Chapter 2 of 5 · 3966 words · ~20 min read

Part 2

Met de kerstroos (39) gaat het net zoo. Die begint in November te bloeien en houdt het vol tot Maart. Dikwijls heb ik de bloemen omzwermd gezien door bijen, zoowel in November als op die mooie zonnige dagen in Februari.

’t Zal voor een bij wel een pleizierige gewaarwording zijn: zoo’n tiental van die groote witte bloemen, frisch bloeiend op den valen wintergrond. Hij gonst er op af, zet zich neer in den witten schotel en bevindt zich dan in een waar bosch van meeldraden, goudgele helmknoppen op spierwitte helmdraden. Er is stuifmeel in overvloed, maar daar houdt hij zich niet lang mee bezig. Hij steekt zijn kop omlaag tusschen de meeldraden en kelk en vindt daar een kring van heel mooie hoorntjes van overvloed vol van honig. Er is meer dan hij kan opzuigen; er zijn dan ook wel eens drie of vier bijen tegelijk aan ’t werk in éen bloem.

Gedurende de vorstweken schijnt de groei van deze plant stil te staan. De knoppen blijven gesloten, de bloemen, die pas sinds eenige dagen geopend waren, sluiten zich ook nog, maar de oudere bloemen kunnen dat niet meer en staan stijf bevroren wijd open in het zilveren maanlicht of onder het bleeke winterzonnetje.

Als de meeldraden en de honigbakjes uitgediend hebben en afgevallen zijn, dan blijft de groote kelk nog om de rijpende stampers, maar hij verliest zijn witte kleur en wordt rose of bruinachtig. Die stampers groeien uit tot mooie kokervruchten met groote zaden, waaruit weer heel gewillig nieuwe planten opschieten.

De kerstroos heet ook wel zwart nieskruid en behoort tot de familie van de boterbloemen. De plant is vergiftig, maar dat hindert niet, want geen mensch zal er van eten. De fijngemalen gedroogde wortelstok prikkelt de slijmvliezen en maakt aan ’t niezen, zoodat je die bij wijze van snuif zoudt kunnen gebruiken. Maar wie denkt er in de twintigste eeuw nu nog aan snuif?

Het heet, dat deze plant in ons land een enkele maal in het wild gevonden is, maar dat geloof ik niet. Wel komt in de echte bosschen in ’t Oosten van ons land het groene nieskruid (35) voor, dat ook al heel vroeg in ’t jaar, dus ook nog in den kalenderwinter zijn groote bloemen vertoont.

In tuintjes wordt het ook aangeplant en het is heel aardig, dat de slimme honigbijen de groene hangende bloemen van deze plant even goed weten te vinden als de groote witte kelken van de echte kerstroos.

Let je wat op al die bloemen, dan vind je in tuinen nog wel meer soorten: een met groene, roodgerande bloemen en een andere met groote bloemen, die rooskleurig zijn of in ’t paarse loopen tot donkerpurper toe. Deze laatste bloeien nog wel na Paschen.

Doch we willen onze wandeling voortzetten. Bloemen heb ik in mijn tuin niet meer, maar groen in overvloed en ook nog wel aardige kleurtjes. Daar sta je al met het mes in je verstijfde vingeren gereed om wat mooie takken van mijn hulst (34) af te snijden voor de Kerstfeestviering. Nu, vooruit maar, doch haven de struik niet en laat er ook nog wat bessen aan voor de vogels, dat is de hoofdzaak.

Heb je je geprikt? Ook goed. Ik houd van hulsten met bijzonder stekelige bladeren. Er zijn er ook wel met gave bladeren, maar zulke botten-zonder-gal wil ik in mijn tuin niet hebben.

Wel vind ik het aardig, wanneer ik buiten in het wild hulsten aantref met stekelige bladeren aan de onderste takken en gave in den top. Daar is weer een heel verhaal aan vast. Men beweert namelijk, dat in het wild de hulst de gewoonte heeft, alleen stekelige bladeren voort te brengen zoo hoog als een grazende koe of een grazend hert kan reiken. Hoogerop is het niet noodig.

Ik behoef u niet te zeggen, dat deze bewering al heel dikwijls in twijfel getrokken is. Toch is het wel de moeite waard, er eens op te letten. In onze Oostelijke provinciën komen de hulsten nog al eens in ’t wild voor, zoodat we daar er eens naar kunnen uitkijken.

