Chapter 3 of 6 · 3974 words · ~20 min read

Part 3

Er zijn misschien weinig droeviger tooneelen dan een verwoeste of mislukte oogst. En als de vernieling een bosch betreft, dan lijkt het nog dubbel zoo erg en ik heb altijd een gevoel van grooten spijt, als ik een verbrand, verdroogd of kaalgevreten bosch aanzie. En er zijn heel wat insecten die onze bosschen bedreigen.

De nonvlinder is wel een van de ergste. Men moet naar het dier uitzien in Juli en Augustus. ’t Is een heel mooi wit-met-zwart vlindertje, het achterlijf verlevendigd met rood. Ze leggen hun eitjes in hoopjes bij elkaar. De rupsjes, die eruit komen, blijven eerst nog een dag of vijf op een hoopje bij elkaar zitten en gaan zich dan verspreiden over den heelen boom om de naalden op te eten. Als ze volwassen zijn, dan gaan ze zich verpoppen tegen de stammen of takken: een ruwharige bruine pop in een ijl spinsel.

Voor het bestrijden van dit insect komt het er dus in de eerste plaats op aan, dat de stammen en takken van de dennen goed worden nagezien en dat geschiedt in de eerste plaats door de meesachtige vogeltjes en door spechten en boomklevers. (64) Vooral de zwartkopmeezen onderscheiden zich bij dit werk, die wippen zelfs schorsschilfers van den stam af om naar de eieren te zoeken.

De mieren helpen ook een handje en er is ook een prachtig mooie kever, waar we veel aan zouden hebben, als hij maar wat talrijker voorkwam. Ik bedoel den poppenroover, (106) een prachtigen breedgeschouderden loopkever, mooi goudgroen met rijken paarsen en blauwen weerschijn. Hij klimt in de boomen en vreet alles op wat rups of pop of ei is en wordt daarin vlijtig bijgestaan door zijn larve. Zelf moeten ze weer oppassen, dat ze niet door de mieren worden opgegeten, want die staan voor niets.

Behalve de nonvlinderrupsen kruipen er nog heel wat andere over de twijgen en over de naalden. Over het algemeen zijn ze niet gemakkelijk te zien, dat komt, doordat we ons niet zoo heel gemakkelijk in die dennen kunnen bewegen. Soms kun je wel aan rupsen komen door niet al te groote dennen eens flink te schudden, maar de rupsen zijn nog al erg van houvast, want ze hebben toch altijd minstens vijf paar pooten.

Twee rupsen van den den krijg ik altijd te zien met behulp van de graafwespen, een paar zwart-met-roode wespen, die hun nesten in den grond graven en daar één of meer rupsen in stoppen, waar ze dan een eitje op vastplakken. De eene soort haalt van de dennen allemaal kleine, dunne, groene, rupsjes, zoo klein, dat hij er een stuk of zes voor elk eitje noodig heeft. Die rupsjes hebben vijf paar pooten en zijn dus spanrupsjes; de vlinder die er van komt, heet de dennenspanner (16, 18) en kan soms heel schadelijk worden.

Een andere, de gestreepte dennerupsvlinder (21) brengt grootere rupsen voort, zoo groot, dat één al voldoende voedselvoorraad oplevert voor de wespenlarf. Deze rups is groen met witte en oranje strepen langs het lijf. Als hij volwassen is, kruipt hij naar den grond en daar verpopt hij zich dan onder het mos. Deze soort is nog erger dan de vorige en heeft dan ook den wetenschappelijken soortnaam „piniperda”, wat beteekent: die de dennen verderft.

Ge hebt zeker wel eens gezien, dat kraaien, gaaien, spreeuwen of zwarte lijsters bezig waren het mos op den boschbodem uit te plukken. Met heele bekken vol rukten ze het uit den grond en gooiden het opzij. Die waren dan bezig met het zoeken van poppen, niet alleen van dien dennevlinder, maar ook van den dennenpijlstaart, (13) een vrij grooten nachtvlinder, dien ge in den zomer in de dennenbosschen kunt vinden, als ge goed zoekt. Hij houdt ervan, om stil tegen de blauwgrijze schors van de grove dennen te zitten. Daarbij houdt hij zijn vleugels vlak over zijn rug en nu komt de bovenzijde van zijn voorvleugels volkomen met de kleur van de dennenschors overeen en ge moet al heel goed toekijken, om hem te snappen.

