Chapter 4 of 5 · 3987 words · ~20 min read

Part 4

Tusschen de koolmeezen op den grond zijn er een paar wat kleiner en die hebben een heel groote witte vlak in den nek. Ze zoeken vruchtjes van den grond en gaan die op een takje stuk hameren. Dit zijn de zwarte meesjes (64).

Je zult zeggen: wat een meesjes! Daar heb je nu: koolmeezen, pimpelmeezen, staartmeezen, zwartkopmeezen, zwarte meezen en kuifmeezen. Dat is niet bij te houden!

Nu, ik vind, dat ’t gemakkelijk bij te houden is, als je maar veel wandelt en goed uit je doppen kijkt. Je krijgt dan zelfs schik in al die verscheidenheid en je zoudt wel willen, dat er nog meer was.

Er is ook nog meer. Want nu zie ik alweer een paar boomkruipers al miesperend omhoog kruipen tegen de esschenstammen, winterkoninkjes huppelen, fladderen en springen tusschen de stronken en daar zit ook op een dikke tak een boomklever te hameren.

Denk nu niet, dat ik dit nu maar zoo allemaal uit mijn mouw schud, om eens in ’t kort vele wintervogeltjes op te noemen. Iederen winter zie ik dergelijke troepen en een enkele maal zijn er ook wel groote bonte spechten bij, al gedragen zich die dan ook nooit als aanvoerders.

In veel boeken staat, dat die troepen aangevoerd worden door een specht, maar dat is toch eigenlijk niet waar. Die vogels zijn bij elkander, doordat ze alle op dezelfde plaatsen hun voedsel zoeken. ’t Is ook heel voordeelig voor hen, om zoo gezamenlijk erop uit te gaan, want als er een een boom of struik ontdekt vol voorraad, dan merken de anderen aan zijn uitbundigheid al gauw, dat daar wat te halen valt en ineens zit de boom dan vol van allerlei gasten.

Kijk, nu wordt het al langzamerhand stiller om ons heen, weldra is er geen enkel vogeltje meer te zien en ’t getjingel en geritsel verdwijnt langzamerhand in de verte. Nu is hier voorloopig niets meer aan de hand, daarom gaan we nu nog maar wat hoogerop, de sparren in.

Heel graag zou ik u nu wel een zeldzame wintergast willen laten zien: een notekraker (115) of een pestvogel (73), maar dat is altijd een geweldig buitenkansje.

Om die te zien, zou je altijd buiten moeten zijn, of vrienden moeten hebben, die den heelen dag werken in de bosschen en die je dan onmiddellijk waarschuwen, als er wat bijzonders aan de hand is.

Op deze manier heb ik eens een pestvogel gekregen en een poosje in een kooi gehouden. Over ’t algemeen houd ik niet van vogels in kooien of volières, ik geef er de voorkeur aan, om ze in de vrije natuur te gaan bekijken. Maar ’s winters is een volière nog zoo kwaad niet, vooral wanneer het erop aankomt, om zeldzame vogels van nabij te bestudeeren.

Die pestvogel heeft zijn akeligen naam te danken aan een oud bijgeloof. Men meende inderdaad in zijn verschijning een voorbode te zien van de gevreesde ziekte: de pest heerschte ongeregeld en hevig, de vogel verscheen ongeregeld en dan soms in groote getale en dat was voor onze over-overgrootmoeders al een reden om verband tusschen die dingen te zien.

De pestvogel is inderdaad een allerliefst, buitengewoon mooi dier. Zijn prachtige kuif, de teere kleuren van zijn romp en vooral de vreemde lakroode aanhangsels aan zijn pennen maken hem tot een van de meest ongewone verschijningen in de vogelwereld. Zijn leefwijze lijkt ’t meest op die van de lijsters, ik heb heel wat te doen gehad om mijn beest den heelen winter door behoorlijk te voorzien van lijsterbessen, meidoornbessen, vruchten van geldersche roos en lijstervoer. Hij was bijzonder mak en liet van tijd tot tijd een prachtig glashelder geluid hooren.

In sommige jaren komt ook de notekraker bij groote troepen: kraaiachtige vogels, zoo groot als een kerkkauwtje, maar ze hebben aan elke zwarte veer een groote witte eindvlek, wat ze wel een beetje een in-de-rouw-achtig uiterlijk geeft. Ze hooren thuis in Siberië en in de berglanden van Midden-Europa, waar ze voornamelijk leven van de dikke zaden van de arve-den. Maar we moeten aan zulke zeldzaamheden niet al te veel denken. Ik ben nu al blij, dat ik u boven in de sparren een troepje kruisbekken (67 en 68) kan wijzen, die daar bezig zijn, de schubben van de appels uit elkander te wringen teneinde zoodoende de zaden te bemachtigen.

