Chapter 1 of 6 · 4000 words · ~20 min read

Part 1

BLONDE DUINEN

DOOR JAC. P. THIJSSE

TE ILLUSTREEREN MET VERKADE’S PLAATJES NAAR TEEKENINGEN VAN L. W. R. WENCKEBACH EN JAN VAN OORT

1910 BAKKERIJ „DE RUIJTER” DER FIRMA VERKADE & COMP. ZAANDAM

Nu wij aan een tweede reeks van onze Natuur-Albums beginnen, mag ik wel eenige woorden zeggen omtrent de bedoelingen en beteekenis van het werk. Wij mogen wel zeggen, dat de oorspronkelijke bedoeling, de bevordering van den bloei der industrie-inrichtingen van mijn vrienden Verkade, langzamerhand op den achtergrond is geraakt. Wie de Jaargetijden-Albums kant en klaar voor zich heeft, zal allerminst den indruk krijgen, van te doen te hebben met een reclame-uitgave. Wanneer Wenckebach, Voerman, Van Oort en ik aan ’t werk zijn, dan denken wij ook in ’t geheel niet aan de mooie fabriek aan de oevers van de Zaan, maar wel aan de vriendelijke eigenaars, die den gelukkigen inval hebben gehad, alles zoo in te richten, dat tienduizenden jongelui op gemakkelijke en weinig kostbare manier in ’t bezit kunnen komen van goede gekleurde afbeeldingen van onze Nederlandsche planten en dieren. En wij hopen dat hierdoor bevorderd zal worden de omgang met de natuur.

Die schilders weten natuurlijk op een prik, dat zij zonder omgang met de natuur niet zouden kunnen leven of bestaan. En alles, wat ik in mijn leven heb gezien en ondervonden, heeft mij gebracht tot de overtuiging, dat ieder mensch gelukkiger en gezonder moet worden, naarmate hij meer belang stelt in het leven van de planten en dieren om zich heen. Hoe dat nu precies zit, kan ik in het kort bestek van deze voorrede niet gaan uitleggen; het voornaamste is wel, dat de natuurliefde je brengt tot het doen van heerlijke zwerftochten door de mooiste streken van de wereld, dat ze je leert, in een eenvoudig landschap nog oneindig veel moois te zien, en dat je altijd gelegenheid hebt, om aan lieve en mooie dingen te denken. Visschers op de wijde zee, arbeiders op het land, fabriekswerkers in de groote steden hebben mij getuigd, hoe hun werk aangenamer, hun leven rijker is geworden door hun liefde voor bloemen, vogels en insecten.

Het komt er slechts op aan, ze te leeren kennen en wel liefst zoo vroeg mogelijk. Die bekendheid wordt nu ’t gemakkelijkst geschonken door goede gekleurde afbeeldingen.

In onze Jaargetijden-Albums hebben wij reeds ruim vijfhonderd van onze planten en dieren afgebeeld, vijfhonderd van de vele duizenden.

In onze nieuwe reeks wenschen wij hiermee voort te gaan. Wij hopen ’t aantal van onze kennissen uit te breiden en tegelijker tijd wat meer te weten zien te komen van de vrienden, die we alleen nog maar bij name kenden. ’t Spreekt van zelf, dat we niet alles kunnen vertellen—gelukkig niet—maar we hopen toch, dat het genoeg moge zijn, om u aan te sporen tot een wandeling, en om u genoegen te verschaffen op uw tocht.

Wij beginnen met wandelingen door de duinen en hopen u later nog eens rond te leiden door de bosschen, over de hei, langs het water en door de akkers en weiden. Misschien maken we dan voor ouden van dagen en bestuurderessen van kinderwagens ook nog eens een mooi Park-Album. Wie weet?

JAC. P. THIJSSE.

DE KONIJNENJACHT.

Ik had aan veertig jonge meisjes ieder een konijnenschedeltje beloofd. Op de dierkundeles hadden wij het erover gehad, dat ’t leeren van lessen en ’t napraten van wat de leeraar vertelt eigenlijk, nog maar weinig waard is en dat je zooveel mogelijk zelf de dingen moet zien en behandelen. Iedereen kan best eens een zoogdierenschedeltje krijgen, om te zien, hoe dat zit met de beenderen en de tanden, had ik beweerd. De leerlingen spraken mij dat natuurlijk tegen en toen werd ik warm en zei: nu, dan zal ik alleen jullie allemaal een konijnenkop geven en je zorgt dan maar, dat je die bij de volgende repetitie behoorlijk uit ’t hoofd kunt teekenen.

