Chapter 2 of 9 · 3988 words · ~20 min read

Part 2

Bram lachte om alles: om zijn sigaar die was uitgegaan, om de paardentram die voorbijreed, om het trottoir wat hem te smal bleek, maar vooral om Dirk met de broek. Af en toe stelde hij geregeld de vraag:

„En naar wie gaan we nóu toe?”

Zijn kamer lag op onzen weg en we besloten er óp te loopen. Maar tot Bram drong niets meer door en toen hij, sullig lachend, op zijn eigen stoep stond en Boy hem de sleutels uit den zak vischte, vroeg hij alweer:

„Naar wie gaan we nóu toe?”

Maar in de bekendheid van zijn kamer kwam hij los: het was een merkwaardige ommeslag:

„Jongelui—je kunt hier doen en laten wat je wilt. Alleen—als je wat dóen wilt, dan is het in de gang, tweede deur links en als je wat làten wilt,—nou—dan maar wat zachies.”

En na deze verbijsterende woordspeling klom hij op de sofa, haalde van een wapenrek een kromme turksche sabel, dook er mee in den bakkerswinkel, waar hij als dolleman in de raamkast te steken begon.

„Dood zulle jullie, dood,—en opgevreten zulle jullie wezen!” schreeuwde hij bloeddorstig, terwijl in lange rij zich regen cadetjes, krentebollen, knipjes, fluitjes, roggebroden en ánder bakwerk aan het kromme zwaard. Bovengekomen, liet hij ze neerregenen op de tafel, toen hij het zonderlinge broodmes door zijn uitgespreide vingers trok. Daarop dook hij weer in den winkel, waar we hem vloekend te keer hoorden gaan. Dan was er een bonken van belang op de trap, als het trappelen van weerbarstige paardenpooten.

„Jongelui, ik heb vier eieren!”—Gestommel en gevloek, en dan weer: „Jongelui—vier eieren!” en wéer oorverdoovend houtgebonk. Eindelijk verscheen hij in de kamer. De kleeren waren van boven tot onderen besmeerd en bekleefd met eierstruif en schalen; maar met een zaligen glimlach hield hij tusschen duim en wijsvinger éen ei, dat uit een breede barst een langen witten draad verloor.

Dirk was inmiddels uit de kamer verdwenen en we meenden dat hij de tweede deur links in de gang had opgezocht. Trouwens hadden we werk te over met Bram, die met de sabel naar de boter in het vlootje stond te prikken. De klont tolde telkens koppig rond, tot Bram het vlootje in tweeën hakte en met den vollen klont aan de sabelpunt rond begon te paradeeren, boterstreepen vegend langs het behang, langs de gordijnen,—boter kwakkend op stoelen en schrijftafel, boter doende sissen tegen de lampeglazen waarvan er éen, met een nijdigen knap, in scherven viel. Toen het in Brams bedoeling bleek te liggen ook ons een boterbeurtje te geven, grepen we hem hardhandig vast en sleepten hem naar de tweede deur links in de gang, waarachter we hem opsloten. Trouwens Bram, plichtmatig, schoof zelf van binnen het bordje „bezet” er voor. Daar kon hij beboteren wat hij wilde.

Toen gingen we Dirk zoeken en vonden hem in de slaapkamer bezig met een tennisracket een slof door het vertrek te meppen. Juist bij ons binnenkomen had hij met een meesterlijken back-hand de slof in de spiegelkast gejaagd en stond nu krom van het lachen, zijn schaterverwrongen gezicht in den spinnenwebbig gebarsten spiegel aan te gieren. Eindelijk hokte hij eruit:

„Champignon du monde,—champign... heb je dàt gezien?—nee—zeg—hè—zeg—hebben jullie dààààt gezien!?”

Hij was er heelemaal door van streek, overmachtigd door een onbedaarlijke lachstuip, die niet verminderde toen Bram de deur van zijn gevangenis opentrapte en hem de rest van de boter onverwachts op zijn bol kwakte. Integendeel, toen werd het hem zóo machtig, dat hij op Brams bed neerviel en in krampverwringing hikkend, hijgend, in gorgelgeluiden zijn telkens opknallenden lach verstikkend, zijn botervet hoofd op de kussens rondwentelde.