Zijn rups is wat opzichtiger gekleurd, rossig bruin, met opzij lichtgroene en witte strepen, maar die maken juist, dat je hem tusschen al die lichtgroene streperige dennennaalden toch maar heel moeilijk te zien krijgt. Het best krijg je nog erg in al die dieren door goed naar de dennetakken zelf te kijken en te onderzoeken, of daar soms de naalden heel of half zijn weggevreten. Zijn kop is geel met roode en zwarte strepen en de „hoorn” aan ’t laatste achterlijfslid, waaraan hij zijn naam van pijlstaart te danken heeft, is zwart.

Deze rups kunt ge vinden tot in October. Dan marcheert hij weer naar den grond en verpopt zich onder ’t mos in gezelschap van nog meer van die schavuiten, want ik heb u nu nog maar heel enkele genoemd van al de vlinders, die onze dennen helpen mishandelen.

Van al de kevers noem ik er maar twee: de dennenbok (82) en de groote dennensnuittor. (105) De dennenbok is een heerlijk mooi dier: een grijsachtig boktorretje, zoowat drie centimeter lang, maar ’t mannetje heeft sprieten, die wel vijfmaal zoo lang zijn als zijn lichaam. Het wijfje is met minder tevreden. In Mei en Juni kunt ge deze dieren zien rondloopen over het slaapmos; ik verzeker u, dat het de moeite waard is, om er eens een paar uren naar uit te kijken. Als ze tegen de dennestammen zitten, zie je ze niet zoo heel makkelijk, maar gelukkig schijnen ze op de mooie lentedagen nog al behoefte te hebben aan beweging. De larve leeft in ’t dennenhout, maar komt niet in zoo groot aantal voor, dat hij werkelijk tot de ernstige vijanden van het dennenbosch gerekend zou moeten worden.

Des te erger is het met de dennensnuittor gesteld. Dit diertje ziet er aardig genoeg uit en lijkt net op een klein olifantje. Ze komen vroeg in ’t voorjaar te voorschijn en als in April de dennenbosschen zoo heerlijk gaan geuren, dan vliegen ze daarheen en zoeken aan den voet van de dennen geschikte plaatsen om hun eieren te leggen. Dat doen ze het liefst in afgehouwen dennenstompen, dus als ge van deze snuitkevers eens eenige dozijnen of honderdtallen wilt verzamelen, dan kunt ge niet beter doen dan op een zonnigen voorjaarsdag een perceel dennenbosch op te zoeken waar pas geveld is.

De larven vreten zich door het wortelhout heen en ontwikkelen zich in twee jaar tijds tot volwassen kevers. ’t Is duidelijk, dat ze dus niet tot ontwikkeling kunnen komen, wanneer de dennestompen tijdig worden gerooid. De volwassen snuittorren knagen aan de schors van jonge dennetakken, die daardoor ernstige harsvloeiingen krijgen, waaraan jonge boompjes vaak te gronde gaan. Geen wonder dus, dat de boschkweeker deze olifantjes op allerlei manieren bestrijdt. Er is een geel-met-zwarte graafwesp, die hem hierbij helpt en die den toepasselijken naam draagt van snuittordooder.

Er zijn echter andere wespen, die de dennen zelve aantasten, prachtigen mooie dieren, de grootste wespen van ons land. Deze houtwespen of zaagwespen, (81) ten minste de wijfjes, zijn gemakkelijk te kennen aan een uitsteeksel aan het achterlijf, de legboor, waarmee ze door de schors heen boren om een eitje in ’t jonge hout te leggen. De larve gaat nu hout eten en doordat hij daarbij hoe langer hoe dikker wordt moet de gang, waarin hij leeft, ook breeder worden, hoe verder hij komt. Hij vreet zich schuin binnenwaarts, zorgend in ’t jonge hout te blijven en vordert nog geen halven millimeter per dag. Na twee jaar wendt hij zijn gele gezicht buitenwaarts en dan nadert hij al meer en meer de schors.

Ik had drie jaar geleden dicht bij mijn huis een boschje van zilversparren, dat erg door deze houtwespen was aangetast en dat daarom eindelijk dan ook gekapt is. Als je daar met je oor tegen de boomen ging staan, dan kon je de larven hooren knagen. Als ze gevorderd zijn tot op een paar centimeter van de schors af, dan gaan ze zich verpoppen en als dan de wesp zelf uit de pop te voorschijn komt, dan kan hij dadelijk beginnen met zich door het hout heen te knagen, wat hij met veel vaardigheid volbrengt. Het gebeurt wel eens, dat een boom, die enkele houtwespen bevat, geveld wordt en tot planken gezaagd, zonder dat de gangen aan den dag komen. Wanneer dat hout dan verwerkt is, gebeurt het wel, dat daar na weken en maanden de groote houtwesp uit te voorschijn komt tot schrik van de omstanders.

