Part 5
En een dier schieten, omdat het zeldzaam is, dat lijkt me ook heel vreemd toe. We moeten toch die zeldzame gasten wat vriendelijker ontvangen, blij zijn, dat ze hier komen. Ze natuurlijk zoo goed mogelijk waarnemen en hopen dat ze een volgend jaar zich nog weer eens en dan in grooter aantal zullen vertoonen. Meestal loopt die schieterij er op uit, dat de arme vogel na zijn dood nog heel leelijk en gebrekkig wordt opgezet en als dat opgezette monster dan na een paar jaar door mot en schimmel is bedorven, dan gaat het ’t vullesvat in.
Treft ge het eens, dat in uw omgeving een werkelijk zeldzame vogel wordt geschoten, tracht dan ten minste te bewerken, dat hij wordt opgestuurd naar Artis te Amsterdam of naar het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden, dan heeft de wetenschap er nog iets aan.
Als ik weet, dat er arenden in ’t duin zijn, ga ik er ook alle dagen op uit, om ze te zien te krijgen. Al heel gauw vind ik de sporen van hun werkzaamheid door op de bonte kraaien te letten. Waar die in troepjes opvliegen, midden in ’t duin, ligt vast en zeker het een of ander cadaver: een half afgekloven fazant, konijn of haas, door de trotsche roovers achtergelaten, wanneer het grijs-met-zwarte gespuis het hun al te lastig maakt met hun opdringerigheid.
Dan zie ik ook gauw de vogels zelf en ’t is wel de moeite waard, er in de barre winterkou een paar uren voor te loopen, duin op en duin af. Daar gaan ze: groote donkere gestalten, met een vlucht anderhalf of tweemaal zoo groot als die van den reiger.
Waar komen zij vandaan? Hun nest, hun horst heeft gelegen op de rotsen van Scandinavië of IJsland. Over zee zijn ze hierheen gekomen. Ze houden zich hier een paar dagen op en gaan dan weer verder.
Zie, hoe ze tegen den Oostenwind invliegen. Nu slaan ze niet meer uit, ze houden de vleugels strak uitgespreid, zoodat de slagpennen van de hand als vingers uiteenstaan en nu zweven ze rond in wijde kringen, al hooger en hooger, totdat ze heel Nederland kunnen overzien van de Eems tot de Schelde. De beweging schijnt hun geen inspanning te kosten, en langzaam dalen ze ook weer neer in de stille duinvallei.
De jager heeft ze van verre gezien, toen ze daar zweefden in de hoogte. Haastig heeft hij het zware geweer gegrepen, dat voor dergelijke gelegenheden kant en klaar boven de deur hangt: een echt zwaar roer, dat naar zijn zeggen met reeposten raak schiet op honderd meter.
Hij stapt het duin in en ik wandel een eindje mee, hem vertellend van de prachtige dieren en zeggend, hoe zonde het is om ze te dooden. Maar hij houdt vol, dat ’t zijn plicht is en dat zijn heer zoo graag een paar opgezette arenden wil hebben. Ook verlangt hij zelf naar het mooie schot en ten slotte keer ik bedrukt huiswaarts.
Maar als ik een paar dagen later in ’t duin weer een versch afgekloven fazantje vind en de jager mij vraagt, of ik de arenden soms ook gezien heb, dan ben ik weer gelukkig en tevreden. Hij heeft ze niet kunnen raken.
HET EINDE VAN DEN WINTER.
Onze winter heeft niet veel te beduiden. Soms wordt het jaren achtereen niet eens winter en groeien de plantjes, die in October of November ontkiemen onafgebroken voort, totdat ze in Januari of Februari bloeien en vrucht dragen.
In den regel echter hebben we in ’t begin van Januari een paar vorstweken en die kunnen dan wel maken, dat de natuur buiten een ander uiterlijk krijgt. Het gras, dat eerst nog groen zag, wordt nu geheel uitgebleekt, de weilanden worden grauw. De rozetten van de tweejarige planten zooals toorts (104), Sint Teunisbloem (107) en kaarde, die eerst met hun wijd uitgespreide bladeren den grond bedekten, worden door de vorst wat ingekort, doordat de buitenste bladeren afsterven.
Wat er van die rozetten overblijft, wordt door de samentrekking van de wortel diep in den grond gehaald, zoodat het hart, waar de fijne groeiende deelen zitten, nauwelijks boven de aarde komt en gehuld is in de nog overgebleven bladeren.
