Part 1
WINTER
DOOR JAC. P. THIJSSE
TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES NAAR TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH, JAN VAN OORT EN JAN VOERMAN Jr.
1909 BAKKERIJ „DE RUIJTER” DER FIRMA VERKADE & COMP. ZAANDAM
VOORWOORD.
„Lente, Zomer, Herfst..... de stijgende lijn, waarvan u in het laatste voorwoord gewaagt, is er. Nu Winter nog..... en dan?”
Hoevelen hebben niet hetzelfde gedacht als de schrijver van bovenstaande regels, die ons kort na het verschijnen van Herfst bereikten. Het is de vraag, die menig verzamelaar heeft beziggehouden, die thans, bij het verschijnen van Winter nog in sterker mate herhaald zal worden.
Welnu, wij willen verzamelaars en belangstellenden niet langer in onzekerheid laten, en althans iets van onze toekomstplannen vertellen. Maar alvorens dit te doen, een enkel woord over Winter.
Dit boek sluit den jaargetijdencyclus. Die collectie van vier albums vormt nu een standaardwerkje, waaruit voor jong en oud een schat van wetenswaardigheden over bloemen, planten en dieren is te putten.
Hoevelen zijn de oogen geopend voor de mooie natuur, door het lezen en bekijken onzer albums? In hoeveel gezinnen zijn onze albums een voortdurende bron van genot!
Nu zijn wij aan het einde van dit tijdperk onzer albumreclame. De terugblik doet ons vol vertrouwen het werk voortzetten op den ingeslagen weg, zoodat Lente, Zomer, Herfst en Winter samen een inleiding zullen vormen tot de volgende albums.
Meer vertellen wij nog niet van onze plannen. De talrijke onomwonden betuigingen van ingenomenheid met onze uitgaven, zijn ons een waarborg, dat ook wat komen zal door onze verzamelaars met blijdschap zal worden begroet!
Maart 1909. Firma VERKADE & COMP.
HET BEGIN VAN DEN WINTER.
De winter begint, wanneer Manus het dak schoonveegt en dat is na den eersten Novemberstorm van beteekenis. Gedurende de heele Octobermaand zijn er ook wel bladeren van de boomen gevallen, doch niet zooveel opeens, dat de pannen vervuilden of de goten verstopt raakten. Nu echter komt alles tegelijk los. De boomen, die eerst nog, ondanks de geleden verliezen, goed in ’t blad zaten, staan daar nu opeens kaal en doorzichtig en weg en bosch ligt duimdiep onder de bonte afgevallen bladeren. Alleen het jonge eikenhakhout, dat op beschutte plaatsen groeit en de dikwerf gesnoeide beukenhagen (100) behouden het afgestorven blad, dat, bruin en droog, de heelen winter door, bij ieder windje kouwelijk ritselt.
Het bladerlooze jaargetijde, de winter, is begonnen. De gevallen bladeren zijn als een voorbode van de sneeuwbuien, die nu gaan volgen. Wij kinderen dreven indertijd de gelijkenis wel zoover, dat we na zulke stormen in en met de afgevallen bladeren speelden als met sneeuw. Wij gooiden er mee, begroeven elkander erin en bovenal leek het een groot genot om een kwartier ver langs den straatweg te loopen, aldoor met de klompen, bij wijze van sneeuwploeg, schuivend in de dikke bladerenlaag. Van herfstweemoed en wintervrees hadden wij geen begrip. Alleen duurde het ons wat lang eer de eigenlijke winter met sneeuw en ijs kwam. Je haalt dan in ’t begin van November, als voor ’t eerst de plassen op straat bevriezen, je schaatsen uit ’t vet, maar dan duurt het nog wel een week of acht, voordat er ernstig aan rijden gedacht kan worden.
