Part 3
Het vogelkoor van den midzomer is in vollen gang, drukker dan in ’t laatst van Mei, toen alle vogels dik in de broedzorgen zaten. Nu is het eerste broed de wijde wereld in, een tweede gaat beginnen en nu zingen de winterkoninkjes, de boomkruipers en de heggemuschjes even frisch als in April. De zanglijster weet van geen ophouden, roodborst en roodstaart beginnen telkens op nieuw en boven alles uit davert de nachtegaal. Ieder berkenboschje is een concertzaal.
Maar er zijn geluiden bij gekomen, die we in April niet hadden gehoord, allerlei geruisch en geratel, gesjirp en gepiep, zoo veel en zoo druk, dat de meeste menschen het alleen merken als een soort van achtergrond bij de andere bekende geleerden. Dat noemen ze dan het zomergedruisch. Overdag is dat anders dan ’s avonds, want de insecten zijn er voor een groot deel bij betrokken.
Als de zon verdwenen is, gaan de bijen en hommels naar hun nesten. Sinds den vroegen morgen hebben ze gearbeid; nu moet er een eind aan komen. Ook zouden ze bij vele van hun bloemenvriendjes te vergeefs aankloppen, want ook deze zijn gaan slapen. De klavers hebben hun kopjes gebogen en hun drietallig blad tot een slaapmutsje saamgevouwen. De driedistel (103) buigt de stralende blaadjes van zijn korfjes omhoog, tot dat ze samenneigen en een spitse tent vormen over de honigrijke bloempjes. De andere distels volgen hun voorbeeld en alles wat composiet is, sluit zijn korfje.
De eereprijsjes hebben al lang hun blauwe oogjes gesloten en de peen (92), die met zijn breede witte schermen den heelen dag de bonte vliegen tot zich lokte, bergt zijn bloemenschat in een dicht grof omwindsel en buigt dan ook het hoofd ter aarde.
De rozen sluiten nog even het bloempje, dat hedenmiddag open ging, maar de bloem van gister heeft zijn kroonblaadjes verloren en ’t zand is bedekt met witte blaadjes van de duinroos en roode van de egelantier.
De roode dagkoekoeksbloem bekommert zich niet om de wisseling van dag en nacht, wat ook zijn naam zou doen vermoeden. Hij opent zijn roode molentjes zoowel in ’t blaken van de voormiddagzon als in ’t bleeke maanlicht en alle vlinders zijn hem welkom. Mocht er verschil bestaan, dan valt dit, geloof ik, nog uit ten voordeele van de dieren van den nacht.
Het uur van zonsondergang is voor zeer veel planten en dieren een tijd van drukke bezigheid. Er openen zich zooveel nieuwe bloemen, dat de hellingen, die eerst vrij kleurloos zagen, dra vervuld lijken van mooie witte, gele en paarse bloemen.
De avondkoekoeksbloem (65) heeft den heelen dag zijn witte kelken half saamgevouwen gehad of heeft uit een dikke kelk de saamgerolde kroon een eindweegs voortgeduwd; nu spreiden de kroonblaadjes zich in weinig minuten wijd uit en maken groote plekken langs den wegrand.
Nu komen ook de vlinders om honig te halen en sommige leggen heel handigjes hun eitjes in de bloem. De rupsen, die daaruit komen, vreten de zaadknoppen en het vruchtbeginsel op. Maak maar eens een vruchtbeginsel open, dan zult ge zien, wat een mooie dikke, witte zaadknoppen daarin zitten, echte lekkerbeetjes voor vraatzuchtige rupsen.
De aanwezigheid van die rupsen schijnt de bloem niet te hinderen, zij bloeit behoorlijk een dag of vier, daarna vallen de kroonblaadjes af en ’t vruchtbeginsel groeit voort. Als ’t rijp is vindt ge daar dan rijpe zaden in en ook rijpe rupsen, die zich weldra gaan verpoppen, maar eerst nog nieuwsgierig den kop naar buiten steken, als ge de rijpe zaaddoos aangrijpt.
