Chapter 3 of 5 · 3978 words · ~20 min read

Part 3

Het kleine blijft over, daar hebben ze geen tijd voor. Als ze me te vaak de boel wegeten, dan gooi ik ze even een losse sneeuwbal naar den kop, dan durven ze in geen week meer te komen. Zij behoeven ook niet van de bedeeling te genieten, want ze zijn sterk en sluw genoeg, om aan ’t Noordzeestrand hun kostje te vinden.

Ik kan altijd aan de zwarte lijsters hooren, of er wat bijzonders aan de hand is. Wanneer ze „tjak, tjak, tjak,” of „koek, koek, koek” zeggen, dan verwacht ik altijd een bijzondere gast. Jawel, daar stapt een kuifleeuwerik (62), hij krijgt een duw van een vink en een snauw van een merel, maar pikt vinnig terug en verovert een paar kruimpjes. In Holland is dit nog al een zeldzame verschijning, maar beoosten de Vecht is het ’s winters een van de meest gewone straatvogels.

Nu vliegt ’t heele gezelschap weg, want een tamelijk groote vogel met een buitengewoon dikken snavel is van tak tot tak genaderd en eindelijk op ’t voer gekomen. Hij heeft allerlei aardige kleurplekken: blauw en bruin en spierwit, maar ’t meest trekt hij toch de aandacht door die ontzettend dikke snavel. Je ziet al dadelijk, dat deze appelvink (70) niet de minste moeite er mee zal hebben om dikke zaden of knoppen stuk te bijten. Wij zien hem met genoegen, maar vruchtenkweekers zijn wel eens heel slecht over hem te spreken, evenals over de goudvink (71), die ook een bij uitstek mooie en aardige vogel is, maar een vruchten- en bloemenbederver van het bovenste plankje.

Meer dan appelvinken en goudvinken krijg ik kramsvogels (75) op mijn voerplaats. Ik geloof wel, dat ik dit in de eerste plaats te danken heb aan de vruchtenheesters in mijn tuin. Laat toch iedereen, die graag vogels van dichtbij wil zien, vruchtenheesters in zijn tuin planten: Geldersche roos (56), hulst, meidoorn (58), berberis (55), sneeuwbes (57), eglantier (59), dwergmispel (60), mahonia, aucuba en klimop (99). Ik noem deze vooral, omdat die hun vruchten houden tot laat in den winter, als lijsterbes en vlier al lang kaalgevreten zijn.

Blijft de winter zacht, zonder veel sneeuw of rijp, dan houden die heesters hun mooie vruchten den heelen winter door, maar als er opeens een vracht sneeuw komt of felle vorst, dan komen ineens massa’s vogels, die anders in Duitschland gebleven zouden zijn hierheen, om voedsel en schuilplaatsen te vinden. Het kan dan in December lijken alsof ’t nog October was, zoo is dag en nacht de lucht vol van zwermen trekvogels.

Dan komen ze dicht bij de huizen, de mooie kramsvogels met hun bruinen rug en blauwen kop, de groote dubbele lijsters (74), wel tweemaal zoo groot als een zanglijster en vol kracht en woestheid. Die zijn het, die de bottels van de eglantieren vreten en die in minder dan geen tijd een heele hulsthaag van zijn roode bessen ontdoen.

Jongens, wat zie ik dat graag! En daar kan ik ook niet zoo kalmpjes in mijn makkelijken stoel naar zitten kijken. Neen hoor, dan gaan de vetleeren schoenen aan, een dikke pet op, de jekker aan, de verrekijker om en dan stap ik naar buiten, om in bosch en veld, op de hei en in de duinen te zien, wat er te koop is.

Op de sneeuw staat alles te lezen; geen dier, hoe klein en licht ook, kan zich er over bewegen, of het laat een spoor achter. Waar veel dieren huizen, komen formeele wegen tot stand.

In de duinen zijn ontelbare wegen van konijnen (80). Ze leiden van de holen naar het hout en daar hebben de knagertjes dan al de schors van stammen en takken afgeknaagd. Later, in den zomer kun je dan nog precies zien, hoe hoog de sneeuw gelegen heeft. Schuine stammetjes worden beklauterd, en dan worden ook in de kronen tal van takken ontschorst.

