Part 4
Vlak daarnaast staat een plant van de toorts, nog niet in bloei, maar de wollige bladeren vol gaten. Die worden daarin gevreten door rupsen van den grauwen monnik (20 en 21), die al evenmin bang zijn om zich te vertoonen als de zebrarupsen. Ze zijn blauwachtig met veel gele en zwarte heel aardig geschikte vlekken; mooie dieren, maar ze smaken zeker ook afschuwelijk, want er zitten er wel een dozijn op die toortsplant, heel duidelijk te zien en geen vogel taalt er naar.
Toch zijn hier in de vallei vogels genoeg. Ieder oogenblik stijgt een boompieper (40) zingend omhoog, schetterend als een kanarie. Als hij heel hoog gekomen is, houdt hij op met klapwieken en dan daalt hij met uitgespreide vleugels en hangende pootjes langzaam neer, altijd zoet fluitend. Zoo bereikt hij een boomtop en als hij daar vasten voet heeft gekregen, ratelt hij weer een krachtigen kanarieslag. Hij heeft zijn nest ergens op den grond tusschen het gras, heel goed verborgen.
Daar huizen ook de mooie vlugge paapjes (85), kleine vogeltjes met spitse bekken. Het mannetje heeft een mooi rood borstje en een duidelijke witte wenkbrauwstreep boven ’t oog. Het wijfje is wat stiller van kleur.
Ze vliegen voortdurend af en aan met voedsel, gaan altijd eerst even zitten in den top van een kardinaalshoedje en duiken dan daarachter neer in ’t gras. Daar moet het nest liggen. We stappen er even heen en hebben het spoedig ontdekt. Er zit éen jong in, maar dat dier is veel grooter dan de paapjes zelf: ’t is een jonge koekoek (39), nog bijna heelemaal zwart. Hij is zoo kwaad als een spin en blaast en bijt woedend in ’t rond. De oude paapjes zitten angstig in de struiken te piepen en zijn even bang voor hem, alsof hij hun eigen kind was. En dan moet je weten, dat dit zwarte beest zijn leven begonnen is met de heusche eigen kleintjes van de paapjes over boord te werpen uit het nest, zoodat ze door honger en kou zijn omgekomen.
Zoo’n koekoek groeit dus altijd op ten koste van het leven van vier of soms meer andere vogeltjes. Als hij groot is, mag hij wel zijn best doen, om veel rupsen te verslinden en zoo het gemis van die insectenetertjes te vergoeden.
Nu, het moet gezegd worden, dat hij zijn best doet. Ik heb er tenminste dikwijls met plezier naar zitten kijken, hoe de koekoeken in de duindoorns kwamen en daar onvermoeid bezig waren met het opeten van de rupsen van bastaardsatijnvlinders (31 en 32), de bonte lange rupsjes, die bij honderden samen wonen in dichte spinsels in de doornstruiken. Er komen mooie witte vlindertjes van met een goudkleurig bruine punt aan ’t achterlijf maar ze zijn uiterst schadelijk voor de houtteelt, want ze lusten niet alleen duindoornblad, maar loof van alle heesters en boomen.
Intusschen hebben de kleine vogeltjes dikwijls van de koekoeken erg te lijden. Ik heb het wel gezien, dat in een enkele duinvallei drie nesten bezet waren met een koekoek en een van die nesten was nog al van dat heel mooie en tamelijk zeldzaam duinvogeltje, de roodborst-tapuit (86), een verwant van ’t paapje.
Dit mooie diertje kun je ook weer het best te zien krijgen door stil te liggen en te wachten, want hij heeft evenals de klauwieren en paapjes de gewoonte van heel graag boven op ’t uiterste topje van de heesters te gaan zitten om daar te zingen, of uit te kijken. Als je dan een klein diertje ziet verschijnen met rooden borst, pikzwarten kop en een paar witte vlekken in de nekstreek, dan is dat een roodborsttapuit.
