Chapter 5 of 6 · 3993 words · ~20 min read

Part 5

Wel, deze boschrank blijft u nu overal in Zuid-Limburg begeleiden, langs de hagen, in de bosschen en in menigen tuin zijn de prieeltjes ermee begroeid. En wie nu maar uitkijkt, ziet overal weer wat nieuws. De groote, bruine, naakte slakken, (65) die over ’t boschpad kruipen, zijn dikker dan ge ze ooit gezien hebt en op menige plaats vindt ge ook de groote wijngaardslakken met hun huisjes zesmaal zoo groot als die van de gewone huisjesslak. Een groote, blauwgroene kever komt over den weg wandelen, hij heeft precies den vorm van een onslievenheersbeestje maar hij is wel driemaal zoo lang en breed. Ik weet niet of ’t beest wel een Hollandschen naam heeft; we zouden hem den Limburgschen Reuzenhaan kunnen noemen of kortweg Reuzenhaan. (107) Zou je ook wel reuzenhaantje kunnen zeggen? Dat moeten de taalgeleerden maar eens uitmaken. Het dier is gemakkelijk genoeg te vangen, want hij kan heelemaal niet vliegen. Niet alleen heeft hij geen achtervleugels, maar zijn voorvleugels, de dekschilden zijn ook nog met elkander verkleefd. Hard loopen doet hij ook niet, ’t is, of hij zijn bruingele, viltige voetzolen niet van den grond kan krijgen. Als we hem te pakken hebben, gebeurt er opeens iets griezeligs. Hij gaat uit al zijn pooten opeens bloeden, dik geel, olieachtig bloed en menigeen laat van schrik het beest vallen, als zoo opeens die oranje kraaltjes te voorschijn komen. Ik weet niet, of dit schrikmiddel wel voldoende is om hem te beschermen tegen de velerlei merkwaardige padden, die in de Limburgsche bosschen en grotten huizen. Dat zou men nog eens kunnen probeeren.

Intusschen vinden we weer nieuwe planten. Een rotskant is heelemaal begroeid met kleine varentjes. Vooreerst heele pruiken van het bekende muurvarentje, dat door heel Nederland voorkomt, tot zelfs op muren van binnenplaatsen in het hartje van Amsterdam. Daar zoudt ge echter zeer lang tevergeefs kunnen zoeken naar het steenbreekvarentje, (118) dat hier op onze rots zijn mooie blinkende zwarte stengeltjes vertoont, bezet met een dubbele rij fijne blaadjes.

Grooter, en fijner van blad is het blaasvarentje, dat al meer groeit op de gewone manier van de varens met lange rechtopstaande fijne stengels, bezet met samengestelde bladeren. Aan de achterzijde van die bladeren vindt ge kleine ronde sporendoosjeshoopjes, ook moet ge er op letten, dat de stengels zelf, vooral dicht bij de rots met schubjes bezet zijn, want daaraan is het blaasvarentje (53) te kennen. Ook dient ge er op te letten, of op de sporendoosjeshoopjes teere dekvliesjes zitten, tenminste op sommigen, op de jongste, want die dingen vallen spoedig af. Indien ge op geen enkele van de sporendoosjeshoopjes een dekvliesje kunt ontdekken, dan hebt ge kans, een beukvarentje voor u te zien, een van onze mooiste en zeldzaamste varentjes. ’t Is heusch wel de moeite waard, om eens in ’t fijne al die mooie plantjes van elkander te onderscheiden. Hoe vroeger je daarmee begint en hoe vaker je ’t doet des te meer plezier heb je in je heele leven van al je reizen en wandelingen.