Tot dezelfde familie als dag- en avondkoekoeksbloem behoort het zeepkruid, dat zijn kruideniersachtigen naam te danken heeft aan de omstandigheid, dat je met de fijngewreven wortelstokken water aan ’t schuimen kan maken. Daar zit een vergif in dat heet Saponine. Waarschijnlijk is deze plant niet oorspronkelijk inheemsch, maar sinds overoude tijden als sierplant gekweekt en later verwilderd. Je vindt ze ook wel eens met dubbele bloemen, maar die met enkele zijn ’t mooist en ik ben maar blij, dat ze zoo bij duizenden in onze duinen groeien.
Het zeepkruid heeft juist een half uur noodig, om zijn bloemknop te ontplooien en ’t is heerlijk, om midden in een zeepkruidgroep te zitten, om te zien hoe in de schemering de bleekrose blaadjes zich ontrollen, hoe meeldraden zich omkrullen en zich weer oprichten en hoe in oudere bloemen eindelijk de stijlen te voorschijn komen.
Dat begint al, wanneer de late hommels nog honig stelen door de gaatjes, die ze in de kelk hebben gebeten. Als de hommels naar huis zijn, dan komen de gamma-uilen of pistooltjes op de versch ontloken bloemen.
Hun tong is wat te kort, om al de honig te kunnen opslurpen. Ze tobben zich af, om hun dikken kop nog wat dieper in de kroonbuis te boren en doen dat met zooveel kracht en onstuimigheid, dat de teere kelk scheurt en de kroonbladen uiteen wijken. Zijn ze eenmaal zoover, dan halen ze de honig altijd door die scheur, dat is zooveel gemakkelijker.
Zoodoende zou ’t zeepkruid maar weinig kans op bestuiving hebben, want noch hommel, noch gamma-uil komen dan meer in aanraking met het stuifmeel.
Gelukkig zijn er nog andere vlinders. Daar zweeft er een in razende vaart over het bloemenveld. Nergens zet hij zich neer, nauwelijks houdt hij zich eenige seconden in de lucht staande boven iedere bloem, maar dat is hem voldoende, om met den langen tong de allerdiepste honig te bereiken en tegelijk het bestuivingswerk te verrichten. Een diklijvig, langvleugelig beest, grijs met oranje en zwart met wit: de meekrapvlinder (55), familie van het avondrood en van de avondpauwoog.
Zijn rups, groen met wit gestreept, leeft op ’t walstroo, dat van dezelfde familie is als de meekrapplant.
Van ’t zeepkruid vliegt de meekrapvlinder naar de avondkoekoeksbloem en vandaar naar de knikkende silene, die heerlijk op de heuvelen geurt.
Die knikkende silene (61 en 63) groeit vaak in groote troepen bijeen. Iedere plant maakt een half dozijn of meer rijk vertakte stengels. Overdag lijken die meestal niets anders te dragen dan half verwelkte bloemen of onontloken knoppen, maar tegen den avond wordt dat anders.
De rijpe knoppen openen zich in korten tijd, je kunt de kroonslippen zich zien ontkrullen. Het mooiste komt dan nog, de vijf eerste meeldraden schuiven uit, totdat ze hun helmknoppen meer dan een centimeter buiten de bloem hebben gebracht, juist op de plek waar de meekrapvlinder zijn kop zal houden.
De bloemen van gisteren, die den heelen dag ineengeschrompeld hebben gehangen, krijgen nieuwe frischheid, spreiden hun kroonblaadjes even mooi uit als die van de pas geopende knoppen. Zij laten hun tweede vijftal meeldraden naar buiten treden, terwijl de bloemen van eergisteren de stempels uitsteken. Dat gebeurt allemaal tegelijk, zoodat ’t zeer gemakkelijk valt, om de heele bloemgeschiedenis in weinig oogenblikken te overzien.
