Chapter 1 of 9 · 3997 words · ~20 min read

Part 1

HANS MARTIN

MALLE GEVALLEN EEN KLUCHTIG VERHAAL

ZEVENDE DRUK

ROTTERDAM MCMXVIII W. L. & J. BRUSSE’S UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ

VOORWOORD BIJ DEN EERSTEN DRUK.

Voorwoorden zijn werkelijk buitengewoon onuitstaanbaar. Toch kan ik er niet aan ontkomen.

Dit boek is louter een verzinsel en als een grap bedoeld. Ik verklaar dit niet om mijzelf tegen zedelijke verdenkingen te vrijwaren of om mijn eigen, op den voorgrond geschoven beeltenis weer terug te trekken en voor den lezer te verhuichelen.

De schrijftrant in eerste persoon werd gebruikt omdat hij mij levendiger leek en meer voor dit onderwerp geschikt; overweging die me ten kwade kan komen!

Dat wie zich verontschuldigt zich beschuldigt is dus niet op dit voorwoord van toepassing, daar het niet als een verontschuldiging werd bedoeld.

Dit voor wie de grap eens als ernst mocht opnemen.

Rome, 1913. Hans Martin.

HOOFDSTUK I

HOE WE ELKAAR LEERDEN KENNEN.

Om iedereen maar dadelijk den waan, dat dit boek eens een roman mocht zijn, te ontnemen, begin ik met te vertellen hoe het afgeloopen is:

Loekie heb ik niet gekregen. We schreven nog een jaar lang, tot de briefwisseling al schaarscher werd en eindelijk ophield. Toen kwam er een heelen tijd niets en eindelijk het bericht, dat Loekie getrouwd was met een rijwielhandelaar, die haar Zondags Loewiese noemt en de overige dagen van de week: vrouw, sloddermadam, lachebek—en zoomeer, al naar gelang het uitkomt.

Boy kreeg Kitty wel. De jaren slijten oude misverstanden uit en toen de farm in Canada eenmaal goed ging, trouwde Kitty in Nederland met den handschoen om daarna in Montreal, waar Boy haar wachtte, dit weinig opwindende vóórhuwelijk meer hartstochtelijk te bevestigen. Hun vereeniging werd gezegend met twee kinderen, die daar te midden van kudden paarden, koeien, stieren, schapen en ander ongedierte, welig schijnen op te groeien.

Bram werd, na den ontijdigen dood van zijn geheimzinnigen oom, beheerder van de exportfirma van zijde en thee te Nangking en trouwde onlangs met een Amerikaansche, die volgens zijn schrijven „ongelooflijk rijk maar jong en wondermooi is”.

Ik ben ongetrouwd gebleven en verlies met de uitgave van dit boek de laatste kans om het nog ooit te geraken.

Trouwens eigenlijk hadden Boy of Bram dit verhaal moeten schrijven, want ik ben meestal slechts toeschouwer of lijdend voorwerp bij hun malligheden geweest. Maar ze bezweren beide daar geen tijd voor te hebben. Overigens moet ik bekennen, dat hun taal aan het verbasteren raakt. Boy schrijft geregeld „wel” met een dubbele l, gebruikt uitdrukkingen als „ik schud handen met je”, onderteekent met „yours truly” en beweerde onlangs, dat de ontdekking van een bedrog in zijn bedrijf, hem verschrikkelijk had „opgezet”,—waarop ik hem engelsch zout aanraadde.

Bram begon verleden zoowaar een brief met „Beste Hangs” waarin ik een teeken van algemeene verchineezing meende te bespeuren. Ik vroeg dan ook om een portret, teneinde te zien, of hij al spleetoogen begon te krijgen, maar ontving als eenig antwoord een pakje, dat ik bij de romeinsche douane voor 12 Lire kon inlossen.