Allengs kwam de algemeene opwinding wat tot bedaren, werden eieren gekookt, die we met veel krentebrood opaten.

Dan vertelde Dirk, dat hij thuis nog een heele boel flesschen likeur had staan, tusschen de schoenen in zijn kleerenkast, en dat die noodig gekeurd moesten worden.

Dirk woonde op de Hoogewoerd, boven een sigarenwinkel. Toen we—na het eten ten tweeden male wat bedaard—de gezellige kamer binnentraden, konden we wel geen van allen vermoeden, dat deze weldra zou uitzien alsof er een verwilderde muilezel in te keer was gegaan.

Het begon dan ook heel gewoon. Een voor een werden de flesschen Triple Sec, Grand Marnier, Chartreuse, Sherry Brandy, Menthe, Kümmel en zoo meer, ontkurkt en gekeurd.

Maar daarbij bleef het niet. Dirk beweerde mal van vuurwerk te zijn en stak derhalve een paar maquart-boeketten op den schoorsteenmantel in brand. En terwijl wij de fel laaiende, vonken spetterende dingen trachtten te bemachtigen, vond Dirk het een ware ontspanning om in zijn eigen lamp te klimmen. Hij was al een eind op streek toen de rozet uit de zoldering losliet en zatte Dirk met een gerinkel van lampeglazen, hard bonzend geplof van looden tegenwichten en stuivend gepoeier van kalk, op de tafel neerviel tusschen de gezellige likeurflesschen. Toen in de plotselinge duisternis de reusachtige herrie wat bedaard was en ook Dirk wonderlijk kalm bleef temidden van den wanhopigen rommel, waarin we hem raadden, hoorden we onheilspellend het gas uit de leiding suizen. En daar...

„Lucifers!” brulde opeens Dirk.

„Ben je bezeten! Draai den meter af!” bulderde ik.

Boy was al weg, viel in éen smak de onmooglijk steile trap af. Bram wierp de ramen open, kwakte de nog smeulende boeketten met vaas en al de straat op. De suizing boven ons hoofd hield aan, de gaslucht werd weeig, terwijl Dirk met moeite in bedwang te houden was. Na zijn diepzinnig stilzwijgen van zooeven, begon hij nu te brullen en te loeien als een pampa-bisson:

„Maak licht—ik wil licht!—Laat me los—laat me lós—of ’k sla je je oogen dicht!”

We bleven lauw bij de rijmende bedreigingen, en toen eindelijk de gasuitstrooming ophield en Boy, gierend van het lachen nu, de trap opgestrompeld was, werd Dirk opgenomen en in zijn slaapkamer op het bed gesmakt. Bij een zenuwachtig-dansend kaarslicht merkten we dat hij bloedde. Het gebroken glas had hem leelijk gehavend en een groote bult op zijn hoofd bewees, dat de gewichten van de lamp niets mée hadden gegeven. We verbonden hem met hand- en zakdoeken, lieten hem toen maar liggen.

Maar nauwelijks buiten op straat gekomen, vlogen er glasscherven rinkelend naar beneden en terwijl riep Dirk, die zonder eenig benul meer, zijn hoofd kalm door de ruit had gestoken:

„Wacht even—ik kom óok!” en het hoofd verdween.

We stonden nog al maar met de stomste verbluffing naar de gebroken ruit te staren, toen de winkeldeur openging en Dirk, in den dos van zijn vreemde verbanden, de stoep weer opzwaaide. Dat was ons te machtig. Zonder op zijn verwoede tegenspraak te letten, werd Dirk de steile trap weer opgesjord en op het bed met zijn bretels vastgebonden; dekens en kussens begroeven verder zijn drankbezeten lichaam.

Buiten op straat werd Boy door stiekeme lachstuipjes aangetast; de smak van de trap had blijkbaar het rare drankmengsel in zijn maag aan het gisten gebracht.

We togen een bakkerij binnen, deelden sigaren uit aan de knechts en Bram had de grootste belangstelling voor het bakken en kneden.

„Wel verdomme,” vloekte toen opeens de meelwitte bakker.

