Chapter 3 of 5 · 3994 words · ~20 min read

Part 3

„Mijn kostheer, Huen-Schang, een goudsmid, heeft een broeder, die tempelwachter in den tempel van Tsai-Soi is. Hij vertelde mijn gastheer de geschiedenis van de intrigue der keizerin tegen uw echtgenoote. Een zeldzaam toeval bracht den broeder van de door mij geredde Anitai in nauw verband tot de gebeurtenissen.

„Kwo-Saing, de man, die veertig draken doodde, de machtige politiechef van Peking, heeft Win-Seng overgeleverd aan de priesters van Tsai-Soi, deze hebben hem in een toestand van opgewondenheid gebruikt om de misdaad tegen uw echtgenoote te plegen en hem daarna voor eeuwig stom gemaakt.

„Eenige uren geleden vernam ik, dat deze ongelukkige in uw huis is gebracht als vrouwenbewaker. Verdere onheilen voor u, prins Thun, vreezend, snelde ik hierheen om u alles mede te deelen en het toeval was mij gunstig.—

„Toen ik eenige minuten geleden zonder uw huis te kennen hier kwam en de kamer van uw echtgenoote binnentrad, kon ik nog juist verhinderen, dat zij zichzelf en den ongelukkige doodde.

„Troost uw echtgenoote, prins Thun, laat haar niet aan haar wanhoop over, dat offer zou te groot zijn!”

De edele Chinees sprong op.

Hij vatte de hand van John Raffles, drukte deze en riep uit:

„Ik dank u, Lord Cheekman, gij zijt de eerste ware vriend, dien ik in mijn leven heb leeren kennen. Gij hebt gelijk, mijn echtgenoote mag niet het slachtoffer van die schurken worden, maar die ellendelingen zullen mijn wraak voelen.”

„Haat de keizerin u?” vroeg de Groote Onbekende.

Een bitter lachje speelde om den mond van den prins.

„Ja, omdat ik vriendelijk ben tegen de vreemdelingen en mijn best doe om zooveel mogelijk om mij heen te verbeteren. Zij vreezen, dat ik hun gunsteling, prins Tuan, denzelfden prins, door wiens toedoen de Duitsche gezant werd vermoord, dat ik dezen wreeden, tyrannieken mensch met mijn aanhangers zal doen vallen om den troon te veroveren voor mijn zoon, Pu-Yi.

„Daarom haat de keizerin mij als haar ergsten vijand en meer dan eens ben ik ternauwernood aan haar sluipmoordenaars ontkomen.”

Met sombere blikken, de armen gekruist over de borst, stond de prins eenige oogenblikken voor Raffles, daarop rekte hij zijn hooge, breede gestalte uit, stak Raffles zijn hand toe en sprak:

„Laat ons vrienden zijn. En mocht het geluk willen, dat ik den troon van dit Rijk voor mijn zoon verover, dan staat al mijn macht tot uw dienst.”

Beide mannen reikten elkaar de handen en bezegelden hun vriendschapsverbond door een stevigen handdruk. Daarop kuste de prins Raffles op het voorhoofd en liet hem door zijn slaven naar de logeervertrekken van het paleis brengen.

Prins Thun echter begaf zich naar Wandé en troostte haar.

In dezen nacht werd over het lot van China beslist.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE HEKS VAN PEKING.

Prins Tuan, de eerste onderkoning en plaatsvervanger van den keizer, had vele vrouwen, maar geen harer vond hij werkelijk schoon en begeerlijk.

De machthebber was het geheime oog, het oor en de mond van de keizerin-regentes Tsi-si, voor den jongen, minderjarigen keizer.

Het leven in het paleis ging zijn eentonigen gang, de verveling drukte den prins, hij verlangde naar nieuwe, vreemde emoties.

Daarom verzamelde hij zijn eunuchen en mandarijnen om zich heen, die, op den grond liggend, naar zijn bevelen luisterden.

