Chapter 5 of 9 · 3982 words · ~20 min read

Part 5

We vertrouwden het nog niet, wachten af wat er van komen zou. Maar het bléef stil in huis, en we gingen kijken. Het was een groote grauwe kater, met dikken kop, waarin—midden tusschen de oogen—een roode wond van Boy’s meesterschot getuigde. Een gemeene straatkat, vies, vol groote schurftplekken, ingeslopen vermoedelijk bij het vertrek van onzen voorganger. Bram’s vrees, dat we wéer een familiestuk van dezen hadden vernietigd, bleek dan ook ongegrond.

„Ik zág z’n oogen loeren in ’t donker,” zei Boy.

„Allemachtig wat een smerig beest,—ik kieper een liter karbol in m’n kast eer ik er m’n kleeren in ophang,”—voorspelde Bram.

„Als je ten minste nú al geen schurft hebt,” opperde ik.

Bram werd wit om zijn neus. Greep toen zijn hoed van de tafel.

„Wat ga je doen?”

„Naar de apotheek!” riep Bram, de trap afrennend.

„Neem die kat meé—smijt ’m op straat!” riep ik nog.

„Doe jij het!” en de huisdeur sloeg dicht.

Boy nam een tang van het fornuis, kneep het lijk in zijn nekvel en droeg het een eind de straat op.

Even later kwam Bram terug met een flesch carbol en een andere sublimaat, een doosje jodeformpoeier en een potje jodiumzalf en begon zich zelf én het nachtkastje én de spiegelkast te ontsmetten. Dan draaide hij de matras om (lakens bezaten we nog niet), want je wist nooit of het kreng dáár ook niet opgezeten had. Ten laatste raapte hij met een weemoedigen zucht de scherven van het kortstondig vaatwerk op, dat bij den schrik hem ontvallen was.

Toen we, na ál die ervaringen, naar bed gingen, dreef er door het huis een rare geur van katers, karbol, jodeform en kruitdamp.

Den volgenden dag kwam onze verhuisboel.

Ieder jongmensch komt meestal ná zijn schooltijd in het volmaakt overtollige bezit van een schrijftafel, een studeerlamp en een boekenkast. Deftige groene gordijnen dienen dan veelal om de armoedigheid der boekerijen te bedekken.

Het was met dit huisraad, met nog wat platen en snuisterijen, met een stel lakens, slopen en handdoeken, door de mama’s van Boy en Bram welwillend afgestaan, dat we het bovenhuis zouden volmaken.

’s Morgens vroeg al werd er gebeld. Het was de schipper uit Leiden, die Brams boeltje bracht: studeerlamp, schrijftafel, boekenkast, kist met boeken en wasch. Tegen twaalf uur kwamen dezelfde spullen voor Boy en mij.

Bram zag er erbarmelijk uit met de groote krabbel dwars over het voorhoofd. Nijdig had hij op een doosdeksel met zwarte inktletters geschilderd: Katten worden geweerd, en dit tusschen het ruitje en het traliehekje van de huisdeur geplaatst.

Was het wonder dat onze woning weldra in de buurt als „’t Gekkenhuis” bekend stond?

„Nou éen ding,”—beweerde ik na het koffiedrinken, waaraan evenwel alle koffie ontbroken had—„laten we afspreken dat van avond alles klaar is.”

En we togen, ieder in onze eigen kamers, aan het werk. Juist was ik bezig de planken van mijn boekenkast te bezetten en zong Boy, in de kamer daarnaast, hartverscheurend van:

„You can always tell when a coon is in love”.

toen er gebeld werd.

„Dat zijn de lakens,” voorspelde ik.

„Doe eens even open Bram!” riep Boy.

Maar Bram bleek uithuizig en Boy ging, trok aan het touw,—en meteen was het huis vol gesnater.

„Dag Boy!” juichte Kitty.

„Waar is Bram?” vroeg Toos.

„Wat een leuke pan,” meende Non.

Wanhopig over de stoornis rende ik naar beneden, vroeg bars:

„Hebben jullie niet gezien wat er op de deur staat?”

„We komen helpen,” verklaarde Toos.

„Leuke pan—een huis inrichten,” vond Non.