Het is ook bijzonder interessant, om aan een steile helling of een slootkant, waar veel varens groeien eens uit te zien naar jonge varentjes. Vooral waar veel koningsvarens (49) groeien is het aardig, om ze op te zoeken in verschillende leeftijden. De manshooge, die al sporenhouders dragen zijn al wel tientallen van jaren oud, maar daarnevens kunt ge ze nu nog vinden, al kleiner en kleiner met steeds eenvoudiger bladvormen, die echter altijd nog aan kleur en vertakking van de bladnerven als koningsvarenblaadjes te herkennen zijn. Al heel gauw vindt ge ze van een centimeter of wat hoog met een enkel blaadje en als ge nu goed toeziet, zult ge merken, dat die ontspruiten uit een groen plakje, dat vlak tegen den vochtigen grond is aangedrukt. Dit groene plakje nu is ontstaan uit een spore; het heet de voorkiem en aan zijn onderzijde zitten microscopisch kleine werktuigjes, die aanleiding hebben gegeven tot het ontspruiten van het jonge koningsvarentje. Als ge dat eenmaal goed gezien hebt, zult ge geen moeite hebben, om overal waar veel varens groeien, van die voorkiemen te ontdekken.

Maar laten wij ons nu niet in dit kleine peuterwerk verdiepen, nu overal rondom ons weer prachtige groote bloemen staan. Zijn we verdwaald in een tuin? Neen hoor, we staan echt in ’t bosch, we hebben nog wel vijf minuten te loopen, eer dat we er uit zijn en dan komen we aan groote graanvelden en eerst een kilometer verder staan een paar huisjes. We zijn dus echt in de wildernis en de prachtige blauwe akeleien, (128) die we voor ons zien zijn echt wilde bloemen. Ze bloeien al sinds Mei en we vinden nu tegelijk met nog frissche bloemen reeds rijpe vruchten: dunne kokertjes, die van boven openspringen en als we er even aan schudden komen de zwarte blinkende zaden eruit springen. Sommige van die kokertjes zijn aan een kant al heelemaal opengescheurd en hebben al hun zaad uitgestrooid. We nemen er wat van mee, om in den tuin te zaaien als herinnering aan onze Limburgsche vacantie. Word niet ongeduldig, als in ’t volgend jaar de jonge plantjes zich nog niet vertoonen; het akeleizaad ontkiemt niet vlug, je kunt van dit bezendingkje zaad wel vijf jaar achtereen telkens nieuwe plantjes zien opslaan. Alles is mooi aan deze plant, de mooie mat getinte stengels, soms groen, soms bruin, de dubbele drietallige bladeren, de bloemknoppen en eindelijk de donkerblauwe bloem zelf met zijn merkwaardig gevormde kroonbladeren. Elk kroonblad is echt een hoorn van overvloed, een sierlijk gevormde zak met wijde opening, al nauwer en nauwer wordend en aan ’t einde mooi omgekruld.

Je kunt van buiten dikwijls al zien, dat in dit omgekrulde uiteinde honig zit en als je ’t zelf niet opmerkt, dan zullen de groote ruige boschhommels het je wel vertellen. Die zweven en zwieren in ’t zonnelicht, dat door het eikenloover straalt, van bloem tot bloem, grijpen zich vast aan de lange, spitse stempels, die nog al ver naar buiten uitsteken en als je goed toekijkt, dan zie je de glanzende zuigmachine doordringen tot heel achterin de honigspoor. Een voor een tapt de hommel aan alle vijf de vaatjes, zich maar steeds aan die stijlen vasthoudend en zoo in ’t rond werkend. Natuurlijk komt hij aan zijn buikzijde zoodoende vol met stuifmeel, want om die stijlen staan dicht op elkaar gepakt een groote menigte van goudgele meeldraden. En zoo dragen dan die snoepende hommels heel vlijtig weer het onmisbare stuifmeel van bloem tot bloem.

Nu hebben niet alle hommelsoorten even lange tongen. Wie de horens van overvloed van de akelei tot op den bodem toe willen ledigen, moeten tongen hebben van anderhalve centimeter lang. De gewone aardhommel, ge kent hem wel: zwart met wit en met twee gele dwarsstrepen heeft maar een tong van slechts 8 m.M. lang en wanneer hij nu op de akeleienbloemen om honig komt, dan verkeert hij zoowat in hetzelfde geval als die vos, die bij de ooievaar op visite was en te drinken kreeg uit een langhalzige flesch.

