Chapter 2 of 6 · 3948 words · ~20 min read

Part 2

Als ik in het bosch een mooie kamperfoelie weet te staan, dan stap ik daar een paar avonden in de week heen, om present te zijn bij het openen der bloemen, dat strijk en zet plaats heeft omstreeks zonsondergang. De bloemen staan in kransen, ze zijn eerst klein en groenig, maar ze groeien langzamerhand uit en worden kleurig, geelachtig, of rood, al naar hun ras en standplaats. Die ’t kleurigst zijn, gaan ’t eerst open en nu sta ik er graag bij, om te zien, hoe de onderlip van de bloem loslaat en naar beneden omkrult en hoe dan achtereenvolgens de meeldraden en de stijl naar buiten komen en, ieder op hun plaats, ver uitsteken in de lauwe avondlucht. De roodborstjes en zanglijsters zingen hun avondlied, de nachtegaal schettert er lustig op los en in de verte zit op een open plek de nachtzwaluw te ratelen.

Opeens gonst het in of om de kamperfoeliebloemen. Aangetrokken door den heerlijken geur zijn de vlinders komen opdagen, diklijvige, maar ongelooflijk vlugge dieren. Ze gaan niet op de bloemen zitten, maar blijven even ervoor zweven en dan kun je nog net zien, hoe ze hun lange slurf in de bloembuis steken, om den honig eruit te halen. Dat doen ze met groote snelheid, geen drie seconden blijven ze bij dezelfde bloem, dadelijk zwaaien ze naar een volgende en hun vleugels bewegen altijd zoo snel, dat ze niet te onderscheiden zijn, maar een soort van nevel om het dier vormen.

Het meest krijg ik zoo te zien den bekenden kolibrivlinder, maar ook wel den grooten windepijlstaart en in sommige streken van ’t land den glasvleugelpijlstaart. (101) Dit is een van de weinige vlinders, die doorzichtige vleugels hebben. Als hij pas uit de pop komt heeft hij schubjes op de vleugels, evengoed als de andere vlinders, maar die raakt hij zoowat dadelijk kwijt en dan vliegt hij rond met glasheldere vleugels, hier en daar met een schubbenrandje, wat hem wondermooi staat. Deze glasvleugelpijlstaart is zoo’n vriend van de kamperfoelie, dat hij ook zijn eitjes op de bladeren ervan legt en daar komen dan lichtgroene rupsen uit met een horentje op het einde van ’t lichaam. Ze hebben langs hun zij een lichtgele streep, maar je vindt ze niet dikwijls.

We hebben nog meer van die glasvleugelvlinders, o.a. één, die een helder geel en zwart gekleurd lichaam heeft en dus veel gelijkt op een wesp, zoodat menigeen dat dier niet durft beet te pakken. Toch kan deze wespvlinder (79) geen kwaad doen; geen enkele vlinder kan steken of bijten. Ze zijn volkomen weerloos en moeten tot allerlei kunsten hun toevlucht nemen, om aan hun vijanden te ontkomen, en onze wespvlinder profiteert nu van zijn gelijkenis met de vinnige wespen. Zijn rups leeft in populierenhout.

Zeldzaam is die wespenvlinder eigenlijk niet, maar toch vind ik het altijd iets bijzonders, als ik hem te zien krijg. Dat is met heel veel boschdieren het geval, ze kunnen zich zoo gemakkelijk verschuilen, of ze bevinden zich doorgaans op de plekken waar je nooit komt: in het ondoordringbare struweel of in de toppen van de boomen. Wanneer ik dan ook in Juni of Juli in de gelegenheid ben, om eenige dagen achtereen in een echte boschstreek te vertoeven, dan reken ik eigenlijk den heelen dag op merkwaardige ontmoetingen. De kans op zulke ontmoetingen wordt grooter, als je eenmaal weet, welke dieren zich kunnen vertoonen en waar ze zich geregeld ophouden.

Ik loop nooit in de bosschen van Oost-Nederland zonder uit te zien naar twee prachtige zeldzame vlinders: den kleinen ijsvogelvlinder en den weerschijnvlinder. Den eersten heb ik al dikwijls genoeg zien fladderen langs de breede boschpaden en ook heb ik zijn rups wel gevonden op de kamperfoeliebladeren: een groene rups met doornige uitsteeksels en een paar horentjes op zijn kop. De groote ijsvogelvlinder (97) schijnt in ons land niet voort te komen.