Soms lijkt het, alsof het geen winter worden wil. Wel zijn de bladeren van de boomen, de bloemperken dichtgedekt, de stamrozen neergebogen of ingepakt in stroo en sparretakken en heb je iederen dag een gevecht te leveren met je moeder die wil, dat je nu je winterjas aandoet, maar er is van echten winter geen spoor te bekennen.
Het roodborstje zit te zingen in ’t zonnetje, verscheiden bloemen bloeien voor de tweede maal en langs de hagen ziet het groen van duizenden en duizenden kiemplantjes, die het er op wagen om te verschijnen, tegelijk met het wintergraan op den akker. Soms is het zachter dan in Mei, zoodat je nog met het grootste plezier buiten kunt rondslenteren, om paddestoelen te zoeken en te teekenen. Die zijn er nog den heelen winter door, er zijn wel jaren geweest, dat ik de meeste en mooiste vond in de Kerstvacantie.
Veel hangt daarbij van hef weer af. Is de nazomer kil en nat, dan komen al de paddestoelen reeds in Augustus, zooal in 1903 gebeurd is. Blijft het echter lang droog, dan komen dezelfde paddestoelen eerst in November of December. Zoo heb ik de mooie eetbare kluifjeszwam Helvella (3) gevonden in de Groote vacantie, maar ook in de Kerstvacantie, tegelijk met de violette Amethistzwam (1), de ranke Hygrophorus (10), de kleverige Gomphidius (12), de Spitse Morielje (4) en de mooie Wijde Stekelzwam (9).
Deze laatste is een bijzondere vriend van de beukeboomen en daardoor is hij niet altijd even gemakkelijk te vinden. De beukeblaren toch vergaan niet spoedig. Jarenlang blijven zij op den grond liggen, de laag wordt al dikker en dikker, daardoor hebben de paddestoelen de grootste moeite zich er boven te verheffen en als ze erin slagen, dan lijken ze toch nog altijd drenkelingen in de bladerenzee.
Maar staat zoo’n paddestoel op een kaal gewaaide plek, dan is hij prachtig, om te zien met zijn forschen voet en de mooi gewelfde en geplooide geel of oranje gekleurde hoed, waarvan de onderzijde geheel bezet is met mooie, regelmatig geplaatste, dikke stekeltjes, die aan hun oppervlakte de sporen vormen. Deze paddestoel is zeer lekker, ofschoon niet zoo sappig als de zoete Melkzwam (11).
Ik heb bij dat paddestoelen zoeken dikwijls het gevoel, alsof ik een schatgraver ben. Niet, dat er iets mee te verdienen zou zijn, maar je vindt op onverwachte plaatsen soms de allermooiste dingen; fijne koraalzwammetjes, heerlijk naar anijs riekende blauwgroene paddestoeltjes (2) of zoo’n mooie, groote Inoloma (7) met hoog gewelfden, blauwen hoed, omzoomd met bruinen franjerand, even mooi als de kleurige Tricholoma (8).
Het eenige jammer is, zooals ik vroeger al zei, dat je die mooie dingen niet kunt bewaren. Menschen, die heel veel ernst met de studie der paddestoelen maken, leggen er wel een verzameling van aan op spiritus of op formaline, maar daar kunnen wij niet aan beginnen. Het eenige, wat wij kunnen doen, is getrouw nateekenen en kleuren. Ik ken wel jongelui, die zoodoende niet alleen een prachtige verzameling hebben gevormd, die herinnert aan al ’t moois, dat ze hebben gezien, maar die ook nog op den koop toe heel wat vaardigheid in het teekenen en gevoel voor kleur hebben opgedaan. En dat zijn heusch alweer schatten van niet geringe waarde.
De mooiste van alle wonderlijke paddestoelen, dat zijn de aardsterren (6), die vooral in de duinen den heelen winter door te vinden zijn, het meest in dennenbosschen, maar ook tusschen de berken en zelfs wel op open plekken in ’t gras en op ’t mos. Wellicht is daar dan vroeger bosch geweest, want die aardster is toch een echte boschzwam.