Behalve al de genoemde insecten is er nog een menigte klein goed, dat de sparren, dennen en larixen aantast. Ge zult wel eens aan de sparretakjes dingetjes gezien hebben, die wel wat hadden van een soort van sparappeltjes, of ook wel leken op kleine ananasjes, heel mooie voorwerpen, en de boomen, vooral de fijne sparren, zitten er soms vol mee.

Wanneer ge in den zomer zoo’n ananasje afplukt en eens goed bekijkt, dan ziet ge, dat het eigenlijk een vergroeid takje is, alleen zijn de naalden wat kort gebleven en is hun voet sterk verbreed. Zoodoende ontstaan een groot aantal kamertjes en die zijn bewoond door een menigte van kleine wollige bladluizen. Die doen dag en nacht niet anders dan met hun zuigsnavel sappen uit den boom zuigen en houden dan zijn groei soms belangrijk tegen. Ze zitten daar warm en wel en veilig ook, want de meeste insectenetende vogels hebben het geheim van die kamertjes nog niet doorgrond.

Een jaar of vier geleden echter zijn ze op menige plaats in Nederland uit hun rust leelijk opgeschrikt. Er zijn toen uit het Noorden groote scharen van vogels komen aanzetten, die om zoo te zeggen met de sparren zijn opgegroeid en die dan ook die bladluisgallen op een prik kenden. Dat waren de kruisbekken en wonderlijker vogels bestaan er niet. Soms gaan er jaren voorbij, zonder dat je er een te zien krijgt en dan weer, zooals in 1909, vertoonen ze zich in ontelbare menigte.

Ze kwamen uit het Noorden, uit Scandinavië en Finland, waar ze geregeld broeden, maar ook alweer het eene jaar meer dan het andere. Hun voornaamste voedsel bestaat uit sparrezaden en als nu eens, zooals dat om de jaar of zes gebeurt, de sparren heel overvloedig vruchten voortbrengen, dan vermenigvuldigen die kruisbekken zich buitengewoon snel en dan is er in het geboorteland geen plaats genoeg voor al die nakomelingen. Er heeft dan een groote uittocht plaats en wanneer de vogels uit Noord-Europa op reis gaan, dan reizen ze in de meeste gevallen via Helgoland en Norderney naar Terschelling. Vandaar steekt dan een bende over naar Engeland en de rest zakt langs de Noordzee en de Zuiderzee af naar zuidelijker landen. In Juni 1909 zaten de kruisbekken op Terschelling en Texel bij honderden in de tuinen, boomgaarden en in de duinen. Sparappels waren daar niet te vinden, daarom aten ze daar hoofdzakelijk kevertjes en bladluizen.

Maar toen ze eenmaal waren aangekomen in de naaldbosschen van de duinstreek en van Oost Nederland kregen ze volop. Want wij hadden juist in 1908 een vrij goed sparrejaar gehad en in 1909 was ’t nog mooier, toen waren sommige sparren zoo zwaar met vruchten beladen, dat de takken haast recht langs de stammen neerhingen en menige sparretop het hoofd ter aarde boog.

Je hadt die kruisbekken eens moeten zien! In alle mogelijke houdingen hingen ze aan de sparappels en met hun merkwaardigen, tweepuntigen, gekruisten snavel werkten ze de schubben van elkander, om dan met behulp van hun tong de vette zaden, die daar bij tweetallen tusschen zitten, eruit te peuteren.

Of wel, ze beten den sparappel van den boom af en gingen hem dan op den grond bewerken, wat misschien een beetje makkelijker was. Ze waren heelemaal niet schuw en ik heb er menigmaal vlak bij gestaan, dat zoo’n prachtige vogel bezig was met zijn kegel. Door ’t rukken en trekken ging dat ding dan voortrollen. Zoo ontstond een heel spoor van afgebeten schubben en aan ’t eind daarvan vond je dan den afgekloven kegel.

