Chapter 2 of 6 · 3934 words · ~20 min read

Part 2

Ik houd er wel van, om in den avond zoo’n konijnenlandje op te zoeken. Eerst zie je niets, maar langzamerhand ga je de grijze gestalten onderscheiden. Als je dan even in de handen klapt dan blinken opeens dozijnen witte puntjes in de vallei. Dat zijn de staartjes van de vluchtende konijnen (15). Als ze aan de haal gaan, dan tillen ze hun staart op, zoodat de witte onderkant zichtbaar wordt. Zoo kunnen dan in de schemering de kleintjes zien, waarheen de moeder hen leidt en komen ze veilig thuis.

En nu is het voor ons ook tijd om naar huis te gaan.

Hoe staat het met onze voorraad? Zesenveertig mooie gave koppen, twaalf onderkaken en vier stel atlassen met draaiers. Goed gewerkt, alleen heb ik de laatste twaalf stuks zelf moeten opzoeken. Op den terugtocht en na het eten ben jullie niets meer waard. Een volgenden keer geen korstjes en sinaasappels!

BERKENDAL.

De berkenboschjes in de duinen zijn als de oasen in de woestijn. Hoe heerlijk is het na een kwartier lang geloopen te hebben door het striemende helmgras of over het broos-knarsende rendiermos en hoorntjesmos weer af te dalen naar de groene vallei met bloemen en vogels.

Een groen boschje staat tegen den hoogen duinrichel; als je op den top van ’t duin staat kijk je recht over het heele bosch heen. In ’t midden bestaat het alleen uit berken, maar langs den rand staan al de bloemheesters van Holland: meidoorns, lijsterbessen, egelantiers, berberissen, ligusters (102), wilde sneeuwballen, zoodat tot diep in den zomer bloeiende twijgen wuiven om het frissche berkengroen.

En onder en om die heesters weer fijn gebloemte van allerlei soort.

Ik heb het eens een heelen tijd lang volgehouden, iederen dag hetzelfde berkenboschje te bezoeken en er een uurtje of langer te vertoeven. Je kent dan ten slotte iederen boom, iedere struik en je meent dat je er ook elken vogel weet te zitten. Toch komen er in den winter bij ’t vallen van de bladeren en ’t afsterven van de kruiden nog altijd nesten voor den dag, waar je geen erg in had gehad. Dat is om je nederigheid te leeren.

Mijn boschje was al tamelijk oud, er stonden berken in, die aan hun voet al diepe overlangsche spleten in de schors kregen. Naar boven toe waren hun stammen mooi glad en bedekt met zilverwitte of heel lichtrose blinkende schors, vol fijne dwarsstreepjes.

Je kunt die schors bij reepjes en lappen eraf scheuren. Soms kun je stukken krijgen, groot genoeg, om te beschrijven of erop te teekenen. Dan kun je je meteen verbeelden een Roodhuid te zijn, want die moeten ook heele epistels schrijven op de schorsvellen van hun berk. Die heet daarom dan ook Papierberk, ’t is dezelfde waarvan ze ook canoes en schoenen maakten.

Onze berken worden voor zulke zaken nooit groot genoeg, vooral onze duinberkjes niet. ’t Is treurig zooveel omgewaaide en doode stammetjes er in mijn boschje liggen. ’t Kan zijn, dat de waterleidingen daaraan schuld hebben, maar de onmiddellijke oorzaak van hun afsterven is een soort van zwam die in de stammen woekert en ’t hout vermolmt.

De bijna onzichtbaar fijne draden van die berkezwam (108) groeien door den heelen stam heen. Van tijd tot tijd wordt de witte boomschors op een plekje opgelicht en doorgescheurd. Daar puilt dan een klein wit knikkertje uit, dat heel snel opgroeit en eindelijk een groote witte plakkaat wordt, die aan zijn onderzijde uit duizenden gaatjes fijne sporen strooit.

Wanneer die belanden op een geschonden plekje van een berk, dan groeien ze daar weer uit tot nieuwe moordzwammen.

Soms zitten aan één stam op verschillende hoogte een half dozijn van die paddestoelen, dat ziet er heel schilderachtig uit en heel merkwaardig is het, dat zij precies dezelfde kleur hebben als de mooie, gave, blanke berkenschors zelf.

