Part 6
Boy kwam kijken, hielp me het tuimelende gevaarte overeind te zetten. Zich vasthoudend aan de trapleuning, stapte Bram met holle dondergeluiden over het gangetje. Wij keken toe, op een gepasten afstand, want ik had ondervonden, dat rolschaatsenrijden voor den helper minstens zoo pijnlijk is als voor den roller zelve. De trapopening deed de leuning eindigen. Bram stopte even, vond het geval gevaarlijk. Aan den deurknop van de eetkamer kón hij zich niet vasthouden, want, om de deurpost loerend, was daar Toos, die hem onverholen uitlachte. Dit bracht Bram tot het uiterste.—Hij sloeg twee maal driftig achteruit, dook met het bovenlichaam naar voren, schoot den afgrond der trap voorbij en klampte zich al vallend aan den deurknop van de zekere plaats vast, rukte in zijn slag die geheimzinnige deur open:
„Ai jesses nog an toe!” gilde arme Janne, die er op zat.
„Doe het háakje er dan ook op,” verweet Bram, als een buldog voor de deur neergezegen.
„Die zát er op!” jammerde Janne van binnen.—„U hebt alles aan gruzelementen getrokken! Ai jesses nog an toe!”
We waren lám van het lachen, konden geen vinger uitsteken naar Bram, die maar riep:
„Help me nou toch!” en op trachtte te krabbelen en telkens weer neerplofte, maar den moed niet meer bezat nóg eens den noodlottigen deurknop tot steunsel te grijpen.
Eindelijk konden Boy en ik hem ophijschen; Bram schopte als bezeten rechts en links.
„Doe je nóg een baantje?” vroeg Boy.
„Als ik maar op gáng ben,” nijdigde Bram.
„Nou—daar ontbreekt het je anders niet aan,”—meende Boy, en in een nieuwe lachstuip lieten we Bram los, die de aansluiting met de leuning miste en met kletterend metaalgeraas en gebonk van ledematen de trap afsloeg.
„Nou ben je op gang,” hinnikte Boy.
„Begin straks van de bovenste verdieping,” raadde ik.
Bram, op zijn knieën, sjorde zich de trap op, kwam klossend met automaat-bewegingen de ontvangkamer binnen, waar Toos zenuwachtig lag te huilen van opwinding en Non geen geluid meer van zich gaf; Boy zat op den grond en ik stond hoestend me in een koekje te verslikken.
Toen Bram binnen kwam waren we allen te lamlendig om ons er tegen te verzetten.
„’t Gaat al beter,” verkondigde Bram, „als ik maar op gang...” en toen sloeg hij voorover, greep zich aan het tafelkleed vast en trok dit met theegerij en koekjes over zich heen.
„Au au!” schreeuwde Bram, die de warme thee in zijn nek had gekregen.
„Au—au!” schreeuwde Toos, die krampen kreeg.
Toen kwam Janne binnen:
„Ai jesses nog an toe,” bromde ze, „u lijkt met permisse wel dol.”
Bram werd van zijn schaatsen ontdaan, stond met moeite op.
„Je moet het ook op een baán doen,” vergoeilijkte hij zijn figuur.
„Dat idee had je eérder kunnen hebben,” vond Boy.
„Je hebt me mijn mooien theepot gebroken, met je capriolen,” mópperde ik.
„Je krijgt een nieuwe,”—beloofde Bram, nog heelemaal ontdaan. In later jaren, in Nangking, zou hij er om denken.
Het duurde een poosje eer de orde weer hersteld was en Janne de theevlekken uit vloer- en tafelkleed had gewasschen. Toos en Non dronken met snikkende bewegingen en bibberende lippen koud water. Bram had bulten op het hoofd en liet zich door Janne brandzalf in den nek smeeren.
„Ja,”—vond Boy, „het is een ráre sport. Als je leért rollen, rol je direct en als je kúnt rollen, rol je niet meer.—Enfin—ik heb me met recht een rolberoerte gelachen.”—En toen Bram binnenkwam: „Je zult je nou wel als rolpens voelen,”—welke aardigheid deze echter maar hálf vond.
