn bijzondere hoede is toevertrouwd. Het is naar prins Tuan gebracht en nu zou ik gaarne willen weten, wat gij mij omtrent het gebeurde weet mee te deelen.”
De eunuch vertrok zijn gelaat tot een breeden lach en gaf ten antwoord:
„Ik bekommer mij niet om de privaat-aangelegenheden van prins Tuan.”
„Dat is een leugen!” kwam prins Thun tusschenbeide. „De harem van prins Tuan staat onder uw hoede. Gij weet dus precies, wat daarin voorvalt.”
Nu verdween voor het eerst van het gelaat van den opper-eunuch de gewone uitdrukking en een woedende blik, zooals een tijger op zijn temmer werpt, trof den prins.
„Mij is niets bekend van een jong meisje, dat in den harem van prins Tuan is gekomen,” zei de eunuch.
„Dat is wederom een leugen!” riep prins Thun op scherpen toon. „Maar het zou immers ook een wonder zijn, wanneer zulk tuig eens de waarheid sprak.”
Toen greep Raffles in zijn zak en haalde de revolver te voorschijn, waarmee Anitai het noodlottige schot had toegebracht.
„Kent gij dit wapen?” vroeg hij en duwde het den opper-eunuch onder den neus.
Onmiddellijk trad de man achteruit en werd doodsbleek. Zijn waterige oogen wendden zich vol schrik naar het kleine wapen van den blanken duivel.
Hij begon in te zien, dat hem het liegen niet meer hielp en zich aan de voeten van den prins werpend, stamelde hij:
„Vergiffenis, keizerlijke heer! Ik zal u de waarheid vertellen. In den harem van prins Tuan is gisternacht een vreeselijk ongeluk gebeurd. Een vreemde, een geschenk van den politiechef Kwo-Saing, schoot met zulk een wapen op de keizerin.”
Eenige minuten heerschte er een angstig stilzwijgen, daarop vroeg prins Thun:
„Leeft de keizerin nog?”
„Ja!” antwoordde de opper-eunuch. „Maar ieder oogenblik is haar sterven te verwachten.”
„Waar is de keizer?” vroeg prins Thun verder. „Heeft hij reeds bericht gehad?”
„Neen,” gaf de opper-eunuch ten antwoord, „overeenkomstig het bevel van de keizerin mochten wij hem niets mededeelen.”
„Het is goed”, met een koelen groet nam prins Thun afscheid en verliet met Raffles het paleis.
Toen zij in den voor het paleis wachtenden draagstoel zaten en naar de woning van den prins terugkeerden, sprak deze tot Raffles:
„Gij zijt een merkwaardig mensch. Ik zou u bijna voor een werktuig van den Hemel houden. Gij hebt hier een verdorven dynastie omvergeworpen, en misschien China een beter lot doen toekomen, dat wil zeggen, als het mij gelukt prins Tuan voor te zijn en den keizer te redden.”
„Den keizer? Dreigt er gevaar voor hem?”
„Ja zeker, Lord Cheekman. Prins Tuan zal hem uit den weg willen ruimen om den troon te bestijgen. Ik hoop maar, dat ik zijne plannen kan verijdelen. Het Rijk zou anders een onmetelijk ongeluk te gemoet gaan.”
„Wat wilt ge doen, prins Thun, misschien kan ik u helpen?” vroeg de Groote Onbekende.
Prins Thun dacht een oogenblik na en antwoordde toen:
„Wanneer het mij mocht gelukken, het testament van den overleden keizer in handen te krijgen, dan was voor prins Tuan de kans verkeken. In dat document werd hij uitdrukkelijk van elke troonsopvolging uitgesloten.”
„Waar ligt dat schriftuur?”
„In eene geheime kast van den opper-eunuch Li. Niemand, behalve hij zelf, weet waar het verborgen is.”
„Ik zal het u bezorgen, prins Thun, ik mag gaarne dergelijke opdrachten uitvoeren. Ik zal den troon van China voor u stelen.”
Prins Thun moest even lachen.
Deze woorden klonken te lachwekkend.
„Twijfelt gij aan mijn voornemen en de uitvoering er van, prins Thun?”
„Openhartig gesproken, ja,” gaf de prins ten antwoord, „dat kunststuk zou zelfs de bij u in Londen zoo beroemde Raffles niet klaar spelen.”
„Wie weet,” antwoordde de Groote Onbekende, met een zeldzamen, geheimzinnigen klemtoon op deze woorden.
NEGENDE HOOFDSTUK.
RAFFLES AAN HET WERK.