Het omgevallen berkje vermolmt spoedig geheel en al. Alleen de mooie witte schors blijft nog jaren lang goed, zelfs als ’t groene mos erover heen is gegroeid. Zoo vindt je in ’t berkenbosch op den grond dan vele brokjes stam en tak, die van buiten mooi blank, van binnen geel en bruin, vermolmd en verpoederd zijn.

Als je nu in Juni of Juli eens zoo’n hoop berkenrommel doorzoekt en de stukjes van een halven decimeter lang ter hand neemt, dan kun je in één van de duizend gevallen het geluk hebben, dat zoo’n stukje tusschen je vingers ineens begint te leven. Het begint te rillen, te beven en te snorren. Tien tegen één, dat je ’t loslaat en nu zie je voor je verbaasde blikken een aardig vlindertje wegvliegen.

We willen ’t niet vangen, maar ’t wel naloopen, om te zien, waar het gaat zitten. Nu hurken wij stilletjes erbij neer en geven onze oogen de kost.

De ondervleugels zijn in den ruststand verborgen, de bovenvleugels lijken sprekend op berkenschors: dezelfde tint, dezelfde glans, dezelfde dwarsstreepjes. Aan ’t eind van de vleugels zitten een paar bruine vlekken en die lijken weer precies op ’t binnenste laagje van de schors met bruingeel hout er binnenin en ook aan den kop zijn de kleuren zoo, dat je geheel den indruk krijgt van een afgebroken en afgebrokkeld stokje (30)!

Eigenlijk is elk levend wezen een wonder, daarom moesten we dezen vlinder dan een wonder boven wonder noemen en als je wat meer gaat rondkijken, zul je bespeuren dat de wereld ook al weer vol is van nog andere wonderen-boven-wonder.

Vlinders en rupsen zijn heel, heel sterk in ’t vertoonen van gelijkenis met andere dingen. Soms lijkt ’t wel, alsof verstoppertje spelen hun voornaamste amusement is. Nu, een spelletje mag het eigenlijk niet heeten, ’t is voor die dieren bittere ernst.

Vogels, hagedissen, kikkers, vleermuizen, spitsmuizen doen dag en nacht hun best, om insecten te vangen en te vreten. Sommige insecten kunnen zich min of meer verdedigen met scherpe kaken of giftige angels, maar de vlinders hebben niets van dien aard en moeten dus hun heil zoeken in de verborgenis. Onze wapendrager (28) (zoo heet die wondervlinder) doet dus maar ’t best, zich uit te geven voor een ongenietbaar dor stukje berkenhout en daar die dingen meestal op den grond liggen, is ’t maar goed voor hem, dat hij ook graag in ’t donker op den grond zit.

’s Avonds vliegt hij rond, dan komt hij ook wel eens op mijn lamp af, als ik met open ramen zit te werken. Maar de eigenlijke boodschap, die ’t dier te verrichten heeft is ’t leggen van eieren, en die moeten vastgeplakt worden aan takken van berken of van populieren, wilgen en andere boomen.

De rupsen, die uit die eitjes komen, kennen geen vrees en doen niet de minste moeite, om zich te verbergen. Bij heele klonten zitten ze op de takken: lange, ruige beesten, zwart en groen met vele gele streepjes, die maken dat elke rups weer uit honderd kleine rupsen schijnt te bestaan. Een griezelig zoodje, en ze moeten niet lekker wezen ook. Ik geloof tenminste niet, dat er één vogel is, die ze met genoegen eten zou.

De berk heeft onder de vlinders nog veel meer vrienden. In Mei en Juni, ook nog wel in Juli vind ik op den dag tegen de berkestammen een vlinder zitten, die zich zoo plat houdt en zoo wit met grijs gespikkeld is, dat je hem alleen ziet, wanneer je weet, dat zoo’n dier bestaat. Je kijkt dan elk stukje van den berkestam aan, jezelf afvragend: is dit schors of is dit vlinder, en zoo snap je hem dan eindelijk. Zoo leer je ook meteen oplettendheid en geduld.

Die vlinder heet dan Peper-en-zout-vlinder of Berkespanner (19) en daar is ook alweer een heel aardig verhaal aan vast. Je weet, dat we sedert de ontdekking van de steenkolen last hebben van de roetplaag. Dat duurt nu al een kleine zeshonderd jaar en er moet maar gauw een eind aan komen. Hoe, dat moet jullie maar eens uitvinden.