Maar dien avond werd Bram weer door de rolziekte bezeten; ditmaal had de vertooning op het trottoir plaats: Boy en ik lagen van uit den erker toe te kijken.
„Als je nou weer op gáng bent—dan fluit je wel even,” verzocht Boy.
Maar Bram deed ernstig. Een lantaarnpaal was het punt van vertrek; met een duwtje kon hij juist hobbelen tot de huisdeuren van onze buren. Net was hij er bij een aangeland, toen de meid er uit kwam. Bram stoof tegen haar op, sloeg de armen om haar heen, om het evenwicht te bewaren, en gaf haar dan maar, in éen moeite door, een zoen.
„Enge bliksem!”—giechelde de meid en liet de melkkan vallen.—„Gossie!” klaagde ze dan. Maar Bram moest daarvan niets hebben en stoof met een duwtje weg, ditmaal in een raamkozijn van onzen onderbuur gerakend. Een spionnetje, waarin de benedenbewoner onze deur bespiedde, viel te pletter.
„Gossie!” jammerde de meid weer, die nooit zooveel teisteringen in zoo’n kort oogenblik had zien geschieden.
„Pas op!” waarschuwde ik Bram, die de beenen ver vooruit gestoken, op éen elleboog in het kozijn leunde en zijn loopstokken weer in te trekken trachtte.
„Pas op voor den ouwe van beneden,” siste ik weer.
Dat werkte op Bram, tot wien het nu pas doordrong dat hij des onderbuurs loerspiegeltjes vernielde. En hij slaagde er in zijn beenen bij te trekken, nam weer een afzetje en stoof ditmaal tegen den ouwen van beneden zélf op, die brieschend in zijn deur verschenen was.
„M’nheer!” bulderde de buurman, toen Bram hem liefdevol de armen om den hals sloeg, maar minder liefdevol hem een van die schoppen tegen de schenen uitdeelde, waar ik van meespreken kon.
„M’nheer!—laat me lòs, m’nheer!” loeide de ouwe heer, toen Brams beenen ter afwisseling achteruit gleden en de omhelsde onder het gewicht boóg,—„laat me lós m’nheer!”
„Ik kán niet!” jammerde Bram en trok beurtelings eén der beenen bij, waardoor het andere weer uitschoot.
„Laat me lós!” krijschte de spionnengluurder.
„Dadelijk,” beloofde Bram, die evengoed had kunnen verzekeren; morgen zal het regenen. Het hield den grijsaard omhelsd, trapte vónken uit de kleine steentjes.
„Nou ben je op gang, moet je fluiten,” beweerde Boy van uit den erker.
„Laat me lós!” schreeuwde de geplaagde weer.
„Trek me op!” verzocht Bram, en toen viel de onderbuur voorover omdat Bram, loslatend, met het hoofd hem tusschen de beenen was geschoten. In volmaakte evenredigheid lagen ze op elkaar.
Boy en ik kwamen te hulp, trokken het heertje op, sjorden den vonken trappenden Bram naar binnen.
„Wilt u morgen de rekening van het spionnetje zenden?” verzocht Boy, het heertje afkloppend.
„En m’n melkkan?” mengde de meid zich in het gesprek.
„Die betalen we ook,” kwam ik grootmoedig.
„’t Is schande, schánde!” beweerde de spiegeltjes-loerder,—„nooit—nooit is me zoó iets overkomen.”
„Dat zijn dingen die gebeuren je ook geen tweémaal in je leven,”—troostte Boy en deed de huisdeur dicht.
Binnen op de trap zat Bram.
„Er mankeert een rol aan m’n rechterschaats,” piekerde hij.
„Goddank,” zei ik opgelucht.
„Laat ’m vooreerst maar niet maken,” verzocht Boy.
„Hebben jullie m’n hoed soms gezien?” vroeg Bram.
„En je hebt ’m op je kop—ezel,” wees Boy terecht.
„Ben je gek?—dat is de mijne niet,”—verklaarde Bram,—„anders had ik er immers niet om gevraagd.”
Meteen werd er gebeld,—driftig.
„M’n hoed!” schreeuwde het heertje achter de ruitjes der deur.
Boy deed open.
„M’n hoed!” eischte de eigenaar weer.