„Goed,” zei de brutaalste van de troep, „als u ons de koppen bezorgt, zullen we ze teekenen, maar geen koppen, geen repetitie”. Aldus werd besloten.

Er liggen zooveel van die koppen in de duinen, dat ik mij geen zorg maakte over de vervulling van mijn belofte. Als ik er telkens een stuk of wat meenam, dan had ik mijn veertigtal gauw bij elkaar.

Maar hoe gaat ’t met die zaken? Er kwamen allerlei dingen tusschen, waardoor ik minder in de duinen werkte dan gewoonlijk en meestal bleef ik dan nog in de berkenboschjes. Zoo naderde de repetitietijd en ik had nog maar acht koppen, die ik eigenlijk niet eens durfde uit te deelen. En als we het op de les hadden over konijnen, knagen, of tanden, dan trok Haantje de Voorste even met haar mondhoeken.

Dat kon zoo niet blijven voortduren en daarom leende ik op een vrijen Zaterdag van mijn vrouw tien sinaasappelen en een paar pak Verkade’s korstjes. Toen riep ik een stuk of vijf kinderen bijeen, liet doorschemeren, dat ik te beschikken had over die eetwaren en vroeg toen, of ze met mij een tocht wilden maken door de duinen naar het Tweetoppenduin, om veertig konijnenkoppen te zoeken. Of ze wilden! Zonder de korstjes en de sinaasappels had ik ze ook wel meegekregen, maar die verhoogden toch ’t genot. Ik had van de eigenaren permissie, om in die duinen te loopen.

Het was in ’t begin van April, een beetje koud, maar helder, en ’t zonnetje straalde lekker over duin en dal. De fitisjes waren nog niet aangekomen, maar boomleeuwerikken (37) zongen, dat het een lust was. Die zingen heel anders dan de gewone leeuwerikken en hun vlucht verschilt ook veel. Een gewone leeuwerik gaat recht omhoog tegen den wind in, of hij draait in een schroeflijn naar boven, een boomleeuwerik echter gaat niet eens heel hoog en blijft dan rondzwieren in allerlei richtingen. Daarbij fladdert hij dan met zijn breede vleugels heelemaal op de manier van een vleermuis. Hij maakt een heel mooi, helder en kalm geluid, dat herinnert aan ’t mooie roepen van steltloopers. De kinderen kenden hem gauw en beloofden, dat ze ook naar zijn nest zouden uitkijken, dat gelijk met den grond ligt, tusschen ’t gras. We behandelden het heele geval als een jacht. Ik had mijn vijftal opgesteld met afstanden van vijftig meter en nu was de bedoeling, dat we zoo met een breed front zouden optrekken naar een hooge duin, die ons meestal tot rustplaats dient. De twee grootste jongens had ik geplaatst op de uiterste vleugels, de kleintjes in ’t midden en ikzelf kwam wat achteraan, om overal tegelijk te kunnen wezen. Zoo zouden we dan een strook van tweehonderd meter breed degelijk afzoeken.

Het was prachtig bedacht, maar laat ik maar dadelijk zeggen, dat we het niet lang volhielden. Zoolang ze nog niets vonden, ging ’t opperbest en zelfs als er van tijd tot tijd een schreeuwde: „ik heb er een”, dan bleven de anderen nog wel in hun lijn voortgaan. Maar toen er een gilde: „een levend konijn in een strik” was mijn heele slagorde opeens verbroken en stonden we spoedig hijgend rondom het stakkertje, dat daar worstelde met den dood. Hij huilde als een klein kind. Door al zijn trekken en springen had hij de strik al zoo stijf dichtgetrokken, dat ik met moeite mijn vingers kon krijgen tusschen ’t gedraaide koperdraad en zijn nekje. Bovendien probeerde hij nog mij te krabben en hij zat vol ongedierte. Ons meisje begon haast te huilen en ook de jongens keken bezorgd, maar eindelijk kreeg ik de strik toch los. En toen had je dat konijn (13) eens moeten zien hollen.

De strik was geplaatst geheel volgens de regelen der kunst. Die konijnen loopen altijd langs vaste wegen van hun hol naar hun vergader- of voederplaatsen, smalle paadjes door ’t lage kruid of enge tunneltjes door ’t hooge gras. De strooper omspant met zijn strik juist dat heele pad en liefst op een plek, waar hij vermoeden mag dat ’t beest niet al te hard of niet al te zacht loopen zal. Hij loopt er dan in, de strik, die aan een klein paaltje stevig is bevestigd, schuift toe en ’t dier worgt zichzelf bij zijn pogingen om te ontsnappen.