Ik weet er een te staan in ’t Gooi aan den Laarder Straatweg, links van den weg als je van Naarden komt en eventjes voor Jan Tabak. Die is volkomen in overeenstemming met wat er wordt verhaald. De struik is wel zes meter hoog, het onderste gedeelte, tot zoowat twee- en een halven meter van den grond af, zit vol zeer stekelige bladeren, met slechts hier en daar een enkel gaafrandig blad er tusschen, en in ’t bovenste gedeelte is bijna geen enkel stekelig blad te vinden.

Ik houd vooral van de hulst, omdat hij het heele jaar door een goede vriend van de vogels is. ’s Winters geeft hij hun voedsel en schuilplaats, ’s zomers nestgelegenheid, vrij van katten.

Een hulsthaag is ondoordringbaar voor dat roofgespuis, als ge maar niet onder de struiken harkt. De bladeren vallen in Mei en Juni, nadat het nieuwe lot zich ontwikkeld heeft. Ge begrijpt, dat uit zoo’n laag harde, verdroogde hulstblaren duizende stekelpunten omhoog pieken en dan kan poes met al haar behendigheid daar niet doorheen. Ik heb zelf wel eens op handen en knieën door zoo’n haag moeten sluipen en weet er dus van mee te praten.

Dan staan er nog een menigte heesters, die in den regel zonder onderscheid conifeertjes genoemd worden en dat is wel juist ook, als je je maar eerst er van vergewist of er ook soms een palmboompje (45) bij staat, want dat is er geen. Veiliger is het dan ook, om den aardigen Engelschen naam van evergreens te gebruiken, dat beduidt altijd-groene planten en is dus altijd in orde.

Maar nog beter is het, je oogen een klein beetje wijder open te zetten dan gewoonlijk en te probeeren de meest bekende soorten behoorlijk van elkander te onderscheiden. ’t Lijkt allemaal eenzelfde schubbig groen goedje, maar er zit toch meer verschil in dan ge wel denken zoudt.

Eerst ’t palmboompje apart. Dat is dadelijk te kennen aan ’t feit dat ’t geen schubbige takjes heeft, maar behoorlijke duidelijk gevormde, gesteelde bladeren, al zijn ze dan ook wat klein. Je hebt al geleerd, dat dit struikje eigenlijk geen palm is, in de verste verte niets met palmen heeft uit te staan en thuis hoort in de buurt van de brandnetels. Ook moest het niet palmboompje, maar buksboompje heeten. De Engelsche noemen hem dan ook trouw box.

Wij echter hebben in onze jonge jaren op Palmzondag altijd geloopen met een „palmpaaschje”, gemaakt van de takken van dit heestertje, ik herinner me nog heel goed de waterachtige smaak van de koekjes, die er aan zaten. Ook had ik in dien tijd een palmhouten kegelspel en een palmhouten priktol (wat een Croesus!) en later ben ik aan de weet gekomen dat het palmhout, waarop houtsneegravuren worden uitgevoerd, ook alweer meestal van ’t buksboompje afkomstig is.

Daarom geloof ik niet, dat die naam van buksboompje spoedig algemeen in gebruik zal raken. Doordat de blaadjes zoo dicht op elkaar staan en er zich in elk bladhoekje nieuwe knoppen vormen groeit dat boompje op als een dichte min of meer bolvormige massa. Daardoor leent het zich bijzonder makkelijk er toe, om door snoeiing in allerlei vorm gekweekt te worden. Ge hebt zeker die boompjes-kippen, honden, kasteelen, pilaren, schepen enz. wel eens kunnen bewonderen. Er zijn wel liefhebbers, die tuinen vol hebben met dergelijk palmboombeeldhouwwerk.

Intusschen groeien de altijd groene struiken ook zonder hulp van de snoeischaar al mooi genoeg op, vooral de eigenlijke coniferen, waarvan wij er nu een paar zullen bekijken.

Sommige menschen noemen die zonder onderscheid Thuja’s, andere weer Cypressen, maar ge zult zien, dat we gemakkelijk drie soorten kunnen onderscheiden.

Een is er bij, die wat breeder twijgen heeft dan de andere. Beziet ge de takken goed dan blijken ze bezet te zijn met vier rijen groene schubben, dat zijn eigenlijk de bladeren. Elke tak vormt met al zijn zijtakken een platte massa en als we nu die heesters goed willen onderscheiden, moeten we beide kanten van die platte massa bezien, vooral den onderkant.