Ademlooze stilte heerschte in den kring, toen hij sprak:

„Ik beveel u, mij de meest volmaakte schoonheid van het geheele Rijk te brengen. Toont gehoorzaamheid en handelt. Wie van u mijn bevel uitvoert, zal een rijke belooning krijgen, wie ongehoorzaam is, dien geef ik het zijden koord.”

De onderdanige mannen wreven met hun hoofd over den grond als teeken van gehoorzaamheid en de prins ging naar zijn vertrekken.

Toen de mandarijnen alleen waren, schudden zij zwijgend de gladgeschoren hoofden en bekeken zenuwachtig hun lange, spitse nagels.

Zij meenden reeds het zijden koord om den hals te voelen.

Alleen de oude Kwo-Saing, de verrader, liep opgewonden heen en weer en fluisterde bij zichzelf:

„Ik weet, waar de schoonste vrouw van Peking is, welke mijn heer, de broeder van de zon en de maan, zich wenscht. Ik zal zijn hart jonger maken en nieuwe roem zal mijn deel zijn. Mijn wraak echter zal dan dubbel groot zijn. Ik zal hen trappen, die mij met voeten hebben getreden.”

„Waarover peinst gij, Kwo-Saing, kom!” riepen de anderen.

„Gaat naar huis, kinderen van het geluk, ik volg u weldra. Veel geluk voor de toekomst,” lachte hij hoonend en bleef alleen.

Hij legde zijn vleezige vingers tegen de ingezonken slapen en keek peinzend naar de rozen en slingerplanten van het dikke tapijt waarop hij zat.

Eindelijk werden zijn trekken levendig. Met jeugdig vuur sprong hij op en riep:

„Ik heb het—ik heb het!—Bali, Bali, de heks moet mij helpen om het meisje van den vreemdeling te rooven.

„Vervloekt die vreemdelingen! Mogen de tempelpriesters hen eindelijk vernietigen, zooals de vlam dit stroo!”

Daarop stond hij op en verliet het paleis van prins Tuan.

De wachten knielden neer toen hij in zijn draagstoel plaats nam.

Juist reden eenige elegante rikshas voorbij, de straat in tot aan het gebouw van het Londensche gezantschap.

Kwo-Saing herkende den Europeaan, die in een der voertuigen zat.

Het was Raffles.

Woedend balde de Chinees de vuisten en zond hem een vloek na, daarop leunde hij met een duivelschen grijnslach achterover in de naar muskus riekende kussens van zijn draagstoel en riep zijn slaven toe:

„Naar Hwang-sse!”

Dit was een voorstad in het Noorden van Peking.

Daar woonde in een oude pagode Bali, de heks van Peking. Zij had jaren geleden veel van Kwo-Saing gehouden.

Heimelijk, bijna kruipend, als een afschuwelijke duizendpoot, sloop de Mandarijn naar haar woning.

De oude vrouw zat juist bij een haardvuur en roosterde rijst.

Een lichtstraal gleed over haar sluw gelaat, toen zij haar ouden minnaar zag.

Glimlachend beantwoordde zij den groet van Kwo-Saing, die zijn rechterhand op de plaats legde, waar andere menschen een hart hebben.

„Wat wenscht gij, Kwo-Saing?”

„Hulp en raad van jou, Bali, de verstandige!”

Met fluisterende stem vertelde hij van den wensch van prins Tuan, van Anitai’s schoonheid, van haar roof, van de bevrijding door den vreemdeling, van zijn haat jegens den blanken duivel, van den broeder van het meisje, de priesters van Tsai-Soi en prins Thun.

Kwo-Saing wist alles.

Zijn spionnen hadden hem uitstekend ingelicht.

Hij eindigde met de woorden:

„De vreemde duivel reed zooeven naar het gezantschapshotel. Haast je nu in mijn draagstoel naar Huen-Schang, den goudsmid, bij wien hij in de Yanlingstraat woont. Vraag Anitai te spreken en zeg haar, dat haar broeder Win-Seng op haar wacht. Breng haar dan hierheen.”

Bali knikte en sloeg een doek om de schouders.

Kwo-Saing gaf zijn slaven de noodige bevelen en zij snelden naar de Chineesche wijk.