In fabrieksplaatsen en groote steden raken daardoor de stammen en twijgen bedekt met een vieze zwarte laag en de berken zien er lang zoo rein niet uit als buiten. Ik zie een duidelijk verschil tusschen de blankheid van de berken in ’t Vondelpark en op de Geldersche hei.

Intusschen is het in ons land nog zoo erg niet, maar in de Engelsche fabrieksdistricten moet het ontzettend zijn, en nu is het wel heel merkwaardig, dat daar in de laatste zestig jaar steeds meer berkespanners zijn waargenomen, die geheel zwarte voorvleugels hebben, juist passend bij die roetwereld. In ons land komen ze ook al voor. Ze hebben precies denzelfden vorm als hun lichtgekleurde broederen en hun rupsen leven op dezelfde manier. Die rupsen zijn zoogenaamde spanners. Ze hebben minder pooten dan de gewone rupsen, maar ze loopen veel harder, doordat ze telkens hun achterdeel vlak bij den kop brengen, dat vastzetten met hun vier achterpooten, dan ’t lijf strekken om met de zes voorpooten zich een heel eind verder weer vast te grijpen. Ze maken zoodoende telkens een beweging die lijkt op ’t spannen dat je met je hand doet, om iets af te meten. Deden wij dat vroeger niet bij ’t knikkeren?

Er zijn honderden soorten van die spanrupsen, die van den berkenspanner is nog al een dikke, bruin en rond en met een knobbel even voorbij halfweg zijn lichaam. De Hollanders van honderd jaar geleden noemden deze rups metertorenkop. Hij vreet evenals de wapendragerrups bladeren van allerlei boomen.

Over spanrupsen gesproken, je moet ook eens in de berken en elzen zoeken naar een tamelijk dikke groene rups, met roodbruin aan den kop en achterpooten en aan sommige wratjes op zijn lichaam. Je vindt hem tot in Juni en door zijn groene kleur en die wratjes lijkt hij net op een jong twijgje. Hij zit dan ook altijd aan de toppen van de takken, midden in de groene blaadjes.

De metertorenkop lijkt, als hij stil zit op een dun, dor takje en zoekt om te rusten, dan ook in den regel dikkere takken op, waar zoo’n dor twijgje te verwachten is.

Maar om tot onzen groenen vriend terug te keeren, als je die vindt, kweek hem dan eens op in een glas, dan zal hij spoedig veranderen in een pop en daaruit komt dan nog in denzelfden zomer een vlinder te voorschijn, die maar heel eenvoudig gekleurd is en toch een van de allermooiste vlinders van ons land mag heeten.

Toen ik dat beest voor ’t eerst zag, was ik een en al verrukking, ik had nooit gedacht, dat er zulke fijne dieren in ons land leefden, en meende met een buitengewoon zeldzaam dier te doen te hebben. Bij onderzoek bleek mij echter, dat deze smaragdvlinder (26) in ons land heel gewoon is. Maar ’t is een nachtdier. Overdag zit hij verborgen in ’t groen en is dan met geen mogelijkheid te zien. Alleen wanneer je door struikgewas heen worstelt, wordt hij in zijn rust gestoord en vliegt hij in onzekere vlucht voor je uit: een groene schim in het halfduister van ’t bosch. In den zomernacht vliegt hij rond, ik zie ze dan wel fladderen rondom het electrisch licht van onze straatlantaarns en die eene eerste is een van de vele, die bij mij komen binnenvliegen, als ik ’s avonds laat met de ramen open zit te werken.

Werkelijk heel zeldzaam is de allerprachtigste van alle berkevlinders n.l. de Gevlamde Vlinder of Berken-prachtvlinder (33 en 34). Doe mij eens het plezier, naar dat beest uit te zien. ’t Is weer een nachtvlinder, dus je hebt niet veel kans hem overdag te zien rondvliegen en als hij stil zit tegen de berkestammen, is hij niet gemakkelijk te zien. Zijn dikke, groene rups (35) heeft schuine, lichte, zijstreepen en lijkt daardoor wel wat op de bekende rups van de ligusterpijlstaart. Ja, je moet al die rupsen van de berk eens gaan kweeken. Ik heb ’t ook gedaan en je krijgt dan uit de poppen de vlinders heel mooi en ongeschonden.