De andere, de weerschijnvlinder, (98) vliegt ’t meest om de toppen van de boomen, flink hoog, maar hij komt wel op den grond om te drinken aan modderslooten en mestvaalten. ’t Is een van de merkwaardigste vlinders van heel Europa, een mooi groot kleurig beest. Als je de vleugels van ’t mannetje van de eene zijde beziet zijn ze blauw; van de andere zij bekeken worden ze bruin. De onderkant van de vleugels is bijzonder bont, wat we eigenlijk van dagvlinders niet gewoon zijn. De rups is groen, met schuine zijdestrepen en heeft wel wat van een pijlstaartrups, maar hij is dadelijk te kennen aan twee horentjes op zijn kop, die maken, dat hij ook wel wat op een soort van slak gaat gelijken. Ze leven op wilgen en populieren, liefst op waterwilgen en je kunt ze het heele jaar door vinden, want de eitjes worden in den herfst gelegd, de rups overwintert, de vlinder vertoont zich vooral in Juli en Augustus. In mijn jongensjaren had ik eens gelezen, dat je die weerschijnvlinder kunt lokken op rotte appelen en ik heb dat indertijd ook geprobeerd met vroege appelen van ’t jaar zelf en met late appelen van ’t vorig jaar, maar ’t is mij niet mogen gelukken. Intusschen zou ik het in de buurt van Deventer of van Nijmegen nog wel eens willen probeeren.

De populieren zijn echte boomen voor insecten. Soms zitten ze vol met larven en poppen: rupsen van den wespenvlinder in de takken, rupsen van den kastanjevlinder (99) in de stammen, ook al een heele mooie vlinder, die soms voor heel zeldzaam moet gelden, en dan weer bij twintigtallen tegelijk gezien wordt. Als de vlinder zal uitkomen, dan werkt de pop zich uit het hout een eindje naar buiten, net zooals de wilgenhoutvlinder ook doet.

Maar de allermerkwaardigste rups van onze bosschen is de eekhoornrups, (72, 100) die op de beuken thuis hoort. Geen wonder, dat je hem niet dikwijls ziet, want de meeste van onze beukenbosschen zijn zoo hoog van stam, dat wat er in de kronen voorvalt, heelemaal buiten ons bereik is. Toch zijn er ook beuken, waarvan de takken neerhangen tot op den grond en als ’t nu eens een gunstig jaar is, dan kun je daar wel eens naar eekhoorntjes zoeken. Ze zijn bruin, niet ’t mooie roodbruin van ’t echte eekhoorntje, maar valer, soms de kleur van nieuw leer. Achter aan ’t lichaam hebben ze een paar donkerblauwe aanhangsels. ’t Is eerst nog moeilijk genoeg, om uit te maken, wat kop en wat staart is, want ze zitten meestal met kop en staart allebei omhooggeheven. Steek je nu de hand uit, om zoo’n dier beet te pakken, dan gooit hij zijn kop nog veel verder achterover en gaat dan zijn zes borstpooten al trillend uitslaan, een heel gekke beweging, waar menigeen van schrikken zou. De vlinders zelf, prachtige dieren, zitten tegen boomstammen en zijn dan niet zoo heel makkelijk te zien; ze zijn te verwachten van Mei tot Augustus.

De boschkevers zijn haast nog mooier dan de boschvlinders, jammer maar dat sommige van de allermerkwaardigste zoo zeldzaam zijn. ’t Vliegend hert kun je in Gelderland op zomeravonden genoeg te zien krijgen; ik heb ze wel bij dozijnen zien rondvliegen in den maneschijn. Maar wat heb ik dagenlang tevergeefs gehunkerd naar den heldenbok (20) en den neushoornkever! (104) Hun larven leven in molmend eikenhout, net als die van ’t vliegend hert en nu kun je altijd hopen, die, of beter nog, de poppen, te bemachtigen, door oude eikenstronken uit elkaar te peuteren. De dikke witte larven van den neushoornkever moeten ook voorkomen in dikke lagen van rottend eikenblad en daar heb ik dan ook heel wat in rondgedolven. Tot nu toe evenwel heb ik al mijn neushoornkevers en larven altijd gekregen uit leerlooierijen, waar ze leven in den run-voorraad. De heldenbok evenwel kunt ge op de Veluwe nog nu en dan wel eens te zien krijgen, o.a. in de buurt van Harderwijk.