Behalve meekrapvlinders wemelt het van pistooltjes en allerlei andere uilen, zoodat men op de bloemenhelling bij gunstige avonden heel duidelijk een dof gebrom van trillende vlindervleugeltjes hooren kan. ’t Is wel de moeite waard, er eens op te letten, want daar kunnen heel mooie dieren bij zijn: de spookachtige hopvlinder (44), het juweel-prachtstukje, dat braamvlinder (36) heet, de aardig geteekende viervlak (25) en de kameeltjesvlinder (29), die door zijn vlekken herinnert aan de wapendragers. Soms zie je er geen een, maar op gunstige avonden massa’s.
Daar komen nu de vleermuizen (8) op af, groote en kleine, sommige wel driemaal zoo groot als de andere. De heele kleintjes zijn wel ’t aardigst, ze hebben lange ooren en als ze die opzetten, om de beweging van de lucht te voelen, dan lijken dat net bokkehoorntjes. Ze fladderen en zwenken door de lucht, nu en dan met fijn en hoog gepiep, zoo hoog, dat ouden van dagen het niet kunnen hooren. Ieder keer, dat ze met een ruk van richting veranderen, grijpen zij een prooi en morgen vinden we overal verstrooid de vleugeltjes van uiltjes en satijnvlinders, kameeltjes, banduilen en rood weeskind.
Wie goed scherp kan kijken, moet eens probeeren te ontdekken, hoe zoo’n vleermuis zijn prooi grijpt: met zijn bek of met zijn handen. ’t Is niet zoo heel makkelijk te zien, want het gaat vliegensvlug en in het donker en meestal kun je de prooi zelf maar amper onderscheiden.
Er is dan ook geen kwestie van, dat de vleermuis zijn prooi ziet, daarvoor zou hij heel andere oogen moeten hebben. Hij jaagt dan ook op ’t gevoel, niet op ’t gehoor, maar letterlijk op den tast.
Ik heb een vriend, die kan met zijn lippen juist het geruisch van groote, vliegende insecten nabootsen en daar komen de vleermuizen bij troepen op af. Je moet dan snel met de lippen trillen en volstrekt geen keelgeluid maken. Ondanks veel oefening heb ik het nog niet kunnen leeren, ’t is anders wel aardig, als je ’t kunt, vooral om lui die een afschuw van vleermuizen hebben eens te trakteeren op een dozijntje van die fladderaars vlak rond haar hoofd.
Er is natuurlijk geen enkele aanleiding, om vleermuizen te verafschuwen. ’t Zijn heel mooie, prachtige, merkwaardige dieren, die ons onschatbare diensten bewijzen door het verdelgen van Meikevers, Julikevers en allerlei schadelijke nachtvlinders.
Als je op gunstige zomeravonden al die nachtvlinders ziet rondzweven, dan verwonder je je erover, waar die dieren toch overdag zitten. Vergeet intusschen niet, dat ze heelemaal erop ingericht zijn, om niet gezien te worden. Wat ze aan mooie kleuren hebben, bevindt zich in den regel op de achtervleugels en die worden in den rusttijd door de grijze voorvleugels geheel bedekt.
Ik heb wel eens het geluk gehad, in een laantje een dozijn van die roode weeskinderen (45 en 46) op boomstammen te vinden, maar ik verzeker u, dat ik ze nooit gevonden zou hebben, als ik niet geweten had, dat ze bestonden en als ik niet gewaarschuwd was geworden, dat ik ze daar kon verwachten.
Ook aan ’t eikenhout ruischt het van insecten. Daar gonzen de laatste Meikevers en de eerste Julikevers en daar vliegen ook de vleermuizen het dikst.