Zoo gaat het ook met de rozetten van reigersbek en ooievaarsbek, van hondstong, stinkende gouwe, look zonder look. Ze staan alle klaar om te gaan groeien, schieten in elke dooiweek een klein eindje op, zonder zich al te veel bloot te geven, want nog in Maart kunnen we dagen achtereen van vorst hebben.
Ik houd er veel van, om goed op al die dingen te letten en iederen keer als ’t na een paar dagen van vorst weer gaat dooien op te merken, dat we langzaam maar zeker weer wat zijn opgeschoten.
En let er eens op, wat de afwisseling van warmte en kou, van duisteren hemel en stralende zon een invloed heeft op de kleur van de bladeren. Die veilig en wel staan onder dekking van dicht kreupelhout blijven groen, maar die op de open vlakte hun strijd om ’t bestaan vechten, worden bont en blauw en vuurrood van de inspanning. De Sint Teunisbloem kleurt ’t meest op zijn nerven, maar de ooievaarsbek en de reigersbek worden heelemaal rood, terwijl de klimop zijn donkergroen met paars versterkt.
Niet alleen de bladeren, maar ook de takken en knoppen doen aan dat kleurenspel en dat maakt in Februari en Maart vooral de platanen, linden (131), berken en beuken (100) dubbel de moeite waard, om ze eens te bekijken.
De klimop bloeide nog met Kerstmis. Toen kwam de vorst en nu worden bij iedere temperatuurwisseling de klimopbessen telkens wat grooter en wat donkerder van tint, totdat ze in Februari en Maart rijp zijn en als laatste wintervoedsel verschijnen op den disch van lijsters, spreeuwen en waterhoentjes.
Geen wonder, dat je bij al dat langzame veranderen en vorderen ten slotte wat ongeduldig wordt en dat je hoe langer hoe meer verlangt naar ’t bloeien van de vroege heesters, het ontluiken van het jonge groen.
Welnu, daar is wel raad op. We snijden, wanneer het al eenigen tijd goed heeft gevroren, wat takken af van allerlei heesters en boomen: hazelaar, els, berk (129), sering (130), ribes (132), linde (131), eschdoorn (128), kastanje (127), kers, pruimen en wat je maar wilt.
Die zetten we thuis in gewoon water. Je kunt er een enkel kruimeltje zout in doen, maar beslist noodig is dat niet. Wel is het zaak, het uiteinde van de takken onder water af te snijden, opdat de sapkanalen niet verschrompelen of verstopt raken met lucht.
Herhaal dat afsnijden telkens om de dag of tien. Zet die takken ook niet op een al te warme of te droge plaats en ge zult na weinig dagen een voorsmaakje kunnen hebben van de naderende lente.
Vergeet vooral niet, de dingen terdege aan te kijken en wanneer je niet al te lui of te kleinmoedig bent, probeer dan die takken op verschillende tijden na te teekenen; eerst met de knoppen nog geheel dicht, dan als ze wat uitschuiven en eindelijk wanneer ze geheel ontloken zijn.
Zeg vooral niet, dat je niet kunt teekenen. Ieder gewoon mensch kan teekenen, net zoo goed als praten en loopen, al is het dan ook niet altijd even voortreffelijk. Je behoeft ook niet te teekenen voor anderen, maar alleen voor jezelf, alleen om het genoegen te hebben van de mooie dingen goed tot in bijzonderheden te zien.
Let er eens op, hoe zoo’n tak aardig is opgebouwd, telkens van knop tot knop een bepaald stukje, dat zijn eigen richting heeft. De knoppen komen maar niet zoo botweg uit den tak, doch zitten op een kussentje en daaraan is weer het lidteeken te zien, van ’t blad dat in den herfst is afgevallen.
Van afstand tot afstand zitten er ruwe kringetjes om de takken, dat zijn de lidteekens van afgevallen knopschubben en bij ons beteekent zoo’n ring meteen de grens van den jaargroei. Daardoor kun je van de meeste takken tot jaren geleden hun geschiedenis nagaan en opsporen of het jaar 1899 of 1902 voordeelig of nadeelig is geweest.