„Nou—maak zoo’n drukkie niet,—ik zal ’m niet houden,—hij staat mij nog veel gekker dan u!” meende Bram en gáf den hoed. Boy had dien van Bram inmiddels plat gedeukt bij de lantaarn gevonden.
„’t Is schánde!” verklaarde onderbuur en wreef driftig het hoofddeksel.
„Dat wéten we—zeg nu eens wat ánders,” kribbigde ik.
„U mag dien dop wel uitstoomen,” raadde Bram, „ik heb verleden van die kat—u weet wel—een beetje schurft opgeloopen, niet zoo héel erg.”—Waarop de getergde de deur dichtsloeg.
Boven aan de trap was Janne.
„Kunt u het haakje weer even op de deur zetten?—Ik durf er zoo niet meer op.”
Bram, na ál die uitputtingen ging naar bed. Boven kwam Boy nog wat praten.
„’t Is morgen Woensdag—je moet koffiedrinken bij je schoonouders.”
„God—zou het mórgen al beginnen?” kwam hij angstig.
„Vermoedelijk wel.”
„Och lieve hemel,—ik ging net zoo lief twee dagen college loopen,” vond hij somber.
Den volgenden dag, terwijl Boy nog blijkbaar in de naweeën van het koffiedrinken ten huize van Kitty verwijlde, kwam de blozende meid het geld voor haar melkkan eischen.
„’t Is tachtig cente,” onthulde ze aan Bram, die haar op de trap tegemoet kwam.
„Hier—neem dien gulden voor den schrik,” zei deze en zoende haar meteen op beide wangen.
„Gossie,”—zei de meid grinnekend.
Maar Toos, die door de opengelaten huisdeur binnengekomen was, zei heel wat anders:
„Nare lamme jongen!” schold ze, en ging heen, de deur achter zich dicht bonzend.
Bram keek beteuterd.
„Gossie,”—zei de meid weer, die iets van een drama begrepen had.
„Verrek met je gossie!” kwam Bram bars.
„Ai jesses nog an toe, die arme freule Toos!” verontwaardigde Janne zich, die Bram niet meer goed zetten kon ná het rolschaatsengeval.
„Ga haar achterop,” raadde ik.
„Toe—doe jij het,” verzocht Bram.
En zoo holde ik Toos achterna.
„Toos—ben je boos?” rijmde ik, hijgend met haar meestappend, want ze kón rennen.
„Jullie zijn lamme jongens!” en aan haar stem kon ik merken dat ze haast huilde.
„Toos—het was een flauwe grap,” vergoeilijkte ik.
„Ik hoúd niet van dié grappen—en schiet nu maar op!” nijdigde ze.
Ik trachtte het geval uit te leggen; ze wilde er niet naar luisteren.
„Ik kom nóóit meer bij jullie!” en ze begon te huilen.
„Toe nou Toos,”—hield ik aan.
„Asjeblieft ga wég!” smeekte ze. En ik ging, boos op mezelf en op Bram.
„Dat heb je nou van je malligheden,” voer ik driftig tegen den zondaar uit.
„Och—het is maar beter zoó,” beweerde deze, „ik had er tóch al genoeg van.”
„En ik vind het mislijk!” stoof ik op, denkend aan de huilende Toos.
„Je bent gek. Dacht je dat ik me liet lijmen zooals Boy? Er zijn aardige meisjes genoeg in den Haag,”—kwam de meisjesgek.
„Begin er dan niet mee, ga zoo vér niet,” deed ik weer ijselijk deeglijk.
„Ik ben niet begonnen maar zij,”—trok Bram zich terug.
Katterig van zooveel cynisme, ging ik maar naar mijn kamer.—Eerst Kitty niet meer, nou Toos. Het was lam.
Dien middag werd weinig aan tafel gesproken.
Boy had óok het land, maakte plannen om met Kitty er van dóor te gaan, want nog een páar van die ontvangsten in Kitty’s familie en hij zou zenuwziek zijn.
„Waarover hebben jullie het gehad?” vroeg Bram.