Ons hommeltje weet echter wel raad; hij gaat boven op de bloem zitten en bijt heel koelbloedig met zijn stevige bovenkaken de spoor open bij het omgekrulde stuk en smult dan naar hartelust. En ander korttongig gespuis van graafbijen en graafwespen, vliegen en zelfs de honigbij komen nu van de gelegenheid gebruik maken en snoepen door datzelfde openingetje.

Wanneer we nog wat dichter naar den boschrand gaan, hebben we kans nog eenige bloemen te vinden, die speciaal van de hommels afhankelijk zijn. Soms vindt je op een ruig plekje een heele verzameling van meterhooge planten, mild bloeiend en ik wensch u van harte toe, dat ge eens zoo’n plekje treft, waar het reusachtige ruige klokje (9) groeit in gezelschap met vingerhoedskruid (130) en monnikskap. (129)

Het vingerhoedskruid draagt zijn naam met eere, want werkelijk passen zijn bloemen op niet al te dikke vingertoppen; alleen zijn ze voor vingerhoed wel wat lang uitgevallen. Let op wat aardige vlekken zich in de opening van de bloem vertoonen; men denkt, dat die de insecten den weg wijzen naar den honig, die boven in de bloem wordt afgezonderd. Ook is ’t aardig, om eens naar de meeldraden te kijken, hoe ongewoon die helmdraden gekromd en gekruld zijn.

Al die vingerhoeden hangen denzelfden kant uit, de onderste bloeien het eerst en naar boven toe worden de knoppen al jonger en jonger, zoodat we eigenlijk haast van ’t begin af de ontwikkeling van zoo’n bloem kunnen nagaan. Als er rijpe vruchten zijn, dan nemen we er daar eentje van mee, die bevat al zaad genoeg, om er thuis een bed mee te bezaaien. Ze bloeien in ’t tweede jaar en gaan dan dood. Met de akeleien gaat dat beter, dat zijn vaste planten, als je ze eenmaal hebt en ze niet mishandelt, komen ze ieder jaar opnieuw weer grooter en krachtiger uit den grond te voorschijn.

De monnikskap is haast nog merkwaardiger dan de akelei, jammer maar, dat het zelfs in Zuid Limburg een zeer zeldzame plant is en de gele (95) is nog zeldzamer. Eventjes over de grenzen echter groeit hij genoeg en in tuinen komt hij ook weer heel goed voor als vaste plant. Sommige menschen houden er niet van, om deze plant in hun tuin te hebben, want hij is vergiftig, maar dat is nog al wat erg angstvallig. Bovendien, als je alle vergiftige planten uit de tuin zou willen verbannen, zou je heel wat aardige figuren moeten missen. De kinderen vinden de monnikskapbloem altijd aardig om de gekke dingetjes, die je er binnen in vindt. Pluk maar eens de vijf buitenste blauwe kelkbladeren af. Meteen kunt ge zien, hoe verschillend in vorm die zijn, vooral het bovenste. Dat lijkt wel wat op een helm, veel meer dan op een capuchon van een monnik en de bloem wordt dan ook wel stormhoed, in ’t Duitsch Eisenhut genoemd.

Wel, onze vriend geeft zijn helm heel moeilijk af en ’t blijkt dan ook, dat die aan de binnenzijde werd tegengehouden door een paar heel fraai en zonderling gevormde voorwerpjes, gekrulde bekertjes op een langen steel. De menschen hebben daar allerhanden dingen in gezien en je kunt er ook aardig mee spelen. Wij weten nu, dat het eigenlijk kroonbladeren zijn, hoewel ze daar maar bitter weinig op lijken. Knijpt ge er even in, dan komt er een druppel honig uit te voorschijn en inderdaad zijn het dan ook honigbakjes of nektariën.