Het zou voor die kevers wel beter zijn, als ze het vliegen maar lieten en rustig bleven knabbelen aan ’t eikenloof. Maar daar hebben ze nu maar eenmaal geen zin in en telkens zien we een of meer van die logge brommers als een speelgoedmachinetje de lucht ingaan.
Soms bonzen ze tegen elkander en dan rollen ze allebei op den grond, waar het ook al niet veilig is. Daar zijn met de schemering de padden verschenen, die den heelen dag gescholen hebben in hun holen in ’t zand. Je kunt die vinden door op open plekken uit te zien naar de paddensporen. Zoo’n pad (10) zijn pooten staan niet ver van elkaar en groote stappen maakt hij ook niet, zoodat zijn voetspoor een samenhangende, tamelijk gelijkmatige reeks van klauwindrukseltjes is: telkens tweemaal vier voorklauwtjes en tweemaal vijf achterklauwtjes.
Meestal leidt het spoor naar een steil duinrandje en daar vind je soms drie of vier holen naast elkaar een paar decimeter diep en in elk daarvan zit een grauwe pad met een gele streep over zijn rug. Hij kijkt je aan met mooie, groote, goudglanzende oogen.
’s Avonds komt hij te voorschijn en dan is hij monter genoeg.
En de egels, die overdag ineengerold liggen in mos of bladeren, komen nu ook te voorschijn, eerst heel voorzichtig kleine eindjes loopend en dan weer roerloos zittend, maar langzamerhand als ’t veilig is, met heel veel driestheid.
Een eikeboschje wemelde van Julikevers, ze zaten aan trosjes tusschen de bladeren, zelfs op de onderste dicht bij den grond. Daar had een dikke egel zich geposteerd en iedere keer als de kans schoon was, rende hij uit zijn schuilplaats te voorschijn om een dikken schallebijter op te peuzelen.
’t Aardigst was nog wel, dat er éenmaal een heel dikke vlak voor zijn neus werd weggesnapt door een klein zwart monstertje dat als een soort van dikke spin bliksemsnel over den grond voortschoof. Dat was een spitsmuisje (12), ook al zoo’n schemeringsvriend en een van de meest geduchte insectenverdelgers.
Hij hoort heelemaal niet tot de familie van de muizen en ratten, maar juist tot die van de stekelige dikzak, die hij bestal. ’t Is eigenlijk een klein bovenaardsch molletje.
Hoogerop langs de takken scheerden de nachtzwaluwen heen en weer en je hoorde de dikke torren kraken, als die vogels ze grepen met hun geweldigen bek. Soms ook pakten ze mis, maar dan viel van den schok de tor toch hulpeloos op den grond en dan dook de vogel hem na.
Een hard leven voor die duinkevers, maar daarvoor hebben ze ook vier jaar lang als dikke witte engerlingen zitten te knagen aan de wortels van de duingrassen en de dennetjes.
Als de nachtzwaluwen (49) genoeg hebben van ’t jagen, gaan ze zitten ratelen op den grond of op een hoogen takstomp. Misschien ook hebben ze nog hun tweetal eieren (51) te bebroeden of wachten de jongen (53) op voer. Die lijken zooveel op den rommeligen boschbodem, dat wij ze overdag niet dan met de grootste moeite vinden, ook al kennen wij precies het plekje, waar ze moeten zitten. Maar de oude vogels vinden hun kleintjes zelfs in den donkeren nacht.
Als wij nu wat verder het duin in wandelen, hooren wij naast al het gerol en geratel van de nachtzwaluwen nog een ander geluid, dat er wel op lijkt, maar dan veel fijner en zwakker is, iets dat vergeleken zou kunnen worden met het rollen van een heel goede Saksische kanarie, maar dan zonder toon of met het ruischen van een electrisch klepeltje, dat zijn klok niet kan halen. Bepaald toonloos is het geluid niet, maar het is zeer hoog, zoo hoog, dat het haast reikt tot aan de grenzen van het nog hoorbare.