Maar voor we ons druk maken over die zeldzaamheden willen we nog eens wat letten op gewone dingen. Als ik ’s zomers in de duinen ben, denk ik altijd aan de mogelijkheid van hagedissen (60) te ontmoeten. Meestal merk je ze pas, als ze verschrikt wegritselen tusschen gras en kruid en als je heel vlug bent van handen en voeten, dan kun je zoo’n dier ook nog wel pakken. En zeer zeker is ’t aardig, om het dan mee te nemen en in een terrarium te verzorgen, desnoods in een groote zuurtjesflesch of in een houten kistje met een glazen deksel. Doch zorg er trouw voor, dat het diertje altijd naar verkiezing zomerwarmte en schaduw kan genieten en behoorlijk voorzien wordt van voedsel en drinken.
Maar ik houd er nog meer van, om te zien wat die dieren in de vrije natuur uitvoeren en daarom kijk ik onder ’t wandelen liefst een eindje verder dan mijn neus lang is en zoo slaag ik er heel dikwijls in, om de hagedissen te zien eer zij erg in mij hebben. Dan gaat het makkelijk genoeg, om ze zoo nabij te komen, dat ik hun oogjes kan zien glinsteren en hoe hun zijden op en neer gaan bij de ademhalingsbewegingen.
Soms doen ze niet anders dan maar uit den treuren stil zitten in ’t zonnetje, net als wij doen. Of ze dan ook met genoegen uitzien en luisteren naar alles, wat er in hun omgeving gebeurt, zou ik niet durven beweren. In elk geval kunnen ze heel goed zien en hooren ook, al is hun oor ook anders ingericht dan het onze, zoodat het trommelvlies gelijk met de huid komt te liggen en duidelijk zichtbaar is.
Eens heb ik een hagedis heel aardig bezig gezien. Er lag een dood konijntje tusschen de duinrozen, half vergaan, en een vijftigtal aasvliegen, blauwe en groene, waren in ’t zonnetje bezig op het kadaver. Ik lag boven den wind op de loer, want een dierkundige kan van een dood konijn altijd een heele boel leeren.
Het duurde dan ook niet lang, of er kwam werk aan den winkel. Eens kwam een hagedis aanschuiven, een mooie groene, een mannetje. Bliksemsnel kronkelde hij een eindje verder en zat dan opeens doodstil. Dat vooruitschuiven ging zoo snel in zijn werk, dat de vliegen het eigenlijk niet eens merken, want voor ze er besef van kregen, dat daar iets bewogen had, zat de hagedis weer onbeweeglijk stil. Zoo bereikt hij goed en wel ’t konijn en had in minder dan geen tijd een dikke bromvlieg te pakken. De vliegen, die daar vlak bij hadden gezeten, sprongen wel eventjes op, maar keerden toch weer gauw terug naar ’t doode konijntje.
Zoo snapte die hagedis drie vliegen achter elkander, maar toen gebeurde er iets dat hem vrees aanjoeg en hij verdween tusschen de struiken. Er gleed een schaduw over ’t duin, een klein roofvogeltje zeilde door de lucht, een torenvalkje. Die lust even graag hagedissen als muizen, maar de ergste vijand van de hagedis is nog een andere roofvogel, de grauwe kiekendief (89). Die kun je dikwijls bezig zien, reepje voor reepje de hei of het duin afzoekend naar hagedissen. Opeens schiet hij neer en als hij dan de hagedis bij zijn staart te pakken krijgt, dan is ’t nog niet erg, want dan breekt die eenvoudig af en ’t ontstaarte hagedisje vindt nog een veilig heenkomen. ’t Wondje bloedt niet erg en ’t geneest zoo, dat er op stuk van zaken nog weer een nieuwe staart ontstaat, die maar een klein eindje korter is dan de oorspronkelijke.
Ik kreeg bij dat konijntje nog meer te zien. Een witte kwikstaart kwam er haast op dezelfde manier jacht maken als de hagedis. Hij kwam heel slim dichtbij. Sprong dan even op, zoodat de vliegen opvlogen en hapte er dan gauw een of twee op.
