Chapter 9 of 9 · 2460 words · ~12 min read

Part 9

„Beste Loekie, we kunnen niet bij elkaar blijven,” bekende ik week, het kind op mijn schoot trekkend.

Ze begreep toen ik haar alles uitlegde.

„Na zes maanden zouden we tòch van elkaar afmoeten,—zou ik geen cent meer hebben,” besloot ik.

Ze keek me aan:

„Ben ik er schuld aan dat het misgegaan is?” vroeg ze zachtjes.

„Welnee,” jokte ik, „welnee; alleen is het gemeen van me, dat ik je nu weer alleen moet laten.”

„Zeg maar niet dat ik het niet ben,” kwam ze stil.—„Ik heb nooit om het geld gedacht, en ik wist toch dat je niet rijk was.—’t Is heelemaal mijn schuld.” En ze begon te huilen.

„Kom, kom—als het me lúkt in het buitenland, kom ik terug, trouwen we. Als het niet lukt dan ... dan moeten we elkaar maar vergeten Loekie.”

„Arme jongen!” snikte ze, zichzelf niet tellend.

„Arme Loekie,” beklaagde ik haar.

„Heb je er spijt over,—over wat je voor mij hebt gedaan?” vroeg ze.

„Ik heb er spijt over dat ik je alléen moet laten,” kwam ik somber.—„Jij hebt me je lach en je jeugd en jezelf gegeven,—daár zal ik nooit spijt over hebben.”

„Ik ook niet,” glimlachte ze, de tranen afdrogend, en toen, vroolijk: „Dat tijdje dat we nog sámen zijn, zullen we heel, heel lief voor elkaar wezen en dan ... dan zullen we maar hopen tot weerziens.”

En dát was Loekies berusting. Deeglijke menschjes zullen dat alweer niet begrijpen.

Brams papa had er geen gras over laten groeien. Veertien dagen later kwam zoontjelief vertellen, dat hij bij een exporthuis van chineesche thee en zijde in Nanking was geplaatst. Een verre, volgens hollandsche begrippen, „mislukte” oom, geheimzinnig wezen in Brams familie, was er directeur van.—Vijftig dollar maandelijks om mee te beginnen en vrij wonen. Wát hij er uitvoeren moest—behalve thee en zijde voor de firma—begreep Bram heelemaál niet, maar enfin—hij zou wel zien.

Vanaf dat oogenblik werd Bram, mede om zijn ex-kapiteinschap van de Mallemolen, door Loekie „de waterchinees” genoemd.

Boy had besloten lukraak naar Canada te vertrekken met weinig geld en er werk te zoeken. Als hij land en toestanden kende en een goede onderneming voorzag, zou hij de rest van zijn fortuintje laten komen om wat te kunnen beginnen.

Ik, die kunstzinnige neigingen had, wilde gaan leven temidden van een volk wat even ondeeglijk, even luchthartig bij den dag levend, even lichttillend was als ik zelve: in Spanje of in Italië. Derhalve bezocht ik tallooze krantenredacties, werd tot vervelens toe met een mooi praatje de deur gewezen, tot eindelijk een opkomend blad dom genoeg was het met me te willen probeeren, en me veroorloofde van uit Rome, tweemaal per maand een causerietje te sturen, wat men mij met welwillende vrijgevigheid met een riks per stuk zou betalen. Vijf gulden verdienste per maand, verminderd met kosten van papier en postzegels,—het was een fortuintje.—Van geschreven contract was geen sprake. Men zou het immers alleen maar met me probeeren!

Dies waren er in huis: een aanstaande strooweduwe, een waterchinees, een cowboy, of kortweg Boy, en een pennelikker.—Zonderling mengelmoes.

Het was nu zaak zoo gauw mogelijk te vertrekken. Het huurcontract van het bovenhuis was onze eenige verhindering, toen ook deze op ongezochte wijze wegviel, doordat we er uit gezet werden.

Bram had namelijk (kleine oorzaken—groote gevolgen) het zeepbakje bij het fonteintje willen verhangen, daar de kram telkens uit de verbrokkelde kalk losliet.—Dus had Bram een langen spijker genomen en hem pardoes in de muur gejaagd. Na ál het gehamer werd het toen stil.

Boy, die Bram net noodig had om een kist met boeken te versjouwen, riep:

„Zeg help eens even, waterchinees.”

„Ja,” antwoorde Bram, maar bleéf buiten.