’t Is natuurlijk streng verboden, om strikken te zetten, maar er wordt nog al eens veel gezondigd. Wij waren natuurlijk bijster tevreden over de verrichte redding, maar ik vrees, dat mijn jagers nu meer naar levende konijnen dan naar gebleekte schedeltjes uitzagen.

Nu, er waren er genoeg te zien, als je maar weet waar ze zitten. Er was een steile helling, dichtbegroeid met nog bladerlooze duindoorns en juist in ’t zonnetje. Wij kropen heel stil achter een klein ruggetje en toen konden we onder die dorens tientallen van konijnen zien, die daar kalmpjes rondsprongen en zich te goed deden aan de jonge zeggesprietjes, die juist uit den grond kwamen. Onder de dikke, zwarte duindoornknoesten leeken ’t net grijze spoken.

Een van onze kleine jagertjes stak zijn neus wat te ver boven ons heuveltje uit en dadelijk zaten toen al die konijnen doodstil (11), sommigen rechtop, gewoon zittend, andere plat tegen den grond gedrukt, de ooren in den nek. Als we niet geweten hadden, dat ze daar waren, dan hadden we ze nooit gezien en toen ik met mijn verrekijker die helling afzocht vond ik er nog veel meer, allemaal als ’t ware versteend en met wezenlooze trekken.

Toen wij ons vertoonden, sloeg de heele familie op de vlucht, de witte staartjes gleden langs de helling en verdwenen een voor een in de holen.

Ik wist, dat daar veel bewoonde holen lagen; dat had ik gezien op oudejaarsdag. Het was toen helder weer en ’t vroor dat ’t kraakte, met mooie blauwe lucht en zonneschijn en nog al aardig wat wind. Nevel was er niet, dus ook geen rijp, alleen fijne randjes aan de levende grasbladeren. Doch hier en daar in ’t veld en op de helling waren sommige plekken prachtig mooi berijpt, heele ijspaleizen. Dat was boven den ingang van bewoonde konijnenholen. De waterdamp, die de dieren uitademden bevroor in de takjes en sprietjes rondom den ingang van ’t nest en zoo kon je dan prachtig zien, dat er iemand thuis was. Ik vond het heel aardig, om daar over een groote uitgestrektheid al die konijnenhuisjes met hun kristallen poorten te zien schitteren in de zon.

Op deze plek vonden wij nu ook de meeste koppen en zelfs een bijna geheel gaaf geraamte. Dat gebeurt anders niet zoo dikwijls, want zoo’n konijn wordt meestal door allerlei liefhebbers bij stukjes en beetjes verorberd en die versleepen dan de brokken naar alle kanten. Ook zinken in ’t rulle zand de fijne beentjes en de onderkaken gauw weg, zoodat je meestal alleen maar de schedel zonder onderkaak vindt. Doch daarmee was ik dan ook tevreden.

’t Zijn mooie dingetjes, in ’t geheel niet griezelig. Ze zijn schoon gegeten door de mieren, schoon geschuurd door ’t zand, schoon gespoeld door ’t regenwater en nu komen al de afzonderlijke beentjes, waaruit zoo’n schedel bestaat, prachtig te zien met al hun aardige verbindingen en fijn à-jour-werk.

Toen we ons rustpunt bereikten, hadden we er al zesentwintig gevonden, waaronder drie van kleintjes, met melkgebit. Die hadden in iederen mondhoek niet zes, maar drie kiesjes.

Wij zochten nu een windvrij, zonnig hoekje, om wat te rusten en om die provisies uit den weg te ruimen, wat gauw genoeg ging en we hielden niets over.

Het was op dit plekje al echt aan ’t zomeren en ’t stond er vol met fijne mooie bloempjes: voorjaarsvroegeling, hoornbloem en steenbreek. We hadden er aardigheid in, om de kleinste plantjes te zoeken, want op droge plekken vind je in de duinen soms ongelooflijk kleine dwergjes. Wij vonden dan ook een vroegeling, die nog geen centimeter lang was, ofschoon hij zich toch verheugde in ’t bezit van een wortelrozet, een bloeistengel en een tros van bloemen.