Verscheiden uren verliepen, voordat de draagstoel terugkeerde.

Achter een scherm verborgen zat Kwo-Saing geduldig te wachten tot Anitai uitstapte.

Een woeste vreugde maakte zich van hem meester. De schurkenstreek was gelukt.

Hij hoorde, hoe het jonge meisje zei:

„Het is heel ver, goede moeder, waarheen gij mij hebt gebracht. Mijn heer zal schrikken, als hij mij niet vindt. Ik bid u, mij spoedig weer naar huis terug te brengen.—Waar is mijn broeder Win-Seng?”

„Ik ben vroom en Boeddha onderdanig,” antwoordde de heks.

„Voordat gij uw broeder ziet, moet ik een offer brengen aan de maan, opdat hij ons beschermt.”

Behendig had zij haar kassawaika losgemaakt en op een versleten altaar, dat voor het morsige beeld van een afgod stond, een offerschaal neergezet, met reukwerk gevuld en dit door middel van een gloeiende kool aangestoken.

Een blauwachtige damp steeg op en vulde het vertrek met een zoetigen geur.

Daarop wierp de heks zich op de knieën en mompelde onverstaanbare woorden.

Een onbehaaglijk gevoel maakte zich van Anitai meester. Rillend schudde zij het schoone hoofd, zoodat de gouden oorringen rinkelden als de zilveren bruiloftsklokjes van den Boeddhatempel.

Kwo-Saing echter, die achter het scherm verborgen stond, knarsetandde van verrukking over de schoonheid van Anitai.

Nu hief de heks het hoofd op en sprak:

„Anitai. De geest van Punkuwong heeft mij geantwoord. Uw broeder Win-Seng wacht u in het paleis van prins Tuan; daar is hij, sinds gij hem ontstolen zijt.

„Klim in den draagstoel en snel naar hem toe.”

Beangst hulde Anitai zich in haar sluier en volgde de heks naar buiten.

Daar greep Bali haar arm en naar den hemel wijzend, sprak zij:

„Zie daar boven de duizend lampen van Boeddha vonkelen. Zulk een licht zult ook gij worden, als gij niet meer naar den vreemdeling terugkeert. Je zult machtig worden en als het noodlot je gunstig is geweest, zal ik tot je komen om mijn loon te halen, goud en glinsterende edelsteenen!”

„Waarvan spreekt gij, goede moeder?” vroeg het jonge meisje sidderend. „Zal ik niet meer tot mijn heer en meester terugkeeren? Laat mij, ik wil mijn broeder niet terugzien, als ik weer zonder bescherming moet zijn.—Laat mij naar huis gaan—naar huis. Wat heb ik gedaan?”

Bange vrees maakte zich meester van de bloem van Pai-ho; eerst nu vermoedde haar kinderlijke onschuld het gevaar, waarin zij zich had begeven.

De oude vrouw met haar verlangende oogen maakte haar zoo angstig. Zij trok zich met kracht los en wilde vluchten.

Maar de bevelende stem van een man deed haar nog meer schrikken.

Verschillende slaven snelden naderbij, grepen de vluchtelinge, knevelden haar en sleepten haar in den draagstoel.

Anitai’s wijdgeopende oogen zagen in het maanlicht de vreeselijke gestalte van Kwo-Saing.

Hij nam naast haar plaats en zoo snel zij konden liepen de dragers op zijn bevel voorwaarts.

Bali echter keek den palankijn met een boos gelaat na en sprak, terwijl zij de magere schouders ophaalde:

„Hij is reeds oud, slecht en gierig geworden. Zijn zilvergeld is mager, evenals de armoede. Ik zal mij door den vreemdeling met goud laten betalen.”— —

Half onder den grond aan een zijweg der verboden stad bevond zich een kleine metalen deur. Deze leidde naar het keizerlijk paleis.

Kwo-Saing opende haar en dwong de weerstrevende Anitai met behulp van zijn slaven om er door te gaan. Daarop droegen zij het meisje, dat bewusteloos was geworden, door de nauwe donkere gangen, totdat zij opnieuw voor een deur halt moesten houden.