Nu had juist de postzegelsjaggeraar bij wien ik geregeld mijn canadeesche en chineesche zegels verpats als ik in geldnood zit, beleefd doch beslist geweigerd nog meer dezer rariteiten van me aan te koopen. Het duurde dus lang eer ik op mijn eerlijk gezicht—dat ik niettegenstaande alles behouden heb—de inlossom bijeen had. Ja, het duurde zoolang, dat de douane gelegenheid had tallooze kisten op het geheimzinnige pakje te stapelen en ik, thuisgekomen, bemerkte dat de chineesche theepot in gruizelmenten was. Voor een vriendenprijs en een lang gezicht nam de koopman hem over voor 7 Lire en 30 centesimi.

Toen schreef ik een onaangenamen brief aan Bram. Verleden zag ik hem (ik bedoel den theepot) opgelapt in de uitstalkast staan met het onderschrift: „Vero cinese”. Prijs 60 Lire.

Toen schreef ik een zéér onaangenamen brief aan Bram. Ik mag dan ook lijden, dat hij ten eeuwigen dage zal blijven lekken; (ik bedoel alweer den theepot).

Dit ter kenschetsing van onze huidige verhouding.

Boy was een nieuweling, had na de groote vacantie examen gedaan voor de vierde klas H. B. S. te Leiden, na in Den Haag met een „succes fou” te zijn gezakt.

We kwamen naast elkaar te zitten, stelden ons voor en zeiden „aangenaam”, waarop ik hem een stompje potlood leende, wat onmiddellijk door zijn zak in de voering van zijn vest terechtkwam. Boy besteedde den verderen ochtend met het nuttige voorwerp er uit te peuteren.

’s Middags hadden we boekhouden bij Koos. Koos was een onaangename man, wiens stem me steeds herinnerde aan muffe oudbakken beschuit. Boy had dadelijk een hekel aan hem en beweerde nooit een sikkepit van boekhouden te hebben begrepen; achteraf is het daarom heel verklaarbaar, dat hij zijn farm-zaken goed beheert.

Koos begon:

„Zeggen we nu eens dat A zendt aan B een chèque, groot 5000 gulden.”

„Zond ie ’m mij maar,” hoopte Boy.

„Wat zei je?” vroeg Koos, die streng wilde doen met den nieuweling.

„Nee—’t is al weer over,” verklaarde Boy.

„... Groot 5000 gulden,” hervatte Koos.

„Och man stik met je 5000 gulden,”—mompelde de nieuweling.

„Ik geloof dat je alwéer iets zei,” bekende Koos.

„M’n maag rommelde, ik krijg zoo’n honger,”—en mijn buurman geeuwde.

Het gezanik over de chèque ging weer door en Boy zat met een onverschillig gezicht naar buiten te kijken, waar de zon lokte.

„Wat doe je?” vroeg Koos, die al het land aan hem had.

„Ik?—ik kijk naar buiten.”

„En waarnáár kijk je dan?” kwam Koos, die Boy wel klein zou krijgen.

„Naar het dak,”—zei deze onverstoorbaar.

„En wat zié je dan toch op dat dak?”

„Een vlieg,” openbaarde Boy.

„En wat is er dan met die vlieg?” hield Koos aan, met ingehouden woede.

„Ik—ik kijk naar z’n holle kies, m’nheer.”

Een gevoel of al mijn gedarmte en verder innerlijk bezit in beroering kwam deed me naar de deur rennen, waar ik even vóór Boy aankwam, bij wiens loopen het been van Koos belangrijke diensten bewees. Boy gaf zijn overtollige snelheid aan mij af, kwam zelf tot stilstand en sloot netjes de deur, zeggend:

„Poppetje gezien, kastje dicht.”

Maar Koos’ hoofd verscheen weer:

„Naar den directeur!” brulde hij.

„Ja straks, even uitlachen,” hinnekte Boy.

Maar toen de leeraar weer opstuiven ging, tolden we beiden de trap af en stonden opeens, zonder kloppen, in de directeurskamer.

De Dirk keek vreemd naar onze roode hoofden, onze tranende oogen.

„Wat komen jullie doen?”

„We zijn er uitgedonderd,” verklaarde ik, lichtelijk in de war.

„Wàt?” kwam de Dirk.

„We zijn er uitgebliksemd,” verzachtte Boy en ging opeens heel oneerbiedig zitten, met den zakdoek voor den mond.