„Kom dan!” spoorde de cowboy aan.

„Dadelijk,” kermde de waterchinees.

Waarop Boy buiten kwam en Bram, met den duim tegen den muur gedrukt, bij het fonteintje vond staan.

„Kom je nog?”

„Ja—dádelijk,” mompelde Bram, duim krampachtig tegen den muur.

„Wat heb je met dien duim?”

„Niks.”

„Kom dan, idioot.”

„Zoometeen,” beloofde Bram vaag.

„Zeg ben je zat of ben je gek geworden?” informeerde Boy en trok Bram weg.—De duim raakte los en meteen spoot er uit den muur een driftige straal water, pal in Boy’s gezicht.

Bram had de kram in de looden waterleiding gejaagd.

„Uilskuiken! Archi-waterchinees!” schold Boy en liep naar de keuken om zich af te drogen.

Bram, moedeloos ging maar in de huiskamer zitten. Het water spoot intusschen tegen den muur aan de overzijde, plaste spetterend neer in de gang.—Dat duurde zoo een poosje en dan kwam Boy op het slimme denkbeeld om de waterleiding af te draaien.

Maar het huis van den onderbuurman dreef en groote vochtplekken van doorgesiepeld water sloegen weldra uit op zijn muren.—Het gevolg was, dat de huisbaas, met machtiging van den wettigen huurder in het buitenland, ons er uit zette.

En toen besloten we dan ook maar te gaan.—De schrijftafels, de boekenkasten, de studeerlampen verdwenen weer, de beddelakens gingen terug.—Janne kreeg een prachtig getuigschrift, waarop ik, als pennelikker, een uur had zitten prutsen en werd overladen met fooien al snotterend de deur uitgetroond.

Den laatsten nacht sliep Bram in het ouderlijk huis;—men moet nooit met twist uit elkaar gaan. Boy maakte een afscheidsbezoek bij Kitty, die in tranen baadde en sliep daarna óok in ’s moeders woning.

Loekie en ik,— alleen in het ongezellig geworden verlaten huis,—rustte voor het laatst op een bed, wat van lakens en kussensloopen ontdaan was.

Toen dien morgen de coupé voorkwam en mijn koffers er op geheschen werden, zat de onderbuurman glimlachend in zijn spionnetje te gluren.—Loekie stak de tong tegen hem uit.

„Dag huis,” zei ze zachtjes, toen het rijtuig wegreed. „O—ik kom nooit meer in deze straat!”

Ons afscheid aan het station was kort. Ze trachtte zich goed te houden en ik ook.

De trein reed weg. Lang nog zag ik haar rank, slank figuurtje op het perron en haar zakdoekje dat wuifde,—wuifde.

Maar in Parijs voelden we ons allen dolgelukkig, in een dronkenschap van vrijheid, in een bedwelmimg van toekomstdroomen, in een luchtig vertrouwen op ons zelven; krachtig nu we ons bewust waren te gaan léven, tegemoet te gaan aan de avonturen, die ons wachten en die ons niet overwinnen zouden.—De wereld was groot en mooi, er waren àndere landen, andere volken, die we niet kenden, er waren andere levens dan het zoete plantenbestaan van werken en een titeltje halen en een betrekkinkje krijgen en trouwen en in de vacantie een reisje in den Harz of naar Zwitserland.

De wereld lag open, de wereld waarin we met onzen jongen moed en ons gezond lichaam wel een plaatsje zouden krijgen, levend, héerlijk levend, zònder de engheid van vooroordeelen en fatsoen, zonder de pietluttige sleur van kleinen kleingeestigen zin, zonder bepiekeringen van geld en toekomst. Want de toekomst zou zijn zooals ze kwam; ze zou den eenen dag misschien ons rijk doen zijn, den andren dag arm. We zouden misschien wel eens honger moeten lijden, mooglijk wel eens geen bed vinden om op te slapen ’s nachts,—maar we zouden wèl onzen lach behouden en onze hoop, we zouden zien en leeren het leven zooals het was, buiten de broeikas waarin we tot nu toe waren getogen.

We zouden mànnen zijn waar àndren kindren bleven; domme, verwende, ontevreden kinderen met nukjes en traantjes, omdat ze nimmer ondervonden hadden hóe het leven hard kon zijn, omdat ze nimmer begrepen hadden hoe een lach en een vroolijk woord zijn der menschen hoogste goed.