Meteen zien we, dat die honig alweer bereikt kan worden door hommels met lange tongen en het verwondert ons in het geheel niet, dat we de korttongige hommels, met den aardhommel voorop alweer moeten aantreffen als misdadige inbrekers.

Al deze mooie planten, de akelei, het vingerhoedskruid, de monnikskap en het ruige klokje zijn zoo groot, zoo opvallend en tegelijk zoo makkelijk te kweeken, dat ze algemeen als tuinplanten in gebruik zijn gekomen. Maar er groeien in het Limburgsche bosch nog andere, die wat meer op den achtergrond blijven, maar toch dubbel en dwars verdienen, dat wij er eens naar uitkijken.

Wij vinden vooreerst al enkele plekjes bedekt met zeer mooi gevormde glanzig groene bladeren. Daaruit komen stengels omhoog, die aan hun top schermen dragen van witte bloemen dicht opeen. Inderdaad behoort dan ook dit Heelkruid (47) tot de familie van de schermbloemen.

Minder gemakkelijk is het om een plant, die we een eindje verder vinden, te herkennen als een familielid van de lelies. In het eerst lijkt het, alsof het plantje geen bloem draagt, er zitten aan den stengel vier flinke bladeren in een kruis, maar wat daarboven uitsteekt lijkt in ’t halfduister van ’t bosch in ’t eerst wel op een mislukte vergroeiing. Doch als we naderbij komen, dan wordt dat opeens zeer mooi. Lange spitse groene blaadjes in twee viertallen afwisselend vormen een fijn groen bloempje, daarbinnen vinden we een achttal spitse meeldraden rondom een tamelijk dikken violetten stamper. En nu bedenken we, dat we dit ding al meer gezien hebben, maar dan als rijpe vrucht, want deze plant is niet meer of minder dan de Eénbes, (78) een van de meest echte boschplanten.

Nog vreemder is het Christoffelkruid, (117) dat behoort tot de boterbloemfamilie en ’t zijn wel knappe plantkundigen geweest, die dat hebben vastgesteld, want deze Christoffel doet alle mogelijke moeite, om niet op zijn familie te lijken. Hij stopt zijn kroon- en kelkblaadjes zorgvuldig weg, totdat ge ze eindelijk vindt als smalle witte lintjes, te midden van een groote menigte meeldraden. Binnenin zit één stamper en die verandert later in een vergiftige bes. Dit Christoffelkruid is in de Limburgsche bosschen in ’t geheel niet zeldzaam, maar het verschuilt zich nog al in ’t struikgewas en ’t best vindt ge het nog door uit te kijken naar zijn dunne lichtgroene samengestelde bladeren.

Werkelijk zeer zeldzaam is de Engbloem. Die heeft trosjes van roomkleurige bloempjes met heel vreemd gevormde meeldraden, zoo ingericht, dat een honigzoekend insect bij ’t verlaten van de bloem de stuifmeelklompjes aan zijn slurf moet meenemen. Maar als hij niet sterk genoeg is, kan hij zich niet eens lostrekken en dan blijft hij aan de bloem gevangen en gehangen. Soms zit zijn heele bloemtros dan vol doode vliegjes.

Het Heksenkruid is ondanks zijn gevaarlijke naam veel goediger. Het wordt trouwens ook Stevenskruid (96) genoemd. Waar ’t groeit, groeit het in groote menigte en ’t is een lust, dan de duizenden en duizenden kleine rose bloempjes te zien, zooals ze in slanke trossen omhoog steken; heel eenvoudige bloempjes: alles twee aan twee. De bladeren van dit Stevenskruid lijken wel wat op die van de fuchsia—die behoort trouwens tot dezelfde familie. Aan den rand der bladeren zitten puntige tandjes en als we nu een warmen bewolkten nacht gehad hebben dan parelt er uit elk van die tandjes een prachtige heldere waterdroppel. Later plaagt dat Heksenkruid je door als je door ’t bosch loopt zijn vruchtjes aan je kleeren te plakken, juist zooals de hondstong en ’t nagelkruid doen.