Die boktorren heeten zoo om hun lange sprieten; die van den heldenbok zijn wel anderhalf maal zoo lang als zijn heele lichaam, ’t Is een heel groote familie, ze zijn allemaal de moeite waard, om er eens naar uit te zien. De larven leven meest in hout en de kevers vindt je veelal op bloemen, want ze houden van zoetigheid en malsche bloemblaadjes. Ook van warmte, en als ik nu eens mooie boktorren wil zien, dan ga ik na een zonnigen dag in een boschstreek naar een houten schuurwand, die ferm in het namiddagzonnetje is gebakken. Daar zitten dan allerlei beesten zich te warmen en zoo heb ik eens den grooten weverbok (80) en een anderen keer een half dozijn bandbokken (103) tegelijk gevonden. Die zijn ook nog al eens te zien op de groote bloeischermen van bereklauw en engelwortel of op de geurige pluimen van de moeras-spiraea in gezelschap van de groote sluipvlieg. (83)

Ik denk nog dikwijls met plezier aan een ouden zwart geteerden schuurwand in Hoog-Soeren, waar ik allerlei insecten-schatten verzamelde: prachtkevers (102) en mooie gele aaskevertjes (23). En als ik dan in den laten avond naar huis wandelde, vlogen in de lage struiken de lichtkevertjes rond, kleine brokjes geelgroen vuur. Ook tusschen het gras blonken lichtjes, dat waren de ongevleugelde wijfjes, die kwamen mooi te pas, om op het horloge naar den tijd te zien.

Zonderlinge diertjes, zoo lang ze leven, geven ze licht. De eieren, de larven, de poppen, allen stralen ze hetzelfde koude licht uit, en wat dat te beduiden heeft, weet niemand.

Ik was niet de eenige, om van die houten „koesterplekjes” te profiteeren. Wanneer ergens in ’t bosch een onbeschorste omgevallen boomstam ligt, een paaltje of een vondertje, dan doen daar allerlei dieren hun voordeel mee.

De hagedissen en hazelwormen (31) komen er om insecten te vangen en ik heb het eens gezien, dat er een gladde slang (33) zachtjes kwam aanschuiven, die een hagedisje opslokte. Toen heb ik geprobeerd om die slang te vangen maar ze was me te vlug af en gaf me zoo’n knauw in mijn duim, dat ze er rustig van door kon gaan, terwijl ik bezig was om het bloeden te stelpen. Ik had ook niet noodig, haar te vangen; dat had ik vroeger al eens gedaan en in heel veel van die gevallen is éénmaal net genoeg. Gelukkig is de beet van de gladde slang niet gevaarlijk, want ze heeft geen giftanden of gifklieren. Toch is het in onze bosch- en heistreken altijd aan te raden, om met slangen voorzichtig te zijn, want het is niet zoo heel makkelijk, om dadelijk op het eerste gezicht uit te maken, of je te doen hebt met een giftige adder of met een onschadelijke gladde slang. Een eindje verderop zal ik daar wel wat meer van vertellen.

We hebben ook nog in het bosch uit te kijken naar een vogel, die er allerlei slangenmaniertjes op nahoudt; hij kan niet alleen sissen, maar ook nog zich kronkelen op den koop toe. Verscheiden vogels kunnen sissen en blazen, vooral de meezen en in ’t bijzonder de koolmeezen. Als je die bij hun nest verontrust, dan kunnen ze je soms door hun geblaas den schrik op ’t hart jagen. Die andere vogel echter, de draaihals, (29) kan zich uitrekken tot tweemaal zijn gewone lengte en zich dan draaien en wringen, dat je er zelf uit medegevoel benauwd van zou worden. Gekker kunstenmaker bestaat er in de heele vogelwereld niet.

Tegelijk evenwel is het een van de mooiste vogels, die we hebben. Zijn algemeene kleur is een heel mooi blauwachtig parelgrijs, maar dat is overal prachtig versierd met zeer veel zwarte kronkelstreepjes en pijlvlekken, die op den staart een aantal donkere dwarsbanden maken. Zijn vleugels zijn wat meer effen van kleur, donkergrijs, maar ook alweer zeer mooi versierd en wel met bruine blokvlekjes.