Hazen (87), reeën (83), herten (79), zelfs ratten (88) helpen mee aan dit werk en ik behoef u niet te zeggen, dat daardoor menig boompje voor goed te gronde is gericht. Wanneer rondom het stammetje de schors geheel is weggevreten tot op het hout, dan kunnen geen voedingssappen meer van de bladeren naar de wortels worden gevoerd, deze sterven van honger en dan gaat ten slotte de heele plant dood.

De hazen en herten weten nu ook goed den weg te vinden naar ’t wintergraan en naar de kool, die nog te velde staat. De ratten graven naar bloembollen of raapjes of erger nog, ze vestigen zich in de graanschelven of graanzolders.

Nu begint de boomkweeker en de boer de behoefte te gevoelen aan vrienden in den nood. En dat die niet ontbreken, kunnen we hier op het sneeuwveld ook al zien.

Kijk, links en rechts van het konijnenspoor zie je telkens groepjes van vijf kleine krubbeltjes in de sneeuw: twee naast elkaar, twee achter elkaar. Soms gaat dit elegante spoor eenige meters achter elkander langs ’t konijnenpad, ook snijdt het wel eens een hoek af, maar altijd blijft het er om heen. Laat ons het volgen.

Het duurt niet lang, of een eindje voor ons vliegen loom vier bonte kraaien op. Ze gaan niet ver, maar blijven rondom ons op de hoogten zitten, wachtend tot we weer weg zijn. Waar ze opvlogen is een groote roode plek in de sneeuw en daar ligt een klein konijntje, dood, bebloed, de oogen al uitgepikt en een gapende wond in de hals.

Die oogen zijn door de kraaien verorberd, maar de gapende wond is veroorzaakt door ’t beest met het elegante voetspoor, door het bloeddorstig hermelijn (86).

Er leven nog hermelijnen genoeg in ons land: ’s winters zijn ze geheel wit met een zwart puntje aan den staart, ’s zomers zijn kop en rug bruin. Ze worden bij ons niet geheel en al zuiver wit en daardoor heeft hun huid als bont geen groote waarde.

Ratten en konijnen hebben geen feller vijanden dan deze hermelijnen. Ook kunnen ze niet hopen, hun te ontsnappen. Want als een hermelijn eenmaal een konijn achterna zit, dan kan dit loopen, zoo hard als ’t wil, ’t roofdier blijft hem volgen, al is ’t ook uren lang, eindelijk slaagt hij er in den knager te bespringen.

Dan is het spoedig met hem gedaan. Het konijn rent nog gillend voort, maar allengs worden zijn kreten zwakker, want het hermelijn heeft hem de halsslagader doorgebeten en zuigt ’t warme bloed op. Wanneer hij verzadigd is, dan laat hij ’t doode dier liggen, waar het viel en dat wordt dan gauw opgemerkt door de bonte kraaien, die overal zijn en alles zien.

Het wezeltje (82) houdt voornamelijk huis onder muizen en ratten, de bunsing (90) ook; en een graanschelf, waar een van deze roofdieren zich gevestigd heeft, is beveiligd tegen elke rooverij van knagers.

Tegenwoordig begint het wezeltje dan ook erg in de pas te komen en geen mensch denkt er meer aan, om het een schadelijk dier te noemen, zooals vijftig jaar geleden wel gebeurde, toen er zelfs premies voor het dooden van wezels werden uitgeloofd.

Maar de bunsing, de marter (85), de vos (81) en de das (89) hebben het voorgoed verkorven, al verdelgen ook zij een groote hoeveelheid van schadelijk gedierte. Je kunt een boer, die wel eens op een mooien morgen al zijn kippen met afgebeten koppen in ’t kippenhok heeft gevonden, nooit wijs maken, dat een bunsing een nuttig dier is, omdat hij zooveel ratten en muizen eet.

Ik ben er eens bij geweest, dat een vos geschoten werd, die haar bek vol had met doode veldmuizen, om die aan haar jongen te brengen. Dat dier was dus op ’t oogenblik heel nuttig. Maar ik weet er ook van, dat de vos in den nacht de hoenders kwam rooven, brutaal en ongestraft.

De vossen bewonen ons land nog bij honderden en ’t is in den nawinter op maanverlichte nachten volstrekt niets ongewoons, als je ’t kort gekef van deze dieren hoort klinken uit ’t bosch en over de hei.