„Waaróver?—Eerst over het weer, toen met den ouwe over de Amerikaansche steal-crisis, toen met mama over het roosteren van brood, toen—in het algemeen—over dienstboden. Toen ik vertelde dat Janne me bij m’n boord hielp, vonden ze dat „ráár”. Daarna over het boenen van parketvloeren en toen vroeg de ouwe hem uit te leggen wat een integraal was, net of ik dat warempel zélf wist.—Enfin de koffie werd opgeheven bij een discussie over het gevaar dat geëmailleerde pannen opleveren.—O—ik hou het nooit uit.”
„Lieten ze je toen alléen met Kitty?”—vroeg ik.
„Ja—in de huiskamer, waar de meid afdekte, terwijl ma vóor, in het salon, borduurde. Na een uurtje moesten we met haar boodschappen gaan doen.”
„’t Is lollig,” vond Bram, opgelucht, dat het met Toos uit was.
„Lollig?” stoof Boy op, „Weet je wát het is?—een voorbereiding om getemd te worden, om te verschimmelen. Soms, als ik er aan denk, voel ik me of ik al duf begin te worden,—of ik begin uit te slaan.”
„Nee—je slaat dóor,” vond ik.
Maar het begón er raar uit te zien.
HOOFDSTUK VIII.
NOG MÉER ONDEEGLIJKHEDEN.
Mijn schuld was het feitelijk niet. Zoolang Kitty, Toos en Non geregeld kwamen, had ik me deeglijk gehouden; nu ze wég bleven, Non uit meegevoel voor Toos en ook omdat ze het alleén niet gezellig vond,—nu er dus in ons huis geen ander vrouwelijk wezen zich liet bekennen dan ouwe Janne, kwam mijn lang verkropte ondeeglijkheid weer boven.
Loekie heette ze en was modiste. Op de rolschaatsenbaan in den Dierentuin, waarop ik me met Brams rollers gewaagd had, nadat hij toegegeven had, dat die sport hem niet meer toeleek, had ik haar rank, jolig figuurtje opgemerkt, hadden we eens tegen elkaar geglimlacht, sámen gereden, sámen pret gemaakt en nu was Loekie mijne „amante preferita.”—Dat lijkt ijselijk, dat schijnt een monster van ondeeglijkheid en dat ik er zoo rond voor uitkom, kan mij de vervloekingen van menigen deeglijken spionnetjeskijker op den hals halen. Maar het wás nu eenmaal zoo. Een Italiaansch liedje zegt in het refrein:
Ma voce e bellezza e giovinezza non torna più; el il tempo che passò senza l’amore non tornerà!
en hoewel ik in die dagen dat liedje nog niet kende, en hoewel ik me nooit veel heb laten voorstaan op mijn stem en nog minder op mijn uiterlijk schoon, besefte ik ook toenmaals, dat een mensch maar éen jeugd heeft, dat men met siekeneurig geblok en bijbehoorende sombere levensopvattingen zijn jeugd versuft, in plaats van met een jolig, lévend lichaam er door heen te maaien.
Men vergeve me deze ontboezeming.
Ze heette dus Loekie en ze kwam vaak. Dan schaterde haar jolige lach door het huis, dan griste ze de paperassen onder onze neuzen weg, dan zat ze op een hoek van de schrijftafel, de beenen in keurige zijden kousen hoog opgetrokken, onbekommerd hun slankheid toonend, en rookte sigaretten, snapte honderd uit.—Ze had zwart haar en grijze oogen en vochtige roode lippen, die haar mooie tanden altoos onthulden.—Enfin ... ik was er mal van.
Boy, bij dit alles,—hield zich deeglijk, maar beweerde dat, sedert de ontvangsten bij Kitty’s ouders, zijn haar schrikbarend was gaan uitvallen. Bram had eenigen tijd het „hof” aan „Gossie” gemaakt, doch was er niet mee opgeschoten; in den laatsten tijd was hij veelal ’s avonds zoek, had afspraakjes, kreeg raar gekrabbelde briefjes; maar het rechte wisten we er niet van.
Op een morgen van een kouden Januaridag lag ik nog zalig te maffen, want het was nog vroeg, zoo omstreeks half twaalf, toen Boy binnenstuiven kwam.
„Zeg—de ouwelui van Kitty, met den heelen romslomp, komen koffiedrinken.”