Ik heb al wat door die Limburgsche bosschen gedwaald, zoekend naar dit en zoekend naar dat, naar de schubwortel, die op de hazelaars moet woekeren en naar het boschvogeltje, een van onze zeldzaamste orchideeën. En als je dan zoo ronddwaalt, zonder te vinden wat je zoekt, dan ontmoet je soms weer andere dingen, waar je nooit aan gedacht zoudt hebben. Ik zal tenminste nooit vergeten, hoe we op een avond na een dag van ingespannen onderzoek een klein diertje over den weg zagen rennen, dat heelemaal niet leek op de dieren, die wij kenden. ’t Was voor een rat te klein, voor een muis te groot en hij was nog al bont van kleur ook, maar een hamster was ’t toch niet. Hij klauterde in een eikenboom en was zoo vriendelijk daar een poosje stil te zitten, zoodat ik hem vlug kon nateekenen en zoo konden we dan, toen we thuis kwamen in de boeken nazien, dat we te doen gehad hadden met de eikelmuis, (20) een van de slaapmuizen, waartoe ook de zevenslaper en de hazelmuis behooren, allemaal dieren die wel in Zuid Limburg zouden kunnen voorkomen, maar er door de dierkundigen nog niet waren waargenomen. Sedert dien tijd is de eikelmuis nog een paar keer in ’t Geuldal gevangen en ik heb zelfs hooren beweren, dat ze nog al tamelijk veel schade aanrichten in de boomgaarden, waar ze pruimen, abrikozen, kersen en perziken rooven, om de zaadjes uit de pitten te eten. Verbeeld je zoo iets!

VI. HERFST.

Een van onze meest bekende dichters heeft zich eens veel moeite gegeven, om op rijm te vertellen, dat hij de herfst het heerlijkste jaargetijde vindt en ik merk wel, dat een massa menschen het met hem eens zijn. Ik ben in zulke dingen nog al een stumper, in ’t verzen maken, zoowel als in het besluiten omtrent de meerdere voortreffelijkheid van ’t een of ander jaargetijde of van bepaalde dieren of planten. Het ligt natuurlijk heelemaal aan je zelf. Als je actief bent en zoowel groote hitte als felle kou met blijmoedigheid hebt leeren verdragen, dan vind je het eene jaargetijde al even mooi als het andere, vooral wanneer je wat van dieren en planten af weet, want die zijn ook het heele jaar door al even belangwekkend. Maar ik kan wel begrijpen, dat iemand, die een beetje kouwelijk is uitgevallen en bang is voor een zonnesteek en houdt van rustige, groote indrukken, zich op weeke, warme Octoberdagen heel lekker kan voelen en dat ’t hem dan een lust is, door ’t bosch te dwalen. En zelf doe ik het ook met ’t grootste plezier.

’t Is anders voor de planten en dieren in ’t geheel geen rustige tijd. In ’t bosch heerscht een geweldige drukte. Al die verkleurende bladeren zijn druk bezig, om alles wat van waarde is, te transporteeren naar het boomlichaam zelf, om zich vervolgens gereed te maken, om af te vallen. Tegelijkertijd moeten de gerijpte vruchten geborgen worden en dat gaat in hoofdzaak op drieërlei manier. De eiken en beuken, de tamme kastanjes, de hazelaars en ook eigenlijk de elzen laten hun vruchten vallen, zonder meer. Die van de els komen in het water terecht en drijven her en der, totdat ze eindelijk in een modderig hoekje tot rust komen. De eikels en beukenootjes, hazelnoten en kastanjes zouden als er verder niets gebeurde, rustig blijven liggen en bedolven worden onder de bladeren en dan zouden daar ter plaatse in ’t volgend voorjaar duizenden jonge eikjes en beukjes elkander verdringen en verstikken, zoodat er geen een tot ontwikkeling kan komen.

