Chapter 1 of 6 · 3858 words · ~19 min read

Part 1

BOSCH EN HEIDE

DOOR JAC. P. THIJSSE

TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES NAAR TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH, JAN VAN OORT EN JAN VOERMAN Jr.

1913 BAKKERIJ DE „RUIJTER” DER FIRMA VERKADE & COMP. ZAANDAM

VOORWOORD.

Wie zwerft niet graag door de bosschen of over de heiden? De tijden, dat ze onveilig werden gemaakt door verscheurende dieren of door roovers zijn lang voorbij en alleen voor de aardigheid spelen wij nog wel eens, dat ze er zouden wezen. Maar verborgen schatten worden er altijd nog gevonden, misschien zelfs hier en daar nog wel eens een pot met gouden rijders of harde dukaten. Daar denk ik echter nooit om, maar wel om de levende schatten; bloemen en dieren, zoo mooi en merkwaardig, dat je haast niet zoudt gelooven, ze ooit zoo maar op uw wandelingen aan te treffen.

En toch is dat zoo. Uit den zeer rijken voorraad hebben wij een keus gedaan, de meest gewone hebben we u al in de Jaargetijden-albums laten zien. Dat was onze eerste reeks. We besluiten nu met dit album onze tweede reeks (Blonde Duinen, Bonte Wei, Naardermeer en Bosch en Heide) en hopen u in ’t volgend jaar te noodigen op een geheel nieuw stel zwerftochten door ons wondermooie Nederland. Daar wordt aan gewerkt, maar ’t moet een verrassing blijven.

I. EEN PAASCHWANDELING.

We hoopten nog altijd boomkikkers te zien, maar veel geluk hadden we niet gehad. In Deventer waren we begonnen te loopen en we hadden met veel zorg onze route zoo gekozen, dat we langs allerlei achterweggetjes en zijpaden en soms ook over heele stukken, waar wegen noch paden te vinden waren, den rand volgden van bosch en heide. Soms kon ’t niet anders, of we moesten wel een heel stuk bosch nemen, een andermaal een heide kruisen en af en toe gebeurde het ook, dat we stukjes straatweg of grintweg te verwerken kregen en dan bleek het altijd weer, dat die einden altijd ’t zwaarst vallen, hoewel je daar toch het snelste opschiet. We waren in de Paaschdagen gegaan, omdat alles dan op zijn mooist is voor den natuuronderzoeker. Overal davert het van vogelzang, de vroege vlinders en de vroege bijen zonnen zich op de bloemen van het voorjaar, het watergedierte is bijzonder tierig en wat heel veel waard is, de boomen zijn nog bladerloos en de plantengroei niet zoo welig, of je kunt nog op vrij grooten afstand duidelijk zien, wat er allemaal gebeurt. In den zomertijd speelt alles verstoppertje tusschen het groene loover.

Nu hadden we in die dagen een bijzondere voorliefde voor kikkers (36) en padden. houd nog van kikkers. Ieder rechtgeaard kind houdt van kikkers, de aardige, vlugge dieren, die zoo grappig kunnen kijken en ons in ’t springen en zwemmen zoo geweldig den baas af zijn. Ze zijn zoo onweerstaanbaar komiek, dat je er niet af kunt blijven en in negen van de tien gevallen wordt dan ook een kikker, die voor je voeten opspringt, gevangen, als hij tenminste niet bijtijds het veilige water bereiken kan.

En wat moet je nu met zoo’n gevangen kikker doen? Ik zou hem maar bekijken en weer loslaten, want ze zijn toch wel wat te groot om ze in een terrarium te houden. Alleen de boomkikker (32 en 35) is sinds oude tijden beroemd als huisdier, vooral bij onze Oostelijke naburen, die hem wel houden bij wijze van barometer. ’t Is een klein kikkertje met heel aardige gewoonten en wij hadden ons nu voorgenomen, op onze Paasch-expeditie eens bijzonder naar hem uit te zien, zoowel op het land als in het water. Eigenlijk zijn de kikkers landdieren, vooral de boomkikker, die, zooals zijn naam reeds aanduidt, in bosschen en hagen woont en er in ’t geheel niet tegen opziet, om in de boomen en heesters te klimmen en op de bladeren jacht te maken op insecten. Maar ’s winters moeten ze de sloot in om te overwinteren en in ’t voorjaar alweer om hun eieren te leggen, want de jonge kinderen beginnen hun leven als vischjes.