Ik vond ook eens een berketak vol met kleine rupsjes, die zaten te vreten, dat het een lust was. Die hebben er liefhebberij in, dacht ik en ik nam ze mee, om ze groot te brengen.

En wat die beesten vraten! Tweemaal op een dag kon ik ze versche takken geven en dan schreeuwden ze als ’t ware nog van de honger. Natuurlijk konden ze niet schreeuwen; maar ze hadden een manier, om met hun hoofd heen en weer te wiebelen, waar je zelf honger van kreeg. Eindelijk waren ze volwassen en nu verpopten ze zich tot heel rare poppen, die eigenlijk heelemaal niet op vlinderpoppen leken. Toen die uitkwamen, verschenen dan ook heelemaal geen vlinders, maar verbazend groote platte bruine wespen (47) met enorme pooten en aardige knopsprieten.

Later ben ik aan de weet gekomen, dat ik heelemaal niet met rupsen te doen gehad had. Die larven van bladwespen lijken wel op rupsen, maar je kunt ze dadelijk onderscheiden aan het groote aantal van hun pooten. Een spanrups heeft goed geteld vijf paar pooten, de andere rupsen acht paar, maar die bladwespen verheugen zich in het bezit van tien of meer paren voortbewegings- en grijpwerktuigen.

Er zijn nog een heele massa andere insecten, die op de berken voorkomen, daarvan ontmoeten we er later nog wel eens enkele. We moeten nu eens het bosch in, om te zien wat daar nog meer leeft en groeit.

Halfweg de duinhelling staat een groepje eglantiers bij hooge duindoorns. Daar kan ik met mijn verrekijker ongezien zitten. Ik kijk dan niet alleen in het boschje maar overzie ook een flink stuk van den omtrek en zoo kan ik dan allerlei aardige bijzonderheden uit het leven van die vogels begluren.

De nachtegaal (41) komt er in de derde of vierde week van April en zit dan enkele dagen in zijn eentje te zingen, in den nacht soms uren achtereen, overdag met korter poozen, want dan moet hij van tijd tot tijd zich versterken met een wurmpje of zoo iets. Hij springt dan rond over rommel en bladeren, tuurt in hoeken en gaten en haalt zich spoedig zijn kostje bijeen. De oude boschgrond zit natuurlijk vol met allerlei klein gedierte.

Na eenige dagen krijgt hij het wat drukker, want dan is er in den nacht een wijfje komen aanvliegen, dat hij niet alleen behagen moet door zijn zang, maar voeren ook.

Zij kan natuurlijk heel goed zelf haar voedsel zoeken en doet dat ook wel, maar ze houdt er verbazend veel van, om achter haar mannetje aan te rennen en met een zeurderig stemmetje te dwingen om lekkers. En hij, goede lummel, werkt als een neger, om lekkere beetjes voor haar te vinden en stopt die met vlijt in haar open bek.

En over eenige weken zie je ze allebei hard werken, om hun hongerige jongen groot te brengen. Met ’t zingen is het dan maar dunnetjes, dat doet de man dan alleen maar, als hij heel rustig of heel zenuwachtig is.

De zanglijster (42) had hier een goed leventje. Ik weet niet, hoe ’t komt, dat de dorre duinen zooveel huisjesslakken herbergen, maar ’t is een feit. Niet alleen in de vruchtbare valleien kruipen ze rond, maar je vindt ze ook op de zandige hellingen, waar je ze niet verwachten zou vanwege het gekriebel aan hunne voeten.

De zanglijster verdiept zich niet in het hoe en waarom der dingen, maar doet er zijn voordeel mee. Hij vangt zooveel van die slakken, als hij kan en slaat ze stuk tegen een boomstronk of tegen een verdwaalden baksteen.

Hij hamert altijd op hetzelfde aanbeeld en zoo vindt je dan soms honderden verbrijzelde en leeggepeuterde slakkenhuisjes bij elkander, stille getuigen van den goeden eetlust van den vroolijken zanger.

De echte vogel van het berkenbosch blijft toch altijd het fitisje (3). Dat zingt en fladdert maar den heelen langen dag in de lichte berketwijgen.