„Er zit inkt aan je zakdoek,” merkte ik nog op.

„Wel, alle goden!” schreeuwde de Dirk, die een klassieke opvoeding affecteerde.

Voor de eerste maal zag ik den Dirk nijdig, terwijl hij toch indertijd heel kalm gebleven was, toen hij onverwacht den ganghoek omkwam en ik—die een ánder stond op te wachten—hem pardoes een vuilen krijtlap in het gezicht sloeg.

Het duurde een poosje eer Boy het voorval had kunnen vertellen.

„En wat heb jij daarmee te maken?” wendde de Dirk zich tot mij.

„Ik—ik moest zoo láchen,” jammerde ik.

Toen schreef de Dirk twee brieven aan onze ouders, deed boos de deur achter ons dicht. We gingen een borrel drinken in den „Vergulden Turk” en Boy miste den haagschen trein, waarop ik hem ten eten uitnoodigde en na de soep terloops den brief aan mijn vader gaf.

Het gesprek vlotte toen niet erg meer.

Na tafel bracht ik Boy naar den trein.

„Lekker gegeten,—maar over het algemeen weinig conversatie,” meende hij, het portier dichtslaande, waardoor de dop van een heer, die er net nog even uit wilde, gekneld raakte.

„U doet beter uw hoed voortaan in het netje te leggen,” raadde Boy, „tenzij u de voorkeur aan een deukhoed geeft, hoewel ik niet geloof dat dit model u staan zal...”

Toen reed de trein gelukkig weg.

En Bram?... Bram was de man die uit de lucht viel. Hij komt in het volgende hoofdstuk.

HOOFDSTUK II.

DE MAN DIE UIT DE LUCHT VIEL.

Het was einde September. Boy had den delftschen groentijd achter den rug en besteedde elken morgen een uur tijd en tevens veel cosmatique en andere vetten om een scheiding in zijn korte haren te trekken; het was die bezigheid, die hem belette wat anders uit te voeren. Ik was in Den Haag komen wonen om me voor het staatsexamen voor te bereiden; waaróm heb ik eigenlijk nooit geweten. Kortom, we zaten aan het scheveningsche strand, ieder in een badstoel.

„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy.

Nu hadden we al héél wat gedaan. Den vorigen avond dronken we in den Kurhaus-bar vele whisky’s and soda’s en verschillende globbers en aan het einde van den avond was ik bijzonder familiaar met de beide Ramagnano’s geworden en toonde toen reeds mijn toekomstige sympathie voor Italianen. Boy beweerde, dat ik de roode jasjes had willen aantrekken, maar Boy was zelf niet helder meer; ik weet alleen, dat ik een heelen tijd heb zitten morrelen om in lijn 10 in te stappen aan den kant waar het hekje dicht was en dat ik—door de tram loopend—in een verraderlijke bocht op den schoot van een dikke dame ben gevallen. Boy beweerde alweer, dat ik toen iets gemurmeld heb van: Pardon mevrouw, mag ik even bij u komen zitten?—maar ik herhaal het—Boy was zelf niet lekker en stond op het achterbalcon aan een heer uit te leggen, dat het toch zoo vreemd was dat je in Holland nooit watermeloenen zag, terwijl er toch zoo’n boel water was. En toen de heer dat beaamde en het ook heel vreemd vond, vroeg Boy:

„Van watermeloenen gesproken,—kent u die overeenkomst tusschen een lantaarnpaal en een kanarievogel?”

„Nee,” zei de heer, die Boy au sérieux nam.

„Wel,” legde Boy uit (tegenwoordig zou hij well zeggen)—„heel eenvoudig: een kanarievogel zinkt—ziet u—en een lantaarnpaal—nou, die is óók van ijzer.”

Daarop had Boy bij mij een glas melk gedronken en was op mijn canapee ingedut. Midden in den nacht hoorde ik hem voordragen:

„de po—de po—waar is de po gebleven? de po—de po—waar heb je ’m nou gezet? de po—de po—’k moet overgeven? de po—de p—ááh—álles in m’n bed?”

en ik spróng uit m’n dekens, liep naar hem toe:

„Ben je niet lekker?”