En de vischotter (84), dat is ook een dier, om ’s winters iets van gewaar te worden. In den zomer weet hij zich tusschen de waterplanten, in ’t oeverriet en in ’t struweel der elzen, wilgen en esschenboschjes goed te verbergen. ’s Winters echter moet hij om te ademen op ’t land en om te eten in ’t water.

Hij is dan wel verplicht, om zich op te houden in de nabijheid van wakken en bijten en als je daar nu maar vlijtig op loert, dan kan het niet missen, of je krijgt ten minste nu en dan zijn breed vinvoetenspoor op de sneeuw te zien.

Ik vind ’t wel aardig, om zoo iets te zien, al kan ik ook niet zeggen, waarvoor dat eigenlijk goed is en of ik er ook beter van word. ’t Is heel aardig en goed, om van die dieren te lezen, er min of meer goed geteekende prentjes van te zien, of foto’s en tooverlantaarnplaatjes. Maar dat is allemaal toch niet echt. En je krijgt dan ook een heel ander gevoel, als je daar buiten in de vrije natuur zoo’n levend beest eens aan zijn bezigheden kan zien. ’t Is maar jammer, dat al die dieren zoo doodelijk en doodelijk bang voor ons zijn.

JANUARI IN HET BOSCH.

Het begint altijd te dooien, als je op zijn allerprettigst aan ’t schaatsenrijden bent. Dat is nu geen plagerij van ’t noodlot, maar iets, dat van zelf spreekt, want juist dat prettige van die bijzonder aangename schaatsenrijderij kwam er vandaan, dat er dooi in de lucht zat.

Dit lijkt u nu misschien niet bijzonder duidelijk, maar dat komt wel terecht. Ik wensch u nog vele lekkere winters toe en zoo zult ge dan wel gelegenheid vinden, om te begrijpen, wat ik bedoel en te beseffen, dat ik gelijk heb.

Niemand vindt ’t prettig, als het heel lang achtereen hard vriest. De „evergreens” in den tuin gaan er dan ook treurig uitzien. De thujopsis, de thuja en de cypres worden bleek van kleur, vooral de thuja, en de aucuba (47) en de laurierkers laten hun bladeren recht omlaag hangen, stijf tegen de takken aan, zoodat het lijkt, alsof ze er nooit weer bovenop zullen komen. De varens zijn ineengeschrompeld tot kleine knoedeltjes groen en van de mossen is haast niets meer te zien.

En als ’t nu gaat dooien, ja zelfs even voordat de thermometer nul wijst, gaan die aucuba- en laurierbladeren overeind en de struiken zien er uit, alsof het nooit gevroren had. De varens (94) ontvouwen hun geschrompelde veeren en ’t moskleed is weer frisch en groen.

Er is een ontspanning gekomen in al die planten en, geloof mij gerust, ook een ontspanning bij ons. Het is nu wel jammer, dat die groote tocht van morgen niet doorgaat, maar daar staat tegenover, dat we nu weer in de bosschen kunnen dwalen en zonder vrees voor bevroren ooren of een stijven nek eens kunnen stilstaan en uitkijken.

Hoe zacht is nu het mos onder de voeten. Als ’t vriest, dan kraakt en brokkelt het af en ’s zomers is het ook een broze massa, maar nu merk je, dat ’t een echte levende plant is en kunnen we het eens goed bekijken.

Deze grijze takachtige fijne massa’s heeten rendiermos. Bekijk je dat met een loupe dan zie je, dat ’t bestaat uit een zijdeachtig witte massa met allemaal grijsgroene eilandjes erin. En nu moest ik weer eventjes vervelend worden.

Je kent wel de geschiedenis van den lamme en den blinde. Die moesten beide ergens heen, maar konden hun doel niet bereiken, de een omdat hij niet zien, de ander omdat hij niet gaan kon. Toen heeft de blinde den lamme op den rug genomen, deze keek goed uit en commandeerde maar rechts of links en zoo kwamen beiden zonder ongevallen waar ze moesten wezen.

Nu gebeurt er met dat rendiermos iets dergelijks. Evenals alles wat leeft, moeten de planten zich voeden. Zij hebben daarvoor noodig koolzuur uit de lucht en in water opgeloste stoffen uit den bodem en dan maken ze daaruit in hun groene cellen alles wat ze noodig hebben.

Een witte schimmeldraad kan dus niet goed voor zijn eigen voeding zorgen omdat hij niet groen is en een groen wortelloos wierplantje ook niet, omdat het maar heel moeilijk water uit den bodem kan opnemen.