Wel, we hadden al menig boschje en slootkantje afgezocht en ook al een avond langs een waterrijk boschhoekje gepatrouilleerd in de hoop, onzen boomkikker te hooren kwaken. Hij kwaakt heel anders en veel luider dan de andere kikvorschen en doet dat ’t liefst bij ’t vallen van den avond en ’s nachts. Ik heb ze wel in ’t donker gevangen op ’t geluid af. Ditmaal echter wou ’t niet lukken, misschien was ’t nog te vroeg in den tijd of te kil, misschien ook waren er dat jaar minder boomkikkers dan anders, want dat kan geweldig verschillen. Soms vind je ze op een plek bij dozijnen, en een jaar later is er geeneen. Dat kan ’t gevolg zijn van het droogmaken van de slooten en plassen, waar de jongen opgroeien, of ijsvogeltjes en waterhoentjes kunnen alle jongen in een bepaald gebied opgegeten hebben. ’t Ligt soms aan een kleinigheid.

Nu lieten we ons door ’t ontbreken van die boomkikkers niet al te zeer van de wijs brengen, maar stapten welgemoed voort over de groote hei. De eigenlijke heideplantjes, de struikhei en de dophei, zagen er nog winterachtig genoeg uit met hun verdroogde bloempjes van het vorig jaar, en hun jonge scheuten hadden nog niet veel om het lijf. Hier en daar echter waren groote plekken mooi groen door een ander klein struikje, dat kraaiheide (40) genoemd wordt, hoewel het heelemaal niet tot de familie van de heideplanten behoort. Het heeft ook lang zulke mooie bloempjes niet; alleen aan sommige plantjes groepen van langgesteelde meeldraden, aan andere niets dan stampertjes, die je op ’t eerste gezicht in ’t geheel niet opmerkt, maar die van naderbij bezien toch heel mooi van vorm zijn, vooral de stempeltjes zijn heel aardig.

Deze kraaiheide of kraaibes komt lang niet op alle heidevelden voor tot groote spijt van de wulpen en kraaien, korhoenders en meeuwen, die zich in ’t najaar graag aan de zwarte bessen te goed doen. Menschen kunnen die ook eten, de bessen bedoel ik, hoewel ze heel dik van schil zijn en wel wat meer suiker mochten bevatten. Intusschen vind ik ze ook zonder die eetgeschiedenis al aardig genoeg.

We hadden wind met zon, zooals je dat veel hebt in ’t voorjaar en de hemel was volmaakt helder. Alle kleuren waren heerlijk frisch en waar de struikhei niet al te dicht stond, waren allerlei mossen tot weelderige ontwikkeling gekomen, mooi donkergroen haarmos, grijs rendiermos en op de natte plekken heldergroen veenmos, dat in bolle kussentjes van den grond verrees of met lange uitloopers de plasjes ging opvullen. Daar stond ook een stijf, grasachtig plantje te bloeien, dat eigenlijk geen gras is, maar toch wollegras heet, en daarnaast een paar lage struikjes met bloempjes zoo mooi, dat je haast niet kunt gelooven, dat daar nu wilde planten staan. Je zoudt zoo denken, dat hier vroeger een bloemkweekerij is geweest en dat een partijtje planten hier is blijven verwilderen.

Ze kwamen pas in bloei, maar de niet ontloken knoppen zijn al even mooi als de bloemen, zooals ze op ranke kleurige steeltjes omhoog steken en dan weer ombuigen. Als ’t bloempje zich opent wordt het een allerprachtigst rozeklokje en de nieuwsgierige bloemenbesnuffelaar vindt daarbinnen een achttal meeldraadjes, zeer sierlijk gebogen en gekronkeld en met twee uitsteekseltjes aan elken helmknop, zooals wij er later aan de struikhei ook hopen te vinden. Dit wondermooie plantje heet Andromeda (93), en is wel de mooiste echte heideplant, die we bezitten. De blaadjes lijken wel wat op wilgeblaadjes, maar ze zijn kleiner en dikker en doorgaans,—vooral vandaag—achterwaarts omgekruld. Veel heideplanten hebben zulke heel of half kokervormige blaadjes, de kraaiheide ook, ’t is een soort van veiligheidsmaatregel. Die planten hebben namelijk aan de onderzijde van de bladeren talrijke huidmondjes, openingen, waardoor het water, dat door de wortels opstijgt, weer moet verdampen. Als er nu een koude droge Oostenwind waait, dan zou er aan die huidmondjes veel meer verdampen dan de wortels kunnen aanvoeren en dan raakte de heele voeding van de plant in de war. Maar als nu de blaadjes zich ineenrollen, dan verdampt er niet half zooveel. Als ’t mooi zacht vochtig weertje is, dan vindt ge de jonge bladeren wel mooi vlak uitgespreid.