Nu zult ge zien, dat die conifeer met de breede twijgen de onderzijde prachtig mooi regelmatig wit gevlekt heeft. Die vlekken staan daar zoo mooi, dat ge niet moogt nalaten ze eens na te teekenen. Je kunt ze er af wrijven, maar na eenigen tijd zitten ze er weer even frisch op als te voren, want ze bestaan uit een wasmassa, die op die plekken door het blad wordt uitgezweet.

Stopt ge zoo’n takje in ’t water, dan merkt ge dat die wasplekken met geen mogelijkheid nat kunnen worden, en dat is van groot belang voor de plant.

Daar liggen toch de openingen waardoor het blad lucht moet opnemen en als die nu door nattigheid van dauw of dooi of regen verstopt raakten, zou de heele voeding en ademhaling in de war komen.

Nu ’t winter is, kunnen we meteen eens uitzien naar de vruchten, aardige bruine houtige schubjes, dikwijls ook weer met een heel mooi blauw waslaagje overtogen.

Nu staan we al een heele poos bij de plant te redeneeren en ik heb u nog niet eens den naam gezegd. De heester is afkomstig uit Japan, heet daar Hiba en wordt er in de bosschen wel dertig meter hoog. Wij noemen hem altijd Thujopsis (43); hij ontbreekt in geen enkel park, ik ken er wel, die al zes meter hoog zijn.

Als we nu deze Thujopsis eenmaal kennen, dan hebben we met de overige al veel minder moeite. Let nu vooral op de vruchtjes. Die zie je nu wel niet dadelijk, maar je zult er heusch niet van bederven, als je vlak bij zoo’n struikje gaat staan en een paar takjes op zij buigt om ze eens te bekijken.

Hoogstwaarschijnlijk vindt ge nu aan de achterzijde van een takkenmassa een stuk of wat kubusvormige, houtige vruchtjes. Tusschen de schubben er van zitten nog wel een paar gevleugelde zaden. Noem deze heester nu voortaan Cypres (46).

’t Is niet de beroemde Cypres van de Grieken en de Romeinen, maar een boomsoort, die er veel op lijkt en die uit Californië afkomstig is. De wetenschappelijke naam Chamaecyparis beteekent dwergcypres, maar ’t gaat toch niet aan, om een boom, die in zijn vaderland wel vijftig meter hoog wordt, voor een dwerg uit te maken.

Ik zeg daarom altijd maar liever Californische Cypres, al bestaat er ook eenige kans, dat we met de Japansche Cypres te doen hebben, die er zeer veel op lijkt en misschien ook hier of daar wel aangeplant is. We onthouden dus, dat die coniferen met kubusvormige houtige vruchten Cypressen zijn.

En nu vinden we ook nog wel een conifeertje met kogelvormige staande vruchtjes met leerachtige schubben en ook alweer gevleugelde zaadjes. Deze nu is de echte Thuja (48) of Westersche Levensboom. In de Noord-Atlantische Staten van Amerika vormt deze boom groote wouden, hij wordt daar tot twintig meter hoog.

Bij ons is de Thuja, als plaatsvervanger van de echte Cypres langen tijd aangeplant op kerkhoven en ook veel in parken en tuinen. Tegenwoordig wordt hij gaandeweg verdrongen door de Californische Cypres. Ik wed, dat, als ge er eens op gaat letten, het u blijken zal dat de oude „evergreen’s” in parken en tuinen meestal Thuja’s, de jongere meestal Cypressen zijn.

Thuja, zoowel als Cypres en Thujopsis hebben op hun schubbige blaadjes kleine kliertjes zitten die een harsachtige, zeer welriekende olie afscheiden. Wrijf maar even een stukje tak fijn, dan zult ge van die heerlijke boschgeur kunnen genieten.

Uit Japan is afkomstig een aardig conifeertje met kromme naalden: de Cryptomeria (44).

Ik behoef u niet te zeggen, dat het aanplanten van deze heesters een groot voordeel is voor onze vogels, die er schuilplaatsen en nestgelegenheid vinden.

Nu zou het een groote schande en dwaasheid zijn, wanneer we in den tuin al die kleine conifeertjes konden onderscheiden, terwijl we buiten in bosch en duin nog geen raad weten met wat daar groeit en daarom stappen we nog eens even, voor dat ’t donker wordt, heel vlug een paar kilometertjes naaldbosch af.