Dit nu is het liedje van den sprinkhaan-rietzanger, een vogel, die verwant is aan de karekieten uit het moeras, maar die thuis behoort in tamelijk dorre duinvalleien en droge heiden, een alleraardigst vogeltje, dat ook naar karekietengebruik een nest bouwt dat min of meer hangt tusschen de hooge grasstengels.
Maar de aardigste nachtvogel in het duin is de griel (50), de groote gevlekte griel met de uitpuilende nachtoogen en dicht bevederde oogleden. De meeste menschen houden hem voor een zeldzame vogel, maar dat komt doordat de meeste menschen zelf zeldzame duinwandelaars zijn. Als je eens een enkele keer gaat schommelen bij Kraantje Lek of bij De Rustende Jager, of eens opklautert naar het koepeltje van Noordwijk, dan krijg je geen grielen te zien. Maar wie eens een heelen dag doolt door het Schoorlsche duin of achter het Zilk, vindt soms op eens de twee groot gemarmerde eieren (52) of trapt misschien haast op de jongkies (54), die precies lijken op brokjes zand met kleine schaduwplekjes erin.
Als je zoo’n paar jongen vindt, dan moet je je verschuilen vlak in de buurt, desnoods onder een hoop takken en dan kun je genieten, als de groote, oude vogel terug komt en bij zijn kindertjes gaat zitten, om ze met half uitgespreide vleugels te beschermen tegen het al te heete branden van de zon.
Wil je zien, hoe ze gevoed worden, dan moet je liefst ’s morgens vroeg of ’s avonds laat gaan kijken, want dan zijn die schemeringdieren het meest monter. ’t Is aardig, hoe die woestijnvogels zich hier te huis gevoelen in onze duinen. En nu men langzamerhand de duinwoestijn in welig bosch gaat veranderen, blijven de grielen daar toch nog huizen en doen goed werk door de jonge dennetjes te behoeden tegen de sprinkhanen, de veenmollen en de duinkevers.
JUNIMIDDAG IN ’T DUIN.
Zoo heet straalt de zon op ’t zand, dat de kleine glasheldere korreltjes blinken als edelsteentjes tusschen het dof witte schelpengruis. ’t Is nu geen weer, om groote zwerftochten te maken, daarom zoeken we maar een bloemrijk boschkantje, om daar de heetste uren van den middag door te brengen. We behoeven niet te lezen en ook niet te slapen, dat kunnen we altijd ’s winters en ’s nachts nog genoeg doen. Laat ons nu genieten van de zomerdrukte.
Alles staat in vollen bloei: de heesterrand om het boschje is één bloemenmassa: bleekroode egelantier, groote witte tuilen van Meidoorn en Geldersche roos (100) en groene bloempjes van het kardinaalshoedje (62), die je eerst niet ziet, maar die door hun honigrijkdom nog meer insecten tot zich lokken, dan de bontbloemige struiken.
Het zit vol op die bloemen van vliegen, wespen en van kniptorren, de aardige kevertjes, die een half el in de lucht opwippen, als je ze op hun rug op je hand legt. We zullen ze later nog wel eens weer tegenkomen.
De Geldersche roos krijgt meer bezoek dan de echte egelantierroos en dat komt misschien wel, doordat zijn witte tuilen met de groote randbloemen al van heel verre in ’t oog vallen en doordat er op die bloemen voor de insecten ook meer te halen is. De egelantierroos brengt zoo goed als geen honig voort en het mooie duinroosje (117) in ’t geheel geen. Daar staat tegenover, dat de bladeren en de meeldraden tamelijk dik en sappig zijn en daarom zeer begeerd worden door het kleine Junikevertje met zijn glimmend lichaam en bruine dekschilden. ’t Is aardig, om te zien hoe die letterlijk zitten te grazen in de talrijke meeldraden van de wijd geopende rozen. Je kunt ook zien, hoe ze met hun zwarte kaken heele stukken knagen in het malsche rozenblad. Maar meteen valt toch ook in ’t oog, dat ze met hun harig lijf heele vrachten stuifmeel versleepen van bloem tot bloem.
