Chapter 5 of 6 · 3183 words · ~16 min read

Part 5

Maar als je zijn wezenlijke nest hebt gevonden en hem van uit een veilige schuilhoek gaat bespieden, dan zul je zien wat een zorgzaam dier het is en hoe knap hij zijn eieren weet te schikken en te keeren, hoe trouw hij zijn jongen voert en hoe aardig hij ze op ’t heetst van den dag met uitgespreide vleugels beschermt tegen de brandende zon.

Wanneer een kraai of een zilvermeeuw met oneerlijke bedoelingen zijn nest nadert, dan weet hij ze behoorlijk respect in te boezemen niet alleen door zijn gekrijsch, maar ook door zijn harden, rooden snavel. Maar het „wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe zulks ook aan een ander niet” brengt hij niet in betrachting, want ik heb wel gezien dat hijzelf de eieren van de kleine dwergsterntjes stuk hakte en leeg slurpte.

Doch ik wil hopen, dat hij dit alleen bij uitzondering doet. Hij haalt zijn kost meestal op langs het strand en kent de tweeschalige weekdieren beter dan menige Hoogere Burger. Hij weet precies, waar de spieren zitten, waarmee de oester of mossel of purpurslak zijn schalen dicht houdt en knipt die dan met zijn scherpe snavel netjes door, zoodat hij dan ’t weerloos weekdier kan verorberen. Zijn jongen voert hij in ’t eerst ’t meest met kleine schaaldiertjes, zooals watervlooien en die aardige, witte strandspringertjes, die soms bij honderden verborgen zitten onder het aanspoelsel.

In ’t eerst hebben die jongen behoorlijke snaveltjes, niet langer dan hun kop, maar bij den dag worden ze langer; dat moet voor die diertjes wel een heel rare gewaarwording zijn.

Als de jongen groot zijn, dan gaat de heele familie herrie maken op ’t strand. Je ziet ze dan met hun drieën of vieren onder veel gefluit en geschreeuw krijgertje spelen en alleraardigste passen en houdingen vertoonen. Erg moppige vogels.

WITTE DUINEN.

Het is nog niet zoo heel lang geleden, dat onze duinen nog niet eens bestonden en er wordt wel beweerd, dat eerst in den romeinschen tijd de zandheuvels langs het noordzeestrand zich noemenswaard boven de zee begonnen te verheffen.

Wie de duinen ziet bij Noordwijk of Zandvoort heeft moeite om dat te gelooven, want de zandwal lijkt daar zoo oud als de wereld, maar wie wel eens in de buurt van Schoorl of op de Wadden-eilanden, de Zuid-Hollandsche of Zeeuwsche eilanden heeft rondgekeken, kan begrijpen, dat duinen heel snel kunnen ontstaan en verdwijnen. ’t Is maar een kwestie van wind en stroomen.

Evengoed als gedurende een sneeuwstorm meterhooge sneeuwruggen in enkele uren kunnen verrijzen, zoo maakt ook een enkele zandstorm in korten tijd nieuwe heuveltjes op de breede zandvlakte. Ik heb wel eens in een dag een zandheuvel zien groeien van vijfentwintig meter lang en op zijn hoogste punt meer dan manshoog. Maar ’t is de moeite niet waard, zoo’n heuvel in bezit te nemen, want als op een volgenden dag de wind maar heel eventjes éen streekje uit een anderen hoek waait, dan wordt de zandberg weer heelemaal afgebroken en elders weer opgebouwd. Welnu, langs de kusten van onze eilanden zijn honderden hektaren van deze verplaatsbare gronden.

Winterstormen en springvloeden houden er geweldig huis en brengen soms ontzettende hoeveelheden schelpen mee, zoodat zulk strand vaak haast evenzeer uit schelpen als uit zand bestaat. Ook gebeurt het veel, dat de zee wat fijne klei aanbrengt en daarop kan dan een begin van plantengroei ontstaan.

Maar de dieren komen er eerder dan de planten. Zomer en winter wemelt het hier van allerlei gevogelte. Honderden huishoudens wagen, het hier in de Meimaand hun nesten te vestigen en dan is het een groot genot, over deze schijnbaar zoo troostelooze woestenijen rond te dwalen in de felle zon.

De zee is nu volkomen rustig, ’t is Oostenwind en laag water. De zandbanken, drie rijen achter elkander blinken uit tusschen het spiegelgladde helderblauwe water van de zwinnen. Op de verste bank liggen dozijnen zeehonden zich te zonnen, hun vacht is droog en wollig.