In het Westen van ons land ziet men hem eigenlijk alleen in de duinstreek en dan nog niet eens heel veel. Toch gaat er geen April of Mei voorbij, of ik hoor zijn dikwijls herhaald: „tjè, tjè, tjè”, nog al een vreemd geluid, soms twintig keer snel achter elkaar denzelfden roep. In Gelderland nestelt hij vrij algemeen, zelfs wel in nestblokjes en daar heeft men den vogel van nabij leeren kennen. In sommige boeken werd wel verteld, dat zoo’n draaihals nooit zijn nest schoonmaakte en dat dat dan vooral wanneer de jongen opgroeiden een vieze janboel werd, maar ’t is gebleken, dat hij al even knap zijn nest reinigt als de meeste andere vogels.

Hij is evenals de groene specht een echte miereneter en als hij ergens een paar flinke mierennesten heeft ontdekt, dan kun je hem daar den heelen dag vinden, bezig met ’t opslokken van mieren of van miereneieren.

Er leeft langs onze boschranden nog een vogel, die een even onsmakelijke beruchtheid geniet als de draaihals, n.l. de hop. (61) Ook van dezen vogel wordt verteld, dat hij nooit of te nimmer zijn nest schoonmaakt. Misschien is dit ook allemaal laster, tenminste ik heb in een Duitsch tijdschrift gelezen van een hop, die in een nestkastje huisde en het behoorlijk reinigde.

Nu is in de vrije natuur de kans niet zoo heel groot, om wat van ’t leven en bedrijf van deze hop te zien te krijgen, want hij is inderdaad zeer zeldzaam en indien ge eens in uw buurt een hoppennest weet, dan zou ik daar heel graag bericht van ontvangen, om er eens naar te komen kijken. Hoe het komt, dat die vogel zoo zeldzaam is, weet ik niet. Hij eet wormen en larven, slakken en insecten. Daar is in ons land in den zomertijd in ’t geheel geen gebrek aan en ik heb ook niet kunnen vinden, of de hop soms de voorkeur zou geven aan een bepaalde prooi, die misschien bij ons niet genoeg zou zijn te vinden. ’t Zou wel kunnen wezen, dat hij om zijn buitengewoon merkwaardig uiterlijk wel wat veel wordt gevangen of geschoten, want als de menschen iets bijzonders zien, dan willen ze dat graag bemachtigen. ’t Is nog al gemakkelijk om te weten te komen, of er in een streek een hop huist, want hij roept heel duidelijk zijn eigen naam, alleen spreekt hij dien ietwat vreemd uit. ’t Lijkt nog ’t meest op: „hoep, hoep—hoep, hoep”. Meestal roept hij twee lettergrepen, maar ook wel drie of meer.

Dat lijkt dus wel wat op den koekoeksroep, maar er is een zeer groot verschil, n.l. bij den hop is de tweede lettergreep van den roep altijd hooger dan de eerste en bij de koekoek juist lager.

Ondanks al zijn misdaden begroet ik den koekoek ieder jaar weer met genoegen en ik besteed er heel wat tijd aan, om van zijn wonderlijk bestaan het een en ander te zien te krijgen. Ik begin al met te letten op zijn geroep, want daar is veel verscheidenheid in, meer dan je denken zoudt, wanneer je wat al te veel geluisterd hebt naar de koekoeksklokjes, want die roepen altijd hetzelfde. Het kinderliedje van „De koekoek is een guit, een strop—hij zei laatst tot den dikken mop”, en wat daar meer volgt, is beter op de hoogte, want daarin zingt de koekoek verschillende intervallen. Wie zijn do-re-mi een beetje kent, kan dan ook al spoedig een verzameling van koekoeksroepen maken en tegelijk ontdekken, dat een en dezelfde koekoek in den loop van den zomer zijn roep verandert.