Bij kastanjetakken is dat allemaal heel mooi te zien en daar vind je ook makkelijk de stippelvormige ademhalingsopeningen in de schors, die alweer bij iedere verschillende boomschors verschillend zijn.
Sommige boomen en heesters hebben geen knopschubben. Kijk maar eens naar de windende kamperfoelie, de wollige sneeuwbal en de Caucasische vleugelnoot. Hoe die er in slagen den winter door te komen, zonder dat de jonge spruit door de droogte van den koude Oostenwind verschrompelt, lijkt een raadsel, vooral bij de kamperfoelie. De sneeuwbal en de vleugelnoot hebben tenminste nog bruine schubhaartjes op de bladeren zitten, die ze eenigszins beschutten.
Maar als je nagaat, dat er kleine sappige plantjes zijn, die weken lang stijf bevroren kunnen staan bij een temperatuur van twintig graden onder nul en bij ’t invallen van den dooi weer gaan bloeien, alsof er niets gebeurd was, dan begin je te begrijpen dat koude en droogte voor vele planten iets heel anders zijn dan voor ons.
Einde Januari is de kamperfoelie al heelemaal groen en de stekelbrem (122) zit vol goud, nog voordat de sneeuwklokjes en de hazelaars bloeien. Als we een beetje te rade gaan met den boomkweeker en den bloemist, dan kunnen we omstreeks dien tijd al heel wat kleur en geur in den tuin hebben.
Begin maar met te planten een paar peperboompjes (37). Die bloeien op ’t hout met prachtige roode en witte bloempjes, zoo overvloedig in aantal dat de takken geheel in de bloemen verscholen gaan. Ze verspreiden een heerlijke geur en behoorde in alle tuinen en plantsoenen te worden gekweekt.
Ongelukkig is er een „maar”, die bij de voorzichtige Hollanders veel verschrikking met zich brengt: het plantje is vergiftig! Het krijgt in Juni en Juli prachtige roode bessen, zacht van kleur, haast net ’t mooie rood van Taxusbessen, je zoudt er zoo in bijten. Ik ken ook wel een jongen, die dat gedaan heeft en die heeft toen verder den heelen dag zich bezig gehouden met zijn mond te spoelen om de ellendig stekende smaak weg te krijgen.
Ge ziet dus, dat ook hier de kwaal het middel met zich brengt. Het heestertje is vergiftig, maar niemand kan er een hoeveelheid van eten, die schadelijk werkt, doordat de smaak onmiddelijk afschrikt. Ik zou er daarom nooit tegen opzien, om dat pracht-heestertje te planten.
Dan moet ik u er nog een paar aanraden: de vleeschkleurige heideplant (36) en de Japansche hazelaar.
De vleeschkleurige heideplant is afkomstig uit Zuid-Europa en uit de Alpen, waar hij in de zomer bloeit dicht bij de sneeuw. Als deze plant eenmaal goed wortel heeft geslagen, dan verblijdt hij u iederen nawinter met rijke trossen van mooie ericabloesems.
De Japansche hazelaar is eigenlijk geen hazelaar, want hij bloeit niet met katjes, maar met bijzonder mooie bloemen, bloemen, zooals je ze nog nooit gezien hebt, met heel lange en smalle goudgele kroonblaadjes en heel bijzonder gevormde paarse meeldraden, waarvan de helmknoppen op een ongewone manier openspringen.
De wetenschappelijke naam van deze heester is Hamamelis Japonica (32). Er is ook een Amerikaansche soort, die heet Hamamelis virginica. Deze bloeit met minder mooie bloemen in den herfst maar krijgt dan ook weer vruchten, die met een knal uit elkaar springen en daardoor weer merkwaardig is. Wanneer dus uw boomkweeker in plaats van de bestelde Hamamelis Japonica een Hamamelis virginica in uw tuin zet (zulke vergissingen komen voor) dan is dat niet zoo heel erg, want je krijgt toch waar voor je geld.
Er zijn nog wel andere winterbloeiers onder de tuinheesters, maar ik ben met deze voorloopig al tevreden. Ook moeten we vooral niet vergeten, dat we Hollanders zijn en dat we het heengaan van den winter vooral moeten bestudeeren aan onze eigen planten: aan ’t madeliefje, dat weer gaat bloeien, het voorjaarsvroegelingetje, dat witte plekjes maakt op ’t zand, de sneeuwklokjes, die bungelen op zonnige hellingen, onder de stuivende hazelaars, de crocusjes, die iederen dag hun neusje verder boven den grond steken, het kleine, eenjarige beemdgras, dat bloeit tusschen de straatsteenen, het klein-hoefblad dat proppen van bruine bloemknoppen uit den grond boort en straks zijn zonnetje zal doen stralen, als de lucht onbewolkt is.