De wind is omgeloopen naar het Oosten. Het kon wel eens gaan vriezen, maar hier in ’t sparrebosch is ’t lekker beschut, ’t lijkt zelfs warm, wanneer je van buiten komt. Hoe heerlijk ook, dat deze sparren nog tot de grond toe met takken bezet zijn. Dat komt, doordat men ze tijdig heeft gedund. Doet men dat niet, dan sterven de onderste takken af en kan de wind langs de kale stammen doordringen.

Mooie lange bruine kegels (53) hangen in risten aan de bovenste twijgen. Er liggen er ook op den grond, zoek een paar van de mooiste op en neem die mee naar huis. We zullen eens een heele verzameling van dergelijke dingen aanleggen.

Onder de grove dennen (52) vinden we ook een massa kegeltjes, maar die zijn veel kleiner en heel anders gevormd. Elke schub eindigt hier in een aardig geteekend plat plaatje.

Ho, hier vinden we weer een heel groote kegel, langer dan een decimeter en toch is het geen sparappel. De schubben zijn niet plat, maar eindigen in een breede pyramide met een punt er op. Het heele ding is mooi glimmend bruin, alsof het gepolijst was. Van welken boom is die nu?

Kijk maar even omhoog. Daar hangen er nog meer in een kroon van een boom, die veel gelijkt op een groven den, maar je ziet dadelijk dat de naalden veel langer zijn, wel tweemaal zoo lang. Dat is nu de zeepijn (49), een heel mooie boom, die dertig jaar geleden nog al veel werd aangeplant. Het is echter gebleken, dat hij zeer strenge winterkou niet goed kan verdragen en daarom plant men hem tegenwoordig niet veel meer aan.

Misschien hebt ge wel eens gelezen dat op last van Napoleon I de stuifduinen langs de golf van Biscaye tusschen den mond van de Gironde en van de Adour met dennen zijn beplant en dat daar thans een mooi groot dennebosch is. Dat bestaat bijna uitsluitend uit zeepijnen en nu had men zich indertijd voorgesteld, dat ook wij voordeelig zoo’n groen randje langs de Noordzee zouden kunnen krijgen.

Gelukkig heeft men een beteren plaatsvervanger gekregen, dat is de Zwarte of Oostenrijksche den (51). Zijn naalden zijn even lang als die van de zeepijn, maar veel donkerder van kleur, terwijl zijn appels ongeveer zoo groot zijn als die van de gewone grove den.

Deze Oostenrijker maakt het in onze duinen zeer goed. Bij Bergen en op Texel zijn heele stukken duin er mee beplant en ieder, die wel eens Hoog Duin en Daal heeft rondgewandeld, weet, dat bij Het Kopje een prachtige rij van deze donkere pijnboomen op het hooge duin groeit. Ook op de heidevelden groeit deze boom uitstekend, zoodat de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat over een jaar of vijf-en-twintig die Oostenrijksche den de meest gewone van onze dennensoorten zal zijn.

Onophoudelijk probeert men het aanplanten van nieuwe soorten. Soms lukt dat en soms lukt het niet en overal in ons land kunt ge verrast worden met boschpartijtjes van vreemde boomsoorten.

Zoo weet ik een heel lange laan op de Veluwe die aan beide zijden beplant is met een bijzonder mooie vreemde spar, ook alweer afkomstig uit Amerika. Het is de Douglas-spar (54), te kennen aan de omstandigheid, dat zijn naalden in twee rijen staan en aan de onderzijde geen zilverwitte strepen vertoonen. Bovendien heeft hij bijzonder mooie appels, bestaande uit platte schubben, afgewisseld met drietandige schutblaadjes: wel de mooiste pijnappels, die in ons land te vinden zijn.

Op de meeste groote buitenplaatsen is deze mooie boom te vinden. Vraag maar eens vriendelijk, of ge eventjes rond moogt zien en dan kun je zoo’n appel wel van den grond meenemen.

Ook vonden we eens een massa miniatuur sparappeltjes, langwerpig en platschubbig net als die aan de fijne spar, maar niet langer dan vijf of zes centimeter. Die zijn afkomstig van de witte spar (50), een boom, die in hetzelfde geval verkeert als de zeepijn. Dertig jaar geleden meende men, dat die aan den zeekant met voordeel gekweekt zou kunnen worden, maar dat is tegengevallen. Intusschen vindt men hem nog al veel op buitenplaatsen, waar hij met zijn blauwachtige, wit berijpte naalden ook volkomen op zijn plaats is.