Het is wel aardig, om die aardsterren te vinden nog heel jong, voordat ze open gaan. Heel gemakkelijk is dat niet. Je moet dan een plek opzoeken, waar veel verdroogde aardsterren liggen van het vorig jaar en daar dan gaan zoeken tusschen en onder het mos naar bruine, ruwe knolletjes.
Meteen krijg je dan een idee ervan, hoe een vogel moet arbeiden, die zijn kostje uit den grond moet opzoeken. Je kunt uren werken zonder iets te vinden, eens heb ik er — het was voor een tentoonstelling, — op een heelen middag van vlijtig zoeken slechts drie buitgemaakt. Intusschen heeft een vogel, die naar insectenpoppen zoekt, veel op ons voor, daar hij ’t zoeken gewoon is en in zijn snavel bijzonder voor zijn doel geschikte tastorganen bezit.
Nu, wij hebben dus in alle nederigheid een stuk of zes van die bruine knolletjes gevonden. We nemen ze mee naar huis en leggen ze op een groot bord op een laagje mos.
Nu splijt het knolletje open in vier of vijf of meer driehoekige slippen en daarbinnen komt een mooi glad-grijs bolvormig zakje te voorschijn, op een steeltje of niet op een steeltje, met een kraag of zonder kraag, al naar gelang de soort, die wij onderhanden hebben.
Dat zakje krijgt bovenaan een opening, omgeven door fijngerimpeld vlies. En nu komt er bij elken druk uit die opening een bruine stofwolk te voorschijn, juist als bij een stuifbal (5). Er zijn nog altijd menschen, die meenen, dat je blind zou worden, wanneer je die sporen in de oogen kreeg. Daar is natuurlijk niets van aan, die sporen zorgen alleen ervoor, dat er weer nieuwe aardsterretjes komen.
In den eersten tijd gaan die aardsterren nog telkens dicht, wanneer het vochtig weer wordt, later evenwel gaat die gevoeligheid verloren en blijven die mooie zwammen onveranderd open in de hevigste stortbui. Dan jaagt iedere regendroppel een sporenwolk op.
Meestal groeien ze in groepen, vaak zelfs in kringen bij elkander en vormen dan een van de prachtigste versieringen van den grijzen boschbodem.
Ze liggen daar even los als die dingen in ons bord. De eigenlijke plant, waar zij de sporendragers van zijn, is een dunne dradenmassa in de bladaarde. Zoodra de sporen rijp zijn of zelfs nog eerder, laat de aardster zijn zwamlichaam los en leeft dan verder op zichzelf. In Maart en April kunt ge nog sporenwolkjes uit het zakje kloppen; de mooie ster is dan heelemaal verweerd en verdroogd. Ook gebeurt het wel, dat de stormwind die verdroogde sterren opneemt en ze ergens laat vallen, waar ze in ’t geheel niet thuis hooren, hetgeen de berichten van de plantkundigen nog wel eens in de war brengt.
Iedere winterstorm veroorzaakt van die verhuizingen, niet alleen van planten, maar ook wel van dieren, en daarom is ’t wel eens interessant, om na een storm een wandeling te doen langs de zee, in de hoop dat ’t iets opleveren zal. Behalve op overblijfselen van klein zeegedierte, zooals zeesterren, zeeëgels en rogge-eieren hebben we kans op aardige vogels, levend of dood, meestal ’t laatste.
Het zijn vooral de Noordwesterstormen, die den strandwandelaar rijken buit brengen. ’t Is aan de Schotsche kust in den winter vol van allerhande zwemvogels, waaronder er zijn, die zich nogal ver in zee wagen, om hun voedsel te zoeken.
Worden die nu door een barren Noordwester overvallen, dan kunnen ze daar niet tegenin en hebben de keus, òf om voor den wind zich uit de voeten te maken, òf zich zwemmend te redden. Dit laatste lukt nooit, want zelfs de meest geoliede zeevogel wordt nat door de herhaalde stortzeeën of stikt bij de voortdurende onderdompelingen.