Op deze deur klopte de mandarijn met regelmatige slagen. De poort werd geopend en een reusachtige, geharnaste wachter stond in de deuropening.

Nauwelijks herkende hij den machtigen Kwo-Saing, of hij wierp zich op de knieën en liet hem met zijn begeleiders en Anitai binnentreden.

In een geheim vertrek aangekomen, wierp Kwo-Saing de ongelukkige op de zijden kussens, haalde een fleschje uit zijn kaftan te voorschijn, opende het en goot een paar droppels in den mond der bewustelooze.

De scherpe reuk der vloeistof deed Anitai weer tot zichzelf komen.

Dadelijk verdween Kwo-Saing met zijn lijfslaven, om den prins mee te deelen, dat diens bevel ten uitvoer was gebracht.

Langzaam opende Anitai de oogen, maar voor de fabelachtige pracht, die in het vertrek heerschte, moest zij ze weer sluiten. Het was haar, alsof zij droomde.

Daar vernam zij de zachte stem eener vrouw, die tot haar sprak:

„Richt u op, ik zal u bedienen.”

Anitai keek met een schuwen blik naar de spreekster.

Het was een vrouw van ruim veertig jaar. Zij droeg doorzichtige gewaden over den arm: in de handen hield zij een gouden blad met een theebeker van hetzelfde metaal en een halve schaal vol confituren, die gevuld waren met den zoeten, bedwelmenden haschis.

Doordringend rustte haar blik op het jonge meisje.

„Anitai, sta op en laat u tooien, zooals het een vorstin betaamt,” sprak zij, naderbij komend.

„Waarom?” vroeg de gevangene met trillende lippen.

„Om een machtig heerscher te ontvangen! Als gij de liefde van zijn hart en de genegenheid zijner ziel hebt veroverd, zal alle geluk, alle denkbare pracht uw deel zijn.”

„Maar mijn heer, mijn blanke meester?” vroeg Anitai met droomerigen blik, met beide handen haar hoofd grijpend.

De welriekende, bedwelmende geuren, die uit de stoffen stroomden, maakten haar het denken moeilijk. Maar de vrouw antwoordde glimlachend:

„Laat u tooien! De tijd vliegt. Denk niet meer aan den blanken heer!”

Zij nam den sluier van het gelaat der jonkvrouw. Onmiddellijk week zij achteruit, viel op de knieën en kuste de Turksche muiltjes van Anitai.

Maar deze wrong de handen en smeekte:

„Laat mij sterven, als onheil mij bedreigt. Ik behoor aan een Engelschen Mandarijn. Wat doet gij? Waarom kust gij mijn schoenen?”

„Omdat gij schoon zijt, zoo schoon, dat gij een dochter van Boeddha zoudt kunnen zijn en elk schepsel u moet aanbidden.

„Maar kleed u nu! Nog schooner is de bloem, getooid door bladeren en de edelsteen in den zachten glans van het goud. Drink en eet van dat, wat ik u geef.”

De zinnen der kleine Chineesche werden door de zware, zoetige geuren hoe langer hoe meer verward. Zij proefde de thee en at een stukje van de haschis-confituren.

Vermoeider en zwaarder werden haar oogleden, zij had geen kracht meer om zich te verzetten en liet het geduldig toe, dat de vrouw haar ontkleedde en haar met de kostbare, doorzichtige stoffen omhulde, die haar schoonheid bijna bovenaardsch maakten.

„De roos van Peking!” riep de dienares met onverholen verrukking uit, toen zij haar werk beschouwde.

Anitai hoorde het niet meer, zij was op de zijden kussens van den divan neergezonken en ingesluimerd.

Het zijachtige, blauwzwarte haar hing van den divan af tot op den vloer; het was met paarlen en diamanten doorvlochten. Het wonderschoone, blanke gelaat scheen als uit marmer gebeeldhouwd— ——

Diepe stilte heerschte rondom, als uitgestorven was het groote paleis.