Als die vroegelingetjes en hoornbloemen zoo klein zijn, dan kun je ze op den zandbodem haast niet onderscheiden, vooral wanneer bij koud en donker weer de bloempjes zich niet openen. Maar de steenbreekjes vallen altijd dadelijk in ’t oog, hoe klein ze soms ook zijn. Ze hebben vuurroode bladeren, vuurroode stengeltjes, vuurroode bloemkelkjes. Alleen de kroonblaadjes zijn zuiver wit; ’t is een van de allermooiste plantjes, die ik ken. Als de bloempjes uitgebloeid zijn, dan groeien de vruchtsteeltjes nog wat door en buigen om naar boven, als de armen van een lichtkroon en daarom wordt dit mooie plantje ook wel Kandelaartjes (14) genoemd, een naam, die voor ons, jongelui, ook beter te gebruiken is dan die van „drievingerige Steenbreek” zooals de plant vroeger heette.

In onze duinen valt niets meer te breken, ’t zand is al fijn genoeg. Maar als je nu in de bergen komt, dan vindt je overal, hoog en laag, familiegenoten van onze kandelaartjes op de rotsen; die dringen met hun wortels diep door in de smalste rotsspleten en werken zoodoende met zon en vorst en regen samen, om de groote bergen tot kleine gruzelementjes te maken. Je vindt daar ook in ’t wild de steenbreek, die wij wel als randplantje in onze tuinen kweeken: rozetje van dikke bijna ronde bladeren en lange trossen van fijne witte rood-met-geel gevlekte bloempjes. Sommige menschen noemen dat gewoonweg steenbreek, andere zeggen: schildersverdriet, mennistezusjes of Judastranen.—Je kent het wel.

De duindoorns raken ook in bloei, maar ’t kost een heel gepeuter, om in die dikke bruine proppen de eigenlijke bloempjes te vinden. Des te mooier zijn de kruipwilgjes, die beginnen juist in bloei te komen. ’t Is een lust, de fijne takken met de mooie kleine katjes te zien afsteken tegen den blauwen hemel of tegen den donkeren mosbodem.

Die kleine dingen staan te bloeien tot op de toppen van de hoogste duinen. Allerlei tegenspoed kunnen ze verdragen: wind, droogte, kou, konijnenvraat en als ze maar een stuk of drie takjes boven ’t zand kunnen krijgen, dan prijken die in April toch nog met grijze stamperkatjes (16) of met gele meeldraadkatjes (18) en de bijen komen een uur ver, om er de honing en ’t stuifmeel te halen.

De waterwilg, die beneden in de duinvallei een nat plekje heeft weten te vinden, maakt daar een vertooning van belang met zijn wijduitgespreide kroon, vol groote gele katjes. Het lijkt éen gouden bol en je kunt begrijpen, dat de hommels en de bijen in de blauwe lucht in ’t grauwe duin die groote gele plek zonder moeite opmerken en er heenvliegen, brommend van plezier. Toch slaan zij de kleine kruipwilgjes niet over en zoo krijgen die dan ook behoorlijk hun beurt. Ze hebben zelfs heel wat meer kans dan de gewone witte wilgen (24, 110), die later bloeien.

Er vliegen al heel wat bijtjes en hommels rond in ’t vroege voorjaar en allemaal hebben ze voedsel noodig, voedsel voor zichzelf en voedsel voor hun larven. Geen wonder dus, dat elk wilgenbloempje wordt bezocht en iedere stempel al heel gauw bezet is met een stuk of wat gele stuifmeelkorrels.

En tegelijk met het ontplooien der bladeren begint dan het rijpen van de vruchten. De kruipwilg is dan ook heel mooi, want hij schijnt het noodig te hebben, dat zijn vruchtkatjes paars, rood en bruin gekleurd zijn en dat ziet er dan heel aardig uit. De waterwilg (114) doet dat niet, zijn katten blijven blauwgrijs, maar als ze rijp zijn, dan worden ze weer buitengewoon mooi. De vruchtdoosjes splijten open en daaruit puilen dan de zaadjes zich geheel verscholen in dichte blinkend witte haarpluizen. Dat is in Juni. De heele wilg is dan één witte pruikebol en als je eens een poosje erbij gaat staan in het heldere zonnetje, dan zie je, hoe de zachte zomerwind één voor één die gekuifde zaadjes meeneemt. Ze zweven als kleine witte motjes langs de blauwe lucht. Maar zoover zijn we nog niet, ’t is nu Maart en we moeten werken.

Hoeveel koppen hebben we ook weer. Zesentwintig. Vooruit dan maar.