„Lekker als kip,”—gromde hij, en raadde toen aan:—„Geef ’m nóg een schop—hij is nog niet dood,—je ziet toch wel dat die kip geen eieren meer kan leggen.”

Toen liet ik hem maar liggen.

We zagen er ’s morgens eenigszins onfrisch uit en besloten op den Baf wat te gaan „schooieren”, om weer bij te komen. Maar na een uur spelens bekende Boy, dat zijn armen zoo lam waren alsof hij den heelen nacht koffie had gemalen, en kort daarop, bij een verwoed netspel, joeg hij me een bal in het gezicht. Toen ik de scherven van mijn lorgnet ineen te passen stond, en Boy droogjes opmerkte: „Ja zóo heeft het gezeten,”—kwam er een jongmensch met een meisje en moesten we de baan af. Datzelfde jongmensch, en jammer genoeg niet het meisje, kwam dien middag op mijn hoofd vallen, terwijl Boy Edgar Allan Poe’s „Raven” verdietschte.

Maar dat komt nu.

„Zeg—suffert—geef eens antwoord;—wat gaan we noú doen?”

Ik had zin in paardrijden, maar bedacht, dat er al een kleine scheur in het kruis van mijn broek zat en zei toen:

„Laten we een eind oploopen.”

Zoo deden we en lagen daarna tegen de duinhelling, dicht bij de batterij, en Boy was met zijn vertaling al gekomen tot de vloeiende verzen van:

„Ik geloof waarempel datte er is iemand aan de vensterlatte, alleen maar datte en niks nie meer.”

En ik verbasterde Perk’s „Iris” door den bekenden variant:

„Ik ben geboren in Apeldoorn en m’n zuster in Zierikzee”

toen er een hoop zand in m’n nek schoot, ik een verschrikkelijken bons op m’n hoofd voelde, een groote schaduw over me heen zag schieten en ná al die onaangename ondervindingen het jongmensch van de tennisbaan ontwaarde, die zijn lorgnet opdolf, zijn hoed opzette om dien vervolgens weer af te nemen en te zeggen:

„Pardon, mag ik me even voorstellen? m’n naam is Bram.” [1]

Boy sprak van een „blijde verrassing” en ik dreef de conventioneele leugen zoover door „aangenaam” te zeggen en voegde er aan toe dat ik óok gaarne mijn hoed zou afnemen, als het jongmensch er niet op zát. Hij stond op, bood me te zamen met vele verontschuldigingen mijn platgekraakt hoofddeksel aan.

„Ik ben boven op het duin uitgegleden,”—legde hij uit—„en ’k kreeg zóó’n vaart, dat ik me niet meer houden kon.”

„Dat heb ik gevoeld,” merkte ik op, terwijl ik ondervond, dat de stroohoed aan alle pogingen om hem in fatsoen te herstellen een wanhopigen en beslisten weerstand bood. Boy beweerde inmiddels, dat zijn sigaar van den schrik was uitgegaan en maakte van de gelegenheid gebruik er een aan Bram aan te bieden, terwijl deze bezig was zijn zakken en schoenen van zand te ledigen. Bram nam de sigaar en ging er bij zitten, na voorzichtigheidshalve gevraagd te hebben of hij ons niet „ophield”. Boy en ik waren beiden bijzonder vriendelijk, want we hadden het meisje gezien en opgemerkt, dat Bram op den Baf een club had; dat was meer dan ooit—afgezien van de oorspronkelijke wijze van kennismaking—een reden om aan te pakken.

Bram bleek student in de letteren te Leiden te zijn ná het haagsche gymnasium met veel horten en stooten te hebben doorloopen. Het feit dat hij een a-gymnasiast was verklaarde me onmiddellijk zijn onhandigheid om net op mij te ploffen, terwijl er toch links en rechts plaats te over was. Bovendien vertelde hij bezitter van een zeiljacht te zijn.

„Wat zullen we noú doen?” vroeg Boy weer.

„Laten we een kop thee in den Bar drinken,” stelde Bram voor, wiens voorliefde voor thee tóen reeds bleek.