Zachtjes een rag-time fluitend, stond Boy in een deegtrog te dansen, de schoenen en broek ten deele verdwenen in éen groote kluit deeg, dat bij elken danspas lange strengen trok; hij leek hoeven te hebben als van een langharig middeleeuwsch ridderpaard.

„Wel verdomme,” herhaalde de bakker, „dat zal je betalen.”

„Is het niet meer te gebruiken?” schipperde ik.

„Gebruiken?—waar die met z’n vuile schoenen in heit gestaan?”

Ik schat hygiénische beginselen hoog en vroeg dus:

„Hoeveel is dat deeg waard?”

„Tien gúlden”.

„Tien—gulden?”

„Ja—en je kunt het me betalen.”

Er zat niets anders op en we wilden al heengaan, toen de ridderpaardhoevige Boy logisch opmerkte:

„Als we dat deeg betalen, willen we het ook hébben.”

En eer de bakker iets tegenwerpen kon waren wij er met den trog vandoor.

Nu wordt deeg aan de lucht zoo hard als cement en dus smeerden we er de sleutelgaten mee vol, smeten kwakken tegen deuren en uitstalkasten om den bewoners een aangename verrassing te bezorgen.

Boy liep zwaar op zijn deeghoeven waarin geen vorm van voet meer te bekennen was.

Zoo sjouwden we voort, met den trog, tot op het Rapenburg Boy een inval kreeg:

„Nou ga ik roeien.”

En hij liet den geledigden trog te water.

„Ben je nu heelemaal van de ratten gebeten?” informeerde ik.

„Hou je gedekt,” en hij klom behoedzaam in het wankelende ding. Bram, onwijs—gaf er een schop tegen, zoodat, heftig heen en weer kantelend, de lompe bak opeens midden in de gore gracht schoof. Boy trachtte te pagaaien met zijn wandelstok, riep:

„Zie je wel dat het best...” en toen sloeg natuurlijk de eigenwijze trog om. Proestend, blazend, temidden van een walgelijk geborrel van modderbellen, kwam Boy boven.

„Is het nogal nat?” vroeg Bram.

„Niet erg,—meer pappig,”—bekende Boy.

„Als je verzuipt roep je maar „kien””—raadde ik, in de verste verte niet beseffend hoe Boy, door de zware deegklonten aan zijn voeten, daar werkelijk kans op had. Boy zweeg—en dat is bij hem een veeg teeken,—ging weer onder, kwam weer boven.

„Kiekeboe!” gierde Bram telkens uit, als Boy’s hoofd, mal belicht in den valen ochtendschemer, onderdook.

Totdat hij eindelijk onze wandelstokken grijpen kon en aan wal werd getrokken. Hij zag er allersmerigst uit en stonk geweldig. Zonder iets te zeggen begon hij met zijn zakmes het cement-harde deeg van zijn broek en schoenen af te bikken. In volle aandacht voor zijn metselwerk, door het bad en den schrik nuchter geworden, was hij ongevoelig voor ons mal gelach en gaf geen antwoord op Bram’s raad, zich nu maar voor afbraak te verkoopen. Alleen vroeg hij even:

„Stinken jullie zoo?”

„Neen dat ben jij.”

„O.—Nou, dan kun je me een frissche morgen wenschen,” en ik begroette met een breeden grinnik den terugkeer van zijn geest. Deze was trouwens onmiddellijk daarop in volle werking toen een agent Boy achter een boom betrapte.

„Wat doe je daar?” vroeg de klabak onnoodig om inlichtingen.

„Ik?—ik doe een plesje,”—zei Dirk zéer haagsch.

„Mag ik dan uw naam maar eens weten?”

Boy gaf zijn naam en adres.

„Geboren?”

„Ja, wis en drie.”

„Wannéer bedoel ik.”

„Ja, dat is al zoo’n tijd geleden. Ik ben er wel bij geweest, maar ik herinner me niets.”

„Nou geen gekheid, anders ga je maar mee naar het bureau.”

Maar ik mengde me in het gesprek.

„Kom agent, maakt nou geen ernst,—je ziet toch wel dat de heeren het zoo niet meenen.”