Terwijl ik net stond te bepleiten, dat het heel veel leuker zou zijn als ze het huis klaár zagen, en terwijl Boy nuffig zijn handen waschte en met Kitty smoesde, ging de huisdeur weer open, stond Bram opeens midden in de groep. Hij kleurde, gaf handjes, hield de linker krampachtig op den rug. Maar dat hielp niet.

„O—gunst!—aijakkes!” gillachte Kitty.

... Bram had weer een nachtvaatwerk gekocht; liet het maar oppervlakkig inpakken.

De meisjes waren niet tot bedaren te brengen. Bram vond het pijnlijk en ging stiekem met het ding naar boven, iets mompelend van:

„Den Reinen ist alles rein.”

„Hoe komt hij zoo geschramd?” onderzocht Toos medelijdend.

Boy vertelde het kattenkwaad. Kitty keek vol bewondering naar Boy, toen ik de schietgeschiedenis verhaalde, die hij bescheidenlijk wegliet.

„En nou vooruit—marsch!” beval ik.

„We komen hélpen,”—pruilde Kitty.

Er werd gebeld: het linnengoed kwam.

„Dán gaan jullie de bedden opmaken,”—gebood ik, onverbiddelijk.

Kitty wou Boy’s leger doen; Toos dat van armen gekrabbelden Bram, die zich in zijn kamer had afgezonderd ná het figuur; Non zou het mijne onderhanden nemen.

„Zijn al die boeken van jou?” vroeg ze, na een poosje mijn kamer binnenkomend.

„Ja—maar niet snuffelen hoor. Ben je al klaár met m’n bed?”

„Kom maar kijken.”

„Ik geloóf het wel. Heb je om water in de karaf en in de kan gedacht?”

„Ja”—zei ze—en toen: „Is het waár dat jij oók boeken schrijft?”

„Ben je nu mal? Wie heeft je dien onzin verteld?”

„Ik hoorde het. Dus niet?”

„Wel nee—hoe kóm je er bij?”

„Dat is jammer. Echt leuk—een schrijver te kennen.”

„Non,”—zei ik vaderlijk—„je bent een kuiken.—Kijk, daar zit de theeboel in; pak die nu uit, wasch ze af,—dan gaan we straks in de huiskamer theedrinken.”

„Ja,” zei ze, maar bleéf treuzelen.

„Non—wat héb je?” vroeg ik.

„Niks,” ontweek ze.

„Je hebt wél wat,” hield ik vol en kwakte nijdig een grieksch woordenboek in de kast.

„Ik wou je wat vragen,” kwam ze schuchter.

„Hemel nog toe—jullie komen me allemaál wat vragen!” beklaagde ik me.

„Wie dan meer?”

„Kitty—verleden.”

„Kitty is met Boy, nietwaar?”

„Ja, dat hoór je,” antwoordde ik, hoewel het in Boy’s en Bram’s kamer verdacht stil was.

„Je weet best wat ik bedoel,” gaf ze boos terug.

Ik zat er mee in: was ze op Boy of op mij verliefd?

„Weet je wat je bent?” sneed ik botweg af.—„Je bent een nieuwsgierig Aagje.”

„Ik wou het wéten,” hield ze vol.

„Vraag het aan hún,” raadde ik,—steeds in het onzekere, „ik weet niets.”

„Toe nou,” smeekte ze.

„Non—je bent vervelend.”

„En jij bent onhébbelijk,” nijdigde ze.

„Maak nou geen ruzie Non, maar zet thee,”—overreedde ik.

„Zég het dan!” stampvoette ze.

„Vertel jij andermans geheimen?”

„Nee.”

„Nou ik oók niet,” kwam ik halsstarrig.

„Dus ze zijn wél geëngageerd,” redeneerde ze.

„Al zanik je tot morgenochtend, ik zeg je niets,” beweerde ik, beginselvast.

„Je bent een naarling,” zei ze, glimlachend,—„maar ik vind je tóch wel leuk.”

„Och kom,” twijfelde ik, lont meenende te ruiken.

„Schrijf je heusch geen boeken?” kwam ze weer vertrouwlijk.

„Vertik jij het heúsch thee te gaan zetten?”

En ze ging. „Waarde heer,”—zei ik tot mezelven,—„waarde heer, dat begint er raar voor je uit te zien.”