Als je dat zoo ziet, zou je niet denken, dat hij zijn nest (6) op den grond heeft, ja zelfs half erin. Het is heel moeilijk te vinden, want hij vlecht er een keurig koepeltje overheen, dat nauwelijks boven den grond uitkomt en zelf weer omringd en bedekt is met gras en kruiden.

Je moet voet voor voet den grond afzoeken en als de broedende vogel er niet afvloog, zou je zelfs dan ’t nog niet vinden. Het best gaat ’t nog, als je op de vogels let, terwijl ze aan het bouwen zijn. Leg dan ergens in de buurt een hoopje kleine witte donsveertjes neer. Er is niets, dat de fitis zoozeer begeert, als kleine witte veertjes. Al heel gauw komt hij ze halen en dan wijst hij met ’t witte vlaggetje zelf den weg naar zijn verborgen hoekje. Ga er niet dadelijk heen. Onthoud de plek en kom over een dag of acht eens kijken, dan liggen in het nest de ongeloofelijk teere wit-met-rood gespikkelde eitjes.

Ik zou u deze list niet geleerd hebben, als ik er niet zeker van was, dat geen mijner albumvrienden nog nesten uithaalt en eitjes vernielt. Je begrijpt toch zelf wel, dat je met veel meer plezier denkt aan een nest, dat je met rust hebt gelaten, dan aan wat verwaarloosde stoffige rommel in een kast of in een hoek op zolder.

Wie buiten woont, kan dan ook nog het zeer groote genoegen hebben van iederen dag te gaan kijken, hoe de eieren of jongen het maken. De oude vogels raken gauw aan je gewend en gaan dikwijls niet eens meer van ’t nest af.

Dag aan dag zie je de jongen grooter worden en eindelijk komt ’t gewichtig oogenblik dat ze ’t nest verlaten. Nu komen er voor de oude fitisjes nog een paar moeilijke dagen, want die jongen zijn nog wat onbeholpen en moeten nu gevoerd worden en tegelijk beschermd tegen de gaaien en kraaien, die den heelen dag rondwaren door ’t geboomte, om jonge vogeltjes te vangen.

Gelukkig, dat de oude vogels altijd dadelijk alarm schreeuwen. Zoo waarschuwt de eene de andere. Zoolang het gevaar dreigt, zitten de jongen onbeweeglijk op hun tak, wanneer ze tenminste niet dadelijk in ’t dichte struweel zijn neergeploft. De ouden vliegen roepend en tierend om den roover heen en eerst als deze is verdwenen, keert de rust weer in het bosch.

Een enkele maal maakt de klauwier (87 en 88) een klein vogeltje buit. Hij spietst het dan op een doorn en kluift het bij beetjes af. Doch in verreweg de meeste gevallen vergenoegt hij zich met groote insecten.

Op een hoogen tak zit hij rond te kijken, die prachtige vogel. Ik weet niet, welke van de twee het mooist is: het wijfje met de mooie fijne teekeningen in stemmig bruin, of ’t kleurige mannetje met zijn blauwen kop, zwarte mondstreep, rozeroode borst en bruinen rug.

De jongen lijken ’t meest op ’t wijfje en de familie blijft nog al lang bijeen. Ik houd ervan, ze in bosch en hagen „en famille” te ontmoeten. Het mannetje blijft wel eens even achter, om gauw een klein liedje af te prevelen. Hij is nog al aardig en bootst graag het zingen van andere vogels na, wat hem heel goed gelukt. Maar zijn moorddadig uiterlijk, veroorzaakt door den omgebogen roofvogelachtigen snavel, heeft hem een slechte reputatie bezorgd.

Er wordt wel verteld, dat hij niet tevreden is wanneer hij niet op één dag negen groote insecten op de dorens heeft geprikt. Maar dat is een sprookje; ik heb nooit meer dan vier insecten door hem opgeprikt gevonden en dat was dan nog wel misschien het werk van meer dan één dag.

Kijk ook eens, uit of ge zijn neef de roodkoppige klauwier (38) te zien kunt krijgen. Die leeft geheel op dezelfde manier en is wat kleiner. Aan zijn roodbruinen kop is het mannetje heel gemakkelijk te kennen, maar ze zijn heel zeldzaam.

We hebben nu zooveel gekeken naar de vlinders en de vogels, dat we de bloemen haast zouden vergeten. En toch als zoo’n berkeboschje niet al te dicht in de buurt van een waterleiding is gelegen, kan de bodem er bedekt zijn met de aardigste bloempjes.