„Heeren?—wat je maar heeren noemt,”—zei de agent, Boy van top tot teen monsterend en daarna Bram, wiens eierstruif besmeerde kleeding er bij de verwarring op Dirk’s kamer ook niet gunstiger op geworden was.

We moesten lang schipperen eer de agent zich met een eenvoudige bekeuring van Boy liet afpoeieren, hoewel hij toch wel voor een week te rooken had.

Op Brams kamer, voor de gebroken spiegelkast, ontdeed Boy zich van zijn onwelriekende kleedij en waschte zich met razernij. De heele kamer stond grauw van het smerige water. Toen wikkelde hij zich in een wollen deken en ging op de sofa maffen. Ik knikkebolde in een leunstoel en verlangde naar m’n kooi. Bram—zoo zelfzuchtig mogelijk—was in zijn eigen bed gekropen.

De vreugd was kort. Tegen zeven uur kwam de bakker boven, vroeg of de heeren nou toch eens met d’r eigen oogen kwamen kijken, wat een schandalige zwijnderij ’t in zijn winkel was. Heele plassen modderwater had ie zoo maar op de toonbank en op z’n brood gevonden.—Bram was niet te vermurwen. De bakker klaagde nog dat z’n vrouw op de trap in de eierstruif was uitgegleden en zich zóo helsch, zóo vuil an d’r elleboog had bezeerd, dat ze bijna van d’r zelve was gevallen; waarop Bram onlogisch verzekerde, dat hij het wel betalen zou.

Toen dommelden we wéer in.

Tot om tien uur Bram binnenstapte.

„Kerel wat zie jij er uit,” verwonderde ik me.

„Watte?”

„Man je ziet er uit als een beest. Wat doe je met al die smeerlapperij op je haar?”

„Op m’n haar? Groote goden—daar heb ik me op dat kussen vol boter gemaft.”

Na een waschpartij, die wel weer een zondvloed in den winkel beneden kon verwekken, kwam hij terug:

„Daar vind ik waarachtig de broek van Dirk.”

„Voor z’n bruiloft,” herinnerde ik.

„Wij moeten ’m uit zijn bed halen,” meende Bram.

„Hij zal er frisch uitzien,” geeuwde Boy, en liet er meteen op volgen, dat hij zich voelde of iemand hem met een knuppel op z’n rug getimmerd had. Dan uitte hij den rechtvaardigen wensch om gekleed te worden. Bram bood hem een pak aan, dat aan een jonger broertje van Boy mogelijk best gestaan had, maar waarin hij zelf uitzag als een uitgebroken galeiboef. De broek zat hem halfweg de kuiten: de naakte manchetlooze polsen staken griezelig uit de korte mouwen, terwijl de spanning onder zijn oksels hem bijna elke armbeweging belemmerde.

We ontbeten, gingen daarop naar Dirk.

„Wat mot je?” vroeg deze het verbonden gelaat uit de dekens heffend.

„Wij moeten niks,—maar jij moet naar je bruiloft.”

„Kan me niet verrotten.”

„Hier is je broek.”

„Heb geen broek noodig, ’k kan zóo wel gaan.”

„Gá dan ook.”

„Nee—’k ga niet.”

„Maar ze wachten je.”

„Laat ze wachten tot ze stijf zijn.”

„Nou—kóm nou.”

Maar Dirk was met een ander vraagstuk bezig. Met verbaasd-voorzichtige bewegingen betastte hij het hand- en zakdoeken verband, toen kwam hij langzaam:

„Verrek—wat heb ik nóu aan de hand?”

„Je heb je gesneden, vannacht—toen je in de lamp bent geklommen en je kop door de ruit hebt gestoken,” helderde Bram op.

„In de lámp geklommen, kop door de ruit gestoken?—Zeg—als je mij verneurieën wilt...”

„’t Is een feit,” hield Bram halsstarrig vol.

„Och man—je bent zat,” verklaarde Dirk verontwaardigd.

„Ga dan kijken op je kamer.”

„Zóo laat je me er niet invliegen,” meende Dirk katterig-wijs. En toen we het uitschaterden werd hij nijdig, werd het hem te bar dat daar drie jongelui hem in den slaap den kop verbonden en hem stonden te vernachelen. „En nou dónderen jullie op!”