En ik hurkte neer op de ladder, liet de touwen van het op te hangen schilderij glippen en piekerde: Zou ze op Boy verliefd zijn? Nee—want dan had ze niet iets blij’s over zich gekregen toen zij zijn verloving vermoedde. Zou ze het voor een ánder vragen? Maar voor wie? voor propneus of bleekneus? Dat was te mal. Dus voor haarzelven. Dat was lam, lastig... En toen verloor ik mijn evenwicht en plofte van de ladder.

Non—bezorgd door het lawaai, dat Kitty en Boy en Toos en Bram blijkbaar volkomen onverschillig liet, kwam kijken.

„Heb je je pijn gedaan?” vroeg ze.

„Nee,” jokte ik, mijn elleboog wrijvend, die met de tafel aanraking had gevonden.

„De thee is bijna klaar,” kondigde Non aan,—en wilde weer heengaan.

„Non!”—riep ik, besloten tot paardenmiddelen.

„Non kwám, aarzelend.

„Non,”—begon ik—„nu wil ik weten waarom je me zooeven uithoorde.”

Non trok punten aan haar zakdoek.

„Waarom wou jij dat weten van Boy en Kitty?” ondervroeg ik.

„Zoo maar—uit nieuwsgierigheid,”—zei ze, onbevangen.

„Ben jij soms op ... è—... op Boy?”

Ze glimlachte, keek me oprecht aan:

„Welnee,” verklaarde ze.

„Waarom begón je er dan over?” hield ik aan.—„Zoó belangrijk was het toch niet om er ruzie over te maken?”

„Ik wou weten of jij ook een zwak voor Kitty hadt,” verklaarde ze schuchter.

Ik meende afgunst te ontwaren, keek meelijdend. Maar Non zag me vorschend aan, begreep mijn gedachten en begon te glimlachen.

„Ik zal het je maar vertellen,” zei ze.

„’t Wordt tijd,” meende ik, waar ik er geen touw meer aan vast knoopen kon.

„Ik dacht ... nou dat jij op mij verliefd was.”

„En verder?” kwam ik in spanning.

„Nou—dat had ik lam gevonden,” besliste ze nuchter.

Ik schaterde het opeens uit; zij—hartelijk—lachte mee.

„Malle Non!” riep ik—„en ik die dacht dat jij... O ’t is om je een kriek te lachen!”

„Dacht jij dat ik...?” riep ze verontwaardigd.

„Ja,”—hikte ik.

„Wat een pedante vlegel ben jij,” verbaasde ze zich, zelfbewust.

„En nu zijn en blijven we goede vrienden—hè Non?” veronderstelde ik.

„Top,”—zei ze, en toen, zuchtend: „Héhé—ik ben maar blij dat het zóo afgeloopen is,—ik zat er zoo mee in.”

Ik hing het schilderij op; de kamer was klaar.

Beneden in de zitkamer stond de thee te pruttelen, maar geen der anderen was te bekennen. Dies bonsde ik op Brams deur.

„Wat moet je?” vroeg hij.

„De thee is klaar,” meldde Non.

„Hè, is het al zoo laat?” vroeg Bram, wiens gedachten wat verward schenen.

„Toos is het bed klaar?” vroeg ik.

„Nee,” zei ze kleurend.

„Ajo—marsch dan—eerder krijg je geen thee.”

„Jakkes Bram—wat ben je lui,” vond Non, „wat is het nog een rommel hier.”

„Alleen m’n boeken nog maar,” verdedigde zich Bram.

Ook Boy werd opgeschrikt:

„Zeg—kun je niet kloppen?” Hij zat hand in hand met Kitty op de schrijftafel, terwijl er toch stoelen te over waren.

„Kitty het bed,” vermaande ik nuchter.

„Gunst ja,” deed ze verbaasd.

Eindelijk—tegen vijf uur, was het huis klaar, hadden we ons netjes gewasschen en zaten in de huiskamer thee te drinken, voor de eerste maal.

Buiten regende het.

„Jammer dat de winter al begint,” vond Non,—„nu kunnen we niet meer tennissen.”

„Komen jullie maar dagelijks oploopen—dan kun je de meid nog eens helpen,” raadde Bram.

„Hebben jullie er al een?” vroeg Kitty.

„Nee—morgen krijgen we een zichtzending,” verkondigde Boy.