Maar als ze een verbond met elkander aangaan, dan is alles in orde. De schimmeldraden zuigen oplossingen zelfs uit den dorsten rotsgrond, de wierplantjes zorgen voor ’t koolzuur en voor de bewerking en nu kunnen die twee hulpeloozen niet alleen zich redden, maar zelfs groeien op plaatsen waar een normale enkele plant nooit zou kunnen gedijen.

Het rendiermos is dus geen enkele plant, maar een verzameling van een schimmelmassa met vele kleine wierplantjes. Elk groen eilandje dat ge met de loupe in de schimmelmassa waarneemt is een kolonie van vele, kleine, ronde wierbolletjes.

Ditzelfde rendiermos groeit nu tot ver in ’t hooge Noorden en bedekt daar uitgestrekte vlakten, waar het tot voedsel strekt voor het rendier. Het is bijna onverdelgbaar, want het doorstaat de felste kou en de grootste droogte zonder nadeel. ’t Is alsof het dan gedurende den ongunstigen tijd eenvoudig een poosje ophoudt met te leven om in betere omstandigheden weer opnieuw te beginnen.

We kunnen nog honderden soorten van die korstmossen vinden. Ze zijn heel gemakkelijk te drogen, eigenlijk nog gemakkelijker dan gewone planten. Wel schrompelen ze wat in, maar als je ze weer mooi wilt hebben, om ze te bekijken of na te teekenen, dan behoef je ze maar even nat te maken en ze worden weer haast net zoo frisch als toen ze buiten groeiden. Dat kan je met gewone planten niet eens doen.

Ik wil u er nog wel een paar wijzen. Op den heigrond, maar vooral in de duinen vindt ge vaak groote groenachtig bruine of bijna zwarte leerachtige massa’s; aan hun randen met krullen en insnijdingen, die aan de onderzijde spierwit, maar aan de opstaande inkrullingen lichtbruin kunnen zijn en dan is dat „leermos” (93) werkelijk een prachtig geheel van mooie kleuren. De wierbolletjes zijn hier niet tot groepen vereenigd maar vormen een samenhangende laag, dicht onder de oppervlakte.

Nog mooier korstmossen zijn de bekermossen (96), aardige grauwe bekertjes, trechtertjes en trompetjes, die soms bij honderden staan geschaard op den bodem van bosch en duin of heide. Je vindt ze in allerlei grootten, al naar hun leeftijd, bij de oudsten raken de randen van den beker vaak uitgespreid en ingesneden en dan zijn ze weer mooi op een andere manier.

Maar ’t mooiste zijn ze, wanneer zich op de randen kleine donkergroene of helder lakroode knobbeltjes vertoonen. Die steken soms op ranke steeltjes omhoog, het doet mij altijd veel genoegen, als ik ze zie. Deze knopjes bestaan uit ontelbare kleine buisjes en daaruit komen kleine korreltjes, sporen, waaruit zich weer nieuwe schimmeldraden zullen ontwikkelen.

Als je eenmaal op die korstmossen let, dan vind je ze overal. De stammen van eiken en populieren zijn er soms geheel mee overdekt. Sommige, zooals het boomkorstmos (92) liggen plat op den boomschors, eng er mee verbonden, andere, zooals het bijzonder algemeene gewone schorsmos (101) zitten met een steeltje aan de schors vast en hangen verder in lappen en linten er bij neer. Het takjesmos (98) kleedt sierlijk zoowel doode als levende takjes.

Wanneer ge mij eens een persoonlijk plezier wilt doen, kijk dan ook eens uit naar het baardmos. Dat groeit in fijne draden op boomstammen en takken. In Zwitserland heb ik wel gezien dat heel hooge sparreboomen er geheel door werden overdekt als met een groengrijze, zijden draadsluier.

Bij ons komt het maar weinig voor en slechts zeer zelden maakt het van die aardige platte plaatjes, zoo groot als een zilveren stuivertje, en rondom weer met franje bezet. Dit zijn weer de sporendragers. Bij de meeste korstmossen, dat hebt ge al wel opgemerkt, zijn die sporendragers kleine schoteltjes, die in ’t midden van de korstmosschijf bijeen staan.

Dat is een heele verhandeling geworden over die korstmossen. Alleen moet ik er nog bijvoegen, dat de korstmossen eigenlijk geen mossen zijn. Wel is waar heb ik dat al wel verteld, maar een mensch kan in deze dingen nooit al te precies zijn. Een korstmos is dus geen mos, maar een samenleving van een schimmelmassa met wiertjes.