Hoor, alweer het gehuil van een konijn. Zou er weer ergens een in een strik zitten? Neen, het gehuil verplaatst zich en ’t wordt al zwakker en zwakker. Stellig is er een besprongen door een hermelijn (95). Die zijn nu niet meer wit, maar worden op hun rugzijde bruin en ze jagen het konijn even onverbiddelijk als in den winter.

Het geklaag is al verstomd. Nu zit het roofdier gulzig het bloed op te zuigen uit den nekslagader van zijn slachtoffer. Ook scheurt hij soms heele stukken uit den hals, maar dan laat hij het kreng liggen. Kreng beteekent „lijk van een dier”, ’t is heelemaal geen onfatsoenlijk woord.

Kijk, de bonte kraaien zijn nog niet allemaal vertrokken naar hun broedplaatsen. Een stuk of vier zweven over de vallei heen en weer, ten slotte gaan ze zitten in wat hooge peppeltoppen. Ze wachten tot het hermelijn klaar is, dan wordt het hun beurt. Daarna komen de mieren en torren, soms ook helpen de meesjes een handje en zoo wordt het doode dier gauw opgeruimd.

Soms ook knappen de torren alleen het heele zaakje op. Ik heb wel eens een klein krengetje gevonden, daar was een heele keververzameling aan bezig. Je moet bij zoo’n gelegenheid boven den wind gaan staan en dan even peuteren met een stok. Goede hemel, wat een beesten!

Lange zwarte smalle torren, met een veel te kort jasje aan, kronkelden over den grond. Als je die vangen wil, dan buigen ze hun achterlijf omhoog, net of ze willen gaan steken op de manier van een schorpioen, maar ze hebben heelemaal geen angel. Toch pak ik om de reinheid zoo’n beest liefst maar met een tangetje. ’t Is altijd goed zoo’n pincet bij je te hebben, voor ’t geval, dat je gevaarlijke of vieze dieren van nabij wil bezien.

De Engelsche kinderen hebben voor deze zwarten kortschildkever een aardigen naam bedacht: ze noemen hem The Devil’s Coach horse. (’t Koetspaard van den duivel).

Behalve dit kronkelbeest schuifelen er nog platte zwarte of bruine torren rond, dat zijn de Silpha’s, heelemaal erop gebouwd, om onder dingen weg te kunnen kruipen.

Maar ’t vroolijkst zien de doodgravers (96) er uit, sterk gekleurd met oranje dwarsstreepen op donkeren grond en bezet met mooi gele haren. Tien, twaalf tegelijk zijn er bezig. Met groote vlijt en volharding graven ze den grond weg onder ’t kleine konijntje, dat langzamerhand wegzakt in ’t zand. In enkele uren is het geheel verdwenen. De vlijtige kevers hebben er hun eitjes in gelegd en daarna het cadaver zorgvuldig dichtgedekt. Over een poosje staan daar de plantjes wat weliger dan elders en later komen jonge kevers daar zoo maar uit den grond kruipen. Als die er niet waren, dan hadden we onze veertig koppen al lang bij elkaar.

Als je al die doode konijnen ziet en dan nog denkt aan ’t werk van stroopers, jagers, delvers en fretteerders, met geweer en schop, net, strik en fretje (9), dan heb je moeite, om te begrijpen, dat er nog zooveel konijnen in de duinen rondloopen. En toch zijn er nog veel te veel.

Want eigenlijk zijn het heel schadelijke dieren, die hier niet eens thuis hooren. Je hebt wel eens geleerd van de Caninefaten of konijnenvatters met hun opperhoofd Brinio en je dan die menschen voorgesteld als altijd op de konijnenjacht. Ik vrees evenwel, dat die voorstelling onjuist is, want hoogstwaarschijnlijk zijn de konijntjes hier pas ingevoerd door de Romeinen zelf en die hebben voor Brinio’s tijd daar niet zoo heel veel gelegenheid voor gehad.

De Romeinen leerden het dier kennen in Spanje; zij waren heel vlijtige beoefenaars van de dierkunde, vooral wanneer het op eten of pret maken aankwam. Hun eerste kennismaking was nog al van deftigen aard, daar kwam niets meer of niets minder dan een heel gezantschap bij te pas. De bewoners van de Balearen hadden namelijk zooveel last van de konijnen gekregen, dat ze een paar afgezanten naar Rome stuurden met het verzoek aan den Senaat om een legioen of zoo Romeinsche krijgers te sturen, teneinde die kleine Afrikaansche aard-haasjes te bestrijden. Nog al aardig; verbeeld je die grimmige Romeinsche veteranen, gehard in den krijg tegen de dapperste volken ter wereld, ten strijde trekkend tegen de kleine konijntjes!