„Ben je mal?” verbaasde ik me, want tot nu toe was nooit iets van die ontvangst ten onzen huize gekomen en ik dacht thans het gevaar voor altoos geweken.
„Ze kómen!” jammerde Boy.
„Geef orders aan Janne,” raadde ik.
„Maar ’t is jouw week,” gaf hij terug.
„Stik,” vervloekte ik naar m’n sokken grijpend.
Het wás mijn week; dat wilde zeggen, dat ik de huishouding met Janne te regelen had. Toen we er ons alle drie tegelijk mee bemoeid hadden, was het een schrikbarende verwarring geworden, diende Janne den éenen dag drie vleeschen en vier groenten op en zaten we den anderen dag voor bijna leege schotels elkaar verwijten te doen.
Ik ontbood Janne. Boy legde uit dat Kitty, behalve een wettigen pa en een dito mama, er twee broers én een zuster met echtgenoot op nahield. Als Bram kwam waren we dus tien personen.
„Ai jesses nog an toe,” mopperde Janne, „late die menschen dat dan éerder zeggen.”—Haar hoofd liep om.
„De bedde benne nog niet eens gemaakt,” klaagde ze.
„Nou de sláapkamers komen ze niet kijken,” meende Boy.
„En in m’n keuken is het een beestenboel,” hield Janne vol.
„Niemand komt in jouw keuken,” brabbelde ik, met een tandenborstel in den mond.
„En de kamers benne óok niet gedaan,” vervolgde de meid haar jammerklacht.
„Godverdikkie,” vloekte ik en verslikte me haast in den tandenborstel.
„Wat heb jij?” vroeg Boy.—„Zie je ze vliegen?”
„Loekie komt vanmiddag,” verklaarde ik.
Boy keek me strak aan, zeeg toen op m’n bed neer en kraakte er een paar manchetten.
„Dat ontbrak er nog maar aan,” meende hij.
„Tien menschen over de vloer,” jammerde Janne.
Maar ik pakte haar driftig bij den arm, nijdig in zenuwachtigen angst:
„Janne,” zei ik,—„ga nou als den drommel den boel in orde brengen, haal sardientjes en ham, en wat sla en jam en kaas...”
„En melk,” viel Boy in de rede,—„de ouwe heer drinkt mélk aan de koffie.”
„Goed—en melk. Enfin, je weet wel,” duidde ik vaag aan, want een koffietafel improviseeren is geen malligheid.—Janne wilde al gaan.
„Ho,”—stopte ik haar. „Luister nou goed—je krijgt een flinke fooi, hoor je, als je doet wat ik zeg.”
„Zeg u het maar,” kwam Janne gemagnetiseerd.
„Als juffrouw Loekie komt, stuur je ze hier in mijn slaápkamer, snap je? en geeft haar een briefje dat ik schrijven zal. Als ze lawaai mocht maken bij het binnenkomen, dan zeg je hardop—zoó dat ze het binnen kunnen hooren—dat er niks geen vuile wasch is vandaag.”
„De ouwe lui zullen denken dat we ons nooit verschoonen,” bepiekerde Boy zijn reputatie.
„Klets niet,” kwam ik bars—„dus begrepen? hárdop en tegelijkertijd geef je dan maar teekens dat ze zich stil houdt.”
Janne had begrepen,—holde weg om inkoopen te doen. Boy dekte, peinsde over de plaatsenverdeeling.
„Ga liever koffie malen,” riep ik nog en rende óok weg, kocht taartjes, genoeg om iemand een driedaagsche verstopping te bezorgen, en wat bloemen.
„Taartjes,—die haalt Janne al,” verklaarde Boy koffiemalend toen ik terug kwam,—„maar het is goed dat je om bloemen gedacht hebt.”
„Taartjes èn bloemen zijn voor Loekie,” benam ik hem alle illusie en ging mijn slaapkamer opruimen, bracht er de bloemen èn de taartjes, nog wat sigaretten en een halfdozijn Sherlock-Holmes-verhaaltjes, pende den brief aan Loekie, waarin ik het geval uitlegde, haar smeekte ter wille van Boy zich eens eén keer kalm te houden en niet te schrikken als ik haar van buiten opsloot, opdat geen snuffelneus eens in mijn slaapkamer mocht belanden.