Nu, alsof ze wisten dat een beetje verscheidenheid van spijs gezond is, gingen ze reeds lang voordat er gebrek aan sparappels was zich ook bezighouden met de Ananasgalletjes van die bladluizen. Nooit zal ik vergeten hoe ik eens op een dag er juist op af kwam, dat een paar dozijn van de kruisbekken bezig waren de galletjes in een fijnen spar te bewerken. De boom stond aan den zuidrand van ’t bosch, vlak in de zon en nu was ’t net of hij vol was met beweeglijke bloemen. Die kruisbekken toch zijn prachtig van kleur, de mannetjes fel rood, haast net zoo als de kleur van den sparrebloesem zelf, de wijfjes zijn prachtig glanzig groen en de jonge en jeugdige hebben allerlei kleuren en tinten daar tusschen in. Het is hun hier toen zoo goed bevallen, dat ze nog een jaar of drie gebleven zijn en menigmaal heb ik ze nog ontmoet. In 1915 verwacht ik ze opnieuw.

Er komen in het dennenbosch ook een paar planten voor, die zich op sommige plaatsen in sommige jaren in groote menigte vertoonen, in andere jaren evenwel heel zeldzaam zijn en ’t lijkt dan wel, alsof ze voorgoed uit de streek zijn verdwenen. Opeens echter staan ze dan weer in troepen voor uw verbaasde blikken.

Ik kom nooit in oude bosschen, dennenbosch of sparrenbosch of zelfs loofhout, waar tientallen van jaren de bodem ongestoord is gebleven, of ik kijk uit naar eenige zeldzame orchideeën. Een plantenliefhebber ziet altijd graag orchideeën en nu zijn de meest gewone, die in de moerassen groeien al wel reeds mooi genoeg, maar je hebt altijd wel ook lust in het bijzondere.

Daarom zoek ik altijd heel geduldig en blijmoedig naar de vogelnest-orchis (43) en af en toe vind ik er ook wel eens een. In Zwitserland heb ik ze in oude sparrenbosschen bij honderden gezien en ik kan u verzekeren, dat dat de moeite waard was, om ’s morgens om half vier op te staan en een uur of vijf in Augustus te klauteren langs een Noordwesthelling, die dan door de morgenzon juist zoo heet mogelijk wordt gebraden.

Hier in Holland ben ik al blij als ik een groepje vind van een stuk of zes, ’t zijn heel vreemde planten, niet groen, maar heelemaal prachtig goudglanzend bruin, buitengewoon mooi, vooral in den bloeitijd, want dan blinken in elk bloempje van den tamelijk dichten tros nog de heldergele stuifmeelklompjes. Bladeren zijn niet aanwezig, de stengel is bezet met korte breede schubben.

Ik wil u wel vertellen, hoe deze orchidee dat vogelnest in zijn naam heeft gekregen, mits ge me belooft, de zaak alleen nader te onderzoeken wanneer ge een voldoend aantal planten tot uw beschikking hebt. Want ’t is noodig er een voor uit te graven. Je vindt dan, dat elke stengel ontspringt uit een tamelijk verwarde massa van onderaardsche stengeltjes en worteltjes, op allerlei wijze door elkaar gestrengeld en dat heeft de oude plantenonderzoekers, die nog al een levendige verbeeldingskracht hadden, doen denken aan een vogelnest. Uiterst zelden komt in ons land, maar in Zwitserland alweer nog al tamelijk veel, een orchidee voor, waarvan de onderaardsche deelen gelijken op een brok koraal, die heet dan ook de koraalorchis en ’t komt mij voor, dat die zijn naam beter verdient, dan zijn broeder van het vogelnest.

Ge weet al lang, dat de groene kleur van de planten afkomstig is van kleine korreltjes, die in de cellen zitten en dat deze korreltjes, de bladgroenkorreltjes, een soort van geheimzinnige werktuigen zijn, waarmee de plant uit het koolzuur van de lucht de suiker kan bereiden, die hij voor zijn voeding noodig heeft. Een plant zonder bladgroen kan dus geen suiker maken en moet dan zijn voedsel onttrekken aan andere levende wezens. Onze vogelnestorchis moet dat dus ook doen en wij weten dat hij in zijn onderhoud wordt voorzien door de zwammen, die zelve op nog niet geheel opgehelderde manier in den boschbodem aan den kost komen.