En hij maakte een heftige beweging om op te staan, maar smakte meteen weer neer, terug gehouden door de bretels.

„Wat is dát—goddorie—wat is dat?” vroeg hij heelemaal van de wijs.

Boy maakte de bretels los.

„Jullie zijn flauwe bliksems,”—verweet Dirk nog—„een troep zatte, flauwe jongens.”

„Nou sta nou op.”

„Verrek voor mijn part.”

„Je bruiloft.”

„Niks bruiloft.”

„Ze wachten je.”

„Ze kunnen wachten tot ze er den horlepiep van dansen.”—En nijdig draaide hij ons den rug toe.

We gaven het op.

Boy en ik reden in de paardentram naar het station. Boy zag er uit als een verwilderde gek en had daarover begrijpelijkerwijze het land. Ik ontdekte, dat de scheur in het kruis van m’n broek, die me den vorigen dag van paardrijden deed afzien, ongewone afmetingen had aangenomen, en voelde me ook maar half in m’n nopjes.

Toen ik dan ook eindelijk—in de rustige gezelligheid van mijn kamer in Den Haag—met veel spuitwater me wat op streek zat te helpen, was ik met de beste voornemens voor de toekomst bezield.

Och ja—die goede voornemens!

Maar als het waar is, dat gezaamlijk verdriet tot vriendschap leidt, dan is het óok gewis, dat gezaamlijke vreugde of desnoods een gezaamlijke kater, tot goede kameraadschap brengt...

En deze nacht had Bram ons tot een goeden makker gemaakt. Ons zonderling gedoe in Leiden was een inleiding tot onze gemeenschappelijke ervaringen in Den Haag.

HOOFDSTUK IV.

DE TENNISCLUB.

Boy en ik waren lid geworden van Brams tennisclub, die den zonderlingen naam van „Mafkolder” droeg, zijnde de ongezochte afkorting van de alleszins aanmoedigende zinspreuk: „Met altoos flirten komt ons leven doorgaans ergens recht.”

Menigeen is het er krom mee gegaan, maar wij drieën voelden ons geroepen om vanaf de eerste intrede in de club ons aan het devies te houden. Overigens sloot de naam zelve in, dat niet altijd een flirtation eisch was; menige middag werd luierend in lange stoelen of in de duinen of elders vermaft. Aan tennisspelen werd echter weinig gedaan.

De Mafkolder bezat—als ik me zoo uitdrukken mag—menig aardig meisje. Er was Toos, blonde uitverkorene van Bram; er was Kitty, die een zwak voor Boy had en het grappig merken liet; er was Non, die voor eenige toenadering mijnerzijds vatbaar bleek. Dan waren er nog twee Lilie’s, die Boy, ter onderscheiding, tot Lilie-bleekneus en Lilie-propneus had gedoopt, welke benamingen weldra, tot ergernis der beide Lilie’s, kortweg bleekneus en propneus „archisec” werden.

De heerenleden waren meestal zoek, behalve een vervelende halfbloed, die Piet heette.

Boy sprak echter nooit anders dan van den katjang en had beslist een hekel aan hem, ten eerste omdát het een katjang was, en ten tweede omdat het jongmensch steeds poenig blufte op de duiten, die pa in de suiker had verdiend, en ten derde—naar ik vermoedde,—maar wat Boy nooit bekende—omdat de katjang het hof maakte aan lieve Kitty.

Boy had gezworen den katjang het leven zuur te maken; deze daarentegen, die in Boy een mededinger zag, trachtte hem diplomatiek voor zich te winnen; pogingen die aldoor faalden en menigen raken zet van Boy uitlokten. Kitty had dan steeds de grootste pret.

Zoo lagen we eens languit in de stoelen voor de tent en Boy maakte aanstalten om een sigaar op te steken.

„Neem er een van mij,” raadde de katjang, het „zijn heel goede havana’s van een kwartje.”