Men spreekt wel van wintervlagen, maar in Januari en Februari kunnen we ook lentevlagen bespeuren. Als de zuidwestenwind goed doorzet, dan waait hij stootsgewijs, nu bulderend, dan suizend en telkens als hij een paar dagen den baas heeft gespeeld is de winter een stuk teruggedrongen.
Dan komen in de graslanden langs de zee de eerste vluchten leeuweriken. Groote troepen wilde ganzen trekken her en der in lange lijnen of in den vorm van een V. Als je te veel naar de plantjes kijkt, dan zie je ze niet of ze moeten elkander druk aanroepen, wat wel eens gebeurt, als ze het niet eens kunnen worden over de richting.
Ik zoek het altijd maar in de hoogte en zorg er voor, dat ik in Februari bij zonsondergang zoo dikwijls mogelijk op een hoogen duintop sta, niet te ver van de zee. En als ik dan het geluk heb, een bende groote wilde zwanen (144) roepend en trompetterend naar ’t Noorden te zien trekken, dan is ’t mij, alsof daar een deel van de witte wintervracht heentrekt en de Lente nu wel haar intocht kan doen.
REGISTER.
HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE, HET VETTER GEDRUKTE DE PAGINA VAN DEN TEKST AAN.
[**TODO: Verify table] Aardster. 6 7 Geaster. Akkergans. 140 46 Anser fabalis.—Oie vulgaire.—Bean goose.—Saatgans. Alk. 17 9 Alca torda.—Pingouin macroptère.—Auk.—Alk. Alpenleeuwerik. 76 43 Otocorys alpestris.—Hirondelle alpestre.—Shorelark.— Berglerche. Amethistzwam. 1 6 Laccaria laccata amethystina. Anijszwam. 2 7 Clitocybe odora. Appelvink. 70 26 Coccothraustes coccothraustes.—Gros-bec.—Hawfinch.— Kernbeisser. Aucuba. 47 31 Aucuba japonica.—Aucuba.—Aucuba.—Aucuba.
Bekermos. 96 33 Cladonia eoccifera.—Cup moss. Berberis. 105, 55 27 Berberis vulgaris.—Epine vinette.—Barberry.—Berberitze. Bergeend. 141 46 Tadorna tadorna.—Tadorne.—Sheldrake.—Brandente. Berk. 129 51 Betula verrucosa.—Bouleau.—Birch.—Birke. Beuk. 100 1 Fagus sylvatica.—Hêtre.—Beech.—Buche. Bonte Strandlooper. 15 47 Pelidna alpina.—Bécasseau variable.—Dunlin.—Alpen Strandläufer. Boomkorstmos. 92 33 Parmelia parietina.—Lichen des murailles.—Yellow wall moss.—Gelbe Krustenflechte. Brilduiker. 135 44 Clangula clangula.—Garrot.—Golden eye.—Schellente. Bromvlieg. 110 40 Sarcophaga carnaria. Bromvlieg. 109 40 Mesembrina meridiana. Bruine Rat. 88 27 Mus rattus.—Rat.—Rat.—Ratte. Buizerd. 119 48 Buteo buteo.—Buse commune.—Buzzard.—Mäusebussard. Buksboompje. 45 18 Buxus sempervirens.—Buis.—Box-tree.—Buchsbaum. Bunsing. 90 29 Putorius putorius.—Putois.—Polecat.—Iltis.
Chrysanthemum. 25, 26 12 Chrysanthemum japonicum.—Chrysanthème.— Chrysanthemum.—Chrysantheme. Cryptomeria. 44 20 Cryptomeria Japonica.—Cryptomérie.—Cryptomeria.— Japanische Ceder. Cypres. 46 19 Chamaecyparis Lawsoniana.—Cyprès de Lawson.—Lawson’s Cypres.—Lebensbaum Cypresse.