Soms komen hommels voor die rozen gonzen en ze strijken er ook wel op neer, om dan vlug in ’t rond te draaien, zoekend naar honig of stuifmeel vergarend. Als er al Junikevertjes in de bloemen zitten, staan ze even brommend stil in de lucht, alsof ze eventjes uitrekenen, of het nu wel de moeite waard is, om zoo’n bloem te bewerken. Er zijn er dan ook wel onder, die maar rechtsomkeert maken.
Nu, bloemen genoeg, bloemen van allerlei grootte en kleur: hier heele plakkaten roode thijm, daar hooge bloempyramiden van wilde reseda (109), witte akkerhoornbloempjes (139), moeilijke cypres-wolfsmelk (113), schuimachtige massa’s van gele walstroobloemen (120), daartusschen een paar stijve stengels van walstroobremraap (17) met groote grijnzende bloemen, aardige kleine roode bloempjes met dikke kelken van de kegelsilene, en dan nog weer purperen bloempjes van hondstong (80) en van de heggerank (99), graspluimen van allerlei soort, en op een open plek een groote reuzenplant van ’t slangenkruid (104) vol blauw gebloemte. En achteraf langs het pad staan een paar vreemdelingen, die zich al meer en meer in de duinen gaan vertoonen: een ruw, stekelig plantje met kleine, gele bloempjes, de Amsinckia, die meegekomen is met ’t fazantenvoer, en een laag, glad plantje met dik, sappig groen blad en een trosje van witte bloemen omgeven door een groen schoteltje, dat is de Russische postelein (66) of winterpostelein, die hier stellig beland is tegelijk met een partijtje Canadeesche popels, door den boschbaas op een stuifhellinkje geplant.
Een enkele vreemdeling raakt hier zoo goed thuis, dat hij haast als inlander beschouwd mag worden en ook door de insecten als zoodanig wordt behandeld.
Hier en daar in Holland staan gele pijpbloemen (93) in de boschjes, heel merkwaardige bloemen. Als ze pas open zijn kunnen kleine vliegjes wel erin kruipen, maar niet eruit komen, doordat de lange hals van de bloem bezet is met naar binnen gerichte haren. Eerst wanneer die verwelkt zijn, kunnen de diertjes eruit. Inmiddels zijn ze bestrooid met stuifmeel en dat brengen ze nu weer in andere pijpbloemen, waar ze weer getroost een halve dag gevangen gaan zitten. Soms vindt je wel vijftig vliegjes in één bloem.
Gaan we nu even wat verder rondsnuffelen, dan vinden we weer allerlei andere planten. Kijk maar eens uit naar het prachtige kleine maanvarentje (50) dat heelemaal niet op een gewone varen lijkt met zijn mooi groepje van sporendoosjes. Die kleine zwavelgele bloemen, net paardebloemen, zijn van het langharig havikskruid (115), zoo genoemd om de lange haren aan zijn bladeren.
Een andere gele composiet waar we op willen letten is het Bitterkruid (143), dat bloeit tot laat in ’t najaar en vaak vergezeld is van zijn parasiet, de bitterkruidbremraap (140), die ik ook nog wel in October bloeiende gevonden heb.
In jong berkenbosch, dat tegen ’t vraatzuchtig konijn beschermd wordt door een omheining van ijzergaas, vinden we de mooie Fijnstraal (134) die als hij bloeit, er al haast net uitziet, alsof hij uitgebloeid is, heelemaal grijs en harig. De geleerden hebben daarom aan deze plant den naam gegeven van Erigeron, wat beteekent „grijsaard in de lente”. Die geleerden hebben soms aardige invallen.