„Nee dank je, ik bèn al beroerd,” ketste Boy slagvaardig, en Kitty kreeg zoo’n gezellige lachbui, dat de bluffer geen raad wist. Dàt vergaf hij Boy nooit, vooral toen Kitty nog àl maar gierend zei:

„Wat een type ben jij toch, Boy!”

Waarop het type beweerde, dat hij eenig in zijn soort was, maar er bescheidenlijk aan toevoegde, dat het soort bar beroerd bleek.

Na elk zoo’n geleden échec trachtte Piet zijn verloren aanzien te herwinnen door hevig gedistingeerd te doen,—zijn indisch-hollandsch mengend met onbegrepen fransche woorden. Het was bij zulk een gelegenheid dat hij eens beweerde, „snert met verkensoreilles” zoo bijzonder delicaat te vinden en dat, terwijl Boy droogjes „delicieus” verbeterde, Kitty in één gierbui haar fiets greep en wegreed. Boy pakte toen oók zijn kar.

„Wat heeft ze—is ze souffrante?” vroeg Piet.

„Ja—mal de tête,” stelde Bram op de hoogte.

„Nee—mal van hém!” riep Boy, wegrijdend, Kitty achterna.

„Kassian,” zei de katjang, uit zijn rol vallend.

Vele waren de five ’o clock tea’s op mijn kamer, waar bleekneus en propneus ook genadiglijk werden toegelaten: maar de katjang bleef geweerd. Deze deed wanhopige slimmigheden om onze woonplaatsen te ontdekken, maar kreeg steeds onveranderlijk ten antwoord, dat we op het zeiljacht van Bram huisden.

„Waar ligt dat jacht dan?” had Piet eens gevraagd.

„In de Bierkade, bij de Wagenburg,” had Boy geantwoord. „Als je het zien wilt moet je gauw komen, want morgen liggen we weer ergens anders.”

Den volgenden dag verklaarde suikerpiet:

„Zeg—ik heb overal gezocht en niks gezien.”

„Zeker niet goed gekeken,” veronderstelde Bram.

„Hoe heet je jacht?” vroeg Piet, die er langzaam maar zeker wel achter zou komen.

„De Mallemolen,” verklaarde de bezitter, en de katjang vond dat niets gedistingeerd.

„Morgenmiddag liggen we aan de Pier in Scheveningen,” bracht Bram verder op de hoogte.

„’k Kom eens kijken,” beloofde Piet.

En zoo liep hij het spookschip achterna, wat heel kalm in Enkhuizen lag, waar Bram, na een stormachtigen tocht rond de friesche eilanden, het had laten opkalefateren.

De Mafkolder had op ons drieën een heilzame uitwerking gehad. Het „ewig weibliche,” wat Dirk in zijn grootboek zoo vaak gebruikte, had onze zeden eenigszins verzacht.

Boy trapte colleges in Delft en kwam dan stipt naar Den Haag terug; het verlangen om Kitty te zien deed hem zijn corpsplichten vergeten. Elken avond geregeld, en ook vaak ’s middags tegen vijf uur, kwam hij bij me oploopen, wetend dat, als het geen tennisweer was, er kans bestond eenige der meisjes bij mij te ontmoeten. Vaak bracht Boy ook—en het sloeg me met stomme verbazing—heusche boeken mee, waarin hij stil zat te staren zonder er een woord van op te nemen. Hij was zoo jammerlijk verliefd! Toch had hij den goeden smaak mij niet met zijn minnepeinzerijen lastig te vallen, en bleef hij in den omgang hetzelfde vroolijke, brutaalgeestige type.

Met Bram was het óok al mis. Hij was haast nooit meer in Leiden te bekennen, maar leefde zoet bij zijn ouders in den Haag, die aan iedereen die het hooren wilde, bekenden dat Bram wel niet veel wérkte, maar toch tenminste óok niet meedeed aan al „dat liederlijke dronkemansgedoe in Leiden.”

De gastvrije plichten deden me veel thuis blijven,—je wist nooit wie er komen kon;—en in afwachting van mooglijk bezoek was ik, uit verveling ... gaan werken.

Zoo was ik juist bezig al de hinderlagen, die het gerundium en het gerundivum iemand leggen kunnen, ná te vorschen en trachtte ik tevens mij het begrip van den ablativus absolutus eigen te maken, toen er geklopt werd en Kitty binnenkwam.