We behoeven dan ook niet lang te zoeken in den rommel van de vloedlijn of we vinden een mooi meeuwtje, iets grooter dan de zwartkopmeeuw, maar heelemaal wit en met een mooien gelen snavel. De achterteen, die bij de meeuwen toch al zoo weinig ontwikkeld is, ontbreekt bij deze geheel en al en daarom noemen wij hem de drieteenige zeemeeuw (22).
In Engeland en Schotland nestelt deze meeuw in groot aantal op de rotsen, hij is zelfs zoo verstandig, daar zooveel mogelijk ongenaakbare rotsen voor te nemen, want evenals zooveel andere vogels wordt ook dit mooie dier meedoogenloos vervolgd om zijn eieren en bovenal om zijn witte veeren, die een zeer gezochte versiering vormen voor dameshoeden.
Een eindje verder vinden we een zeekoet (18), dan wat alken (17), een kleine alk (14) en een papegaaiduiker (21). Al deze vogels zijn gemakkelijk te herkennen aan hun lichaamsvorm en aan hun snavels. Hun zwempooten staan ver achterwaarts en op ’t gebied van staarten hebben ze weinig te vertoonen. Dat komt doordat ze de gewoonte hebben van te staan en te gaan met opgericht lichaam. Hun veeren zijn dicht en pelsachtig, zeer vet en vormen een uitmuntende bescherming tegen de koude.
Maar ’t meest kijken we toch naar de snavels. Die van de zeekoet is heel gewoon van vorm: een mooie, slanke spitse vogelsnavel. Die van de alk echter is hoog en smal en heel bijzonder geteekend met een paar witte streepjes. De voor- en bovenzijde is haast zoo scherp, als een bot mes, en ’t lijkt ons wel een beetje overdreven, dat de Engelschen onzen vogel „Razor-bill” (= scheermessnavel) noemen.
De bek van den papegaaiduiker lijkt wel wat op die van de alk, maar is nog versierd met allerlei bonte kleuren, zoodat deze vogel, ook door zijn roode pooten en loggen lichaamsvorm al zeer sterk van den gewonen vogelvorm afwijkt.
Die alken en zeekoeten broeden ook al op ongenaakbare rotsen en wel in groote menigte bij elkander. Elk wijfje legt slechts één zeer groot ei, maar er zijn er genoeg, de rotsvlakte is er geheel mee bedekt en men twijfelt er wel aan, of ieder wijfje wel altijd haar eigen ei weet terug te vinden, wanneer ze het eens verlaten heeft.
Men lost wel eens een schot, om de heele bevolking van zoo’n vogelrots de lucht in te zien gaan en dat is dan ook wel een zeer indrukwekkend schouwspel. De aardigheid heeft echter één bedenkelijke zijde en dat is deze. Zoodra de alken en zeekoeten verschrikt hun eieren verlaten komen van alle kanten zilvermeeuwen, mantelmeeuwen en bonte kraaien aanzetten, die van de gelegenheid gebruik maken, om de eieren te rooven.
De papegaaiduiker broedt in holen, liefst in konijnenholen, als hij die vinden kan.
Een enkele maal komen alken en papegaaiduikers ook wel levend bij ons aan. De zeekoeten zwemmen vaak in groote troepen een half uurtje buiten de kust, of in de zeegaten en ook de Jan van Gent (20) weet nogal eens bijtijds onze veilige duinen te bereiken. Dit is een zeer mooie vogel: spierwit met grauwe pooten, een blauwen snavel en een heel mooie blauwe kring om het oog. Hij is ongeveer zoo groot als een gans en werd daarom gent (= groote of mannetjesgans) genoemd. Later schijnt men dat woord gent niet meer begrepen te hebben, en zoo is men dan om den wille van de begrijpelijkheid er toe gekomen, om den vogel, die niets te maken heeft met de stad Gent, of met de zeehelden van dien naam, met den onbegrijpelijken titel van Jan van Gent te vereeren.