Na half Juli hoort ge hem zelden meer, maar ge krijgt er dan misschien wel veel meer te zien. Dat zit zoo. De oude koekoeken gaan in ’t laatst van Juli al weer wegtrekken, maar de jongen worden dan langzamerhand vlug. Ze verlaten het nest, waar ze door hun pleegouders zijn grootgebracht en vliegen nu rond door de buurt, nog altijd in gezelschap van de kwikstaartjes, piepers, heggemuschjes, roodstaartjes of andere vogels, die nog maar altijd voortgaan met hun ondergeschoven kind te voeren. Wie in de groote vacantie buiten behoorlijk uitkijkt, kan er op rekenen, dat hij wel eens zoo’n voerpartij te zien krijgt, zoowel langs den boschrand als op het veld. Je krijgt dan medelijden met die kleine vogels. Het groote koekoeksjong zit lui en vadsig op den grond of op een paaltje en het kleine vogeltje komt keer op keer aanvliegen om hem het voedsel in den grooten rooden muil te stoppen. Dikwijls genoeg heb ik het gezien, dat het kleine zangertje op den grond staande of op een tak zittend den bek van zijn pleegkind niet behoorlijk kon bereiken en dan zette hij zich maar neer op den kop of op den rug van den koekoek.

Sommige waarnemers hebben wel eens gezien, dat een heele zwerm zangvogeltjes bezig waren een koekoek te voederen, daar moet ik ook nog eens extra op letten. Ook is het de moeite waard erop te loeren, of je een koekoekswijfje erop betrappen kunt, dat ze haar ei in ’t zangvogelnestje stopt. Dat schijnt meestal te gebeuren in de avondschemering en dan lokt de man-koekoek eerst de wettige bewoners van ’t nest af.

’t Is natuurlijk veel aardiger de levensbijzonderheden van een dier in de natuur zelve te zien, dan er alleen maar van te lezen in de boeken. Maar ’t is niet altijd even gemakkelijk. Dat een koekoek zich voedt met harige rupsen, kun je echter gemakkelijk genoeg te zien krijgen, als je maar let op struiken, waar de rupsen van den witvlakvlinder of van den bastaard satijnvlinder aan ’t werk zijn.

Tegelijk met den koekoek vertoont zich daar de wielewaal. (27) Die is voor de grootste ruige rupsen niet bang, ik heb wel gezien, dat hij aan zijn broedend wijfje de rupsen bracht van de eikenspinners en van de veelvraatrups, (71) zoo groot en ruig, dat zelfs een Chinees er voor bedanken zou. Diezelfde wielewaal houdt echter ook wel van kleine gladde rupsjes. Ik heb hem eenige dagen achtereen bezoeken zien brengen aan een vogelkers, die te lijden had van de rupsen van het vogelkersmotje. Deze rupsjes leven bij honderden bij elkander en verbergen zich in een dicht grijs spinsel, dat soms heele takken, ja heele heesters overdekt. Ge hebt dat wel eens gezien.

Wel, de meeste vogels houden er niet van, om hun bek te steken in dien dradenboel, maar de wielewaal komt er onvervaard op af, slaat den boel uit elkander en hapt de rupsjes op bij dozijnen. In een paar dagen had hij dat heestertje heelemaal gereinigd. Als we maar genoeg van die heerlijke vogels hadden, dan zouden we niet zoo dikwijls het treurig tooneel te aanschouwen krijgen van heele boschranden van vogelkers, meidoorn en kardinaalsmutsje, ontdaan van hun gebladerte en verborgen onder grauw spinsel.

III. IN ’T NAALDHOUT.

Als ’t zoo voortgaat zal binnenkort ons land voor een groot deel overdekt zijn met dennenbosch. De woeste heiden en duinen worden langzamerhand beplant. Wanneer ge in den zomer die streken doorreist, dan ziet ge allerwegen groote velden vol met mooie geel bloeiende lupine, en elk zoo’n veld is bestemd, om mettertijd te veranderen in wei, of akker, of bosch. Dat is nog eens een voordeelige plant, die lupine. Andere gewassen mergelen den grond uit en dan moet je om nieuwe oogsten te verkrijgen voor duur geld weer veel mest over ’t land strooien. De lupine echter, en de planten van zijn familie maken den grond hoe langer hoe beter.

Ten slotte kunnen dan dennetjes worden gezaaid of gepoot. Het eerste jaar is er van de zaaiplantjes weinig of niets te zien, ’t zijn kleine groene dingetjes met een krans van smalle blaadjes aan hun top. Na een jaar of vier zijn de boomen al wat hooger dan boerenkool en na tien, twaalf jaar zijn ze zoover opgeschoten, dat een volwassen mensch er al geheel tusschen verscholen kan gaan en dan kun je je haast niet voorstellen dat op die plek vroeger niets anders groeide dan hei of korstmos.