Bij die Andromeda groeit over ’t veenmos heen nog een plantje van de natte hei dat over een paar weken gaat bloeien, maar ook nu al heel mooi is; een kruipend plantje. De draderige stengels liggen vlak op ’t veenmos en hebben een dubbele rij van kleine ovale blaadjes die bovenop glanzig bruingroen, aan de onderzijde witachtig of roze zijn en als met een waslaagje bedekt. Dit is de veenbes, (116) die krijgt mooie vierpuntige knikkende bloemen, waarvoor later groote glimmende bruinroode bessen in de plaats komen. Op de Bussumsche of Hilversumsche hei hoef je deze planten niet te zoeken, wel zijn ze reeds in ’t Soesterveen te vinden en dan verder op nog wel honderd natte heivelden in Drente, Overijsel, Gelderland, Limburg en Brabant, zoolang de vlijtige heideontginner daar nog niet zijn slooten heeft gegraven.

Maar nu zien we in de zon een heerlijke tint van goudbrons over de hei zweven, net de kleur van goudsteen—een bruin halfedelsteentje met allemaal gele goudflonkertjes erin. Nu ik eraan denk merk ik, dat men het tegenwoordig niet meer zooveel ziet als vroeger en ’t kan ook wel gebeuren, dat we mettertijd de planten, die dezen zelfden goudgloed over de aarde brengen, ook moeten ontberen.

’t Zijn vele heestertjes, sommige vrij hoog, wel manshoog, maar de meeste wat lager. Bladeren hebben ze nog niet, wel bladknoppen, maar de takken zijn bezet met bloemenkatjes, sommige glimmend bruin met vele goudgele puntjes en dikke meeldraden, andere dunner met purperen stempelpluimpjes. En dat ruikt alles zoo heerlijk specerijachtig, dat je zoo op die takjes zoudt gaan bijten om ervan te snoepen, maar dat raad ik u niet aan. Intusschen is deze gagel (41) een waar sieraad van onze natte heide en van sommige duinstreken, en ’t is wel eens een wandelingetje in echt koud schraal voorjaarsweer waard, om ze te zien bloeien. De bladeren zijn nog geuriger dan de bloeischubben en zijn vroeger wel als geneesmiddelen in gebruik geweest.

Hoe heel anders is nu de hei dan in Augustus. Hier hebben we nu bloeiende kraaiheide, bloeiende gagel, bloeiende waterwilgen, Andromeda, die in bloei gaat komen en die aardige veenbes, allemaal heel andere planten, dan waaraan je denkt, als je spreekt van „de heide”. Het werd al natter en natter en spoedig kwamen we aan een lange rechte sloot die midden door de hei was gegraven—een voorlooper van naderend ontginningswerk. Er stonden wat biezen langs den waterkant en in ’t water zelf dreven wat lange fonteinkruidstengels van ’t vorig jaar. Het was zoo helder, dat we elk kiezelsteentje van den bodem duidelijk konden zien en daar zaten nu een kilometer ver allemaal gewone grijze padden op den bodem, niet dicht opeen, maar op elken meter sloot twee of drie padden, met elkaar dus eenige duizenden. Die waren daarheen gekomen om eieren te leggen, dat zal me later daar een gekrioel van paddevischjes geworden zijn! Heel grappig keken die padden door ’t water omhoog.

Terwijl we daar nog over loopen te lachen, zie ik een dertig meter naar links op een donker stuk heidegrond een heldergroen plekje. Wat kan daar nu zoo groeien? denk ik. Kan ’t een stuk van die merkwaardige wierplanten kolonies zijn, die de boeren sterreschot noemen? Maar die zijn meestal heel donkergroen, ’t groen van flesschen. Schuim is ’t ook niet.