Nu, ’t doet er weinig toe. Deze vogels nestelen rondom Schotland en Ierland. Vooral is bekend hun broedplaats op de Bass rots voor den ingang van de Forth, de baai, waar Edinburgh aan ligt. Wijd en zijd zwerven ze over de zee, heel hoog uit de lucht duiken ze neer, om haringen te vangen. Hun pooten herinneren aan die der pelikanen, doordat alle vier de teenen door zwemvliezen met elkander verbonden zijn.
Het is volstrekt niets ongewoons, om na een storm de meeste dezer vogels te vinden op een fiksche strandwandeling van anderhalf uur gaans. Wie wat van vogels wil weten, moet ook van tijd tot tijd een vogellichaam eens terdege en van dichtbij bekijken. Het zou onzin zijn, wanneer we daarom vogels gingen vangen en dooden; aan wat zoo langs het strand en langs de wegen gevonden kan worden, heeft de jonge liefhebber der vogelkunde al meer dan genoeg.
WINTERBLOEMEN.
Nu nadert de Kersttijd reeds en nog altijd wil het geen winter worden. Sint Nicolaas wordt langzamerhand een bloemenfeest waaraan elk idee van sneeuw en ijs vreemd is, en slechts eens in de tien jaar is op den vijfden December een paar schaatsen een passend geschenk.
Vroeger was je al erg tevreden, als je ’s winters de kamers mocht versieren met een reuzenboeket van Judaspenningen (42) met lischdodden, stroobloemen (91) en wat gedroogd gras. Voor de kleur kwam daar dan nog een tak van de lampionplant (41) bij met groote roode kelken, waarbinnen een glanzige oranje bes verscholen was en voor de aardigheid wat maretakken (38) met hun witte bessen.
Tegenwoordig is dat heel anders. Het begint al met de Chrysanthen (25 en 26). Van deze heerlijke bloemen komen elk jaar weer nieuwe kweeksoorten op de markt, in allerlei vorm en tot allerlei prijs, zoodat ieder, die een paar dubbeltjes te verkwisten heeft, weken achtereen zijn huis kan versieren met de heerlijke geurende bloemtakken.
Tegenwoordig weet ieder schoolkind, dat de Chrysanthemums kweekvormen zijn van een plant, die zeer veel lijkt op onze gewone groote madelief of witte ganzebloem. Sedert eeuwen hebben de Japanners zich op deze kweekerij toegelegd en zoo hebben ze allengs de prachtigste vormen en kleuren verkregen.
Ge weet nog wel, dat zulke madeliefachtige bloemen samengestelde bloemen zijn en dat ze in ’t bijzonder bestaan uit twee soorten van bloempjes, n.l. buisbloemen en lintbloemen. Nu zult ge bij de Chrysanthen, die ge koopt, opmerken dat deze soms zijn opgebouwd uit breede linten, een andermaal uit smalle buisjes en ge begrijpt dat dan door kweeking nu eens de eene dan weer de andere bloemvorm de overhand heeft gekregen.
Van de Japansche chrysanthemumfeesten hebt ge ook wel gelezen en evenmin is het u onbekend, dat het Japansche keizerlijke wapen een chrysanthemum bloem is met zestien lintbloempjes, die afwisselend violet en wit gekleurd zijn.
Behalve de Chrysanten krijgen we op de bloementafel ook nog de Primula’s en de Cyclamens. Ze zijn van éénzelfde familie en afkomstig uit Perzië, Thibet en China.
Dat ze aan elkander verwant zijn is wel aan de bloemen te zien. De bloemkroon bestaat uit een buis met vijf slippen, er zijn vijf meeldraden, die net telkens midden voor een slip zitten en een stamper met een vruchtbeginsel, waarbinnen vele eitjes zitten op een ronde verhevenheid in ’t midden.