„Ja—denk je dat ik voor gek met dien hoed loop?”—wierp ik tegen.

In de galerij kocht ik een nieuwen; hij was van de laatste mode, stond me belachelijk, zat me ongemakkelijk en kostte peperduur. Toen stapten we den Bar binnen, die er verdacht leeg uitzag. Slechts in den binnenzaal zat een lawaaiig groepje jongelui, waarvan er een dadelijk op Bram afstoof.

„Goeie genade,” zei Bram—„Dirk is weer zat.”

Maar zatte Dirk had de armen al om zijn hals geslagen en na in éen adem te hebben verteld, dat ze al in geen twee nachten naar bed waren geweest, dat één van hen in de kast zat en dat men voor dien avond een reusachtig diner bij Levedag in Leiden had besteld, vroeg hij,—bête lachend:

„Zeg Bram—wil je me even aan die ridders voorstellen?”

Dat gebeurde en we moesten bij het troepje losgelaten lawaailingen komen zitten.

Nu is er niets onaangenamer, dan met een nuchter hoofd temidden van een verfoven gezelschap terecht te komen, en om dat ongemak te bezweren zijn er twee middelen: óf uitknijpen, óf zoo gauw mogelijk zélf de hoogte krijgen. We besloten tot het laatste. Een paar ferme cocktails hadden ons gauw op het gewenschte peil gebracht. We sloegen óok op tafels, smeten óok met brokken ijs, braken óok glazen stuk, schreeuwden óok onhebbelijkheden tegen degenen, die zich in den Bar waagden; kortom we werden even kwajongensachtig als de anderen.

Van het diner kwam echter niets door de ruziezucht van zatte Dirk. De koetsier wenschte een gulden méer omdat Dirk de zweep gebroken had en Dirk antwoordde, dat hij zich opblazen kon; toen merkte de kaartjesknipper op, dat het eendaagsch retour niet meer geldig was en Dirk vond dat hij voor zijn part doodsputteren kon. Daarop kwam de A. K. O. en bood het „Leven” aan, maar Dirk meende dat er al leven genoeg was—wat een feit mocht heeten, want onze trein reed juist weg—en toen begon de A. K. O. sarrend te zingen: „Iö vivat, iö vivat—de studenten benne zat”—en kreeg van Dirk een schop in zijn zitdeelen. Na al die uitputtende discussies viel Dirk in de wachtkamer in slaap.

Boy, Bram en ik, die nog steeds de hoogte hadden, zochten elders vermaak, voor zoover dat in een station te vinden is.—Bram—een meisjesgek—bood viooltjes aan de juffrouw van den krantenkiosk, die in voortdurenden onmin met den brutalen A. K. O. leeft; Boy stond rechts en links te zoeken naar de klok en vroeg toen aan een heer waar dat ding gebleven was. Deze wees hem, hoe hij er juist onder stond, waarop een ingewikkeld sterrenkundig gesprek volgde over Greenwichtijd, daar Boy niet meer snapte of die klok nu twintig minuten vóór of achter was. Daarop stak hij een sigaar op en vroeg aan den heer of deze al die nieuwe zweedsche lucifers had gezien, die den kop aan den anderen kant hebben, waarop de aangesprokene zeide, dat—als Boy hem vernachelen wilde—hij dan vroeger bij de hand moest wezen. Maar Boy is een vredelievend mensch en vertelde hem een groot geheim, een wonderbare uitvinding—doodeenvoudig, voor de hand liggend, maar je moest er maar op kómen: hij wou een fabriek opzetten van theekopjes en ketels, nachtvaatwerken en andere, met het oor aan den anderen kant voor personen die links waren. Waarop de heer „stik” zei en Boy antwoordde: „na u, m’nheer.”

Nog mompelde de verbolgene: „Ik ben gek dat ik met u praat,” en Boy boog, zeggend: „Ik ben te beleefd om u tegen te spreken.”