Sommige leden van de troep zijn groen, andere rood en alle hebben ze hooge platte kromme snavels, zoo geplaatst, dat de punt van de ondersnavel rechts of links langs de punt van de bovensnavel heenglijdt, net als de messen van een schaar.

Rare vogels, soms komen ze in den winter, soms in den zomer, een enkele maal broeden ze hier en ’t is nooit met zekerheid te zeggen, in welke maand ze dat doen. Altijd zitten ze in de sparren, zoodat ze zelf heelemaal harsig worden en ’t verhaal gaat, dat ze, als ze dood zijn, daardoor niet spoedig tot bederf overgaan. Ik weet niet, of dat wel waar is.

Behalve kruisbekken zitten er ook een menigte goudhaantjes in deze sparren. Je hoort ze onophoudelijk en van tijd tot tijd komt er eens een te voorschijn en laat op den top van den donkeren sparretak zijn gouden kuifje blinken.

En als ’t nu zoetjes aan avond wordt, dan komen van alle zijden vogeltjes aan in groepjes van drie of vier, alleen of bij paren. Dat duurt zoo wel een half uur achtereen en alles verdwijnt in ’t donkere sparreloof. Dat gaat weer met veel geroep en geschetter, de meesjes schateren, de winterkoning schettert, het roodborstje tjinkt, de kneutjes knutteren, de vinken pinken en de zwarte lijsters roepen ’t luidst en driftigst. Als die eindelijk stil zijn, dan kunt ge ervan opaan, dat op de sparretakken heele rijen vogels zitten te slapen, het kopje in de rugveeren en allen knusjes tegen elkaar, om zich te warmen in den kouden winternacht.

WINTERGASTEN.

Met onze kachels en haarden, dichte muren en dikke gordijnen, weten we ons binnenshuis een zomersch gevoel te bezorgen, al vriest het buiten ook, dat het kraakt. Geen wonder, dat verscheiden dieren daarvan mee profiteeren; ik verzeker u, dat uw huis in den winter meer gasten herbergt, dan ge wel denkt.

Muizen, ratten, bunsings vestigen zich in schuren en stallen. Ook komt menig vogeltje ’s avonds binnensluipen, vooral roodborstjes en winterkoninkjes. En in de huiskamer en den kelder overwintert menig insect.

Meestal zitten die stil in een hoekje, maar van tijd tot tijd, als ’t niet te warm en niet te droog in huis is, dan worden ze wakker en dan zie je opeens rondom het licht een enkele groote bromvlieg (110 en 109) rondzweven, wat traag in zijn bewegingen, maar toch volkomen levendig.

Je zoudt er zelfs een verzameling van kunnen aanleggen, want er zijn er van verschillende soorten, blauwe en groene en weer andere, die dambordachtig gekleurd zijn met grijze en blauwe vlekken.

Veel kwaad doen ze op ’t oogenblik niet, maar er zijn er onder, die ons in den komenden zomer veel last kunnen veroorzaken.

De weinige muggen (41), die nu in huis vertoeven, kunnen ons verbazend hinderen. We hadden onlangs een muziekavondje, nogal van belang, want er waren vreemde gasten bij, Engelschen. Bovendien zou ik dirigeeren, een instrument bespelen, waar ik niet aan gewend was en in een sleutel lezen, die ik amper kende. Ik had dus al mijn tegenwoordigheid van geest noodig.

Het ging boven verwachting nogal tamelijk behoorlijk en toen kwam daar juist middenin een mug bovenop mijn hoofd zitten. Hij boorde mij terdege aan. Ik verzeker u, dat ’t geen geringe beproeving was: ik moest mijn aandacht bepalen bij ’t toch reeds zoo moeilijke werk en dan nog dat geprik verdragen, wetende hoe gevaarlijk zoo’n muggebeet soms wezen kan.

Het applaudissement was dan ook nog in vollen gang, toen ik hem al door een vluggen tik vermorseld had. Gelukkig was het geen malaria-mug, maar een ringelmug (114), zoo’n mooie met lange zwart-met-witte pooten. Deze kan door zijn steek wel niet zooals de andere de malaria-ziekte veroorzaken, doch soms geeft hij aanleiding tot bloedvergiftiging. De malaria-mug heeft geen gevlekte pooten, wel gevlekte vleugels, terwijl de gewone steekmug ongevlekte pooten en ongevlekte vleugels heeft.