Van al dat gehaast en geren zweetten we alle drie als karrepaarden.—Maar we waren klaar toen tegen eén uur de familie zich aanmeldde. Nadat de voorstelling was afgeloopen en mevrouw had beweerd: „Wat een werk hebben de jongelui van ons gemaakt!”—viel er een diepzinnige stilte in en om wat te beweren flapte ik er uit:
„Wel Kitty, dat is al een heelen tijd dat je niet meer hier...” toen hield ik op, want Kitty kneep me valsch in den arm. Dat was het eerste figuur.
„Is Bram er niet?” praatte ze er pal overheen.
„Daar moeten we niet op wachten,” beweerde Boy—„met zijn colleges weet je nooit hoe laat hij komt.”
En na die reclame zetten we ons aan tafel.—Mama’s laatste zweem van wantrouwen tegenover die meid, die Boy hielp aan zijn boord, verdween, toen Janne eerwaardig binnenstapte.
„Dag meisje,” knikte mama vriendelijk tegen het „meisje,” dat allicht eenige winters meér bezat.
Maar Janne had haar innemendsten glimlach, en redde mijn figuur door tegen Kitty te zeggen:
„Nou ziet de freule het huis oók eens van binnen, en hoeft ze niet meer voor de deur te wachten met de fiets.”—Ik had Janne om den hals kunnen vallen en bedacht dat een riks fooi, voor ál haar moeite èn haar listighedens tegen Loekie, wel te weinig wezen zou.
De sardines gingen al rond en Kitty’s eene broer had juist beweerd dat hij meér van oesters hield, wat ik een ongepaste toespeling op ons sober maal vond, terwijl ik geheel geen verband tusschen oesters en sardines zag, toen in de stilte, die deze onhandigheid volgde, iedereen met veel geraas de huisdeur hoorde opengaan en de stem van Bram, die riep:
„Zoo oolijkert—kom je weer eens aan?”
„Dag Jannepans!” schalde Loekies stem in de gang.
„Je moet mórgen voor de wasch terugkomen!” bulderde Janne vlak voor de deur van de huiskamer.
„Zeg—ben je nou heelemaál?” vroeg Bram,—„die beroerling!”
„Haha!” schaterde Boy luidruchtig, „Bram denkt, dat Janne het tegen hém heeft!”—en Kitty lachte mee, wat eenig rumoer gaf.
Ik had kippenvel, luisterde langs de binnen-kamer-geluiden heén, naar wat buiten gebeurde.—Daar was het even stil, toen kwam Bram, die toch bij slot van rekening oók wel eens slim kon zijn:
„Ja kom maar liever mórgen voor de wasch!”—en de huisdeur sloeg dicht.
„Die Bram, die zich met de wasch bemoeit!” schaterde Kitty en mevrouw vond het aárdig zooals we daar samen leefden.—Bram liep met veel geraas over de gang, bengde met de deur van zijn slaapkamer, en daar tusschen door hoorde ik de treden van de trap kraken, boven een deur voorzichtig open en dicht piepen; en wist dat Loekie aangeland was. Daarop werd ik ongepast luidruchtig en begroette Bram met een hoeraatje.
Hij werd voorgesteld, toonde zicht verrast, sprak over colleges en van Sanskrit, waar hij eindelijk licht in ontdekte.—Het gesprek kreeg een deeglijk karakter en niemand vermoedde dat boven ... Loekie...; als ze zich maar stilhield.
Na tafel wilde de familie het huis eens gaan kijken.
„Ik geloof dat boven nog een raam openstaat,” bedacht ik schijnheilig en rende de trap op, draaide mijn slaapkamer op slot.
„Drie dagen cachot,” ginnegapte Loekie van binnen met een vollen mond, terwijl ik den sleutel in den zak stak.
„Sst!” deed ik angstig.
Toen kwam de stoet boven, toog Boy’s kamer in; mama bleef paf voor de schrijftafel met de dictaten-uitstalling. De indruk bleéf degelijk.—Dan kwam alles in mijn kamer, die mevrouw oók heel lief vond en waar de naakte faun, dien ik vergeten had weg te stoppen, gelukkig geen aanstoot gaf.—Het was een opluchting toen de heele zwerm weer naar beneden zakte en in de inmiddels door Janne opgeruimde huiskamer neerstreek.