De echte mossen zijn volledige planten, die tamelijk wel zonder vreemde hulp in hun onderhoud kunnen voorzien, doordat ze groene blaadjes hebben en zichzelf van water kunnen voorzien. Zulke echte mossen zijn: het slaapmos, dat wijd en zijd den grond bedekt van ’t dennebosch, het veenmos en ’t haarmos (97), die veel op natte plekken groeien, het boompjesmos en ’t knikmos (95), die nooit ontbreken in ’t eikenhakhout, waar ook de dichte kussens groeien van de gaffeltand. Ook bolvormige grijsgroene kussens, die vooral in beukenbosschen te vinden zijn. Die kent ge wel de half noemen wij wit-kussenmos. Later zullen wij daarnaar nog wel eens kijken, maar Januari is daarvoor niet de rechte tijd.

In ’t eikenstruweel, langs den boschrand en in de hagen staan nu geelgrijs nog honderden en honderden gestorven vruchtstengels van allerlei planten: mooie vertakte stengels van de koekoeksbloem (108) met doosjes met getanden rand, die nog enkele dikke, zwarte zaden bevatten. Als ’t hard waait, worden die ver weggeslingerd. De lookraketstengels staan wel een meter hoog, de hauwen hebben hun kleppen verloren, maar aan ’t vliezig tusschenschot kleven nog enkele zaden. Wie goed zoekt kan tusschen die hauwen, vlak tegen den stengel, de pop vinden van de oranje-tipvlinder, maar je moet scherp uitkijken, want ’t droge, kantige ding heeft precies dezelfde kleur als de lookraketstengel.

Het kleefkruid is hoog opgeschoten tusschen de elzestruiken, heelemaal dood, bleekgrijs, doch zie eens hoe prachtig mooi de bolletjesparen van de vruchten de dorre stengelmassa opsieren. Van engelwortel, bereklauw, pastinaak en doornzaad zijn mooie, paraplu-achtige schermen te zien, hondstong (103) heeft nog mooie vruchtjes en van gras wuiven nog allerlei pluimen, maar alles verdord en verdroogd en in den regel onopgemerkt.

En komt nu de rijp, dan worden al die mooie vormen en lijntjes aangedikt met spierwit en dan kan het niet anders, of elkeen moet ze zien en bewonderen. Ja, dat is eigenlijk het mooie van de rijp, dat hij al het schoon van boomtakken, van knoppen en winterkruid duidelijker maakt, zoodat ieder het zien moet. Doch ook zonder rijp is al dat moois aanwezig, denk daar eens om.

We moeten nu weer eens doorstappen; ik wil nog een paar dingen opzoeken. In den Herfst hebben we gekeken naar de gallen, die liggen nu bij duizenden met de dorre eikeblaren op den grond. Rapen we er een paar op, dan merken we, dat ze een klein rond gaatje op zij hebben; de bewoner is er uit. Zoek nu alle eiketakken en eikeknoppen af, of ge daar soms een diertje op vindt. Jawel hoor, een klein groenachtig donkergrijs, bijna zwart galwespje (113) zit onbeweeglijk op een eikeknop.

Als wij probeeren het te grijpen, dan vliegt het niet eens weg. Dat is geen wonder, want het is bezig met het leggen van eieren en het heeft nu zijn legboor heengedrongen tusschen de knopschubben door, om binnenin de knop het eitje te leggen op de teere blaadjes of de nog nauwelijks zichtbare katjes. Daarna gaan zij dood.

Het is, alsof er in Januari terstond na den eersten dooi al werking in de knoppen komt. Aan bijna alle boomen worden ze dan iets grooter en voller, iets rijker van kleur.

Van al onze inlandsche boomen heeft de els (102) wel de mooiste knoppen. Ze zijn heel fijn pruimkleurig, soms bijna lichtblauw en ze zitten op steeltjes een eindje van het takje af, zoodat ze sterk in ’t oog vallen. De takken zelf zijn soms ook blauwachtig, een andermaal warm bruin en ze zitten vol met kleine witte ademhalingsopeningetjes.

Dan zijn er nog de bijna zwarte, houtige vruchtkatjes, de zoogenaamde elzenproppen en mooie bruine of blauwe katjes, die in de vroege lente zullen opengaan en dat alles maakt de els in den winter tot een van onze allermooiste heesters.