Nog tien jaar later kun je daar al aardig gaan wandelen en dan hebben vele wilde planten en wilde dieren, die van dennenbosschen houden, er zich ook al gevestigd, en nog tien jaar later kunt ge er zoowat alles, goed en kwaad vinden, wat er in een dennenbosch te verwachten is.

De dennen hebben al evenveel vrienden of vijanden als de eik. Allerlei insecten komen af op de naalden, de knoppen of het weeke hout, en deze worden weer vervolgd door andere insecten of door de vogels. Onder die vogels zijn er weer, die ook een groote voorliefde hebben voor de dennenzaden, waar trouwens de eekhoorntjes (62) en sommige muizen ook al zeer op verzot zijn.

De afgevallen dennennaalden vergaan langzaam en leveren een bodem, waarin weer allerlei mossen en varens en aardige bloemplanten kunnen leven, ofschoon de laatste het er wel wat te donker hebben, zoodat alleen de soorten, die het met weinig licht kunnen stellen, in belangrijk aantal voorkomen.

Als kinderen hadden wij altijd den meesten schik in de harsmannetjes. Dat waren dikke builen van hard, grijs hars, die we soms in groote menigte vonden aan de uiteinden van de kleine zijtakjes van den groven den. We sneden of plukten die takjes af bij dozijnen en hadden dan als we die harsbuilen aanstaken heel aardige fakkeltjes. Of wel, we stookten er heele vuurtjes mee op open zandige of grazige plekken, want het was ons op zeer stevige manier duidelijk gemaakt, dat we bij alles wat we deden, elke beschadiging van het bosch hadden te vermijden. Ik kan er nu nog—het is al meer dan veertig jaar geleden—een schrik van krijgen, als ik er aan denk, wat er wel gebeurd zou zijn, als we soms een boschbrand hadden veroorzaakt. Nu, wij zorgden er wel voor, dat zelfs van het allereerste beginnetje van een brand nooit sprake was en toch hebben we buiten wel duizend vuurtjes gestookt.

Met dat afsnijden en verbranden van die harsmannetjes deden we een goed werk, want zoodoende hielpen wij den harsbuilvlinder (84) bestrijden. Dit vlindertje komt in Mei uit de pop te voorschijn en gaat dan meteen eitjes leggen aan de knoppen van de dennen. De rups, die daaruit komt vreet zich in tot het merg van het takje en blijft daar knagen tot in ’t volgend voorjaar. Dan verpopt zij zich en in Mei komt dan de vlinder te voorschijn. Uit de wond vloeit hars naar buiten, die daar verhardt tot een onregelmatig gevormden harsbuil. Als de vlinder goed en wel weg is, gaat de harsbuil langzaam verdrogen en valt ten slotte af. Wij hadden dus altijd kans, dat als we harsvuurtjes maken in Maart of in October, meteen de larve of de vlinder vernietigd werd.

Zoo heel verdienstelijk was onze arbeid niet, want de schade, die de harsbuilmot aanricht is niet zoo heel groot. Hij heeft een paar familieleden, die het heel wat bonter maken, en onder de overige vlinders zijn er nog wel een paar, die honderdmaal erger dan de harsbuilmot door den dennenkweeker worden gevreesd.

Vooreerst de nonvlinder. (14, 15) Jarenlang hadden we van dat dier geen last gehad, toen het zich opeens vertoonde in Zuid-Brabant en al heel gauw kwamen er zooveel, dat men waarlijk recht had, om te spreken van een nonvlinderplaag. In ’t eerst merk je daar weinig van, maar als ’t je aandacht begint te trekken, dat je maar steeds helderder de blauwe lucht door de naalden heen kunt zien, terwijl op den grond duizenden groengrijze korreltjes te vinden zijn, dan komt ge tot de conclusie, dat daar nonvlinderrupsen aan ’t werk zijn. ’t Beste is dan, om heel even in een boom te klimmen, om daar een onderzoek in loco in te stellen en dan blijkt het al dadelijk, dat de twijgen vol zitten met groenachtig grijze rupsen, heel aardig langs elken ring versierd met een half dozijn wratachtige roode en blauwe plekken. Dat is dan een kwaad ding en ’t is maar te hopen, dat er gauw wat vogels, koekoeken, spechten, wielewalen, zelfs duiven komen opdagen, om den gevreesden vijand te bekampen.