Groote meeuwen staan in groepjes langs den waterkant en nu wij wat verder het verlaten gebied betreden, ontstaat er ook leven om ons heen. Op eens is de lucht vol met buitengewoon sierlijke kleine witte vogeltjes met lange spitse vleugels en gevorkte staart. Ze schreeuwen onophoudelijk als kleine nijdige katten, schieten ook vlak langs ons heen, zoodat we het gele snaveltje, ’t witte voorhoofd en ’t mooie zwarte schedelkapje kunnen zien. Of mooier nog, ze blijven klapwiekend een poosje op éen plek in de lucht staan, ons altijd verwenschend en uitscheldend.

Dit zijn nu de dwergsterntjes of dwergzeezwaluwen (125, 126), verkleiningen als het ware van het gewone vischdiefje. Ze hebben hun nesten in het vlakke zand, tusschen de schelpjes en als we maar stuk voor stuk van ’t strand met aandacht bekijken, vinden we wel de eitjes: twee of drie bij elkander in ronde ondiepe kuiltjes. Ze zijn dof, vaak zandkleurig, maar meestal iets blauwachtig met donkergrijze plekken. Als ze niet in een kuiltje lagen, zouden ze niet makkelijk te vinden zijn, maar nu maakt het ronde kuiltje, dat je er erg in krijgt. Dikwijls ook maakt het vogeltje nog een krans van schelpjes om ’t nest.

Intusschen hebben ze van ons niets te duchten, en ’t is ook bij de wet verboden, om eieren van deze vogeltjes te rapen.

Terwijl we zoo rondkijken, zien we weer andere vogeltjes over ’t zand loopen, ook wit en grijs en zwart. Maar ze zijn flinker op de pootjes dan de zeezwaluwtjes. Ze rennen zoo snel, dat je de pootjes haast niet eens ziet bewegen. Dan lijkt het opeens of er een struikelt. Hij valt haast om, maar houdt zich staande door een vlerk uit te slaan en zich daarop voort te sleepen. Nu laat hij beiden vlerken hangen en strompelt en struikelt voort alsof hij dronken was. Maar onder de watervogels komt dronkenschap niet dikwijls voor, dit is niets anders dan angst en opgewondenheid.

Deze vogeltjes, strandpleviertjes (127, 128), hebben hier ook hun nesten, die er haast net uitzien als die van de zeezwaluwtjes, maar de eieren zijn iets dikker en meer met streepen en krabbels dan met vlekken geteekend. Ik weet wel plekken op ons strand, waar ’t geen kunst is, om binnen het half uur een dozijn van deze nesten te vinden. En ik heb op een mooien dag op een heel breed strand in ’t gezicht van een van de meest bekende steden uit de Vaderlandsche Geschiedenis wel duizend van deze vogeltjes zien rondloopen, net of ze daar aan ’t soldaatje spelen waren.

Als ze rondloopen over nattig of donker getint zand, dan is ’t niet eens zoo gemakkelijk, om ze te onderscheiden. Des te duidelijker echter is een andere zandlooper, maar die is dan ook veel grooter en heeft aan zijn lichaam geen andere kleuren dan hagelwit en pikzwart. Dat is de Kluit (122), een van de allerprachtigste steltloopers. De domme Duitschers en Engelschen hebben dit dier en zijn eieren zoolang lastig gevallen, totdat er op de Duitsche of Engelsche kusten haast geen enkele meer is overgebleven. Bij ons echter komen ze jaar in jaar uit trouw nestelen, niet alleen op de witte stranden, maar ook op de groene en zelfs hier en daar in ’t grazige binnenland.

Die kluiten zijn nog zenuwachtiger in hun bewegingen dan de strandpleviertjes. Als je in een goeden tijd hun broedgebied betreedt, dan heb je soms een half dozijn van die vogels om je heen in alle houdingen van wanhoop en vertwijfeling. Ze knikkebeenen op hun lange loodkleurige pooten, over het zand, slaan den zwarten omhooggekrulden snavel heen en weer en slieren de hangende vleugels over ’t zand. Soms lijkt het, of je ze zoo zoudt kunnen pakken, maar ze maken zich dan toch uit de voeten en vliegen omhoog, terwijl ze onophoudelijk „kluut, kluut, kluut,” schreeuwen.