Toen kwam de trein. Ik duwde Dirk die riep: „Ja—juffrouw.” Ik gaf hem nog een stomp en Dirk vervolgde: „Brengt u me het scheerwater?” Een derde opstopper bracht er: „Heeft de post iets gebracht?” uit en toen deed Dirk zijn oogen open, keek stompzinnig rond en vroeg: „Hoe laat is het?” Het kostte veel moeite hem tot opstaan te bewegen en in de haast kwamen we in een eerste klas terecht, waar Dirk onmiddellijk weer indommelde.

Boy trapte bij het binnenstormen een oud heertje ongemakkelijk op den voet en schreeuwde meteen:

„Au—god vertroost me—wat een harde teenen heeft die m’nheer.”

„Lompe vlegel—kijk waar je loopt,” stoof de ouwe heer met pijn-vertrokken gezicht op.

„Zet uw voeten niet onder de mijne,” woedde Boy terug en toen even de werkelijk groote beenuiteinden beschouwend:

„Als je zulke groote voeten hebt, neem je een coupé alléen.”

Toen stak Boy een sigaar op. Maar het ouwe heertje dat op bersten stond, snauwde:

„U kunt hier niet rooken!”

„Ikke wel—ziet u?” en hij pufte den rook in zware walmen uit. „Het is heel gemakkelijk, of hebt u het nooit kunnen leeren?”

„Ja maar—het is geen gewoonte...”

„Och—ik heb geen bijzóndere gewoonten,—ik rook als ik er net zin in heb.”

„Het is verbóden m’nheer,” en het ouwe heertje timmerde met zijn stok op het plaatje „Verboden te rooken.”

„Sla al het émail er nou niet af,” raadde Boy gemoedelijk.

„En ik zal in Voorschoten den chef roepen.”

„Een kennis, of familie van u?” informeerde Boy. „Onze dienstmeid is ook getrouwd met een stationchef, in Zaltbommel meen ik; heel sympathiek vak, alleen die roode pet—een beetje schreeuwerig.”

Bram zat het bekende wijsje te neuriën van: „Il est cocu le chef de gare”—en ik zat te bepeinzen, dat Boy ons in allerlei onaangenaamheden zou brengen.

„Kom Hans—kijk niet zoo donker, ben je nu niet blij, dat straks die m’nheer met die rooie pet naar ons komt kijken.”

Toen stopte de trein in Voorschoten en het oude heertje smeet het portier open en begon driftig den chef te wenken, maar toen deze kwam zei Boy,—vóor dat het puffende heertje iets kon uitbrengen:

„Chef—zet dien m’nheer er uit,—hij rijst op een tweede-klas-kaartje.”

„M’nheer,” stoof het heertje op, een beroerte nabij.

„Laat die m’nheer z’n kaartje wijzen,” hield Boy vol. Het wás een tweede-klas biljet. Het heertje werd er uitgezet en de trein reed weg.

„Wel,” zei ik, „dat heb je ’m handig geflikt. Hoe wist je dat?”

„Nou—ik zag ’m zijn kaartje in een ander vestzak steken en... nou, het had dezelfde kleur als het onze.”

Toen ging er zoo’n donderend gelach op, dat Dirk wakker werd en soezig vroeg: „Zijn we er al?”

„Och mafzak—we zijn al haast weerom,” zei Boy, die smakelijk te rooken zat.

HOOFDSTUK III.

BOY VALT IN HET RAPENBURG.

We lieten de dineerenden in Levedag voor wat ze waren en gingen naar de Harmonie. Het eten bedaarde ons aanmerkelijk, al beweerde Boy ook, dat de biefstuk smaakte alsof je een klap in je gezicht kreeg. Toen we na afloop buiten een kleintje koffie dronken zat alleen Dirk, pufferig-soezend, er zijn sigarenasch in af te tippen, en viel eindelijk in slaap. Bram maakte daarvan gebruik om ons over het „type” in te lichten.