Damhert. 79 27 Cervus dama.—Daim.—Deer.—Damhirsch. Das. 89 29 Meles taxes.—Blaireau.—Badger.—Dachs. Douglas spar. 54 22 Pseudotsuga taxifolia.—Sapin de Douglas.—Douglas fir.— Douglastanne. Drieteenige Strandlooper. 16 47 Calidris arenaria.—Sanderling variable.—Sanderling.— Ufer-Sanderling. Drieteenige Zeemeeuw. 22 9 Rissa tridactyla.—Mouette tridactyle.—Kittiwake.— Dreizehige Möve. Duc van Thol. tulp. 28 14 Tulipa suaveolens.—Tulipe duc van Tholl.—Van Tholl tulip.—Van Tholl Tulpe. Dwergmispel. 60 27 Cotoneaster vulgaris.—Cotonéaster.—Cotoneaster.— Zwergmispel.
Eglantier. 59 27 Rosa rubiginosa.—Rose églantine.—Sweet briar.—Weinrose. Eidereend. 143 45 Somateria mollissima.—Eider.—Eider.—Eidergans. Eikebladspinner. 106 42 Bombyx quercifolia. Els. 102 35 Alnus glutinosa.—Aulne.—Alder.—Erle. Eschdoorn. 128 51 Acer pseudoplatanus.—Érable.—Maple.—Ahorn.
Freesia. 40 14 Freesia.—Freesia.—Freesia.—Freesia.
Galwesp. 113 35 Dryophanta folii.—Gallwasp.—Gallwespe. Geldersche roos. 56 27 Viburnum opulus.—Viourne.—Guelder rose.—Schneeball. Gewone Spar. 53 21 Abis excelsa.—Sapin blanc.—Fir tree.—Fichte. Gomphidius. 12 6 Gomphidius viscosus.—Klebrige Gomphidius. Goudvink. 71 26 Pyrrhula pyrrhula.—Bouvreuil.—Bullfinch.—Dompfaff. Groen Nieskruid. 35 16 Helleborus viridis.—Hellebore verte.—Green Hellebore.—Grüne Nieswurz. Groote Gele Kwikstaart. 72 43 Motacilla melanope.—Bergeronnette jaune.—Great grey wagtail.—Graue Bachstelze. Groote Lijster. 74 37 Turdus viscivorus.—Grive draine.—Mistlethrush.— Misteldrossel. Groote Wintervlinder. 111 42 Hibernia defoliaria.—Grosser Frostspanner. Grove den. 52 21 Pinus sylvestris.—Pin.—Scotch fir.—Kiefer.
Haantje. 126 42 Lema cyanella. Haarmos. 97 34 Polytrichum commune.—Hairmoss.—Widerthon. Haas. 87 27 Lepus timidus.—Lièvre.—Hare.—Hase. Hamamelis. 32 53 Hamamelis japonica.—Coudrier magique.—Japan Witch Hazel.—Zaubernuss. Havik. 23 25 Astur palumbarius.—Autour.—Goshawk.—Habicht. Heggemusch. 61 25 Tharrhaleus modularis.—Accenteur mouchet.—Hedge sparrow.—Heckenbraunelle. Hermelijn. 86 28 Mustela erminea.—Hermine.—Stoat.—Grosses Wiesel. Hondstong. 103 35 Cynoglossum officinale.—Cynoglosse.—Hound’s tongue.— Hundszunge. Hulst. 34 17 Ilex aquifolium.—Houx.—Holly.—Stechpalme. Hygrophorus. 10 6 Hygrophorus puniceus.
Inoloma. 7 7 Inoloma.
Jan van Gent. 20 10 Sula bassana.—Fou de bassan.—Gannet.—Basstölpel. Judaspenning. 42 12 Lunaria biennis.—Lunaire bisannelle.—Honesty.—Mondkraut.