Kijk, nu zijn we weer op onze buitenplaats teruggekomen en ’t wordt donker ook. Ik moet u echter nog even vertellen, dat die naaldboomen wel „altijd” groen zijn, maar dat ze toch wel hun bladeren verliezen. Ze houden elk blad minstens twee jaar lang en daardoor zijn ze altijd groen. Er zijn er wel, die hun bladeren twaalf jaar lang weten te bewaren. Wie goed op die boomen en hun jaarlijksche vertakkingen let, kan voor zichzelf gemakkelijk nagaan, hoe lang een naald al aan den boom heeft gezeten.

IN IJS EN SNEEUW.

Nu heeft het na een paar neveldagen eerst wat geregend en gesneeuwd met stormvlagen uit het Noorden, toen is de wind uitgeschoten naar Oost en voor we goed begrepen, wat er eigenlijk gebeurd was, reden we schaatsen op de slootjes.

Nog een paar dagen en de ijsbanen werden geopend en eindelijk is de vaart gestremd en kunnen we ijsvacantie krijgen, om tochtjes te maken.

Het is toch wel heerlijk, dat we gemiddeld per jaar minstens op één weekje sterk ijs kunnen rekenen, één weekje, waarin de menschen eindelijk eens behoorlijk wat beweging nemen. Let er eens op, hoe gezond en vroolijk de meesten nu zijn, alleen van de beweging en de buitenlucht.

Ik houd vooral van schaatsenrijden, omdat je daardoor komt op allerlei plekjes, die anders moeilijk of in ’t geheel niet te bereiken zijn: afgelegen vaarten, stille meren, geheimzinnige moerassen.

En wat is het ijs mooi! Hier wit, ginds zwart met mooie verhoogde bloemteekeningetjes en aardige plekken en parelsnoeren van gasbelletjes. Heel dikwijls zijn die bellen vol moerasgas en dan moet je eens op zoo’n plek een groote spijker door ’t ijs slaan en een brandende lucifer bij de opening houden. Het gas gaat dan branden met een lange gele vlam. Op plaatsen waar de gasbellen heel groot zijn, moet je wat oppassen, want daar breekt het ijs nog al gauw.

Op heel heldere plekken zie je als door een glasruit de planten en de dieren in het water: groote groene bladeren van de gele plomp, groote zwarte en geelgerande watertorren, rose bootsmannetjes en allerlei klein goed, onophoudelijk in beweging en vlak onder de ijslaag rondzwemmend.

Hak je een bijtje, dan komt alles spoedig daarheen om versche lucht te halen en kun je vangen, wat je maar wilt. Ge weet wel, dat op deze manier iederen winter millioenen spierinkjes worden verschalkt. Blijft het water lang dicht, zooals in den strengen winter van 1890/91 dan sterven in de vijvers veel visschen door gebrek aan lucht en dan sterven ook veel vogels van dorst.

Wij zetten dan ook altijd, zoo lang het vriest, een groote rood-aarden schotel vol water buiten. In enkele uren tijd is dat weer veranderd in een ijsklomp, maar dan vervangen we het weer door nieuw. Het is een lust, om te zien, hoe den heelen dag allerlei vogels zich om dien schotel verdringen om te drinken en te baden. Zes musschen tegelijk ploeteren er in rond bij een temperatuur van tien graden Celsius onder nul. Een paar koolmeezen zitten hunkerend toe te kijken, of ze ook een beurt kunnen krijgen, maar ze durven die brutale musschen niet aan. Een zwarte lijster is minder angstvallig, hij ploft ineens tusschen de musschen neer, die nu druipnat zitten te schelden onder de aucuba. Hij slaat in ’t water met beide vlerken, spreidt zijn staart en draait en wipt zoolang, totdat hij ook wat nattigheid in zijn nek krijgt. Dan eerst kunnen de koolmeezen hun beurt krijgen.

Den heelen dag is de tuin vol van vogels. Maar ze hebben het hier dan ook heerlijk. Behalve de drinkbak met frisch water vinden ze er altijd een plek van een paar vierkante meter groot, mooi schoongeveegd van sneeuw en bestrooid met broodkruim, gerst, hennepzaad, maanzaad, gedroogde vlierbessen, lijsterbessen, kardinaalshoedzaadjes en alles wat maar eetbaar is. Een bakje met voer hangt aan den stam van een boom, die aan zijn takken ook nog een paar kokosnoten draagt.