We spraken het niet uit, terwijl we voortsnelden langs de wemelende boulevards, waar in het lampenlicht rijtuigen en auto’s en menschen dooreenkrioelden en hoog boven de huizen de avondhemel nog in wondere tinten stond.

Als een koorts greep het ons toen aan:—de lust om te leven!

Het was de laatste avond van ons verblijf te Parijs.

Bij Wepler op de Place Clichy hadden we gegeten en er koppige Bordeaux gedronken, die Boy eenigszins doezelig had gemaakt.

Het was dan ook volkomen verklaarbaar, dat we dien avond, zeér lacherig uitgelaten, in den promenoir van de „Folies-Bergère” terecht raakten en er achtereenvolgens door al de kuitentoonende mondaines werden aangeklampt.

We poeierden ze af op velerlei wijze; Boy dacht aan Kitty, mij stond de lieve beeltenis van Loekie onafwijsbaar voor de oogen. Echter had de herinnering aan magere Lena geen zielversterkenden invloed op Bram.

„Dis, joli blond, tu m’offres bien quelque chose!”

Dat was warempel tegen mij!

Ze was waarlijk aardig, had een guitig gezicht en de tot de knie gespleten rok liet een welgevormd been ontwaren.

„Pas le marron,” deed ik stug.

„Eh—vas donc, je serai gentille,” vleide ze.

„Non ma petite, ça ne colle pas ce soir,” hield ik vol.

„Et tes amis—c’est aussi purée que toi?” ondervroeg ze verder.

„Est-ce que je sais, moi?” ontweek ik weer.

Maar ze boog al naar Boy over:

„En voilà un coco!” schaterde ze schel, waar Boy half ingedut was.

„Je vous en prie, laissez-moi tranquille,” weerde hij boos haar liefkoozing af.

„Quel mufle,” schold ze.

Maar Bram keek naar haar onthulde kuit.—Hij keek er zoó strak, zoó in betoovring naar, dat het opvallen moest.

„Elle te plait—ma jambe?” vroeg ze, en ging naast hem zitten.

De garçon schoot toe, er werd besteld.

„Stomme bliksem,” mopperde Boy.

Bram werd zichtbaar ingepalmd. We raadden hem af, we bezworen hem te denken aan zijn transsibérien, die den volgenden ochtend vertrok en dat nu geen trein was dien men eens missen kon.

„Qu’est-ce qu’ils baffouillent?” vroeg de sirene.

„Rien—rien,” ontweek Bram vaag, die voor onze overtuigende betogen iets te voelen begon, en alvast de vertering betaalde om weer van haar af te komen.

En we dachten al dat hij het niet zou doen, toen zéer te onpas, zooals ze dat overigens in elke parijsche revue plegen te doen, een twintigtal dancing-girls het tooneel opwipten, zingend:

„Everybody is doing it, doing it, doing it!”

waaraan Bram een onverwachte uitlegging gaf en het óok deed.

De taxi-auto, waarin hij en de schoone gestegen waren, was weldra in de rij der anderen uit het oog verloren.

„Stomme bliksem,” oordeelde Boy weer,—terwijl we langzaam naar Montmartre opklommen, waar we natuurlijk in het „Bal Tabarin” verzeilden.

Elke vreemdeling gaat nu eenmaal in Parijs bij voorkeur naar die gelegenheden, waar nooit een parijzenaar komt.

Maar den volgenden morgen werd het een gekke geschiedenis toen Bram wègbleef.

Boy was wanhopig:

„Zullen we zijn koffer maar alvast sluiten?” vroeg hij, terwijl we te ontbijten zaten in het hòtel.

„Maar man, hij had immers een smoking aan,” wierp ik tegen.

En we wachten,—en Bram bleef zoek.

Tot we de koffers tóch sloten en, een briefje voor hem achterlatend, er mee naar het station reden.

De trein stond klaar.

„Moeten we zijn koffers nu áangeven, ja of nee?” stelde Boy het vraagstuk.

„We hebben nog twintig minuten,” verklaarde ik.

Ons overtrappelend van ongeduld, telden we de seconden, tot opeens,—een kwartier voor tijd—Bram, in zijn smoking, echter zonder hoed en zonder das, het perron opstoof.

Toen eindelijk alles in orde was en ik angstig vroeg of hij het slachtoffer van een entôlage was geworden, kwam hij kalm:

„Nee—’k heb me verslapen.”

„En je hoed?” onderzocht Boy.

„Vergeten.”

„Heb je je biljet?” angstigde ik.