Gelukkig echter, dat er vogels zijn. Als ’t een goed eiken- en beukenjaar is, dan kunt ge ze bij duizenden en duizenden bezig zien: vinken, keepen, meezen, boomklevers, kraaien, duiven, gaaien. Ze proppen zich vol met voedsel en als ze verzadigd zijn, dan nemen sommige nog zooveel ze kunnen van den voorraad mee, om verborgen voorraadschuren aan te leggen. Het zijn vooral de gaaien, (28) boomklevers en de kleine zwarte meesjes, die zich in dit opzicht verdienstelijk maken.

Ze raken zoo onder den indruk van den overvloed, dat ze van den vroegen morgen tot den laten avond oogsten en verbergen. Ze verstoppen wel honderdmaal zooveel, als ze noodig hebben en ik betwijfel ten allerzeerste, of ze met hun kleine vogelhersenen wel behoorlijk kunnen onthouden, waar ze alzoo hun voorraden hebben weggestopt. Zeker is het, dat, wanneer ik in April over de heide of door de duinen wandel, ik jonge eikjes en beukjes zie opkomen honderden meters ver van de meest nabijzijnde bosschen, waar die boomen groeien.

Ook de dennenappels en sparappels maken nu de begeerlijkheid der dieren gaande. De regel is, dat deze boomen zich uitzaaien op heldere droge voorjaarsdagen. Dan barsten de appels open en de gevleugelde zaadjes worden door den wind weggevoerd. De zilversparren laten hun kegels reeds in ’t najaar uit elkander vallen. Hun zaden hebben geen groote vleugels en zijn nog al tamelijk zwaar, dus vallen, zooals ’t spreekwoord zegt, niet ver van den stam, wat niet in hun voordeel is. Maar hier helpen de kleine zwarte meesjes, want die houden van die zaden buitengewoon veel.

Er zijn echter voor alle coniferenzaden nog liefhebbers genoeg. Vooreerst de eekhoorns. (62) Wat kan hij er handig mee terecht! Nu heeft wellicht ook geen enkel ander dier zulke scherpe snijtandjes tot zijn beschikking. Als ge wel eens geprobeerd hebt, om een sparappel uit elkaar te peuteren, dan hebt ge wel gemerkt hoe verbazend taai die schubben zijn. Toch bijt de eekhoorn ze glad af, zoodat alleen de kale spil overblijft. De zaadjes peuzelt hij lekker op. De eindschubben, waartusschen geen zaadjes zitten laat hij ongedeerd en zoo zien dan die door een eekhoorn vervreten sparappels er uit als een houtig roosje op een rechte steel.

De bonte spechten (30) en de boomklever richten het anders in, die kunnen niet beitelen doch alleen pluizen. Ze nemen dus hun sparappel of dennekegel mee, zetten hem goed vast in een schorsspleet en gaan dan maar hameren en trekken, totdat ze zoo goed en kwaad als ’t gaat wel de zaden eruit peuteren.

Vooral die boomklever is dan alleraardigst, ook als hij probeert een hazelnoot stuk te breken. Hij kan met zijn kop alleen niet genoeg kracht zetten, daarom hamert hij met zijn heele lichaam. Een specht houdt zijn lichaam tamelijk stil en hamert alleen met den kop, de boomklever echter draait in zijn heupgewricht heelemaal achterover en valt dan met een vaartje op die hazelnoot aan en dat gaat nog zoo gauw, dat ge haast niet ’t oog erop kunt houden.

De specht heeft ’t nu goed, want de boomen leveren hem niet alleen vruchten en zaden, maar zitten ook vol met insecten in allerlei toestanden tusschen het korstmos op de takken of in en onder de schors en hij weet alles te vinden met groote kennis van zaken.

De spreeuwen, de kraaien en de lijsters trekken zich in ’t bijzonder het lot van de besheesters aan en menig struikje dat in den avond prijkte met mooie oranje, roode of blauwe bessen, is ’s morgens, als daar een troep trekvogels langs is getrokken, heelemaal van zijn sieraad beroofd.