Kanoet Strandlooper. 13 47 Tringa canutus.—Bécasseau brun.—Knot.—Knutt Strandläufer. Kastanje. 127 51 Aesculus hippocastanum.—Marronnier.—Horse chestnut.— Rosskastanie. Kegelsleutelbloem. 33 13 Primula obconica.—Primevère.—Primrose.—Schlüsselblume. Kerstroos. 39 15 Helleborus niger.—Rose de Noël.—Christmas rose.— Christrose. Klapekster. 116 48 Lanius excubitor.—Pie grièche grise.—Great grey shrike.—Grosser Würger. Kleine Alk. 14 9 Meegulus alle.—Guillemot nain.—Little Auk.— Krabbentaucher. Kleine Wintervlinder. 112 42 Chimatobia brumata.—Small Winter Moth.—Kleiner Frostspanner. Klimopbessen. 99 27 Hedera Helix.—Lierre.—Ivy.—Epheu. Klimopspanner. 125 42 Urapteryx sambucaria. Kluifjeszwam. 3 6 Helvella lacunosa.—Schwarze Lorchel. Knikmos. 95 34 Bryum nutans.—Knickmoos. Koekoeksbloem. 108 34 Malandryum rubrum.—Red Campion.—Tag Kuckuksblume. Konijnen. 80 27 Lepus cunicularis.—Lapin.—Rabbit.—Kaninchen. Kramsvogel. 75 27 Turdus pilaris.—Grive litorne.—Fieldfare.—Krammetsvogel. Kruisbek. 67, 68 39 Loxia curvirostra.—Bec croisé.—Crossbill.—Kreuzschnabel. Kuifleeuwerik. 62 26 Galerida cristata.—Alouette huppée.—Crested lark.— Haubenlerche. Kuifmees. 63 37 Lophophanes cristatus.—Mésange huppée.—Crested tit.— Haubenmeise.
Lampionvrucht. 41 12 Physalis Alkekengi.—Coqueret.—Winter cherry.— Judenkirsche. Leermos. 93 33 Peltigera peltata.—Lichen.—Ground liverwort.— Bodenflechte. Linde. 131 51 Tilla ulmifolia.—Tilleul.—Lime.—Linde.
Maretakken. 38 12 Viscum album.—Gui.—Mistletoe.—Mistel. Marter. 85 29 Mustela martes.—Fouine.—Marten.—Marder. Meidoorn. 58 27 Crataegus oxyacantha.—Aubépine.—Hawthorn.—Weissdorn. Melkzwam. 11 7 Lactarius subdulcis.—Lactaire. Middelste zager. 134 44 Mergus serrator.—Hurle huppé.—Red-breasted Merganser.— Mittlerer Säger. Muggen. 114 41 Culex annulatus.—Cousin.—Gnat.—Ringelmücke.
Naaktvaren. 94 31 Polypodium vulgare.—Réglisse sauvage.—Sweetfern.— Engelsüss. Nonnetje. 133 44 Mergus albella.—Petit Hurle huppé.—Smew.—Kleiner Säger. Notekraker. 115 38 Nucifraga caryocatactes.—Casse noix.—Nutcracker.— Nussheher.
Oeverpieper. 77 43 Anthus obscurus.—Pipit obscur.—Rock-pipit.—Strandpieper. Oostenrijksche den. 51 21 Pinus nigra austriaca.—Pin noir d’Autriche.—Austrian pine.—Schwarzföhre. Otter. 84 30 Lutra vulgaris.—Loutre.—Otter.—Fischotter.
Palmboompje (zie Buksboompje). Papegaaiduiker. 21 9 Fratercula arctica.—Macareux.—Puffin.—Arktischer Lund. Peperboompje. 37 52 Daphne mezereum.—Bois gentil.—Spurge olive.—Seidelbast. Pestvogel. 73 38 Ampelis garrula.—Jaseur de Bohème.—Waxwing.— Seidenschwanz.
Ree. 83 27 Cervus capreolus.—Chevreuil.—Roe.—Reh. Ribes. 132 51 Ribes sanguineum.—Grosseillier.—Gooseberry.— Johannisbeere. Ringelrupseieren. 123 42 Bombyx neustria.—Lackey moth’s eggs.—Ringelspannereier. Romeinsche Hyacinthe. 27 14 Hyacinthus orientalis.—Hyacinthe romaine.—Roman Hyacinth.—Römische Hyazinthe. Rotgans. 142 46 Branta bernicla.—Bernache cravant.—Brent goose.— Ringelgans.