Eigenlijk moesten die vogels dan ook „kluut” heeten, maar de boekenschrijvers hebben het anders gewild. Die redeneeren als volgt:

Een Zeeuw en een Texelaar zeggen in plaats van „huis”—„huus” en in plaats van „tuin”—„tuun”. Wat zij „kluut” noemen moet dus door een beschaafd mensch „kluit” worden gezegd. En zoo is het dan gekomen, en daar is zeker ook al weer niets meer aan te veranderen, dat wij een van de allersierlijkste en allervlugste vogels met den lompen naam van kluit moeten betitelen.

De eieren zijn zoo groot als kipeieren en liggen drie of vier bij elkander in een kuiltje in het zand of ’t gras. De jongen (123) zijn allervermakelijkste langbeenen en krijgen al heel gauw zwarte wipsnaveltjes.

Al deze vogels hebben in hun beweeglijk grondgebied nog al eens te lijden van wind en water. Soms stuiven de eieren heelemaal onder. Dikwijls slaagt de oude vogel er nog in, zijn eitjes weer uit te delven, maar even vaak gaat ’t broedsel verloren. Ook heb ik wel eens jongen van deze vogels aangetroffen, die in een zandstorm heel listig zaten te schuilen achter een hooge schelp en dan was er achter hen een zandwalletje ontstaan, waar zij zelf een deel van leken uit te maken.

Waar ’t zand wat hooger is opgestoven en door kleideeltjes of halfvergaan zeewier bij elkander wordt gehouden, daar kunnen planten gaan groeien en die slagen er dan dikwijls in, om met hun wortels nog meer vastigheid te geven aan den bodem.

Het zijn zeer verschillende plantensoorten, die zich zoo durven te vestigen aan ’t strand der zee en je kunt het ze wel aanzien, dat ze geen gemakkelijk leven hebben. Ook zijn ze erop berekend, dat ze evenals de eieren en jonge vogeltjes opeens bedolven worden onder een zandlaag. Ze redden zich dan meestal, door maar flink omhoog te groeien tot ze weer licht en lucht bereiken. En dan hebben ze er weer voor te zorgen, dat het opgewaaide zand weer niet wegwaait.

Toch zijn er bij, die heel mooie bloemen voortbrengen. Iedereen kent de zeeraket, met paarse kruisbloempjes, die veel op pinksterbloemen lijken. Ook weet ik heele einden strand, die bezet zijn met mooie groote hoornpapavers (107), planten van de familie der klaprozen met heel mooi grijsgroen gebladerte en groote heldergele bloemen, die voor ze opengaan, mooie blauwachtig groene spitse mutsjes op hebben. Wanneer de bloemen uitgebloeid zijn, dan groeien de vruchtbeginsels heel lang uit, tot hauwachtige vruchten van wel twee decimeter lang. Bij Zandvoort, Noordwijk of Scheveningen vindt ge deze plant niet dan uiterst zelden, maar je mag er wel eens aan denken, dat er nog andere duinen zijn, dan die van de drie meest bekende badplaatsen.

Een andere zandbinder is de zoutbloem, die komt heel algemeen voor: een laag plantje, met veel dikke dicht opeen staande stijve blaadjes, nu eens heel donker groen, dan weer meer geelachtig. De bloempjes zijn groenachtig wit en tamelijk groot, al lijkt er soms op ’t eerste gezicht geen enkele aanwezig te zijn.

Maar de beste werkers, dat zijn de grasachtige planten. Het meest bekend is het helmgras en dat doet ook dapper zijn best. Doch mooier dan de helm en blijkbaar ook beter geschikt voor een leven aan den zeekant is de prachtige blauwgroene strandhaver (138), een forsche plant met mooie lintachtige bladeren. Daar steken in Juni hooge halmen uit omhoog, met bloemen, die heelemaal niets van haverpluimen hebben, maar veeleer lijken op roggearen.

’t Is of deze plant juist voor zijn plezier gaat groeien op de gevaarlijkste plaatsen. Overal waar ’t waait en stuift, wapperen zijn blauwgroene vaantjes. Als ’t maar niet al te plotseling gaat, kan hij wel binnen het jaar door zijn tegenspoeden een meter de hoogte in komen. Daarbij vertakt de plant zich zoo snel, dat de stengels al dichter en dichter op elkander gaan staan, zoodat eindelijk het duintje geheel is overdekt en dan kunnen in de bescherming van de zandhaver zich andere planten gaan vestigen.