De Cyclamens vallen altijd bijzonder op door de teruggeslagen kroonslippen, die de bloemen op vliegende vlindertjes doen gelijken. Zijn ze uitgebloeid, dan komen er vruchtdoozen aan, die aan lange stelen neerhangen, bij sommige soorten in den grond wegkruipen. De vorming van die vruchtdoozen kunt ge bevorderen door stuifmeel uit de eene bloem over te brengen op de stempel van een andere.
Van de primula’s hebben wij ’s winters in de kamer meestal twee soorten: de Chineesche Primula en de Kegel-primula, die iedereen eigenlijk veel beter kent bij zijn wetenschappelijken naam van Primula obconica (33). Dat woordje obconica beteekent „bijna kegelvormig” en ziet op den kelk, die bij deze bloem juist op een trechtertje lijkt en bij de aanhechting aan een bloemsteel het smalst is. De Chineesche Primula heeft een heel anders gevormde kelk, die is juist bij de bloemsteel het breedst.
De Primula obconica wordt wel voor vergiftig gehouden en dat is nog al een vreemd geval. De plant zit vol met klierhaartjes, die ge met de loupe gemakkelijk kunt vinden als kleine gele knopjes. Nu is ’t werkelijk waar, dat de huid van sommige menschen geprikkeld wordt door de afscheiding van die kliertjes en dat kan dan een zeer lastige huidontsteking tengevolge hebben.
Daar staat echter tegenover, dat nog veel meer menschen (daar hoor ik gelukkig ook toe) geheel ongevoelig zijn voor dat vergif en hun leven lang zonder last met die mooie bloempjes kunnen omgaan. Ieder moet het dus maar voor zichzelf probeeren; je kunt er tegen of je kunt er niet tegen en als je eenmaal de ontsteking hebt gehad, krijg je haar licht nog eens.
Wat hebben we nog meer in huis?
Misschien zoo’n mooi orchideetje, het Vrouwenschoentje (29)? Of leggen we het wat goedkooper aan?
Daar staat op de schoorsteen nog al dicht bij de kachel op een schoteltje een groote grijze platte knol, waaruit een bleekgroene groeipiek te voorschijn komt. ’t Is de droogbloeiende Aronskelk, Sauromatum guttatum (30), wat zooveel beduidt als „gevlekt hagedissenvel”.
Een van de gemakkelijkste kamerplanten die er bestaan. Je hoeft nooit naar hem om te zien, geen water te geven, ook komt het er niet op aan, of hij licht staat of donker. Alleen warmte is een vereischte, want de plant is afkomstig uit Oost-Indië. Snel schiet de groeipiek omhoog, soms wel een centimeter of meer per etmaal. Meet het maar eens na. Eindelijk houdt de lengtegroei op en nu rolt de sigaar open. Binnenin is de scheede prachtig gevlekt met geel en purper en in ’t midden staat een geknopte zuil, waaraan bloempjes zitten ongeveer net zoo als bij de gevlekte Aronskelk.
’t Kan zijn, dat de bloem nu minder aangenaam gaat rieken, hoewel ze niet gauw lastig wordt. Maar spoedig treedt verwelking in en nu moet ge de knol onder den grond stoppen. Wanneer ’t buiten nog hard vriest, doe hem dan in een pot en plant dan later het in den tuin. ’s Zomers komt dan een stengel voor den dag met prachtig gevormde bladeren en als die afsterven, dan hebben ze in den grond weer eenige knollen doen ontstaan, die in den winter weer droogbloeiend de bloemen leveren. Wie een beetje geluk heeft en zijn tuin behoorlijk mest, krijgt zoodoende gaandeweg een heele voorraad van die knollen.