Alleen de zachte ademhaling der sluimerende verbrak de doodelijke stilte.

ZESDE HOOFDSTUK.

IN DEN TEMPEL DER ZON.

Toen John Raffles des avonds thuis kwam, kwam de goudsmid hem met ontsteld gelaat tegemoet en deelde hem mede, dat Anitai in gezelschap van een vreemde vrouw het huis des middags had verlaten en nog niet was teruggekeerd.

Onmiddellijk herinnerde Raffles zich het hoonende lachje op het gelaat van Kwo-Saing, toen hij dezen dien dag had ontmoet.

De groote onbekende besloot, eenige uren te wachten om te zien of Anitai niet terug zou komen.

Toen het tien uur was geworden, gaf hij de hoop op.

Hij riep zijn gastheer om met hem te overleggen, wat er te doen stond.

Wanhopig schudde de goede man het hoofd.

„Heer,” sprak hij, „ik heb liever met roovers en moordenaars te doen dan met onze politie.

„De politiechef Kwo-Saing en zijn lieden zijn de grootste schurken, die Peking bezit. Als ik de keizer was, ik zou hen met elkaar laten onthoofden. Zij persen ons, armen menschen, elk oogenblik groote sommen geld af en dreigen ons, als wij niet betalen, met de gevangenis.”

„Een mooie handelwijze!” sprak Raffles.

Hij nam zijn hoed, om het huis te verlaten.

Hij wilde naar den Engelschen gezant gaan, om met diens hulp het verdwenen meisje terug te vinden. Toen hij op straat kwam, die door de maan beschenen werd, kwam uit de schaduw van een huis een jongen naar hem toe en vroeg:

„Zijt gij de blanke man, die het jonge meisje uit de handen van den politiechef redde?”

„Ja,” antwoordde Raffles verbaasd, „wat wil je?”

„Heer,” fluisterde de jongen, „men heeft haar u ontstolen. Maar als gij mij een handvol gouden Kash wilt geven, dan zal ik u ergens brengen, waar gij kunt vernemen, waarheen men haar heeft gebracht.”

Lord Lister dacht eenige seconden na.

Het kon een val zijn, waarin men hem wilde lokken!

Maar daar hij steeds op avonturen belust was, sprak hij tot den knaap:

„Ik zal je volgen. Geleid mij.”

Met snelle schreden ging de jongen hem voor en bracht Raffles door een doolhof van ontzettend vuile straten.

Eenige Chineezen, vijandig gezind tegenover vreemdelingen en juist uit een der opiumholen komend, traden Raffles in den weg en dreigden hem.

Lord Lister was genoodzaakt, zijn Browningpistool te voorschijn te halen en in de lucht te schieten.

Gillend sloegen de Chineezen op de vlucht.

Steeds verder bracht de knaap hem en reeds waren zij buiten Peking gekomen.

Velden en tuinen lagen aan weerszijden van den weg, dien zij langs gingen.

Raffles wist niet meer, waar zij zich bevonden.

Eindelijk bleef de knaap voor den ruwen muur van een bouwvalligen tempel staan.

Een geheimzinnig licht scheen uit het vervallen gebouw.

Voorzichtig om zich heen kijkend ging de groote onbekende stap voor stap voorwaarts.

Eindelijk zag hij een vertrek, dat gevuld was met vreemd opgezette dieren en skeletten.

Voor een kolenvuur hurkte Bali, de heks van Peking, geheimzinnige woorden mompelend.

Verbaasd keek Lord Lister naar het vreemde tooneel, dat hem als een theaterdecoratief voorkwam.

Plotseling richtte de oude heks haar afschuwelijk hoofd op en keek den vreemdeling aan met haar spookachtige oogen.

„Het is goed, dat gij gekomen zijt,” sprak zij, „er is u een ongeluk overkomen.”

„Wat weet gij daarvan?” vroeg Raffles.

„Ik weet alles,” pochte de oude, „niets is mij verborgen. De geesten der lucht verkondigen mij alle geheimen. Ik zal het u bewijzen: gij zoekt een jong meisje.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde Raffles, „kunt gij mij vertellen waar zij is?”