Nu wás Dirk een „type.” Zijn schatrijke ouwe gaf hem net zooveel geld als hij hebben wilde, op voorwaarde, dat zoontjelief geregeld van zijn uitgaven boek hield. Elken Zondag, als Dirk in Amsterdam het ouderlijk huis opzocht, moest hij het grootboek overleggen. Daarin las de vader soms rare posten: tusschen „Een bus sardientjes” en „Een paar tennisschoenen” en andere uitgaven van huishoudelijken aard, stonden meer intieme posten geboekt die, al naar gelang Dirks ingeving, wonderlijk wisselden. Dán stond er „Homo sum et nihil humani a me alienum puto—20 pop”, of, „Het ewig weibliche zat me weer verbazend dwars”. Dán was het weer: „Door gebrek aan bagage in hotels geweigerd en derhalve vrouwelijke gastvrijheid aangenomen”, of, „Ik ben nu eenmaal niet van hout of ijzer”, en papa betaalde.

Dirk ook voelt zich hevig aristocraat: toen een groen zich voorstellend zei: „M’n naam is Jansen”, antwoordde Dirk: „Dat moet bijzonder onaangenaam zijn”.

Eens belde Dirk, in het holst van den nacht, een gepensionneerd majoor op, die in een advertentie om een reisgenoot voor Zwitserland had gevraagd. Toen de oude ijzervreter, huiverend en vol kwade voorgevoelens, in de deur verscheen, vroeg Dirk: „U wenscht een reisgenoot?” „Ja, maar wat heeft dát...” „Ik wou u alleen maar even zeggen dat ik vást niet meega”—en Dirk was weg.

Toen we om dit laatste staaltje grinnikten werd het „type” wakker. Met reden, want hij had met zijn sigaar zich door de broek heen in de dij gebrand.

„Wéer een nieuwe broek op het grootboek,” merkte Bram op.

„Ja,”—zei Dirk slaperig—„maar wat het beroerde is—het is al de derde, die er van de week aangaat. Nu heb ik niets meer over dan een tennisbroek,—dat was die van m’n gekleede jas en... godallemachtig ja!—dat is waar ook, morgen moet ik naar een bruiloft!”

„Je zult er frisch aankomen,” schaterde Bram.

„Heb jij er geen voor mij te leen?”

„Laten we maar eens kijken,”—en we gingen naar Bram, die boven een bakker in het Noordeinde woonde. We dronken een cognac terwijl Dirk de broek paste, die hem te klein bleek. En ná dit mager resultaat dronk Dirk óok een cognac en stelde voor bij andere vrienden te gaan passen. Het werd een ommetocht en van mijn leven heb ik niet op één avond zóoveel trappen geklommen, zóoveel kamers bewonderd, zóovele „aangenaam-kennis-te-maken” gepreveld, zóoveel dranken dooreen gedronken en zóoveel broeken naar hun snit en zitwijze beoordeeld.

De gevolgen bleven dan ook niet uit. Ditmaal openbaarden ze zich het eerst bij Bram. Hij was sullig, lacherig, vroeg telkens, als we bij een nieuwe vriend aanbelden, met een lijzige stem:

„En naar wie gaan we nóu toe, als we hier geweest zijn?”

Middelerwijl paste Dirk, telkens de broek weer uit- en aantrekkend en de steeds volgende ontgoocheling weer verdrinkend, tot hij ten slotte lastig werd, beweerde, dat het eeuwige aan- en uittrekken van zijn beenkleedingstuk hem verveelde en dat hij best zónder de straat op kon om elders zijn geluk te beproeven.

„Ben je mal, dat laat je maar,” vond de bezitter van de kamer.

„En waaróm niet?”—vroeg Dirk.

„Voor de menschen.”

„Nou—wat kan mij dat schelen? Is het geen nette onderbroek soms?”

„Héel net,”—kalmeerde de kamerbezitter.

„Er staat zelfs een kroontje op,” zei haatlijk Boy, die wars was van zulk onnuttig vertoon.

„Probeer deze nog eens,” raadde weer het jongmensch van de kamer.

En—de hemel zij dank,—die broek páste, zat—zooals Bram met lodderoogen in een coupeurs-taaltje beweerde, als „geschilderd.”

Dit geschiedde op de een en twintigste kamer, en werd met veel whisky en weinig soda gevierd.

Op straat droeg Dirk de broek vol triomf over zijn arm.