Wel ik stap er op af en eerst als ik er vlak bij ben, merk ik dat daar de langverwachte boomkikker zit. Wie zou dat ook gedacht hebben? De boomkikker toch is als het kameleon; zijn huid kan allerlei kleuren vertoonen al naar de omgeving, waar hij zich bevindt en gewoonlijk als hij de boomen verlaat, om over den grond voort te kuieren, verwisselt hij zijn groen costuum voor een bruin pakje. Deze sinjeur echter had in zijn drift, om dat slootje te bereiken, zeker alle omzichtigheid vergeten en in plaats van door zijn kleur beschut te zijn, was hij nu op die zwarte hei juist het ding geworden, dat het eerst de aandacht trok.

Wat een prachtig diertje, heelemaal groen met een paar donkerder strepen overlangs over het lichaam. Aan ’t eind van de teenen heeft hij verbreedingen, de kleefschijfjes, waardoor hij zich aan de gladde steile boomstammen kan vasthechten. ’t Is een heel aardig gezicht, zoo’n boomkikker, die tegen een gladden beuk opklautert.

Vroeger meende men, dat die hechtschijfjes werkten op de manier van de leeren zuigertjes, waarmee wij vroeger de klinkers uit de straat optrokken, zeer tegen den zin der politie.

’t Was anders een aardig vermaak en je kreeg zoo heel practisch eenig denkbeeld van de beteekenis van een luchtledig. Nu meende men vroeger, dat die boomkikker ook een luchtledig onder zijn hechtschijfjes maakte, maar wij weten nu, dat hij er kleefselkliertjes heeft zitten en dat hij zich dus letterlijk aan dien boomstam vastplakt.

Toen we onzen boomkikker in de donkere plantenbus hadden gestopt, kwam hij tot bezinning en binnen weinige minuten was hij donkerbruin, in overeenstemming met de duisternis van ’t hol, waarin hij was opgesloten. Het maakte op ons den indruk, dat hij zwart was van chagrijn over zijn domheid en zijn verloren vrijheid. Daarom hebben wij hem maar weer neergezet op een vogelkers, die al geheel in blad stond en daar is hij in drie-en-een halve minuut weer groen geworden. Wij gingen welgemoed verder, blij, dat we weer iets hadden kunnen zien.

Die vogelkers was de voorlooper van een bosch, of liever de achterblijver, want aan den grond was te zien, dat ’t bosch zich vroeger tot hier toe had uitgestrekt. Daar stonden nog verdorde stengels en bladeren van de adelaarsvaren en een plekje was heelemaal begroeid met een mooi wit bloempje, dat wel wat lijkt op de akkerhoornbloem, maar ’t is veel mooier en hoort echt in de bosschen thuis. ’t Is de Grootbloemige Sterremuur. (55) Heele plekken zijn wit van de bloempjes, die aan fijne steeltjes mooi omhoog staan. De knoppen zijn neergebogen en ook de rijpende vruchten zijn omlaag gekruld. De lange stengeltjes kunnen de vracht der bloemen niet dragen, maar ze staan dicht opeen en steunen elkander en als er eens een omrolt, dan vindt hij nog steun aan de lange, smalle spitse bladeren, die twee aan twee aan de stengels staan. In de bosschen beoosten de Vecht groeit dit plantje in overvloed, in sommige Hollandsche bosschen, zooals Haarlemmerhout en Haagsche bosch ook wel, maar ik heb een hard vermoeden, dat het daarheen is overgeplant. Nu, ’t is de moeite wel waard.

Nog meer wit; kleinere bloempjes, maar veel sierlijker. En wat een aardig plantje heelemaal, met die twee mooie hartvormige blaadjes aan het rechte teere stengeltje. Het bloemtrosje komt heel aan ’t eind. Dit is het Dalkruid, (74) ook een echt boschplantje en even goed waard, om te worden overgeplant. Je zoudt ’t niet denken, maar ’t is een verwant van het lelietje van dalen, al lijkt het er nu ook heelemaal niet op. Doch later in ’t jaar worden die witte bloempjes tot donkere besjes en dat is alvast een punt van overeenkomst.

Nu we toch op die kleine dingen zijn gaan letten, moeten we den grond nog eens goed bekijken, want er is nog meer van dat grut. Hier zijn mooie fijn verdeelde donkergroene blaadjes en op ’t eind van de stengeltjes, waaruit ze ontspringen, zit een kubusje van groene bloempjes, vier bloempjes opzij en een aan den top, kleine geelgroene dingetjes, waar haast niemand naar omkijkt, dan enkele kleine vliegjes, die op een groot feest meenen te zijn, als ze likken aan het minieme beetje honing, dat door deze bloempjes wordt voortgebracht. Maar mooi is ’t stellig dit Muskuskruid, (56) hoewel ik de muskus eraan nooit heb geroken.