Het gesprek verflauwde; Boy en ik, die vanwege Loekie in transen verkeerden, deden suffig en verstrooid; Bram, die naar een afspraakje moest, keek telkens op zijn horloge. Op ’t laatst hield hij het niet meer uit, loog onbevangen:
„U zult me niet kwalijk nemen—het spijt me vreeselijk—maar ik heb afgesproken met een studiegenoot om vanmiddag te repeteeren,”—gaf handjes en ging.
„U zult oók wel aan uw werk moeten,” meende mevrouw, die niet vermoedde welk aangename bezigheid me wachtte. En de zwerm vloog op. Pa dook in de keuken, gaf Janne haar fooi.
„Oef!” zuchtte Boy, toen de deur dicht viel.
Maar ik rende naar boven, sloot de slaapkamerdeur open. Het rook er bedwelmend van bloemen en sigarettengeur. Loekie lag in mijn bed;—alleen haar leuke snoetje, met de wilde zwarte krullen, en haar blanke schoudertjes, met de twee breede roode linten van haar fijne hempje, waren zichtbaar.
„Ik ben er maar ingekropen,” verklaarde ze, toen onze eerste omhelzing voorbij was,—„het was hier zoo koud,”—en ze dook grappig weg onder de dekens, bleef met éen oog naar me kijken.
„Goddank dat je je koest gehouden hebt,” loofde ik.
„Stop de dekens wat in m’n rug,” verzocht ze.
Dan snapte ze honderd uit over het malle geval van Jannepans, die haar verteld had morgen voor de wasch terug te komen, over de stikbui die ze kreeg, toen ze het geval gesnapt had, hoe ze toen maar met de taartjes en de sigaretten in bed gekropen was.
„Is het wárm op je kamer?” vroeg ze dan.
„Hoezoo, Loekie?”
„Dan gaan we dáar zitten, lekker bij de kachel.”
„Kleedt je je niet liever wat aan?” vroeg ik bezorgd.
„Jasses nee—ik blijf veel liever zóo,” deed ze leuk, en ik bekende dat ik ze óok veel liever zóo zag.
Mijn kamer was weldra op broeikaswarmte. Toen stak Loekie voorzichtig éen slank, bruinzijden kousebeen van onder de dekens uit en dan het andere, sloeg de armen om mijn hals en liet zich op een drafje in mijn kamer dragen, waar ze neerhurkte op het witte berenvel voor de kachel. Zooals ze daar zat met haar grappig snuitje, haar slanke bloote armen, de lijnen van haar lenig lichaam te raden onder het kanten hemd, de roodzijden linten over de schoudertjes, de breede purperen kousebanden hoog op de soepele dijen, de zenuwachtige beenen gekruisd,—zóo leek ze een wonder plaatje; zóo was mijn kamer opeens als een paleis, als een sprookjeswoning, voelde ik me rijk en gelukkig en vol dolle, dartele lichtheid.—Degelijke menschjes zullen dat niet bevatten; siekeneurige bleekneuzen en duitensparende principekluivers zullen het schandelijk vinden; zenuwzieke, aan „weltschmerz” lijdende joggies, die hun jeugd in maagdelijkheid verleppen en zwaar dazen over kunst en letteren, die over de „essence der schoonheid” leuteren en suikerbrood-idealen kristalliseeren, zullen het als plat en laag bij den grond veroordeelen.
Ik niet.
„Lees je nog wat vóor?” vroeg Loekie.
Ik ging zitten in een leunstoel. Aan mijn voeten op het witte berenvel, leunend tegen mijn been, een arm om mijn knieën geslagen en het lokkenkopje er op neergevleid, luisterde ze aandachtig naar de ijselijkheden van den Jachthond der Baskervilles.—Dat vond ze prachtig.
Juist als Sherlock Holmes en Watson den boef bij een kaarsje op de vlakte ontdekken en Loekie van spanning me in de kuit kneep, kwam Boy binnen.