„Ja.—Jongens, wat héb ik lekker geslapen.”

„Maar m’n hemel, hoe verklee je je nu?” schaterde Boy.

„Weet ik het?—Kan me ook niet schelen. Jongens, ’t was een aardig meiske—allemachtig aardig.”

Hij was nog heelemaal onder den indruk.

„Zoek een goed plaatsje—je moet er veertien dagen opzitten,” raadde ik.

„Dan kan het warm wezen als je in Peking aankomt,” meende Boy.

„Je zoudt er zelfs een heele broek op kunnen verslijten,” bepeinsde Bram, uit den koffer een reispet scharrelend, die hevig vloekte bij den smoking.

Zijn eenige medereiziger zat hem dan ook aan te staren als een brilslang.

Toen werd er gefloten.

„Dag kerel—het beste.”—„Het ga je goed,”—en we drukten hem stevig de hand.

„Schrijf eens uit Peking of je een blikken achterste hebt gehad!” schreeuwde Boy nog, toen Bram al een eind ver was.

En dat was de laatste onzin, dien de waterchinees van Boy te hooren kreeg.

We aten samen, spraken weinig.—Tegen drie uur bracht ik Boy naar het station, waar hij naar Calais zou vertrekken.

„Als we ooit eens rijk worden, geven we elkaar in Parijs rendez-vous,” zei Boy.

„Pas maar op dat jij geen rendez-vous speelt tusschen Calais en Dover,” waarschuwde ik.

Toen vertrok de trein.

„Dag cowboy!” schudde ik hem stevig de hand.

„Dag beste kerel, we zullen elkaar niet vergeten,” zei hij ernstig.

„Nooit Boy,” beloofde ik.

„En nou—vooruit!”

„Ja—vooruit man!” en ik liet de hand los, in mijn meerennen met den trein vallend over een zak, die op het perron lag.

„Laatste tableau!” riep Boy nog lachend, terwijl, met éen hand de bezeerde knie wrijvend, ik met de andere te wuiven zat op den zak.

„En voilà des manières,” mopperde de eigenaar van mijn hinderpaal.

Ik hinkte weg, lachend ondanks mijzelf.

Om half tien vertrok de trein naar Milaan uit de Gare de Lyon.

Langzaam kropen de uren om en ik piekerde:

Zou ik teruggaan naar Loekie; in Holland een betrekking zoeken?—Het was lám zoo alleen. Maar neen, dat was kinderachtig en láf, en zóo kwam je er nooit. Je moest er uit, de wereld in, wilde je leven, wilde je iets worden! Niet vastgroeien in een landje, in een kliekje! Er uit en áanpakken!

En voor het laatst reed ik door de lichtende straten van Parijs, waar het wemelende bewegen gonsde en dreunde tusschen de huizen.

De trein ging weg.—In de loopgang bleef ik kijken tot de laatste lichten van Parijs verdwenen waren.

Mal, zooals we in drie verschillende richtingen Frankrijk uitsnelden, ieder zijn eigen toekomst tegemoet.

De toekomst.—Hoe zou ze zijn?

Kom, niet piekeren.

En opeens dacht ik er aan hoe ik daar op den zak, kniewrijvend, had zitten wuiven.

„Laatste tableau,” had Boy gezegd. Ja—het laatste van een heele reeks. En ik glimlachte stil voor me uit; een overbuur keek me verwonderd aan.

„Zou Bram zich al verkleed hebben?—Zou hij al warm geloopen zijn?” overwoog ik nog.

En toen—terwijl de trein met een 120 kilometers vaart over de stalen staven snelde, en de wagen lichtelijk op en neer deinde—dutte ik maar in; want in Parijs was weinig geslapen.

En nu zal niemand me kwalijk nemen, dat mijn verzinvermogen een grens heeft, en dat ik dus aan deze malligheid een eind maak.

Hoe alles afliep vertelde ik al in het begin van dit boek.

Wat mezelf betreft: het gaat al iets beter. Ik heb een riem papier kunnen bekostigen en een potje inkt, om dit te schrijven; te zamen wel voor twintig Lire!

De uitgever zal de overzending van het lijvige handschrift vergoeden. Zonder die belofte was ik er stellig niet aan begonnen.

AANTEEKENING

[1] Eens en vooral: ik noem géen namen. Het is al erg genoeg, dat ik met dit boek m’n eigen wankelbare reputatie te grabbelen gooi.