Nu zijn we goed en wel in ’t bosch, in ’t mooist van den tijd. De anemoontjes en de klaverzuring van de vroege lente staan nog volop te bloeien en ook de gulden boterbloem, (11) die meer merkwaardig dan mooi is, want hij heeft haast nooit vijf gave kroonblaadjes, doordat hij van een of meer alleen maar het onderstukje met de honigklier tot ontwikkeling brengt.

Een ander geel bloempje vertoont zich op ’t mos, de geelster, (12) een plantje dat tot de beroemde leliefamilie behoort, en slechts op enkele plaatsen van ons land, in echte oude boschstreken voorkomt. In ’t eerst zie je ’t bloempje niet, maar later merk je wel dat het mooi en groot genoeg is.

Zijn ’t Pinksterbloemen, die daarachter staan? Neen, de bloempjes zijn haast zuiver wit en iets kleiner. Kijk even naar de helmknoppen, die zijn bruin en de pinksterbloem heeft gele. We hebben hier te doen met een van onze zeldzame boschplanten, de bittere Veldkers (38) en nu zou ik haast durven hopen, dat we hier mettertijd ook nog eens de allermerkwaardigste Nederlandsche boschplant zouden kunnen vinden: de Zevenster. (7) Dat is een tamelijk laag plantje met een aantal langwerpige bladeren dicht op elkaar, zoodat ze een krans schijnen te vormen en midden uit dier krans verrijzen dan op lange steeltjes een aantal—lang niet altijd zeven—mooie witte bloempjes. Als je die zevenster vindt, moet je hem eigenlijk nooit plukken, daar is hij veel te zeldzaam voor. Misschien dat ge later, als de plant zich ongestoord heeft kunnen vermenigvuldigen er eens eentje voor uw plantenverzameling kunt gaan halen.

Als ik longenkruid (119) in een bosch vind, dan is er ook wel een kasteel of een klooster of een ruïne in de buurt, want dat is een van de vele planten, die vroeger om hun geneeskrachtige eigenschappen in kloostertuinen of slottuinen werden gekweekt. Intusschen verwondert het mij, dat het zich niet sterker heeft uitgebreid, want in tuinen groeit het bijzonder gemakkelijk, behalve in de groote steden, waar de musschen, als ze eenmaal den smaak erin gekregen hebben het tot het allerlaatste blaadje wegpikken.

Zijn naam heeft het te danken aan de bladeren, die heel merkwaardig gevlekt zijn, en onze voorvaderen op het idee brachten van zieke longen. Hoe ze zoo op dat somber denkbeeld kwamen, zou ik heusch niet kunnen zeggen. Maar nu hadden ze vroeger het zeer geriefelijke geloof, dat het uiterlijk en de in ’t oog vallende eigenschappen van een plant een aanwijzing waren van de diensten, die zij ons kon bewijzen. Een broze plant was een middel tegen gebroken beenderen, hartvormige bladeren waren goed tegen hartkwalen enz. Zoodoende werd dan het longenkruid als een middel beschouwd tegen aandoeningen van de longen.

Nu denken we daar heel anders over. Maar dat neemt niet weg, dat het longenkruid een aardige plant blijft, al was ’t alleen om zijn verkleuren gedurende den bloei en om zijn tweeërlei bloemen. Let er maar eens op; als de bloempjes pas opengaan, zijn ze rood, later worden ze blauw en op sommige planten vindt ge bloemen met lange stijlen en laag staande meeldraden, bij andere korte stijlen en hoog staande meeldraden. Dat houdt verband met het insectenbezoek en de bestuiving, maar dat kan ik hier nu niet allemaal gaan uitleggen.