Ik zoek ze altijd op, langs den slootkant en in het moeras, niet alleen, om al dat moois te bewonderen, maar ook in de hoop er van mijn wintervriendjes te treffen. Er zijn in ’t bosch en in de velden altijd nog een menigte vogels, die de voederplaats bij ’t huis nooit bezoeken.

Het komt er maar op aan, een poosje stil te staan aan een elzenkant of in een sparrebosch. Dat kun je, mits gewoon goed aangekleed, altijd gerust doen, zelfs als ’t vriest en als er twee voet sneeuw ligt, want ’t is tusschen die boomen altijd luw en stil en daar raak je je natuurlijke warmte niet zoo spoedig kwijt.

Wie in de natuur iets van dieren wil zien, moet dikwijls en lang stil staan; daar is nu eenmaal niets aan te doen. De meeste dieren vinden ons gevaarlijke, groote onbegrijpelijke wezens en vooral hebben ze het niet begrepen op onze armen, die schijnbaar zonder doel of nut langs ons lijf bungelen en dikwijls opeens dood en verderf kunnen verspreiden.

Alles gaat dan ook op de vlucht, zoodra een mensch nadert en alleen wanneer wij erin slagen dat wantrouwen te overwinnen en vertrouwen in te boezemen, willen ze wel wat dichter bij ons komen en misschien nader kennismaken.

Ziezoo, nu staan we nog geen drie minuten stil onder onze elzen, of daar begint het in de toppen al levendig te worden. Kleine grijze vogeltjes duikelen om de takjes heen en scharrelen met het scherpe puntje van hun vrij dik snaveltje in de zwarte elzenproppen.

Wat ze daar halen, is gemakkelijk te zien. Soms laten ze bij ongeluk een korreltje vallen en nu zien we ook, dat de grond vol ligt van bruinroode kleine elzevruchtjes, het hoofdvoedsel van de sijsjes (69) in den winter. Want nu ze nader komen, zien we dat we met sijsjes te doen hebben.

In de verte lijken de meeste vogels grijs, maar als ze dichter bij komen, dan blijken ze allemaal kleuren te bezitten, die ’t bekijken dubbel waard zijn. Wat hebben die sijsjes een aardige groene tint, hoe mooi gestreept is de onderzijde en vooral, wat hebben de mannetjes een prachtig zwart kapje op.

Je zoudt ze voor meesjes kunnen houden, zoo vlug en handig bewegen ze zich in de takken. Maar onthoud dit: de meesjes hebben altijd witte wangen, een sijsje nooit.

Sta nog even stil, ik hoor wat: een slierend trillend geluid, vogeltjes, die elkaar toeroepen, ze zullen ook wel in de elzen komen. Daar zijn ze al, die hebben witte wangen, hun lichaam is wit en zwart met wat rose en ’t meest valt in ’t oog de lange staart, die wel langer is dan de rest van ’t lichaam. Dit zijn de staartmeesjes (66). Als pijltjes schieten ze door de lucht en als ze om de takken draaien, dan beschrijft hun lange staart een kring van belang.

En nu is het opeens rondom ons vol leven. Die staartmeesjes vormden de voorhoede van een heele troep, die ons aan alle zijden omgeeft. Je ziet ze niet aankomen als een regiment soldaten, maar ze zijn opeens overal.

Rondom ons buitelen de staartmeezen. Op den grond ritselt het in de dorre bladeren, daar zit het vol van koolmeezen met hun zwarte koppen en zwarte middenstreep over de gele borst. Pimpelmeesjes blinken blauw in de witte berkjes.

„Pèh, pèh, pèh” een komiek scherp roepje. Dat is afkomstig van de zwartkopmees (65); zwarte kop, witte wangen, groengrijs lichaampje, groote druktemaker en aardige zanger.

Nu zit daar een oogenblikje op een tak vlak bij ons alweer een andere witwang, niet met bijzonder schitterende kleuren, maar met een prachtig spits kuifje op den kop, de pientere kuifmees (63). Dadelijk is hij weer weg, maar een oogenblikje later zitten er weer twee op een ander takje. Overal in ’t rond is gekletter van klauwtjes tegen de takken, geruisch van vleugeltjes en gepiep, gemiesper, geroep, getjingel, geluid van allerlei soort.