Al deze muggen overwinteren in huizen, kelders, stallen en schuren en indien alle menschen nu van de gelegenheid gebruik maakten, om ze daar te dooden, dan zouden we ’s zomers minder last en nadeel ondervinden. ’t Is wel niet gastvrij, maar een volkomen gerechtvaardigde maatregel tot zelfverdediging.

Op koude plekken in huis, zolders en kamertjes waar niet gestookt wordt, overwinteren soms mooie vlinders: dagpauwoogen, kleine en groote vossen, atalanta’s, citroentjes, al de vlinders van het vroege voorjaar.

Die kunt ge ook buiten vinden in de altijd groene heesters of in holle boomen, takkebossen en rommel. Zoo’n vlinder zit dan den heelen winter onbeweeglijk met saamgevouwen vleugels, bevriest en ontdooit waarschijnlijk verscheidene malen en gaat in Februari of Maart weer echt leven.

De rupsen van de eikenbladvlinder (106) zitten langs de takken en zijn er als het ware geheel mee saamgegroeid, zoodat ze tenminste uit de verte niet gemakkelijk gezien kunnen worden.

Sommige kevertjes van de familie van de goudhaantjes (126) verbergen zich in de schorsspleten van boomen en weven zich een fijn wit gordijntje, waarachter ze voor verdrogende winden beveiligd zijn.

Maar ze zijn niet beveiligd voor de onderzoekende tong van de specht of voor het scherpe oog der meesjes. Als die vogeltjes eens konden vertellen, wat zouden we dan een massa aardige dingen kunnen vernemen omtrent de insecten.

Zooals zij een boom bekijken en afwerken, moesten wij ’t ook doen. Hier vinden ze wat spinner-rupsen, ginds wat eierkringen van de ringelrups (123), dan weer een partijtje eieren van de witvlakvlinder (121) op een zwart ruig spinseltje of een zijdeachtige gele cocon vol spinneneieren (124). Altijd en overal vinden die meesjes wat en toch laten ze nog veel zitten, anders zouden ringelrupsen en witvlakvlinderrupsen in den zomer niet heele boomen kaal vreten.

Er zijn ook wel insecten, die in den winter buiten nog bedrijvig en bezig zijn. In de avondschemering vliegen de mooie teergekleurde wintervlinders rond, de groote (111) en de kleine (112) en aan de meeste klimopmuren kunt ge u amuseeren met te zoeken naar de grappige klimoprupsen (125), die precies gelijken op kleine dorre takjes en uren lang stijf uitgestoken stil kunnen blijven zitten.

Kijk maar goed uit, of de klimopblaren aangevreten zijn. Wanneer er halfronde stukjes zijn uitgebeten, dan kunt ge er wel op rekenen, dat er van die rupsen moeten zitten. Maar als ge niet terdege oplet, vindt ge er geeneen. Pak van tijd tot tijd maar eens een dor bladsteeltje beet, dan zal dat wel gaan bewegen.

Ze zijn natuurlijk heel gemakkelijk te verzorgen en leveren in Mei en Juni zeer mooie bleekgele vlinders met hoekige vleugels.

Aan ’t korstmos van de boomen zitten weer rupsen, die precies op dat mos zelf gelijken, met al zijn vlekjes en al zijn ruigtetjes. Alleen wanneer je zoekt op de manier van de meesjes kun je die rupsen vinden, d.w.z. je moet plekje voor plekje afzoeken en telkens probeeren of er soms door aanraking beweging komt in zoo’n stukje mos.

’t Is in die klimopbladeren en in dat mos altijd nog een beetje minder koud dan daarbuiten. Ook in de dorre bladeren en er onder leeft altijd nog een massa klein gedierte, evengoed als in het water zelf, zooals we konden zien, toen we op het zwarte ijs stonden.

En in de zee, daar is het altijd betrekkelijk warm, zoodat daar de meeste overwinteraars zijn aan te treffen. De zee is in den winter te vergelijken met een verwarmde kamer, en als ik eens echt veel dieren wil ontmoeten, dan ga ik in Februari wandelen langs de dijken van de Zuiderzee, liefst wanneer sinds een paar dagen de dooi is ingevallen.