„Leuk—een meid huren,” meende Non.

„Mogen we er bij zijn als jullie kiezen?” vroeg Toos. Maar dat weigerden we.

Den volgenden ochtend, om tien uur, begón de zichtzending. Boy, Bram en ik, met onze gunstigste gezichten, hoewel Bram er met zijn kattekrabbels raár uitzag,—zaten om de tafel, deftig, ernstig. De eerste was een Marie, blonde, brutale meid.

„Gunst is het bij drie stredenten?—Nee dan ga ik maar heene,”—en ze ging.

De tweede was een Jans, oók blond, maar schuchter.

„Ik heb nooit bij heéren alleen gediend,”—bekende ze maagdelijk—„altoos bij families met kinderen,”—en ze ging.

Er kwamen ánderen, die zich állen bij ons als in een kooi met wilde beesten schenen te voelen en heéngingen. Het was om wanhopig te worden. Juist hadden we er bijna eén in de val gelokt,—Jans heette ze, toen Boy uit verstrooidheid zijn revolver uit den zak haalde en er mee te spelen begon. Met een gil vloog Jans de deur uit, minstens meenend in een moordenaarshol verzeild te zijn geraakt, zooals je dat in de „Wilsons” las. Zoo waren er al een dozijn bij ons over den drempel geweest, toen zich Janne aanmeldde. Op haar zilveren haren droeg ze een wiebelend mal kapothoedje; over de schouders een zonderlingen mantel met zwarte loovertjes. Maar ze had goedig-slimme grauwe oogen in haar oud rimpelgezicht en een vriendelijke glimlach speelde om haar bloedlooze lippen.

„Ik heb altoos in Delft bij studenten gediend,” vertelde ze, „en ze mochten Janne graag—al zeg ik het zelf. Ik ben nog wel eens bij families geweest, maar ik ben liever bij jong volk. Als u mijn den boel maar bestiere laat, dan zal u eens zien hoe fijn het gaat.”

Janne maakte een gunstigen indruk.

„Tien gulden in de maand en vrije wasch,” stelde Bram voor met een kennis van zaken die me verwonderde.

„Best,”—zei Janne—„dat gaf m’nheer Bierkes ook. Kent u die niet?—die studeert in Delft.”

Boy bekende m’nheer Bierkes niet te kennen.

„Is het niet te zwaar voor je, Janne—zoo heél alleen voor drie heeren te zorgen—koken, kamers doen, vaten wasschen?” vroeg Bram nog.

„Welnee—maak u zich maar geen zorgen. Janne kan meer dan ’n jónge meid,”—verklaarde ze.

„Goed.—Kun je vandaág al in dienst komen?” vroeg Boy.

„Zouden de heeren niet eerst m’n getuigschriften willen zien?” kwam ze eerlijk.

„Welnee,” vonden we.

„Krijg ik dan m’n goospenning?” vroeg ze.

„What does she want?” vroeg Boy.

„To get her fee,”—legde Bram uit,—en stopte haar meteen twee riksen in de hand.

En zoo trok Janne naar zolder, betuigde zich tevreden over de beide dienstbodenkamers, die ze ter beschikking kreeg, en viel dan meteen op de onopgemaakte bedden aan.

Toen tegen vier uur de meisjes kwamen en Kitty schuchter aan de indrukwekkende grijze „dame” vroeg:

„Kunt u me ook zeggen of de heeren thuis zijn?” verbaasde Janne zich niet in het minst.

„Gaat u binnen freules,” zei ze glimlachend—„de heeren zullen wel naar u verlangd hebben.”

Want Janne was een slimmert.

„Wat een spook,” vond Kitty, stuipjeslachend.

„Ik schrok me dood toen ik ze zag,” verklaarde Non.

„Non eén ding,” besloot Boy, „geen kwaad woord over Janne en geen malle opmerkingen achter haar rug. Ze is wát aardig.”

Want Janne had vriendelijk hem zijn boord helpen aandoen.

„De heeren hebben wát een lieve vriendinnetjes,” vond Janne dien avond, toen ze ons lekker eten opdiende.—„Ik voel me wel twintig jaar jonger nou ik weer bij jong volk ben.”

„Leve Janne!” riep Boy onstuimig.