Maar ’t meest hadden de vliegen te lijden van de graafwespen. Zoo’n zwart met gele wesp kwam heel onschuldig aanvliegen, net of hij ook zijn deel wou hebben van ’t konijn en ging dan midden tusschen de vliegen in zitten. Een oogenblikje zat hij stil, maar dan schoot hij ineens op een vlieg af en pakte die met bek en pooten beet. Samen rolden ze van ’t konijn af in ’t zand en dan krulde de wesp zijn achterlijf om, stak de vlieg met zijn gif-angel in ’t borststuk. Dadelijk was de vlieg verlamd of dood, de wesp pakte zijn prooi tusschen midden- en achterpooten en vloog er mee heen. Binnen een half uur tijd zag ik zoo vier vliegen wegdragen. Die wespen gingen alle denzelfden kant op en later heb ik hun nesten gevonden op de zandhelling van een duintop, wel honderd bij elkander.
Iedere wesp graaft zijn eigen nest en deze soort van vliegendooder (7) heeft de gewoonte het uitgegraven zand rondom de opening opeengehoopt te laten, zoodat deze wespenkolonie er uitzag als een verzameling van kleine vulkaantjes.
Het was er bijzonder druk. Onophoudelijk kwamen wespen aanvliegen met prooi. Ze legden hun doode of lamme vlieg dan even neer bij den ingang van ’t nest, kropen dan even naar binnen, zeker om te zien, of daar wel alles in orde was en haalden dan de vlieg in ’t hol. Andere groeven nieuwe holen, dat leek dan net, of daar miniatuur-molletjes aan ’t werk waren.
Er slenterden ook tusschen de nesten vreemden klaploopers rond: prachtige wespjes met blinkend rood achterlijf en groenachtig blauw glinsterend borststuk en kop, robijn en smaragd. Dit zijn de zoogenaamde goudwespen en als ze de kans schoon zien, dan glippen ze gauw in het graafwespennest, om hun eieren te leggen op de vliegenvoorraad die voor de jonge graafwespenlarven bestemd is. Ze handelen hier dus ongeveer op dezelfde manier als de koekoeken bij de paapjes.
DE ZEEREEP.
Vlak bij de barre zee liggen vaak de mooiste duinvalleitjes. De grond is er wat lager, haast altijd vochtig. Ja, waar de waterleidingen hun verderfelijk werk nog niet hebben verricht blinken er heldere meertjes, omzoomd met boschjes van duindoorns en berken.
Ik ken wel valleitjes, zoo mooi en bloemrijk, dat iedereen, die je er brengt in verrukking raakt, of ’t nu plantenkenners zijn of niet. De niet plantenkenners raken er onder de bekoring van de honderden en honderden groote witte bloempjes van de Parnassia (142, 144), die er de grond bedekken als de Anemoontjes in het voorjaarsbosch. Of ze staan versteld over de prachtige bloemtrossen van het heerlijk geurende wintergroen (141), dat tusschen de donkere duindoorns kniehoog zijn room-witte bloesems omhoog tilt.
Elders weer zijn heele plakken rood gekleurd door de dichte aren van de kattestaart (82, 84), die hier wel niet zoo hoog wordt als langs de waterkant in de veenstreek, maar veel sterker getinte bloemen heeft.
Als de plantenkenner Parnassia en Pirola ontdekt, dan weet hij dat er nog meer te vinden is. Met gesloten oogen zal hij u al zeggen dat er een stuk of drie plantjes moeten groeien met kleine witte bloempjes en fijn groen. Een ervan heeft heel fijne stengeltjes, fijne blaadjes, draaddunne bloemsteeltjes en ook de bloempjes zijn heel teer, bijna doorschijnend, wit met een geel hartje. Dit fijne plantje, dat alleen op moerassige plaatsen groeit is familie van de gewone vlasplant en heet purgeervlas (136).
Er groeit er nog zoo eentje, maar die heeft kortere en breedere blaadjes en ’t bloemkroontje bestaat uit één stuk. Dit is de Waterpunge, een plantje, alleen bekend bij de liefhebbers en toch is het een van de weinige planten, die haast over de heele wereld voorkomen en zoo zijn er niet veel.