Het eerst in ’t jaar komen er de ruige viooltjes (101), een heel bijzondere soort met langwerpige zacht behaarde bladeren en mooie donkerblauwe, doch geurlooze bloempjes.

Die zijn al zoowat uitgebloeid, als het lichtere hondsviooltje begint. Ze hebben dan al groote bleekgroene vruchtdoozen en als ge onderaan de stengels zoekt dan vind je daar heel kleine groene spitse knopjes op lange stelen.

Deze knopjes gaan nooit open en toch zijn het bloemen met een stamper en een paar meeldraden. Het wonderlijkste is nog wel, dat ze evengoed en soms zelfs nog beter vruchten geven, dan de mooie blauwe bloempjes.

Als je knap bent in ’t onthouden van vreemde namen, dan mag je weten, dat deze zeer eenvoudige bloempjes, die zich nimmer openen en toch goede vruchten voortbrengen, den naam dragen van cleistogame bloemen. Er zijn ook nog wel andere planten, die ze hebben.

Een blauw, dat haast nog mooier is dan dat van de viooltjes, vertoont ons de bloem van het kruipend zenegroen (79). Een massa bloempjes staan bij elkaar rechtop en als je ze goed bekijkt, dan blijken het lipbloemen te zijn, evengoed als de witte doovenetel, maar ze missen de bovenlip.

Nu is dat voor een lipbloem heel erg, als hij zijn bovenlip mist, maar in dit geval is ’t kwaad zoo groot niet, want de bloempjes staan zoo, dat de helmknoppen juist overdekt worden door de schutblaadjes van de volgende bloemgroep.

Wie een tuintje heeft, mag zoo’n zenegroenplantje meenemen; ze telen heel snel voort, doordat ze lange, kruipende stengels maken en zoo heb je dan in korten tijd ieder voorjaar een hoekje in den tuin vol met deze mooie blauwe bloemen.

Er staat nog meer kruipgoed in en om het berkebosch: wilde aardbeitjes en kruipende eereprijs (64), met bleeker bloempjes dan de gewone, maar toch heel mooi. Ook een plantje met mooi fijn verdeeld blad en hoofdjes van bloemen, die nu eens heele mooie roode stamperkwastjes, dan weer een prachtige gele meeldraadfranje vertoonen. Dit is de kleine pimpernel (83) en als je hem zoo nederig ziet wachten, of de wind wat van zijn stuifmeel mee wil nemen, dan heb je moeite om te gelooven, dat die nu van de familie is van de trotsche, pronkerige rozen.

Een hoekje staat vol met de bekende boschplant look zonder look of lookraket, die heet zoo, omdat zijn bladeren werkelijk naar uien ruiken. Waar ze veel groeien ontbreekt in de Meimaand ook nooit het Oranjetipvlindertje (23) of Peterseliebeestje en ik heb er altijd schik in, om even bij de planten te staan, als er die witte vlindertjes vliegen. Op ’t oogenblik dat ze zich op de bloemtros neerzetten, lijken ze opeens te verdwijnen, zoozeer komt de vlekkenteekening aan de onderzijde van hun achtervleugels overeen met het wit en donker van de bloemenmassa.

Ze leggen hun eitjes op de bloemstelen en daar komen rupsen uit, die vreten aan de langwerpige vruchten, waar ze ook alweer niet makkelijk op zijn te vinden, doordat ze groen en lang zijn. En als ze zich verpoppen, is inmiddels de stengel afgestorven en vergeeld, zoodat de geelachtige pop ook alweer niet in ’t oog valt. Weer een mooi geval van vermomming.

ZOMERAVOND.

Een juniavond in ’t duin. De zon gaat onder ver achter de heuvelen in de bleeke blauwe avondlucht, zonder één enkel wolkje; de bijna volle maan is nauwelijks zichtbaar boven de bosschen van het binnenduin.

Waar’t duinpad slingert door de diepe vallei, heerscht een gelijkmatig licht, dat door den hoogen blanken hemel zelve schijnt te worden uitgestraald. Zelfs indien er geen maan was, zou dat licht alleen den heelen nacht door ons wandelpad voldoende beschijnen: de middernachtsschemering van Juni is helderder dan menige winterdag.