Maar na het eten, toen we haar wilden helpen met vaten wasschen, werden we de keuken uitgesmeten.

„Dat kan ik alleén wel af,” beweerde Janne.

„Wat een bof—zoó’n meid”, kwam Bram, vol bewondering,—en ging toen in zijn kamer, waar hij vol geweld een kram in de muur joeg.

Een oogenblik later werd er gebeld. Boy en ik, op de bovenverdieping, luisterden. Janne riep Bram, die aan de trap bleef staan, een ouweheerenstem klonk van onderen:

„Ik heb niks willen zeggen al die dagen, maar noú moet dat gehamer en die herrie maar eens uit wezen.”

„U hebt het maar te zeggen,” vond Bram.

„Is dát een schandaal maken!” kwam weer de ouwe heer—„en dan waarachtig in een nette buurt die jonge vrouwen over de vloer.”

„Bedoelt die mijn?” grappigde Janne.

„Zoudt u zich alsjeblieft niet willen bemoeien met dingen die u niets aangaan?” verzocht Bram.

„Ik ben oók jong geweest...” begon de ouwe heer.

„Ja—dat zál wel,” veronderstelde Bram.

„... maar in onzen tijd...” vervolgde de bezoeker, die onze onderbuur bleek.

„Ik heb niets met úw tijd te maken, het is nou ónze tijd,”—redeneerde Bram nutteloos.

„... in ónzen tijd wérkten jongelui,” vervolgde de onderbuur zijn preek.

„Zoudt u de deur willen dicht doen als u weggaat?” voorzag Bram.

„... en hadden ze respect voor grijze haren,” ging weer de zedeles door.

„Och kom?” kwam Bram.

„... en hield je niet je buren tot negen uur ’s avonds wakker.”

„O, ja?”

„... en smeet je geen kattenkrengen op straat.”

„’t Was een kreng m’n heer,” gaf Bram toe.

„... en liep je niet op klaarlichten dag met een pot de chambre over straat.”

„Koopt u ze ’s nachts?” onderzocht Bram.

„... en zette je niet van die rare opschriften, als „Katten worden geweerd”, op een nette deur.”

„Het was niet tegen u bedoeld,” verontschuldigde zich Bram.

„... en antwoordde je beleefd als ouwere tot je spraken.”

„Als u het lang maakt ga ik er bij zitten,” voorspelde Bram.

„Genoeg m’nheer—genoég!” driftigde de onderbuur.

„Dat vindt ik ook,” verklaarde Bram. „Doet u de deur goed dicht?—het slot springt soms niet in de knip,”—en Bram ging kalm zijn kamer in, begon weer te hameren.

Toen klom de ouwe heer de trap op, ging de ontvangkamer in. Boy en ik daalden af, kwamen ook de kamer binnen.

„God dat is leuk,”—zei Boy, onnoozel,—„theevisite. Gaat u zitten, met wien heb ik de eer?”

„Gebruikt u suiker en melk?” vroeg ik.

„Zal ik u eens wat zeggen?” bulderde de ouwe heer.

„Zeg u het maar,” moedigde Boy aan.

„U bent kwajongens—kwájongens!”—en hij stapte nijdig de kamer uit.

„Zal ik u even bijlichten op de trap?” bood Boy aan, en toen:

„Zeg Janne—heb jij die deur open gelaten? Dat moet je niet doen, de eerste de beste zou binnen kunnen loopen.”

De heer bonsde de deur dicht. Janne, met tranen in de oogen, zat op een keukenstoel te schudden, kon er geen woord uit krijgen.

Bram,—nu het hameren gedaan was, kwam binnen.

„Heb je nou toch ooit van je leven?” vroeg hij.

„’t Is huisvredebreuk,” verklaarde ik.

„Jammer dat we geen rattenkruid in huis hadden. Laat het morgen halen,”—voorzag Boy.

HOOFDSTUK VII.

VERLOVINGSKWESTIES EN ROLSCHAATSEN.

’s Morgens vertrokken Bram en Boy meestal naar Leiden en Delft, kwamen tegen vijf uur in den middag terug, en vonden dan gewoonlijk Kitty, Toos, Non en mij in de eetkamer bij den afternoon tea.