Van mijn derde witbloem is op het eerste gezicht bijna niets anders te zien dan de tamelijk groote witte stervormige bloemen, die vlak op den zwarten moerasbodem schijnen te liggen. Deze knoopige vetmuur (111) schijnt er van te houden, om op zijn eentje te bloeien op dergelijke open veenplekken.
De duinarbeiders steken hier in de vallei wel eens graszoden, om daarmee de hooge toppen van de witte stuifduinen vast te leggen. De kale plekken, die daardoor ontstaan in het natte dal, zijn al heel spoedig met knoopige vetmuur begroeid, die er ook nog stand houdt, als langzamerhand andere planten, voornamelijk grassen en biezen het leege terrein komen bezetten.
De stengels van de knoopige vetmuur zijn heel dun en bezet met heel korte smalle blaadjes, die met elkander groene knobbeltjes aan den stengel maken.
Tusschen al die nattigheid is ook een plekje geheel bedekt met ronde groene blaadjes, je zoudt zeggen een verdwaalde Oostindische kers, maar dan kleiner. We ontdekken dat de blaadjes ontspringen uit kruipende witte stengels, die half op half in den modder liggen en met witte worteltjes daarin zijn vastgehecht. Ook vinden we aan die stengels kleine trosjes van onduidelijke bloemen en eerst na veel bekijks met loupen en herinnering van velerlei geleerdheid komen wij tot de ontdekking, dat deze waternavel (94) om zijn bloemen behooren moet tot de familie van de Schermbloemen, familie dus van Pijpkruid, Waterscheering, Bereklauw en Peen. In ’t eerst lijkt dat erg vreemd, maar als je de bloempjes en de vruchtjes goed bekijkt, zie je het redelijke van zoo’n indeeling toch wel in. De familie van de Schermbloemen heeft nog meer van die verrassingen voor ons in petto.
De planten, die hier zoo bijeenstaan als bosjes groote groene breinaalden, zijn bloembiezen (135). Er groeien hier verscheidene soorten; sommige hebben de kleine bruine bloempjes dicht opeen gepakt, andere hebben ze in groote losse pluimen. De laatste zijn het mooist. Menigeen vindt die bruine bloempjes te klein en te onaanzienlijk, om er naar te kijken, maar je moet ze toch eens bezien op een zonnigen zomermorgen, als ze wijd open zijn. Dan blijken die kleine bloempjes heel mooi te wezen, net lelies in ’t klein met zes mooie gele meeldraden en een stamper met twee of drie aardige rooskleurige stempels daar midden in. Zoo’n bloempje blijft maar korten tijd open, liefst in den morgenzon en zoo komt het dan, dat de menschen er niet veel erg in hebben.
In Juli en Augustus kun je aan de stengels en bladeren van die bloembiezen vaak mooie glanzige gele spinsels vinden, zoo wat twee of drie centimeter lang en een halven centimeter dik, vlak tegen de stengels aan. Ik heb er zoo wel eens honderden bij elkander gezien. Dat zijn de cocons van het mooie Sint-Jansvlindertje (137) en ik mag lijden, dat je het eens treft zooals ik, dat op een enkelen zomermorgen in een duinvallei honderden van die vlindertjes tegelijk uit hun cocon komen kruipen. ’t Was een gezicht, om nooit te vergeten. Aan ieder bloembiessprietje zat zoo’n cocon en nu zag je die opensplijten aan den top en dan kwam daar het aardige vlindertje uit, nog heelemaal nat en met saamgeplakte vleugels. Bovenop hun bloembiesstengels bleven ze dan een minuut of zoo zitten om wat op te drogen, dan spreidden ze de wiekjes en voort ging het, elkander achterna en naar de bloemen.
In dat dal stonden bloemen, waar die vlindertjes bijzonder verlekkerd op zijn en wel een paar van onze allerheerlijkste orchideeën, echte lievelingen van den plantenliefhebber: de Hondswortel (57) of Anacamptis en de Muggenorchis of Gymnadenia.