„Stoor ik?” vroeg ze leuk.

„Je weet wel beter.”

„Zet je thee? Ik heb lekkere theekransjes meegebracht.”

„Zeg Kitty wat is dát? Als jij zoo vriendelijk bent vertrouw ik je niet. Je hebt me zeker noodig?”

„Verbéel je!” en meteen liet ze er onhandig op volgen:

„Komt hij vanmiddag?”

„Daar héb je het al,” zei ik berustend in het begrip, dat ze heusch niet voor mij kwam.

„Och flauwe jongen! Maar zég nu, komt hij?”

„Welke hij dan toch?” treiterde ik.

„Boy natuurlijk.”

„O—en nog wel natúurlijk! Trouwens als een meisje van „hij” zonder meer spreekt, dan is het al zoo klaar als een klontje.”

„Nare sar!” riep ze kleurend: „ik ga weer wég hoor!”

„Als je de koekjes maar hier laat. En als Boy je dan niet meer vindt?”

„Dus hij kómt?”

„Zou je dat zoo graag willen, Kitty?”

„Weet je wat je bent? een enge zeur...”

„Zoo die zit,” zuchtte ik.

„Nou, hier heb je een koekje,” deed ze goedig.

Ze wás een leuk, gezond kind, juist iets voor Boy vond ik, en daarom wilde ik nog maar eens uithooren.

„Waarom breng je Non nooit mee?”

„Wou jij dat zoo graag?” plaagde ze op haar beurt.

„Och, dan heb ik tenminste gezelschap.”

„Ben ik dan geen gezelschap?”

„Nee, want je komt hier niet voor mij. Wat sterker is,—ik geloof zelfs dat je die koekjes niet voor mij meebrengt.”

„Heusch wel,” deed ze erg oprecht.

„Bij wijze van verzachtend middel, om me zoet te houden.”

„Hè wat bén je flauw!”

„En als het dàt niet is,” ging ik onverbiddelijk door, „dan is het—zooals ik al zei—omdat je iets van me noodig hebt.”

„Je hebt gelijk,” zei ze, grappig kleurend, „ik hèb iets van je noodig.”

„Vraag dan maar.”

„Je moet...” begon ze aarzelend; dan opeens heel beslist: „Zul je het aan niemand, aan niemand vertellen?”

Ik beloofde het, zwerend op het hoofd van m’n hospita, die er wel eens in had kunnen loopen.

„Je moet me antwoorden op een paar vragen.”

„Over Boy,” zei ik boud.

Ze zweeg,—zat er mee in.

„En jij houdt wel van hem, nietwaar?” vroeg ik verder.

„Ik moet jou niet antwoorden, maar jij mij,” gaf ze gevat terug, en ik bedacht dat ze in slagvaardigheid het wel tegen Boy opnemen kon.

„Nou kom Kitty, ik ben in een malle bui, maar nu belóof ik je, dat ik je zal laten praten.”

Ze keek me schuchter aan.

„Jij bent een goede vriend van Boy hè?”

„Ja—een heél goede.”

„Vertel me dan eens—eerlijk hoor—is hij—wat zal ik zeggen?—doet hij wel eens rare dingen?”

„Wat bedoel je?”

„Och,”—zei ze, trappelend met de voetjes—„maak het me nu toch niet zoo moeilijk.”

„Je bedoelt of hij boemelt?” hielp ik.

„Ja en...”

„Kijk eens Kitty—we hebben allemaal wel eens te diep in het glaasje gekeken en malle dingen uitgehaald,” deed ik vergoeielijkend.

„Wát voor malle dingen?” kwam ze zakelijk.

„Och, de boel stuk geslagen, menschen voor den gek gehouden. Maar stiekeme drinkers of zoo—dat zijn we niet.”

„Ja maar, ik bedoel ándere dingen,” aarzelde ze.

„Gescharrel met vrouwen,” kwam ik bot, de dingen bij hun naam noemend.

„Ja,”—lispte ze.

„Beste Kitty, hoe kom je zoo argwanend?” glimlachte ik.