Liever wil ik u nog een paar bloempjes wijzen, die in dit oude bosch groeien. Weliswaar hebben we in Nederland geen echte oerwouden meer, maar op sommige plaatsen vinden we toch nog zeer ouden boschgrond en daar groeit dan het aardige goudveil, (58) een heel laag plantje met mooi gekartelde blaadjes en zeer kleine goudgele bloempjes, een heel merkwaardig plantje, maar je ziet het niet gauw. Des te beter valt de daslook (57) in ’t oog, een van het geslacht der uien, je kunt het wel ruiken, maar hij heeft zoo’n mooi scherm van prachtige helder witte bloemen, dat we dien geur graag op den koop toe nemen. Ook dit is weer zoo’n kasteel-klooster-ruïne-middeleeuwenplant.

Maar wat zijn dat voor mooie donkerblauwe knoppen? Dat zijn de Rapunzels, (42) ze hooren tot de klokjesfamilie en meer nog dan de goudveil bewijzen ze, dat we hier toch op echten boschbodem ronddwalen. De bloempjes zelf zitten dicht op elkaar en je moet al wat van plantkunde weten, om ze te begrijpen. De aardigheid is, dat de meeldraden al verwelken, eer de bloem zich goed en wel opent en ze plakken dan hun stuifmeel tegen den stijl aan. Maar om deze bloempjes te vinden, moet ge naar de bosschen beoosten den IJsel of bezuiden de Waal.

Het loopt nu naar den avond. Nachtegalen, fluiters, (25) zanglijsters, roodborstjes, merels zitten overal te zingen en in een bloeiend sleedoorntje (92) zie ik een vogel waar ik ook den heelen dag al naar heb uitgekeken en die ook thuis hoort in de echte bosschen, een allerprachtigst dier: de goudvink. (26) Hij heeft weinig te vertellen, maar zijn borst is zoo rood, zijn kop zoo zwart, zijn rug zoo grijs, dat we ons met een klein vriendelijk liedje tevreden stellen.

’s Avonds in ons hotel ontmoeten wij er nog een—in een vogelkooi. Die fluit met veel animo het nieuwe Wilhelmus, dat tegenwoordig alweer het oude Wilhelmus is geworden. Dat heeft hij in gevangenschap geleerd.

II. IN ’T LOOFBOSCH.

In ’t begin van Juni zijn de eiken en de beuken uitgebloeid. Ze hebben nu verder niets anders te doen, dan hun vruchten te rijpen, het eene jaar meer, het andere minder, en knoppen te maken, die bij ’t ingaan van den winter kant en klaar moeten zijn. ’t Is aardig om te zien, hoe in dien tijd de beuk zijn nieuwe twijgen, die eerst vrij slap neerhangen, omhooghaalt en strak uitzet naar alle kanten, zoodat zijn kroon heel wat wijder wordt. Bloemen zijn nu in ’t beukenbosch weinig meer te vinden, we moeten ze zoeken aan den boschrand of onder de eiken, die nog heel wat zonlicht doorlaten. Van lieve kleine bloemen is niet veel te vinden: de boschbessen, roode en blauwe, bloeien nog wel, de roode houden het nog wel uit tot in den nazomer. Op gunstige plekken vinden we mooie blauwe rapunzel klokjes (91) en ook wel naast ’t gewone nagelkruid het veel mooiere knikkende nagelkruid (8) met prachtige oranjegele bloemen en de gele doovenetel (48) of later de muursla (37). Dan is er nog kans op wat looksoorten, maar die hebben de eigenschap, dat ze in hun bloeihoofdjes in plaats van bloemen heel dikwijls kleine bolletjes maken. Ze hebben me vaak teleurgesteld, maar als ze eens een goeden zin hebben dan brengen ze inderdaad zeer mooie bloempjes voort; de wijnlook (76) is de meest gewone. Overigens wordt het op den boschbodem meest niet anders dan mos en varens, op de natte plekken mannetjesvarens, kantvarens of dubbelloof (52) en koningsvarens, (49) op droge, grintachtige plaatsen de prachtige adelaarsvarens, (54) die meer dan manshoog kunnen worden en die zich zoo bijzonder mooi ontrollen. Als je den steel van een adelaarsvaren doorsnijdt, een beetje schuin, dan komt er een figuurtje voor den dag, dat werkelijk wel wat lijkt op een dubbelen adelaar, maar je zoudt het evengoed voor een min of meer verknoeide hoofdletter H kunnen houden.

De eigenlijke zomerbloemen van het bosch vinden we aan de heesters. In ’t begin van Juni bloeien de Meidoorns nog en de rozen en bramen beginnen nu pas in allen ernst tegelijk met de allermooiste van onze boschbloemen: de kamperfoelie.