De keizerin-moeder, de heerscheres van China, was gestorven.
Aan haar doodsbed bevonden zich de opper-eunuch en prins Tuan.
Beiden spraken fluisterend met elkaar.
„De dood moet zoolang geheim worden gehouden, totdat de keizer zijn moeder gevolgd is,” zei prins Tuan. „Begeef u nog heden naar den onnoozele en maak hem duidelijk, dat het de wensch, neen het bevel van zijn moeder is, dat hij zich doodt en haar volgt. Laat hem de keuze tusschen den strop en het bladgoud. Morgenavond mag hij niet meer leven. Mocht hij te laf zijn, help hem dan.”
„Hij zal het niet doen, Keizerlijke Hoogheid.”
„Leg hem zelf den strik om den hals en worg hem. Voordat prins Thun den dood der keizerin verneemt, moet het gebeurd zijn, of wij hebben verloren, want dan zal hij het regentschap overnemen en den zwakhoofdige tegen ons beschermen. Wij hebben geen tijd te verliezen.”
„Neen, geen seconde, Keizerlijke Hoogheid. Prins Thun is omtrent alles ingelicht.”
„Wat? Wie deelde hem dat mee?”
„Een Engelschman, een der vreemde blanke duivels! Boeddha moge hem vernietigen!”
„Hoe weet de Engelschman het?”
„Hij bevrijdde het meisje, de slavin, die Kwo-Saing u zond, met behulp van de priesters der zon.”
„Hoe heet die hond?”
„Lord Cheekman.”
„Woont?”
„Bij den goudsmid Huen-Schang, midden in de stad.”
„En leeft hij nog?”
Prins Tuan keek den opper-eunuch met minachting aan.
„Je wordt oud, Li, je laat onze vijanden in leven”.
Hij stampte op den grond van nijd.
„Vooruit, breng den hond in het paleis. Hij moet verdwijnen.”
„Hij is de vriend van prins Thun”, waagde de opper-eunuch tegen te werpen.
„De hel moge Thun en zijne vrienden verslinden. Het geldt den troon. Li wat talm je? Zend gewapende macht naar den Engelschman. Met prins Thun zal ik wel afrekenen. Hij moet den Engelschman tot morgen volgen. Haast je!”
Het was tegen middernacht, toen Raffles van de Engelsche Club naar huis ging.
Toen hij zijne woning naderde, zag hij de straat vol gewapende macht.
Dadelijk bleef hij staan en trad, om zich rekenschap te geven van de aanwezigheid der soldaten, in het volslagen donker voorportaal van een huis.
Nu herkende hij, bij het onzeker licht van eenige lampions, zijnen gastheer Huen-Schang geketend midden tusschen de gewapende macht. Haastig overlegde hij, of hij te voorschijn zou komen om te vragen, wat dat beduidde.
Opeens kwam Kwo-Saing, de chef van politie, dicht langs zijne schuilplaats.
Raffles had al zooveel Chineesch geleerd, dat hij verstond, wat Kwo-Saing zei.
Van uit zijn draagstoel onderhield hij zich met een naastbijzijnden politie-beambte.
„De blanke duivel is nog niet thuis?”
„Neen, Excellentie, de soldaten verwachten hem elke minuut.”
Nu wist Raffles genoeg. De aanwezigheid der soldaten gold hem dus.
Geluidloos als een schaduw sloop hij uit zijne schuilplaats langs de huizen en kwam in veiligheid.
Een half uur later vroeg hij binnengelaten te worden in het paleis van prins Thun.
Op het groote binnenplein van het paleis stonden honderden soldaten gereed. Niemand wist hier wat van.
Raffles schreed tusschen de lange rijen slapende krijgslieden door en kwam bij prins Thun, die, nog wakker, met zijne vertrouwelingen op berichten wachtte.
Toen de Groote Onbekende binnentrad, kwam er een vroolijke glimlach op het ernstige gelaat van den troonopvolger.
Hij stak hem beide handen toe en sprak tot zijne vertrouwelingen:
„Deze man is het werktuig der Voorzienigheid voor het welzijn van China geworden. Boeddha beschermt hem!”
De mandarijnen en generaals maakten na deze woorden een buiging voor Raffles, dien zij met belangstelling opnamen.
„Wat brengt u voor berichten?” vroeg prins Thun.
Lord Lister wees naar een voornaam generaal en zei:
„Ik verzoek Uwe Keizerlijke Hoogheid, den generaal te bevelen mij zijn uniform te leenen.”
Verbaasd keken de prins en de andere aanwezigen den spreker aan.