Saurommatum. 30 14 Saurommatum guttatum.—Saurommatum.—Saurommatum.— Saurommatum. Schorsmos. 101 34 Ramalina fraxinea.—Lichen d’écorce.—Bark-lichen.— Rindenflechte. Sering. 130 51 Syringa vulgaris.—Lilas.—Lilac.—Flieder. Slechtvalk. 24 25 Falco peregrinus.—Faucon pérégrin.—Peregrine.— Wanderfalke. Smient. 137 43 Mareca Penelope.—Canard siffleur.—Widgeon.—Pfeifente. Sneeuwbes. 57 27 Symphorycarpus racemosus.—Snowberry.—Schneebeere. Sneeuwuil. 120 48 Nyctea scandiaca.—Surnie Harfang.—Snowy owl.—Schneeeule. Spinneneieren. 124 42 Oeufs d’araignée.—Spider eggs.—Spinneneier. Spitse Morielje. 4 6 Morchella rimosipes.—Spitzmorchel. Staartmees. 66 36 Aegithalus caudatus.—Mésange à queue longue.—Longtailed tit.—Schwanzmeise. Stekelbrem. 122 52 Ulex europaeus.—Ajonc d’Europe.—Furze.—Stechginster. Stroobloemen. 91 12 Helichrysum.—Immortelle.—Immortelle.—Immortelle. St. Teunisbloem. 107 50 Oenothera biennis.—Onagre bisannuelle.—Evening primrose.—Nachtkerze. Stuifbal. 5 8 Lycopordon gemmatum.—Puff ball. Sijsje. 69 36 Chrysomitris spinus.—Tarin.—Siskin.—Erlenzeisig.
Tafeleend. 138 43 Fuligula ferina.—Milouin.—Pochard.—Tafelente. Takjesmos. 98 34 Evernia prunastri.—Lichen.—Twig-lichen.—Baumflechte. Thuja. 48 20 Thuja occidentalis.—Arbre de vie.—Arbor vitae.— Lebensbaum. Thujopsis. 43 19 Thujopsis dolabrata.—Thujopsis.—Thujopsis.— Toorts. 104 50 Verbascum schraderi.—Bonhomme.—Mullein.—Königskerze. Toppereend. 136 43 Fuligula marila.—Canard milouinan.—Scaup.—Bergente. Tricholoma. 8 7 Tricholoma rutilans.
Vischarend. 117 48 Pandion haliaetus.—Balbusard.—Osprey.—Fischadler. Vleeschkleurige hei. 36 53 Erica carnea.—Bruyère incarnate.—Mediterranean heath.— Fleischrotes Heidekraut. Vos. 81 29 Canis vulpes.—Renard.—Fox.—Fuchs. Vrouwenschoentje. 29 14 Cypripedium insigne.—Sabot de Venus.—Lady’s slipper.— Frauenschuh.
Wezel. 82 29 Mustela vulgaris.—Fouine.—Weasel.—Wiesel. Wilde gans. 139 46 Anser anser.—Oie cendrée.—Greylag goose.—Graugans. Wilde zwaan. 144 54 Cygnus olor.—Cygne blanc.—Swan.—Wilder Schwan. Winter-jasmijn. 31 15 Jasminum nudiflorum.—Jasmin d’hiver.—Winter jasmine.— Winterjasmin. Witte spar. 50 22 Picea canadensis.—White fir.—Schimmelfichte. Witvlakvlindereieren. 121 42 Orgyia antipua.—Vapourer moth. Wijde stekelzwam. 9 6 Hydnum repandum.
Ysgors. 78 43 Calcarius japonicus.—Bruant arctique.—Lapland bunting.— Lerchenspornammer.
Zeearend. 118 48 Haliaetus albicilla.—Pygargue à queue blanche.—Sea eagle.—Seeadler. Zeekoet. 18 9 Uria lomvia.—Guillemot.—Common Guillemot.—Lumme. Zeepijn. 49 21 Pinus pinaster.—Pin de Bordeaux.—Sea-pine.— Seestrandskiefer. Zwarte mees. 64 37 Parus ater.—Petite charbonnière.—Coaltit.—Tannenmeise. Zwarte Zeeëend. 19 43 Oidemia nigra.—Macreuse.—Black scoter.—Trauerente. Zwartkop mees. 65 37 Parus palustris.—Nonnette.—Marsh-tit.—Sumpfmeise.
VERBETERING.
In ’t Register van Winter moet Middelste Zager enz. vervangen worden door:
Middelste Jager. 134 47 Stercorarius pomarinus.—Lobbe pomarin.—Pomatorhine Skua.—Mittlerer Jäger.—
De 134 op blz. 44 vervalt en op blz. 47 wordt op regel 4 van onderen achter ’t woord „Jager” 134 geplaatst.