Ik heb niet kunnen ontdekken, hoe dat verder is afgeloopen, maar ben er zeker van, dat de Romeinen met dat zaakje wel hun voordeel gedaan zullen hebben. Intusschen zou het wel aardig zijn, eens te weten, hoe ze die Balearen hebben bevrijd, daar zouden we tegenwoordig nog ons voordeel mee kunnen doen.

Je weet wel, dat in de vorige eeuw de jachtgrage Engelschen de onvoorzichtigheid hebben gehad van konijnen in te voeren in Nieuw-Holland en ’t heeft weinig gescheeld, of de knagertjes hadden ook daar het land onbewoonbaar gemaakt voor de menschen, doordat ze landbouw, boschbouw en veeteelt onmogelijk maakten.

’t Is een heel duel geweest. Eerst hebben de Engelschen allerlei roofdieren naar Australië gebracht: bunsingen, marters, hermelijnen, kortom alle mogelijke konijnenvatters. Maar dat pakte glad verkeerd uit, want de roofdieren gingen veel liever de Australische beesten te lijf, die zich gemakkelijker lieten vangen. Daarna is men te werk gegaan met geweer en strik en met vergif en nog duurt de oorlog voort.

Nu is een konijn in ’t vechten heelemaal geen baas, maar ze houden zich staande, doordat ze zich zoo snel vermenigvuldigen. Voor een konijn dat er sneuvelt komen er meteen tien anderen in de plaats.

Ze hebben nu net jongen. Die moet je niet zoeken in de gewone konijnenholen maar in de kinderkamers, die nog al moeilijk te vinden zijn, doordat hun uitgang weer is dichtgestopt. Op eenigszins begroeide hellingen is er nog al kans ze te vinden; kijk maar uit naar zandstreepen van een halven meter lang en twee decimeter breed. Nu moeten de jongens maar eens toonen, dat ze echte spoorzoekers zijn, leerlingen van Shatterhand en Winnetou.

Heb je er een? Wacht, eventjes zien. Met de hand graven we ’t boveneind uit. Daar heb je al droge grassprietjes en vlokjes wol en als ik nu de opening wat grooter maak, zie ik de donkergekleurde, onbehaarde jongen op een hoopje bijeen, blind en bibberend. We maken het hol maar weer gauw netjes dicht.

Als je nu den tijd had, moest je je hier eens verschuilen onder een hoop takken aan de lijzijde van ’t nest. Je moet er niet tegen opzien, desnoods een paar uren te wachten. Het moederkonijn (91) komt dan de jongen voedsel geven. O, zoo voorzichtig nadert ze ’t nest. Telkens gaat ze op de achterste pooten zitten om te snuffelen en rond te zien. Blijkt alles veilig, dan graaft ze in een wip het nest open en na een poos komt ze weer te voorschijn en doet de deur achter zich dicht. Dat gaat met de grootste behendigheid en sommige verzuimen nooit om grassprietjes en brokjes mos over het versch uitgegraven zand te spreiden. Toch weet de boschwachter ze gemakkelijk te vinden, hij heeft me wel eens twintig van die nesten op één middag gewezen.

Na verloop van een dag of tien mogen ze de kinderkamers verlaten en dan betrekt de heele familie een woning op een luchtige duinhelling. De kleintjes blijven in de nabijheid van het hol en laten nooit na, om op zonnige dagen te komen spelen op de warme helling. Het oude konijn zit er dan bij en past ongetwijfeld goed op, dat de jongen niet verrast worden door den een of anderen roover. Ze is één en al aandacht en gebeurt er iets verdachts, dan trommelt ze even op den grond, ’t zij met de voorpooten, ’t zij met de achterpooten en dan vliegen de kleintjes bliksemsnel het hol in, of als ze zich te ver van ’t gat hebben gewaagd, dan drukken ze zich stijf tegen den grond.

’s Avonds krijgen ze wat meer vrijheid van beweging, dan rukt in de schemering de heele bende uit naar een grazig plekje in de buurt. Daar zitten ze dan alle vlijtig te knabbelen aan groene sprietjes van gras en zeggen en dan bijten ze ook menige mooie orchidee den kop af. Zijn ze zat gevreten, dan gaan ze weer spelen en enkelen beginnen zich dan ook te oefenen in de edele graafkunst.