Over de groote steenblokken van de buitenberm trippelen tal van aardige kleine vogeltjes. Sommige zijn al heel uit de verte te herkennen als kwikstaartjes aan de lange staarten, die ze telkens op en neer wippen, wanneer ze een eindje zijn voortgevlogen. Als je goed kijkt zie je dat die staarten betrekkelijk langer zijn dan die van de witte en de gele kwikstaart, die we in de lente zullen ontmoeten. Deze wintergast heet de groote gele kwikstaart (72), hij wordt ook ieder jaar langs de Amsterdamsche grachten gezien.

Er loopen ook muschkleurige vogeltjes over onze steenen met fijne spitse bekjes. Dat zijn de oeverpiepers (77), familie van den graspieper en den boompieper. De sneeuwgors toont zijn witte vlerkjes overal en heel even hebt ge ook kans op de ijsgors (78), die wat meer roodbruin in zijn vleugels heeft. Toch is deze nogal zeldzaam, maar ieder jaar minder zeldzaam wordt de Alpenleeuwerik (76), een diertje met veel geel aan zijn kop, dat langzamerhand uit Oost-Siberië den weg hierheen heeft geleerd en nu tamelijk dikwijls langs onze stranden kan worden opgemerkt.

Maar kijk nu eens wat verder, in ’t water. Daar ligt een honderd meter ver uit den dijk een heele rist vogels. Ze zwemmen wat heen en weer, duikelen soms eens, vechten een beetje, of liggen roerloos stil.

Aan de blinkend witte voorhoofdsplaten herkennen we zonder moeite verscheidene onder hen als onze oude vrienden, de meerkoeten, maar er is ook heel veel vreemd volk bij. Daar zwemt er een, die heeft een prachtige oranje vlek op zijn bovensnavel, je zoudt zeggen, dat er een soort van familiewapen op geschilderd is. Dat zou dan het wapen zijn van de zwarte zeeëenden (19). Ze zijn ongelooflijk vlug, duiken, zwemmen, vliegen en loopen uitstekend en komen soms al in Juli of Augustus in troepen op ons strand.

Maar behalve zwart zien we nog andere kleuren, vooral wanneer we kunnen beschikken over een behoorlijken verrekijker, of als we op een buitenlandje achter dor riet wat ver in zee vooruit kunnen komen.

Daar liggen zwart met wit en grijs, de mooie toppereendjes (136), of grijs met vosbruinen kop, de tafeleenden (138). Verwar deze laatste niet met de smientjes (137), die ook een bruinen kop hebben, maar boven op hun schedel een oranje kuif dragen.

Deze smientjes zijn wel de aardigste eenden, die ik ken. Mooi van kleur, vlug van vorm, gracieus in hun bewegingen en in ’t voorjaar vol leven en dartelheid. Ze draaien om hun wijfjes heen, die wat stiller van kleur zijn en laten daarbij een alleraardigst gefluit hooren. Je kunt al zien, wanneer ze gaan fluiten, want dan houden zij ineens hun hals stil en steken de kop een beetje vooruit. „Wjieuw, wjieuw” klinkt het dan over de zee en wijd en zijd wordt dat geluid herhaald, door de vele smientjes, die overal geposteerd zijn.

Nog drukker zijn de brilduikers (135). Die zijn ook al heel in de verte te herkennen, doordat de mannetjes in den donker gekleurden kop, die nu eens groen, dan weer violet schittert, een groote vlek hebben tusschen oog en snavel.

Wanneer deze brilduikers opgetogen raken, dan gaan ze vlug in ’t rond zwemmen, gooien ineens hun kop ver achterwaarts en buigen die om, totdat de snavel loodrecht naar boven wijst. Het is de moeite waard, een gezelschap van een twintigtal brilduikers op deze manier bezig te zien. De wijfjes liggen doodstil op ’t water en de mannetjes zwemmen in kringetjes om haar heen en iedere keer dat de een den ander ontmoet, gaat het wipsnaveltje de hoogte in.

Maar het ergst maken het de zaagbekken. Daarvan komen er in den winter drie soorten op onze zeeën voor en wel de groote zager, de middelste zager (134) en de kleine zager, die ook wel nonnetje (133) heet.

Van deze drie wordt de middelste zager het meest bij ons gezien. Hij heeft een langen, rooden snavel, vol kleine insnijdingen en op zijn kop een heel wilde kuif.

Die kop is bij de wijfjes bruin, bij de mannetjes blinkend donkergroen, bij zwart af. Hun rug en vleugelveeren zijn ook mooi zwart-en-wit en de wijfjes zijn meer grijsachtig.