De heks glimlachte veelbeteekenend.

„Ik zal het u vertellen, als gij mijn hand vult met het roode goud der blanke duivels.”

John Raffles haalde een handvol goudstukken uit zijn zak.

Hij wierp die in den schoot der oude vrouw en deze verborg ze met een voldaan grijnslachje in haar schoen.

Daarop begon zij met een stok in het kolenvuur te roeren, wierp er een wit poeder in, zoodat dikke rookwolken opstegen en de gestalte der heks in een nevel hulden.

Nu mompelde zij onverstaanbare spreuken en toen die geëindigd waren, sprak zij:

„De gestolene bevindt zich in het paleis van prins Tuan.

„Zeg tot Huen-Schang, bij wien gij woont, dat hij u den weg wijst naar den tempel van de priesters der zon, zij alleen kunnen u helpen.

„Snel nu heen, want gij hebt nog een verren weg af te leggen, anders is de ontvoerde voor eeuwig voor u verloren.”

Weer kwam de knaap, die Raffles had geleid, naar voren en bracht hem na een wandeling van een uur naar zijn huis terug.

Hij gaf den jongen een belooning en wekte Huen-Schang.

Slaapdronken luisterde deze naar het verhaal van zijn gast en naar diens verzoek om hem naar den Zonnetempel te brengen.

Eerst begreep hij niet, wat Raffles wilde, eindelijk echter was hij er achter.

„Gij kunt niet verdwalen, Excellentie,” sprak hij, „de Pai-ho-straat leidt in een rechte lijn naar den tempel. Ik zal u een paard geven.”

Het was reeds na middernacht, toen Raffles den weg insloeg naar den tempel der zon.

Spoedig had hij de stad achter zich liggen en bevond zich in het open veld.

Donkere wolken bedekten den hemel. Een klein, donker beekje stroomde langzaam door de velden naar de groote moederrivier, de Paiho. Raffles sloeg den weg in langs den oever.

Riet en maisschoven begrensden den smallen weg, zacht, bijna weemoedig suisde de nachtwind door de slanke, buigzame halmen en in de bladeren der boomen zong hij zijn droefgeestig lied.

De hoeven van het paard kleefden bijna aan den modderbodem vast, de ruiter gaf het de sporen, totdat zich in het donker de onzekere omtrekken van een tempel vertoonden, hooge, slanke zuilen, waarop afschuwelijke, spookachtige wezens troonden. Als spoken kwamen zij den nachtelijken reiziger voor.

Kleine, onoogelijke houten huizen doken eveneens voor den blik van Raffles op. Als om steun vragend leunden zij tegen den kolossalen tempel aan.

John Raffles hield zijn paard een oogenblik in en keek om zich heen.

Daarop sprong hij van het paard, nam het bij den teugel en liep naar het huisje, waaruit het matte licht van eenige papieren lantarens viel en menschenstemmen zich deden hooren.

Het was een theehuis.

Vol verbazing keken de gasten naar den laten bezoeker en sloegen daarna schuw hun blik neer, want het was een blanke, die hen naderde.

De waard maakte een onderdanige buiging en vroeg naar zijn wenschen.

John Raffles verzocht zijn paard te mogen stallen, totdat hij uit den tempel zou zijn teruggekeerd.

Daarop ging hij heen en begaf zich door het mulle, witte zand naar den tempel.

Toen hij dezen had bereikt en de marmeren trappen beklommen, trad een priester der zon in een golvend, wit gewaad naar hem toe en vroeg hem, wat hij in den nacht in den tempel van het licht kwam doen.

Het spookachtig licht van een onzichtbare vlam bescheen hen.

„Ik ben een vreemdeling,” antwoordde Raffles, „en kom tot u, priester van het licht, om een werk der duisternis te verijdelen. Mijn macht is te gering, mijn kracht ontoereikend in uw land. Maar ik wil u met het goud der zon beloonen, als gij mij helpt.