„Ik begrijp wel niet, welk doel gij beoogt, doch, daar ik aanneem dat het voor mijn goede zaak is, verzoek ik generaal Fung-wo, u zijn uniform af te staan.”
De generaal volgde Raffles naar een zijvertrek.
De Groote Onbekende had weinig tijd te verliezen. Hij had een dolzinnig plan opgevat.
Slechts tien minuten verliepen, toen Raffles alweer op den prins toetrad.
Maar deze herkende hem niet.
Was dat Raffles of generaal Fung-wo?
Met behulp van schmink en was had Lord Lister zijn gelaat zoo goed veranderd, dat hij een dubbelganger leek van den generaal.
Toen prins Thun hem eindelijk herkende, slaakte hij een kreet van verbazing.
Raffles lette er niet op.
Haastig nam hij afscheid en verliet het paleis.
Weer ging hij naar zijn woning.
Hij haalde verlicht adem, toen hij de soldaten nog wachtend zag staan.
Kwo-Saing, de dooder van de veertig draken, onderhield zich met de officieren van den troep, toen Raffles naar hen toe stapte.
Diep bogen de aan slaafsche onderwerping gewende menschen voor de met goud bestikte uniform.
„De keizer beveelt, mij te volgen.”
Dadelijk sprongen de soldaten overeind en stelden zich op. Niemand waagde het naar het gebruikelijk schriftelijk bevel te vragen.
Gehoorzaam zette de colonne zich in beweging en volgde den Grooten Onbekende naar het paleis van den keizer.
Zwijgend ging het voorwaarts. Geen woord werd er gesproken. Slechts de officieren vroegen onderling, wie de generaal was, die voorop liep.
„Generaal Fung-wo”, fluisterde een van hen, „de vriend van den vice-koning Li-hung-schang en van prins Thun.”
Kwang-Hsu, de ongelukkige keizer van China, zat in zijn klein vertrek en speelde met looden soldaten.
Nu en dan kwam er een vermoeid glimlachje op het gelaat van den geheel ontzenuwden, zwakhoofdigen man.
Slechts in naam was hij jarenlang de keizer van het machtige rijk geweest, dat zijne moeder voor hem geregeerd had.
Hij wist misschien niet eens, welke gewichtige rol hij in de wereldgeschiedenis speelde. Hij was volkomen tevreden, wanneer de opper-eunuch Li hem nieuw Europeesch speelgoed bracht of hem een penseel gaf, waarmee hij onder allerlei staatsdocumenten zijn naam schilderde.
De ongelukkige wist niet eens, wat dat alles beteekende. Het kon een doodvonnis, eene benoeming of ontslag van een ambtenaar zijn. Het kon den oorlog beteekenen en duizenden het leven kosten. Kwang-Hsu schilderde zijn naam onder alles, wat de opper-eunuch hem voorlegde.
Juist trad deze binnen.
„Er is China een groot ongeluk overkomen. De keizerin-moeder is overleden”, begon hij, voor den troonzetel staan blijvend, waarop de keizer had plaats genomen.
„Is mijne moeder dood?” vroeg Kwang-Hsu.
Hij was niet zoo onnoozel, om geen begrip van den dood te hebben.
Ja, hij was er zelfs bang voor, en zijne sprookjesvertellers had hij verboden, daarvan te verhalen.
Eenige seconden bewaarde de keizer het stilzwijgen en staarde den opper-eunuch aan.
Daarop verborg hij zijn gelaat in zijn tunica en begon te schreien.
De opper-eunuch verbaasde zich, dat de keizer tot deze gevoelsuiting in staat was.
Nu hief de heerscher het hoofd omhoog, keek den opper-eunuch met beweende oogen aan en vroeg:
„Kan ik mijne moeder zien?”
„Neen”, antwoordde Li. „Gij zult haar niet zien, doch het is de wensch van de overledene, dat gij uwe moeder volgt.”
„Volgen?—Moet ik mijne moeder volgen?—Hoe kan ik dat?”
„De keizerin-moeder”, sprak de opper-eunuch met zalvende stem, „bevindt zich nu in het eeuwige rijk van Boeddha. Zij gaf mij opdracht, u den weg te wijzen om bij haar te komen. Ziet hier.”
De opper-eunuch haalde een dun zijde-papiertje te voorschijn, opende het voorzichtig en legde twee zeer dun geplette stukjes bladgoud, ter grootte van een gulden, op zijn hand.
„Wat beduidt dat?” vroeg Kwang-Hsu.
„Dat beduidt de weg naar de keizerin-moeder.”
„Deze blaadjes goud?”