In beschutte hoekjes van ’t bosch zijn nog allerlei bloemen te vinden, bloemen, die zich als ’t ware vergissen en den zomerrust voor een winterrust hebben gehouden. Toortsen, kamperfoelie, bitterzoet, zwarte nachtschade, ooievaarsbek bloeien nu voor de tweede maal en houden het nu wel weer uit, totdat het strenge winterweekje komt, dat tegenwoordig meestal op zich schijnt te laten wachten tot midden Februari.

De anderen, die zich niet hebben laten hebben laten foppen, doen al evenals de boomen en heesters hun bestaan voor ’t volgend jaar weer wat meer gebied in beslag te nemen. Elke plant is eigenlijk een echte wereldveroveraar.

Het stofzaad, dat in Juni zoo nederig gebogen te voorschijn kwam, alsof het haast te bescheiden was, om een plaatsje te vragen te midden van al de zomerpraal, staat nu koud rechtop, stijf en strak en als ’t eventjes waait, dan strooit het zijn stoffijne zaden uit, die overal in ’t bosch zullen kunnen ontkiemen, waar ze maar rekenen kunnen op den steun van de gedienstige paddestoelen.

O, die paddestoelen. In de Jaargetijden-albums hebben wij er al velen afgebeeld, maar er moet nog een dozijntje bij en daarmee is de voorraad nog lang niet uitgeput. Al die mooie gele en gouden broodzwammen, (114 en 111) biefstukzwammen, (113) bundelzwammen, (87) vogelnestenzwammetjes, (109) koraalzwammen, (110) russula’s, (88 en 90) pholiota’s, (85) honigzwammen, (86) gaatjeszwammen (112) en de rare geweizwammetjes (89) vervroolijken het bosch gedurende het grootste deel van ’t jaar, want ik vind ze van Juni tot Februari en in Maart weer opnieuw. Alleen bij zeer strenge vorst gaan ze verschrompelen en te niet.

De mossen verschrompelen ook als ’t vriest, maar zoodra de dooi invalt ontplooien ze zich en ze groeien voort alsof er niets gebeurd was. Ja, ze zijn in den wintertijd op zijn levendigst, want ze maken nu hun nieuwe sporendoosjes van velerlei vorm en kleur en die trekken uw aandacht wellicht nog eerder dan de sneeuwklokjes.

De varens gedragen zich verschillend. De muurvarentjes en de gewone eikvaren blijven den heelen winter door in leven en gedragen zich net als het mos. Als ’t vriest zou je denken, dat ze nu voor goed bedorven zijn, maar nog voor je eigenlijk weet, dat ’t dooit, staan ze weer frisch en fleurig.

De mannetjesvarens, de adelaarsvarens en de koningsvarens evenwel gaan in ’t najaar verdorren en verbleeken. Ze worden mooi bleekgeel of roestrood en waar ze in ’t bosch dicht open groeien, vormen de ineengestrengelde dorre varenveeren, doorgroeid met bontbladige braamtakken, de mooiste en warmste schuilplaatsen en slaapplaatsen voor de gevleugelde wintergasten. Ik heb wel eens een dozijn bonte kraaien op een rauwen Januari-avond in zoo’n slaapgelegenheid zien wegsluipen. Wel te rusten!

REGISTER.

HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE, HET VETTER GEDRUKTE DE PAGINA VAN DEN TEKST AAN.

Aaskever. 23 33 Silpha quadripunctata.—Silphe à quatre points.—Scavenger-beetle.—Vierfleckiger Aaskäfer. Adder. 66 74 Vipera berus.—Vipère.—Viper.—Kreuzotter. Adelaarsvaren. 54 28 Pteris aquilinum.—Fougère porte-aigle.—Bracken.—Adlerfarn. Akelei. 128 84 Aquilegia vulgaris.—Ancolie.—Columbine.—Grosse Akelei. Andromeda. 93 13 Andromeda polifolia.—Andromède.—Wild rosemary.—Sumpfporst.