Meer moeite kost het om met kersttijd een mooie verzameling bloeiende bolgewassen in huis te hebben. Romeinsche hyacinthjes (27), Duc-van Thol-tulpen (28), Scilla’s, Crocusjes en dergelijke. Sommige menschen kunnen dat maar nooit klaarspelen, en zien tegen de bloemisten, die ’t wèl kunnen, op als tegen wonderwezens. Ook beweren ze wel, dat de bloemisten dat allemaal uit Nizza laten komen.
Daar is wel iets van waar. Ik geloof b.v. wel, dat die mooie Freesia’s (40) voor ’t meerendeel niet van onze eigen kweekers afkomstig zijn. Maar ’t overige gaat gemakkelijk genoeg, als ge u maar houdt aan de raadgevingen van uw Catalogus en geen minderwaardige bollen koopt.
Wat hebben de menschen van tegenwoordig het toch een boel gemakkelijker dan die van vijfentwintig jaar geleden. Wanneer je maar voor een paar kwartjes bollen koopt bij Krelage, Meerbeek, Groenewegen, Van Tubbergen, Voet, Bijvoet, of hoe deze weldoeners der menschheid al meer heeten, dan sturen ze je ieder jaar een mooie geïllustreerde Catalogus van hun koopwaar en daar staat dan meteen voor iedere bloemensoort volledig de behandeling bij.
Volg die raadgevingen getrouw en stipt, wijk er niet van af, doe niets ten halve en ge zult verbaasd staan over uw succes. Als ’t niet lukt, dan heb je een paar dagen vergeten water te geven, toen ’t juist noodig was, of je hebt de potten te vroeg in ’t licht of in de warmte gebracht of ’t heeft ergens gevroren, waar ’t niet vriezen mocht. Gelooft mij gerust: zonder nalatigheid gelukt elke kweekerij.
Het meeste pleizier beleef je van gewone crocusjes, scilla’s, blauwe druifjes, Romeinsche Hyacinthjes en Duc-van Thol-tulpjes. Hoe die laatste aan hun naam zijn gekomen, weet niemand precies, er heeft nooit een hertog van Thol bestaan, maar dit doet er niet toe, de bloempjes zijn prachtig mooi.
Maar nu heb ik alweer lang genoeg in huis gezeten en van middag gaat om vier uur de lamp alweer op, daarom moeten we nog gauw even een wandelingetje doen. Eigenlijk toch moet je ’s winters veel meer wandelen dan zomers, omdat de avonden zoo lang zijn, begrijp je.
We zijn nog niet eens goed en wel buiten de deur of we zien, dat de zuidmuur half bedekt is met mooie groote gele bloemen. Ranke, donkergroene, kantige twijgen slingeren zich langs den muur en dragen vele paarsgewijs geplaatste knoppen, waaruit in de Mei zich weer nieuwe takken zullen ontwikkelen.
Maar de bloemen komen al in ’t eind van November, mooi groot en talrijk en dat maakt deze Winter-Jasmijn (31) tot een van de meest geschikte muur-bekleedingen. Het is een groot wonder, dat deze mooie, goedkoope, sterke en snelgroeiende plant niet veel meer wordt gekweekt. De heester is afkomstig uit Noord-China. Ik zou wel eens willen weten, hoe hij zijn vruchten vormt, dat wil hij bij mij in den tuin niet doen. Waarschijnlijk komt dat, doordat de bloem ongevoelig is voor eigen stuifmeel en in den winter de insecten ontbreken, die voor de kruisbestuiving konden zorgen.
Het fijne weet ik er niet van. Wel nog dit. Wanneer het hard gaat vriezen, sterven de bloemen af, maar de bloemknoppen zelve kunnen zeer lage temperaturen verdragen. Doordat nu lang niet alle knoppen zich tegelijk ontplooien, blijven er altijd nog zeer veel over, die bij het invallen van den dooi weer tot ontwikkeling komen. Zoodoende bloeit de Winter-jasmijn van November tot Maart en zou hij dus nog wel van de laatste en van de eerste honigbijen kunnen profiteeren. Let er eens op.