Diezelfde zwammen helpen nog een andere bladgroenlooze plant, die ge tamelijk veel in onze bosschen kunt vinden, zoowel in ’t naaldhout als in ’t loofhout. In Juni begint dit stofzaad, (45) zoo heet die plant, te voorschijn te komen. Heelemaal in tweeën gebogen komt hij uit den grond te voorschijn, uit de dorre bladermassa of uit het groene mos, bleekgeel, soms een beetje amethystkleurig. Het neergebogen gedeelte bestaat hoofdzakelijk uit een tros van bloemen, die echter eerst onder stijve bleeke schutbladen verscholen zijn. Verder aan den stengel zijn nog een paar schubben, dat is alles. Maar als ge de plant gaat uitgraven, dan vindt ge min of meer diep in den grond een onregelmatige kluit, waar de stengel uit ontspringt.

Je moet dat nog al voorzichtig behandelen, want de kluit is heel stevig en de stengel ook nog al, maar de plek waar ze aan elkaar bevestigd zijn is heel teer en zwak, zoodat de zaak gemakkelijk afbreekt. Wanneer ge nu ’t zand en de aarde uit die kluit wegspoelt, dan komt daar ook alweer een koraalachtige massa voor den dag, waar donkere zwamdraadjes mee vergroeid zijn.

Vroeger dacht men, dat het stofzaad vastgeworteld was op de wortels van beuken of dennen en dat het die boomen van hun voedselstoffen zou berooven, maar dat lijkt toch niet het geval te zijn. Indien ge eens probeeren wilt dit na te gaan, dan zult ge eens zien, hoe moeilijk het is, om uit die verwarde ondergrondsche massa goed wijs te worden, want je weet nooit of je soms niet iets hebt verbroken of verscheurd.

Een ander onderzoek is gemakkelijker uitvoerbaar. Men beweert, dat er van dit stofzaad twee verscheidenheden bestaan, de eene geheel kaal en glad, de andere behaard, vooral in den bloemtros en dat komt ook uit. Maar nu moet de gladde voorkomen alleen onder beuken en de ruige onder dennen en dat komt bij mij in de buurt niet uit. Wilt ge daar eens op letten?

IV. DOOR DE HEIDE.

Laatst vroeg iemand mij, welke hei ik nu mooier vond, de Brabantsche hei, de Geldersche hei of de Drentsche hei. Ik antwoordde toen maar, meer uit malligheid, dan omdat ik ’t werkelijk meende: De Limburgsche hei en evengoed had ik de Friesche hei kunnen noemen. Niet, dat er tusschen onze Noordelijke en Zuidelijke heide geen onderscheid zou bestaan, maar mooi zijn ze allemaal. Allemaal hebben ze groote stukken, waar weinig afwisseling bestaat in plantengroei of dierenwereld en waar ’t moois vooral zit in de ruimte, het vergezicht en het plezier van eens flink te kunnen doorstappen. En evenzeer hebben ze allemaal plooien of valleien, misschien met een plas of meertje in ’t midden, waar bijzondere bloemen bloeien en waar het krioelt van aardige dieren. Soms zijn die plassen al sinds langen tijd dichtgegroeid en volgegroeid met veenmos en dan is daar een trilbodempje van hoogveen gevormd, waar je heel voorzichtig te werk moet gaan, om er niet opeens door te zakken, maar je kunt daar juist dikwijls de aardigste planten en dieren vinden.

In den voorzomer is zoo’n mossige veenmassa soms weer heelemaal overdekt met een kruipend plantje met donkergroene, glimmende, soms bruinachtige blaadjes. Daarboven zweeft als ’t ware een rozerood wolkje, dat bestaat uit duizenden rose bloempjes vierpuntig en alleraardigst knikkend aan hun dunne steeltjes. Deze wondermooie veenbes (116) groeit veel meer in ons lieve Nederland dan je wel denken zoudt, maar de meeste menschen krijgen het plantje nooit te zien, omdat het natuurlijk langs de algemeen begane wegen niet voorkomt. Toch groeit ’t vlak bij Amsterdam en altijd op veenmos.

Op dezelfde plaatsen groeit ook de zonnedauw of vliegenvangertje en daarvan hebben we op onze heide drie soorten, een met ronde blaadjes en twee met langwerpige blaadjes. Vroeger heb ik al eens verteld, hoe de insecten blijven vastkleven aan de vangharen van die blaadjes, hoe die dan omkrullen, zoodat ze het diertje geheel omvatten en hoe het dan in dat blaadje als in een maag verteerd wordt.