Deze zaagbekken nu krijgen ook al in Januari de lente in het hoofd en maken dan de zonderlingste grimassen. Op ’t eerst zou je meenen, dat de dieren doodelijk benauwd zijn. Ze buigen krampachtig door, het achterdeel de lucht in, de hals en snavel omhoog en de borst diep in ’t water, een stand, die ze heel potsierlijk en stijf in drie tempo’s innemen.

Het zijn alleen de mannetjes, die zich zoo aanstellen, de wijfjes, die aan haar bruine kuiven te herkennen zijn, zwemmen maar een beetje heen en weer en bijten van tijd tot tijd naar elkander of naar een mannetje, dat te dicht in de buurt komt.

De kleine zaagbekken, de nonnetjes, gedragen zich weer veel sierlijker. De mannetjes zijn spierwit, hier en daar afgezet met smalle, mooi gebogen lijnen van pikzwart. De schedelveeren zijn lang en kunnen opgezet worden tot een allersierlijkst kuifje. Daarmee manoevreeren ze dan ook uit den treure.

Soms ook klinkt een dof en hol „oehoe” over de stille binnenzee. Dat is afkomstig van de allermerkwaardigste van alle zeeëenden, n.l. van de beroemde Eidereend (143), die iedereen heeft hooren roemen om zijn dons. De wijfjes zijn bruin met donkere vlekken, maar de mannetjes zijn spierwit, pikzwart en rose met een paar olieachtige groene plekken aan weerszijden van den kop. In sommige jaren komen er nogal veel op de Zuiderzee en op de Wadden.

In 1906 hebben deze eidereenden geprobeerd, om bij ons op Vlieland te gaan broeden. Het zou natuurlijk een groot buitenkansje zijn, als er gaandeweg eens een broedkolonie van een honderd of zoo eidereendparen op onze Wadden-eilanden ontstonden. Dat zou niet alleen merkwaardig zijn als gebeurtenis uit het dierenleven en een mooie gelegenheid, om die prachtige dieren ook eens in hun zomerleven van nabij te bezien, maar er zou—en zonder schade voor die dieren—nog een aardigen duit te verdienen zijn met het eiderdons.

Een paar domme Vlielanders echter hebben de eerste nesten verstoord en zoo zal er vooreerst van al die heerlijkheden wel niets gebeuren.

Op de groote strandvlakten van de Wadden kan het ’s winters ook wemelen van bergeenden en van ganzen. De bergeenden (141) zijn niet bijzonder schuw, maar wie de slimme ganzen wil benaderen, moet heel vroeg opstaan.

Zeer geloofwaardige onderzoekers vertellen, dat die ganzen naar alle kanten schildwachten uitzetten en dat die schildwachten op bepaalde tijden en volgens een bepaald cerimonieel worden afgelost. Ik geloof zulke dingen nooit, voor ik ze zelf gezien heb en ik zal dan ook nog wel eens het witte hemd moeten aantrekken om ganzenstudiën te gaan doen.

Zoo worden ze gejaagd ook. De jager kleedt zich geheel in ’t wit en sluipt zoo over de witte vlakte voort tegen den wind in naar de ganzentroep. Dan is het nog drie tegen een of hij ze wel onder schot zal kunnen krijgen.

De wilde gans (139) en de akkergans (140) gaan nogal eens landwaarts in en kunnen dan enorme schade aanrichten in het winterkoren. De rotganzen (142) blijven meer aan den zeekant.

Van die rotganzen ging vroeger het sprookje, dat ze aan de boomen groeiden. Men kende hun nesten en eieren niet en men had ook wel eens een dier gezien, dat men niet goed begreep, n.l. de eendenmossel: een schaaldier, dat met vele mooi gekrulde pootjes verborgen zit tusschen eenige platte schelpen.

Nu leken die pootjes wel wat op veeren en al dadelijk had men ’t verhaal gereed. De eendenmossels zouden dan groeien aan de takken van de boomen (ze zitten met steeltjes altijd vast aan rotsen, palen, schepen e.d.), eindelijk afvallen en in de zee terecht komen, als wanneer de schelp zich zou openen en het jonge rotgansje frank en vrij de Oceaan zou inzwemmen.

Het is nogal pleizierig voor ons, dat dit sprookje de wereld uit geholpen is door de ontdekkingen van onze Hollandsche Noordpoolvaarders, die ’t geluk hadden honderden rotganzen nestelend aan te treffen op een eiland in de poolzee. Na een gevaarlijke klauterpartij bemachtigden ze een aantal eieren, die een heele versnapering vormden voor de zieken en zoo raakten die dan tegelijk hun scheurbuik en hun bijgeloof kwijt.