Het ophangen van zoo’n halve kokosnoot in den dop vereischt nog al wat handigheid en geknutsel met touwtjes. Gemakkelijker is het, een netje te knoopen en dat te vullen met reepen kokosnoot. Daaraan kunnen veel vogels tegelijk smullen. Ik verzeker u dat ’t een aardig tooneeltje is: een stuk of zes koolmeezen en een paar pimpelmeezen tegelijk pluizend aan zoo’n netje met kokosnoot.

Willen we den vogels een buitengewoon feest bereiden, dan nemen we een oud kerstboompje, een dood sparretje of een doode doornstruik en overgieten die met een heete brei van reuzel, broodkruim, gekneusd hennepzaad, krenten etc. De massa stolt bijna onmiddellijk en dagen lang kunnen nu de meest verschillende vogels zich aan dezen voorraad te goed doen.

Deze manier van voederen heeft ’t voordeel, dat de vogels onder ’t eten zoo goed als veilig zijn voor de belagingen van katten of roofvogels. Katten komen bij streng winterweer gelukkig niet veel buiten, maar roofvogels wel en ik heb het me menigmaal moeten aanzien dat een sperwer, een slechtvalk (24) of een havik (23) als een schicht door den tuin kwam schieten en een van mijn gasten wegroofde.

De anderen zaten dan verstijfd van schrik in het hout en ’t duurde wel een half uur voordat weer de honger de vrees overwon.

Welke vogels komen er alzoo bij het voedsel?

In een stad als Amsterdam natuurlijk meest musschen, enkele spreeuwen en, als je ze wennen kunt, wat bonte kraaien, houtduiven en kokmeeuwen.

Maar buiten is dat heel anders. Daar hebben we ook nog vinken, vooral mannetjes, verder keepen, roodborstjes en een aardig klein vogeltje, dat in de verte wel wat op een musch lijkt, n.l. de heggemusch of bastaardnachtegaal (61).

In stem en maniertjes houdt dit dier het midden tusschen een winterkoning en een roodborst. Hij scharrelt altijd rond onder de struiken, tusschen de dorre bladeren en weet daar met zijn fijn, spits, vrij lang snaveltje allerlei lekkers op te pikken. Aan dat fijne snaveltje en ’t blauwe kopje onderscheidt ge hem gemakkelijk van de dikbekkige musschen.

Koolmeezen zijn er soms tien, twintig tegelijk, op den grond en in de boomen. Ze eten van alles: brood, zaad, kokosnoot, vet, ’t doet er niet toe en zijn heel wat mans. Roodborst en heggemusch en pimpelmees gaan voor hen op den loop, met de musschen durven ze het ook wel opnemen en onder elkaar zijn ze ook altijd bezig om elkander de lekkerste brokjes en de voordeeligste plaatsen te betwisten.

Het vechten zit hun zoo in ’t bloed, dat ze eigenlijk altijd of aanvallend of verdedigend in de weer zijn. Is er een neergestreken op de kokosnoot, dan houdt hij zijn vlerken al gereed om te slaan en zijn bek om te blazen. En als nommer twee aankomt, dan zal die niet neerstrijken op een vrij plekje van de noot, maar juist expres precies bovenop degeen, die al bezig is, wanneer deze niet bijtijds zich blazend uit de voeten maakt.

Je zoudt verwachten dat gebrek en ellende de vogels vriendelijker zouden stemmen. Daar is bij de voederbak niet veel van te merken. Allen vechten zoowel onder elkander als tegen vreemdelingen.

Naarmate de kou toeneemt en de sneeuwlaag dikker wordt groeit ook het aantal gasten aan. De bonte kraaien houden zich eerst op een afstand, maar langzamerhand draaien ze al dichter en dichter om het plekje heen, waar al die kleine vogels zoo ruimschoots te eten vinden.

Grappig stappen ze door de diepe sneeuw. Ze zakken weg tot aan hun buik en moeten heel groote stappen nemen om vooruit te komen. Eindelijk wagen ze het en betreden de voederplaats, het klein gedierte stuift weg naar alle kanten en de grauwe gasten slikken in de gauwigheid al de groote brokken in.