Nu kunt ge op onze natte heide nog een ander vleeschetend plantje vinden, maar dat ziet er heel anders uit. Het bloeit in den voorzomer met mooie violette bloempjes op vrij hooge stelen. Die bloempjes hebben werkelijk wel iets van viooltjes en daarom wordt de plant, die eigenlijk vetkruid (77) heet, in sommige streken van ons land ook wel kleefviooltje genoemd. Hij heeft prachtig heldergroene bladeren, die vlak op den grond een rozet vormen en als ge er even met de vinger aanraakt, dan merkt ge al dadelijk, dat ze bijzonder kleverig zijn. Als daar nu kleine insecten aan blijven vastkleven, dan gaan de randen van de bladeren een weinig omkrullen, zonder echter de insecten geheel en al te bedekken. Tegelijk wordt een verterend vocht afgescheiden, dat heel veel lijkt op maagzuur en na een paar dagen is er dan van ’t insect niet anders overgebleven dan een leeg huidje. Zoodoende kan deze plant welig tieren op een bodem, die zelf maar weinig voedsel bevat.

Op sommige natte heideplekken kun je al de vleeschetende planten van Nederland bij elkander vinden nl. zonnedauw, vetkruid en blaasjeskruid. Dit laatste hebben we ook al in ’t Naardermeer gevonden, de soort die in heipoelen het meest voorkomt heeft kleine gele bloempjes, die een centimeter of vier boven ’t water schijnen te zweven en in ’t water zelf zitten aan lange stengels de kleine blaasjes, waarin de diertjes worden gevangen.

Rondom sommige heipoelen vinden we soms een breede krans van het moerashertshooi. (39) Dit plantje groeit nog liever in het water dan langs den oever. Soms komt het water zoo hoog, dat de plant bijna geheel bedolven wordt, maar dat hindert hem niet erg, want zijn bladeren zijn bezet met lange haren en die houden luchtbellen genoeg vast, om voor eenigen tijd de ademhaling nog aan den gang te houden. De grijsgroene plantjes lijken dan door die luchtbelletjes heelemaal verzilverd. En ’t mooiste is nu nog, dat de bloempjes zelf goudgeel zijn. Die komen in trosjes boven ’t water uit en zijn ook weer met kleine spikkeltjes versierd, waardoor zoo’n hertshooi-oevertje dan een van de aardigste dingen wordt, die je op de heide kunt ontmoeten. Misschien vindt ge vlak er bij op vochtige plekken nog een andere mooie hertshooi-soort; het kruipend hertshooi, (60) ook met gele bloempjes. Daar kunt ge ook zoeken naar de aardige Scheuchzeria (73) en in ’t ondiepe water naar bleekblauw bloeiende Lobelia’s (115).

We spreken meestal van de bruine hei of ook wel van de paarse hei, maar menigmaal zou het veel toepasselijker zijn om van de gele hei te spreken. Heele vlakten zijn soms bedekt met de groote gaspeldoorn, die reeds in Januari zijn gele bloempjes vertoont tusschen de scherpe recht groene dorens. In Mei bloeit de gele bezembrem (132) met zijn groote vlinderbloemen, die zoo aardig doen, als er voor ’t eerst een hommel op komt zitten. Wanneer die zich op de zoogenaamde zwaarden neerzet, dan komen opeens de meeldraden en de stijl uit de kiel omhoogveeren en de ruige sinjeur krijgt daarvan dan zoo’n klap op zijn rug, dat hij meestal boosaardig brommend er van door gaat met zijn rug vol stuifmeel en wat er dan verder gebeurt kan iedereen gemakkelijk begrijpen.

Na de bezembrem gaan andere bremsoorten bloeien en de tormentil en eindelijk ook een prachtig lelieachtig bloempje, dat zich alleen op natte plekken vertoont; het cipelgras. (75) Dat plantje heeft heel aardige groene blaadjes, die wel lijken op die van de lisch, maar dan in ’t klein. Daaruit komt een loodrechte stevige stengel te voorschijn en die draagt aan zijn top een tros van gele, tamelijk groote bloempjes. De zes meeldraden van die bloempjes zijn allersierlijkst behaard. De heele plant is trouwens zeer mooi, wat niet belet heeft, dat hij nog al in een kwaden reuk staat bij ’t landvolk. Die vertellen wel, dat de paarden en koeien zwakke beenderen zouden krijgen, als ze van dat cipelgras eten. Ik geloof daar niets van, bovendien is er maar weinig kans, dat er tegenwoordig vee zou komen op de plaatsen, waar ’t cipelgras groeit.