Dan komt er de mooie strandwinde (118), een verwant van de heggewinde en akkerwinde met heel groote rozeroode bloemkelken en mooie, zeer bijzonder gevormde dikke donkergroene bladeren, die al naar omstandigheden zoo groot als een kwartje of als een rijksdaalder kunnen zijn. Deze strandwinde is lang niet zeldzaam, maar meestal uitgebloeid voor het begin van de groote vacantie en daardoor dan minder bekend. Het gaat er zoo langzamerhand op lijken, dat de menschen en kinderen alleen maar de natuur leeren kennen in de groote vacantie, wat om zoo te zeggen eigenlijk de doodste tijd is van het heele jaar.

Beter dan de strandwinde kennen de meeste menschen een andere plant van het witte duin: de blauwe zeedistel (112). Op sommige plaatsen in ons land groeit die ook aan de binnenzij van de duinen, maar eigenlijk hoort hij toch thuis vlak bij het zoute water.

In mijn jeugd heb ik wel blauwe zeedistels gevonden van driekwart meter hoog; met honderden takken en bloemhoofdjes. Tegenwoordig ben ik al blij, als ik ze half zoo groot vind. Dit komt doordat de groote dadelijk door de natuurliefhebbers worden meegepikt. Hier en daar zijn ze heelemaal uitgeroeid en ’t is te voorzien dat over een jaar of vijfentwintig alleen op heel afgelegen plaatsen nog een enkele zeedistel zal groeien. ’t Is echter te hopen, dat tegen dien tijd de Vijftig-planten-bond haar invloed kan doen gelden.

De Vijftig-planten-bond is een vereeniging, die nog niet bestaat, maar liefst zoo spoedig mogelijk opgericht moet worden. De leden van die vereeniging verbinden zich, om geen plant in te zamelen of geen bloem te plukken, wanneer er niet minstens vijftig van aanwezig zijn op een ruimte, die gemakkelijk is te overzien. Als we ons houden aan dit eenvoudige gebod, dan is voor goed alle gevaar voor verarming van onze Flora geweken.

Iedereen weet tegenwoordig, dat de blauwe zeedistel heelemaal geen distel is, maar tot de familie der schermbloemen behoort en dus verwant is aan peen en bereklauw, zooals men aan de eigenlijke bloempjes en aan de vruchten ook duidelijk kan zien.

Er groeien ook wel echte distels op het kale duin, de knikkende distel met mooie groote donkerpaarse neergebogen bloemhoofdjes en de groote wegdistel (22).

Die maakt op sommige plaatsen prachtige groepen; hooge forsche planten, dicht bezet met zilvergrijze stekelige bladeren. Dicht bij de dorpen groeien ze het meest en vandaar worden ze wel versleept naar afgelegen aardappel veldjes, midden in het duin.

Soms ook ziet het tusschen helmen zandhaver geel van de melkdistels (105). Ze lijken heel stekelig en hun glanzig groene bladeren vertoonen ook een massa scherpe puntjes, maar eigenlijk zijn ze toch zacht en sappig. De bloemen lijken veel op die van paardebloemen en de heele plant ziet er uit, net of hij daar zoo maar bij toeval op de witte duinen is terecht gekomen.

Al deze planten staan zoo, dat het witte zand er nog zichtbaar tusschen blijft; ze bedekken den bodem niet. Ook de zandzegge (133), die duizenden bij duizenden stengeltjes maakt, slaagt er niet in, een groen tapijt te vormen.

De stengels van de zandzegge kruipen in horizontale richting onder den grond voort en zenden van afstand tot afstand zijtakken omhoog met bladbundels en bloeiaren. ’t Is alleraardigst, om deze stengels in lange rechte rijen boven het witte zand te zien opduiken. De bloempjes hebben niet veel te beduiden; ze bestaan of enkel uit drie meeldraden of enkel uit een stampertje en zitten zoo dicht opeen, dat ze afzonderlijk haast niet te zien zijn.

Het gulzige konijn komt dikwijls juist de toppen van de bladbundeltjes afbijten.

Aan de landzijde raakt het witte duin wat sneller begroeid dan aan den zeekant. Daar vestigen zich ook al spoedig de wondklaver (116) met zijn gele bloemhoofdjes en mooi gevormde blauwgrijze bladeren, en daar groeien ook de lekkerste bramen.