De insecten worden door die fijnstraal niet bijzonder aangelokt. Ze schenken meer aandacht aan de kleurige en geurige bloemen, waar wat te halen valt. De thijm (56) en de steenthijm (81) krijgen wel het leeuwendeel.
Wie goed uitkijkt, bespeurt ook, dat er van thijm tweeërlei bloemvormen voorkomen: groote, sterkgekleurde bloempjes, waarin zoowel stampers als meeldraden aanwezig zijn, en kleinere, alleen met stampers. De planten met de kleine bloempjes schieten doorgaans wat hooger op dan de andere.
Op de thijm komen meest hommels en honigbijen, op ’t geel walstroo vooral vliegen en op het slangenkruid komen kleine bijtjes, die met hun buik juist strijken langs de vijf blauwe helmknoppen.
Ze doen dat zoo netjes, dat ’t blauwe stuifmeel blijft vastzitten tusschen het dichte bosch van gele haren, die ze achter aan hun lijf hebben en waarin zoodoende een heele voorraad stuifmeel wordt verzameld. Hebben ze genoeg, dan vliegen ze ermee blijmoedig naar huis.
Dat huis is weer een van de meest interessante dingen, die je in de vrije natuur kunt vinden. ’t Is meestal een diep gat, dat door ’t vlijtig diertje zelf in den grond is gedolven. Daarin bouwt hij dan van langwerpig ronde en cirkelronde stukjes blad, die hij zelf uit de rozen of berken knipt, een rij van vingerhoedvormige kamertjes en in elk kamertje komt dan een eitje met een voldoenden voorraad honig en stuifmeel. Is de heele rij vol, dan stopt hij ’t eind dicht met een zandprop en ’t volgend jaar komen dan op die plek de nieuwe behangersbijtjes uit den grond.
Niet alleen op slangenkruid haalt dat behangersbijtje zijn stuifmeel, maar ook op de groene bloemen van de Heggerank of Bryonia.
De Heggerank moet eigenlijk ook een uitheemsche plant zijn, maar is al sedert zoo langen tijd in onze duinen verwilderd, dat hij er volkomen thuis is en door allerlei insecten overvloedig wordt bezocht. Er schijnt zelfs één soort van kleine graaf bij te wezen, die geen andere honig belieft te eten, dan die van de groene Bryonia-bloemen.
’t Is een klimplant, en er bestaat voor een luien, heeten Junimiddag haast geen beter bezigheid, dan languit bij zoo’n plant te gaan liggen, om te zien, hoe aan den top van de takken de spiraalvormige ranken zich uitrollen tot lange, rechte slierten, hoe die in ’t rond zwieren, tot ze een steuntje vinden en hoe ze dan om dat steuntje heen krullen. Zit zoo’n rank aan zijn eind goed vast, dan krult hij zelf langzaam ineen en zoo trekt hij dan zijn tak een eind vooruit of de hoogte in. Al die bewegingen gaan voor plantenbewegingen zeer snel, zoo snel, dat je in drie kwartier tijds heel wat kunt zien gebeuren.
Onderdehand kun je opmerken, dat onze bloem alleen maar een stamper heeft met een bolvormig vruchtbeginsel onder de bloembekleedsels; en als ’t niet zoo warm was, zou ik wel een eindje willen rondscharrelen, om te zoeken naar een andere heggerankplant met meeldraadbloemen.
Maar ik heb heelemaal geen zin om op te stappen, want ik zie hier rondom ons een massa aardige dingen.
Een klein rood met zwart vlindertje, een oude kennis, de St. Jacobs vlinder (27), vliegt zoekend rond. Hij vindt al spoedig een plant van het Sint Jacobs kruiskruid en aardig is het om te zien hoe hij nu aan de onderzijde van de bladeren een heele plak gele eitjes legt. Daar komen de zebrarupsen uit, die oranje met zwarte rupsen, die geen enkele vogel wil eten.