Ik had de onuitstaanbare gewoonte ’s nachts tot het ochtendkrieken te lezen en te werken en stond ’s middags tegen drie uur op; voor mij was het theedrinken tevens ontbijt. Het was zoo, omstreeks drie uur in den morgen, dat ik in Ovidius’ Metamorphosen zat te ploeteren, toen zachtjes knarsend mijn deur openging en Boy, een lange winterjas over zijn ondergoed, kwam binnensluipen.

„Stoor ik?” vroeg hij onderdanig.

„Man, wat héb je?”—want Boy zag er ongewoon uit.

„De pest,” zei hij.

„Kun je niet slapen?” vroeg ik verder.

„Oók al niet,”—en hij viel moedeloos in een leunstoel neer.

„Wil je dat ik wat thee zet?”

„Nee laat maar.”

Ik zat er mee in; nooit had ik Boy in zoo’n stemming gezien, wist niet hóe hem te behandelen.

„Heb je koorts?”

„Nee—de pest—heb ik je al gezegd.—Wat zit je daar te blokken?”

„Ovidius—het verhaal van Hero en Leander.”

„Liebten sehr einander.—Die eine konnte nicht hinüber,—der andere ... schwamm drüber,”—declameerde Boy en toen: „Als jij nog eens gek wordt, dan zal het me niets verwonderen.”

„Ik geloof dat jij er op het oogenblik méer kans op hebt,” meende ik.

„Och ja man—’t is lam.”

„Iets met Kitty?” vroeg ik.

„Nee—met haar familie.”

„O.”

„Ik moet me voorstellen.”

„Is dat alles?” kwam ik opgelucht.

„Nee. Dan zal ik met haar papa over m’n toekomst moeten praten. Ik wordt al wee als ik er aan denk.”

„Idioot—maak je je dáarover dik?” glimlachte ik.

„Och man, je snapt toch wel dat ik geen toekomst heb.”

„Onzin, je doet volgend jaar je propjes.”

„En je straalt,” voorspelde Boy.

„Och wat,—er is geen reden waarom je stralen zoudt.”

„Zeg liever dat er geen reden is waarom ik er door rollen zou,” somberde hij.

„Ben je nou klaár met je nonsens?” informeerde ik.

„Nee—luister nou eens even. Ik heb geen flauw benul hoe je tegen een aanstaanden schoonpapa optreden moet.—Moet ik hem oók m’n schulden opbiechten?”

„Heb je er veel?”

„Nog al.—Dat zal mij juist wel verhinderen af te studeeren.”

„Daar zou ik nou maar niet over beginnen,” raadde ik, „dat komt later wel.”

„Och kerel—ik zit er zoo mee in,” zuchtte Boy, „en dan heet het dat je voor je plezier geëngageerd bent.—Flauwe kul ook die studie. Ik zou veel meer zin hebben den heelen dag op een paard te zitten, nooit meer een boord te dragen. Ik zou cowboy willen zijn.”

Den volgenden dag ging Boy het pijnlijke bezoek afleggen. In zijn gekleede jas, met handschoenen en een hoogen hoed, zag hij er uit als een dominee.

„U lijkt nu wel een van de treurende gemeente,” meende Janne, die weer bij het boord geholpen had, nadat Boy er in zenuwachtigheid twee verwrongen had.—Ik bracht hem tot de deur.

„Hou je maar taai,” moedigde ik aan.

„Och man,—ik verzeker je, ik stapel de eene stommiteit op de andere; ik maak een standaardwerk van flaters.”

Toen liet ik hem maar alleen binnengaan, bleef buiten wachten; een half uur. Boy kwam niet. Het begon te regenen en ik ging naar huis.

Na een poosje kwam hij terug.

„Hoe is het gegaan?” kwam ik in spanning.

„Beroerd.”

„Hoe zoo?”

„Wacht even.—Janne!”

Janne kwam.

„Hier, hang die domineesjas maar ergens op, en neem dat boord mee en die lakschoenen en ... nee—de broek zal ik toch maar aanhouden.”

„Steek eens op,” leidde ik af.

„Graag.—Schoonpapa heeft me niets aangeboden.”

„Hoe is het nou gegaan?” vroeg ik weer.