„Hoor mijn naam, ik heet Lord Lister en in mijn geboorteland rekent men mij tot een mandarijn van de eerste klasse.”

De priester boog diep en antwoordde:

„Wie het licht ziet, zal niet in duisternis blijven! De zon is de machtigste heerscheres en zij zal u hulp verleenen. Verlangt gij gastvrijheid en bescherming, zoo volg mij!”

„Neen, priester der zon, ik moet heden nog verder, want ik zoek, wat ik door roof heb verloren.”

„Heeft het zoo hooge waarde voor u, dat gij de wereld er voor zoudt willen doorreizen, vreemdeling?”

„Ja, priester, het is meer waard dan alle schatten, want het is een onschuldig meisje.”

„Boeddha is groot en almachtig, vreemdeling. Antwoord mij nog op één ding: hoe hebt gij den weg gevonden naar den tempel der zon, om hulp te vragen?”

„Mijn gastheer is Huen-Schang, de goudsmid, die voor uw tempel het goud der zon verwerkt tot heilige versierselen. Hij gaf mij den raad en sprak: „Niemand ter wereld is machtiger dan de keizer en hij regelt zijn wil naar den priester der zon!”

„Priester, niemand kan mij helpen dan gij, want ik wil niet met behulp van mijn landgenooten de gestolene zoeken, het zou vergeefsche moeite zijn. Help mij, priester!”

„Boeddha is hulpvaardig jegens hem, die verzoekt, onwillig echter jegens hem, die eischt. Weet, vreemdeling, dat gij de eerste en eenige vreemdeling zijt, dien ik wil helpen, want gij zijt edel en goed. Uw gedachten zijn verlicht door de zon van Boeddha, terwijl de gedachten uwer broeders donker zijn van wreedheid, haat en dwingelandij.

„O, dat zij toch de waarde der menschen en van de liefde kenden! Uw broeders zijn duivels; zij lachen met de overoude wijsheid van Boeddha en bespotten de leer van Confucius.

„Gij echter zijt anders. Gij helpt de zwakken. Wie anderen helpt, heeft een goddelijke kracht in zich, die hem onoverwinnelijk maakt.

„Boeddha is met u en zijn dienaren zullen u helpen.

„Hoort gij den doodenvogel in het Westen schreeuwen? Ik zal hem plechtig bezweren!

„Wanneer de zon boven de bergen van Wung-schu haar rood avondkleed aflegt, snel dan tot mij. Hier zal ik op u wachten en u uw beschermeling door Boeddha’s goedheid teruggeven.

„Ga heen met den zegen van het licht. Gij zijt een uitverkorene. Haast u nu en keer terug, zooals ik u zeide!”

John Raffles boog diep voor den machtigen priester en legde eenige rollen goudstukken op den steenen vloer.

Daarop ging hij langs denzelfden weg terug.

De gasten van het theehuis keken hem weer met blikken vol haat aan. Hij besteeg zijn paard en keerde naar de stad terug.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN SCHOT.

Zware, sleepende voetstappen naderden de kamer, waarin Anitai zich bevond.

De met goud gestikte gordijnen werden op zij geschoven door een magere hand en een kleine man met roofvogelachtige, maar slaperige gelaatsuitdrukking trad het vertrek binnen.

Het was prins Tuan, de keizerlijke tyran.

Langzaam en traag sloop hij naar de slaapster, langzaam hief hij de oogleden op. Maar wat hij zag, maakte een eind aan zijn slaperigheid.

Het oude bloed stroomde sneller door zijn aderen en verwarmde zijn hart.

Anitai voelde zijn blikken, onrustig bewoog zij het hoofd heen en weer, zuchtte en werd wakker.

Verbaasd en verlegen keek zij naar den ouden man met zijn grijze haarvlecht en schrikte van zijn leelijk uiterlijk.

Prins Tuan vatte haar hand.

Maar zij stiet hem terug en richtte zich op.

„Wie zijt gij? Wat wilt gij? Ga weg, ik wil naar huis!” riep zij op angstigen toen.