De wilde braam van de duinen is een heel andere dan die van ’t bosch. ’t Is een kruipende plant, die al heel spoedig den grond overdekt met een formeel netwerk van uitloopers. Heele duinhellingen raken zoo bedekt met laag braamstruweel dat in den nazomer vol blauwe, sappige, eenigszins zure bramen zit. De patrijzen en fazanten (131) en wulpen weten dat opperbest en zitten er in September bij troepen te smullen.

Als ’t witte duin wat ouder wordt, dan komen er weer andere planten. Heel fijne mosloovertjes beginnen rond te kruipen over het kale zand en maken overal op Noordhellingen spoedig een dicht aaneengesloten groen tapijt. Op de Zuidhellingen hebben de bladmossen het in den zomer te zonnig en te droog; daar ontwikkelen zich de korstmossen: het hoorntjesmos, het rendiermos (59) en de aardige bekermosjes.

In ’t najaar komen daartusschen op slanke steekjes, kogelronde witte balletjes te voorschijn; dat zijn alleraardigste paddestoeltjes, de gesteelde stuifballen (77).

Daar groeit ook zomer en winter de muurpeper (119). ’s Winters zou je die plant verslijten voor een bijzonder weelderig ontwikkeld mosplantje, maar in den zomer komen er honderden prachtige gele bloempjes aan, gouden glanzige vijfpuntige sterretjes. De bladeren van de muurpeper zijn kort en dik en bevatten zooveel water, dat een ontwortelde plant nog dagen lang frisch kan blijven groeien en bloeien.

Als ’t nu eenmaal zoover is, dat ’t duin begroeid raakt met mossen en muurpeper dan kunnen in die groene vochtige laag weer allerlei zaden en sporen ontkiemen en in weinig jaren—op Terschelling kun je dat mooi bestudeeren—komen er dan viooltjes, pimpernel, walstroo, reigersbek, duinroosjes, kruipwilgen en verschillende grassen, zoodat het witte duin dan mettertijd een grazig duin geworden is.

Dan moet ook maar gauw de duinbeplanter komen en alles volzetten met jonge dennetjes. De vierkante gaten worden in den grond gespit en in elk gat wordt een tweejarig dennetje gezet: het heele duin vol met scheerkwastjes. Het volgend jaar zien de meeste van dien jonge dingetjes er treurig en kwijnend uit, maar kom eens terug over een jaar of zes, dan zult ge zien, dat verreweg de meesten al zijn opgeschoten tot flinke manshooge denneboomen. En vijfentwintig jaar later is het witte duin veranderd in een prachtig hoogstammig dennebosch, alleen aan de zeezijde staan wat scheefgegroeide kaalarmige boomen. Die hebben den eersten aanval van den zeewind te verduren gehad, maar zoo is de rest van ’t bosch behouden.

Heerlijk is het, na een tocht door het barre zeeduin terecht te komen binnen de beschutting van zoo’n dertigjarig dennebosch. Door de kronen ruischt de zeewind, maar tusschen de stammen zelf is het stil en de grond is er dicht bedekt met mollig slaapmos en dorre dennenaalden. Enkele bloemen hebben er zich gevestigd: de kruipende eereprijs, die tegenwoordig mannetjes-eereprijs heet, het breedbladig standelkruid, de boschsalie en wat hondsviooltjes.

Maar ’t mooiste sieraad van het dennebosch in ’t duin vormen de paddestoelen, die er van Juli tot diep in den winter te vinden zijn, groote driemantelige aardsterren, kleine aardsterretjes (67), stekelige stuifballen, in groepjes bijeen, mooie heksekringen van de blauwe zwam (70), de groene champignon (73), met een kleur als de koepel van de Ronde Luthersche kerk, mooie komzwammetjes (68), de groote spinragzwam (74), de vergiftige beurszwam (76), de vergiftige knolzwam (78), kleine zoete melkzwammetjes, ruwe broodzwammen (69), kleine broodzwammen, die de lijsters zoo graag uitpluizen (75), en een enkele keer ook de schubstekelzwam (72), die er uit kan zien als een voorwereldlijk pantserdier. De menschen hebben er de dennetjes geplant, maar al die wondermooie wilde planten zijn er vanzelf gekomen. Is dat nu geen buitenkansje?

REGISTER.

HET EERSTE GETAL DUIDT HET NUMMER VAN HET PLAATJE, HET VETTER GEDRUKTE DE PAGINA VAN DEN TEKST AAN.