„Zooals ik voorspeld heb. Bij het binnenkomen ben ik begonnen met een vaasje van een tafel te vegen met de panden van m’n jas. In m’n onhandigheid heb ik toen gezegd: „Dat ligt.”—„Laat maar liggen,” zei schoonpapa toen; zeker om me op m’n gemak te zetten. „Het is me heel aangenaam kennis met u te maken,” heb ik toen beweerd, en dat sloeg er natuurlijk op als een tang op een varken. Ik geloof ten minste dat schoonpapa me raar aankeek. Enfin, we zijn over m’n toekomst gaan praten; over m’n financies, waaromtrent hij mij evengoed had kunnen inlichten als ik hém. Het resultaat van alles is, dat ik als geheime verloofde van Kitty ben aangenomen. Het schandaal wordt publiek als ik door m’n eerste examen ben.”

„Van harte man,” wenschte ik; maar Boy keek verdrietig:

„Och kerel, je weet niet wat je zégt. Ik ben voorgesteld aan mama en aan twee broers én een getrouwde zuster met bijbehoorende echtgenoot. Ik heb in de familiekring theé moeten drinken. M’n bakkes stond stijf en strak van het glimlachen dat ik deed. De heele familie keek me aan als een wild beest.—Binnenkort is het de beurt aan m’n moeder; arme vrouw dat ik haar dát moet aandoen. En nu moet ik Zondags komen eten en ’s Woensdags komen koffiedrinken en tweemaal in de week,—de keuze der dagen wordt aan mij overgelaten,—tweemaal in de week, zeg ik, moet ik ’s avonds theedrinken, zal Kitty muziek maken, ik een partijtje leggen met den ouwen heer. En Kitty mag natuurlijk niet meer komen. Dat stáat niet.

„Enfin,—het héele burgerlijke, lamme gedoe, wat alle liefde tot een verschrikking maakt, is losgebroken. Allemachtig wat bén ik eigenlijk begonnen?”

„’t Is altoos zoo,” troostte ik.

„Dat wéet ik, en veel jongelui vinden dat jé ideaal, je snoepige, poeteloetige inleiding voor een later huwelijk. Maar ik ben er niet burgerlijk genoeg voor, ik heb té veel idealen, of misschien te weinig,—enfin—ik kan het niet stouwen,—het werkt op me als wonderolie,—daar word ik óok altoos zoo mislijk van.”

„Nou komen ze zeker ook wel eens hier,” veronderstelde ik.

„Ja—dat kun je eerstdaags verwachten. Ik begin vandáag al ál m’n dictaten en boeken ópen op mijn studeertafel te kwakken. Doe jij dat óok maar. En—o ja—neem dat beeld van dien naakten faun weg, mama kon er eens aanstoot aan nemen. We zijn nou deeglijk,—snap je?”

En Boy nam het hoofd tusschen de handen, als een beursspeculant, die over den kop is gegaan.

Toos en Non kwamen afleiding brengen, wisten het nieuwtje al. Een gehéime verloving is altoos het vlugst bekend. Maar Kitty ontbrak en Boy trok zich terug, om op zijn schrijftafel al vast de dictaten-uitstalling in te richten.

Non vond het geval natuurlijk léuk: Toos was stil, bedacht vermoedelijk, dat Bram nu weldra óok wel eens zijn opwachting bij de oudelui kon maken.—Maar Bram dácht daar niet aan, geheel vervuld door een paar rolschaatsen, die hij gekocht had en waarmee hij zegevierend thuis was gekomen.

„Zal ik het eens probeeren?” opperde hij.

„Waar?” vroeg Toos.

„Hier—in de gang of in de kamer,” stelde Bram voor.

„Dat láat je nu maar,” bedilde ik. Maar Bram beweerde, dat hij het best kon en trok de dingen aan. Een geweldige bons op de gang kondigde aan, dat hij er mee had trachten op te staan.

„Au verdomme!” kwam Bram ongepast en toen: „Zeg help me eens even.”

Bram zat voor de deur van zijn kamer, wreef zijn achterhoofd, dat tegen de deur was aangekwakt.

„Doet het pijn?” vroeg Toos.

„Als ik maar op gáng ben,” antwoordde Bram onlogisch.

Ik tilde hem op en kreeg meteen met de metalen rollen een valschen schop tegen mijn schenen; dan begon hij wild achteruit tegen de deur te slaan.