Langs het Noordzeestrand is het ’s winters veel stiller dan op de Zuiderzee, de Wadden en de Zeeuwsche stroomen.

Behalve meeuwen en scholeksters zwerven er hoofdzakelijk troepen rond van strandloopertjes, klein vlug goedje, dat met ongeloofelijke snelheid voor je uit blijft trippelen, mijlen ver. Eindelijk wordt het hun te bar en dan vliegt de heele bende tegelijk op en vlak langs de toppen van de golven scheeren ze dan in een groote bocht terug naar hun punt van uitgang.

Ze hebben alle spitse vleugeltjes met een of meer witte streepen en ook hun rug en staart worden meestal zichtbaar als groote witte vlekken.

Kunt ge ze dicht genoeg naderen, dan slaagt ge er misschien in de soort zelf te onderscheiden. De kanoet-strandlooper (13) is nog wel de grootste van het gezelschap. Zijn naam herinnert aan den grooten Deenschen koning, van wien verteld wordt, dat hij eens aan zee zijn hovelingen zoo aardig hun vleierij heeft trachten af te leeren door hun te laten zien, hoe de mensch machteloos staat tegenover het geweld van de zee.

Je vindt ’t verhaal in vele leesboekjes en themaboeken. De koning ging aan ’t strand zitten, terwijl de vloed opkwam en gebood de golven terug te gaan. Maar hij moest zelf wel stukje voor stukje terugwijken.

Zoo gaat het met die vogeltjes ook. Ze loopen altijd vlak langs de waterlijn en als er dan eens een golf wat plotseling komt opzetten, dan moeten ze razend snel uitwijken om niet te worden meegesleept. Om een paar natte beenen geven ze anders niet zoo heel erg.

De andere strandloopertjes zijn meestal bonte strandloopers (15) en drieteenige strandloopers (16).

De zilvermeeuwen en de bonte kraaien zijn onophoudelijk bezig met het opzoeken van de grootste schelpdieren. Ze dragen die landwaarts in op de duinen, breken daar de schelp open, halen het weekdier er uit en laten dan de schalen liggen. Wel een half uur ver van de zee vindt je nog wel van die schelpen.

Soms zie je tusschen de meeuwen een donker gekleurde vogel rondvliegen, kleiner dan de bruine, jonge zilvermeeuwen of mantelmeeuwen en met een tamelijk lange, puntige staart. Als bij het begin van de eb de zilvermeeuwen een meter of vijftig buiten de kust aan het visschen zijn, dan voegt hij zich graag bij hen en de stumpers of domkoppen denken er niet aan, om hem met vereende krachten te verjagen.

Zoodra een zilvermeeuw een vischje uit de zee heeft opgepikt komt de donkere vogel op hem af, en jaagt hem na, hoog en laag, links en rechts, totdat de arme geplaagde visscher van angst en zenuwachtigheid niet meer weet, wat hij doet en het blinkende vischje laat glippen.

Bliksemsnel schiet nu de jager—zoo heet die donkere vogel—het vallend vischje na en voor het ’t water kan bereiken, heeft hij het te pakken en gulzig slikt hij het in om dadelijk weer naar nieuwe slachtoffers uit te zien.

Hij maakt zich zoodoende meester van de voortbrengselen van den arbeid der meeuwen. Maar ge moet ze niet al te veel beklagen want onderling belagen en bestelen zij elkander ook den heelen dag. Als je even nadenkt, zul je ook inzien dat stelen bij de dieren toch nog altijd heel iets anders is dan bij de menschen, lang zoo erg niet.

In de duinen zelf komen in den loop van den winter allerlei merkwaardige roofvogels: slechtvalken, buizerden (119), zeearenden (118) en soms een enkele vischarend (117) of een sneeuwuil (120). Ook wel de groote klapekster (116) die zooveel op een roover lijkt en toch eigenlijk een zangvogel is.

De jagers loeren altijd op die vogels, ten eerste omdat zij ze voor schadelijk houden en ten tweede om de aardigheid van een zeldzaam dier te schieten.

Ik voor mij vind, dat ze daar ongelijk aan hebben. Het is nog zeer de vraag, of die roofvogels wel zoo schadelijk zijn, en al waren ze het, dan zijn er altijd toch nog zoo weinig, dat de schade, die ze zouden aanrichten niet van veel beteekenis kan wezen.