Er zijn nog plaatsen in de duinen, waar deze planten in groot aantal groeien, vooral de Gymnadenia is in ’t geheel niet zeldzaam. De Hondswortel wordt iets minder gevonden. Ze ruiken allebei overheerlijk fijn en ze hebben roode, soms witte bloemen. De bloemtros van de Gymnadenia is lang en spits, die van de Hondswortel meer rond, in de verte lijkt hij wel een klein beetje op roode klaver, ik heb me er wel eens mee vergist.
Maar als je de bloem in handen hebt, dan zie je dadelijk dat ’t iets heel bijzonders is: een echte orchideeënbloem met de twee helmhokjes van de eene meeldraad duidelijk boven de stamper ingeplant. En ’t onderste bloemkroonblad, de lip, draagt een spoor, zoo lang en dun, dat je hem voor een draadje zoudt houden, maar ’t is werkelijk een honigzakje en de Sint Jansvlinder weet er behoorlijk het zoete vocht uit te halen. Ook de meekrapvlinder en de gamma-uil weten hier den weg en ik heb ook wel gezien, dat een groote tuinhommel er kwam snoepen. Zijn tong was lang genoeg maar te dik en ’t was eigenlijk akelig, om te zien, hoe hij die fijne honigspoor heelemaal openspleet.
Behalve Anacamptis en Gymnadenia staan er in mijn zeereep-pannetje nog meer orchideeën. Daar zijn er weer bij die de gewone wandelaar nooit ziet en als je eens de moeite neemt om ze hem te wijzen, dan begrijpt hij niet wat voor aardigheid of je aan die kleine nietige plantjes met groene bloempjes kunt hebben. Ze hebben niet eens Hollandsche namen, wij noemen ze dan ook maar trouw Sturmia en Herminium (87).
De aardigheid, die ik in deze bloempjes heb, komt hiervandaan, dat ik hun levensgeschiedenis nog lang niet ken en dat ik iederen zomer uren bij deze plantjes doorbreng om er iets van te weten te komen en na te gaan in hoeverre er overeenkomst is tusschen deze nederige bloempjes en hun kleurrijke en prachtige familiegenooten.
Die Sturmia’s staan juist op een plekje, waar ze geheel omringd worden door honderden moeras-wespenorchissen (98), die ondanks hun weinig sierlijke naam de mooiste bloemen hebben van al onze orchideeën. De bloemen zijn soms meer dan een centimeter in doorsnee en zeer mooi gekleurd met bruine, groene en witte streepen en paarse, rozeroode en gele randjes, een heel vreemdsoortige vertooning. Een spoor hebben ze niet, wel heeft de onderlip een komvormige holte die veel honig bevat. De vliegen en wespen komen daarop af, vooral de vliegen. In den nazomer zitten de stengels dan ook vol met vruchten, die opensplijten en dan de zeer fijne, uiterst lichte zaden laten ontsnappen.
Evenals alle duinplanten komt ook deze orchidee voor in exemplaren van verschillende grootte, ik heb er gevonden van een halve decimeter hoogte met drie bloemen in den tros en andere een halve meter hoog met twee-en-dertig bloemen.
Zoo is het ook met het Duizendguldenkruid (106), dat je vinden kunt één centimeter hoog met een enkel bloempje en ook drie decimeter hoog, rijk vertakt en met honderden bloempjes. Dat verschil in grootte zal wel veroorzaakt worden door verschil in standplaats, maar zoo heel gemakkelijk is het toch niet te verklaren, want je vindt wel eens de reuzen en dwergen vlak bij elkander.
Het duizendguldenkruid is weer een echt kind van de zon. Bij guur en donker weer houdt het zijn bloempjes stijf dicht net zoo als zijn familiegenoot, het bittere gentiaantje, dat in dezelfde duinpannen groeit.
Het duizendguldenkruid is ook bitter van smaak. Het spreekwoord: „bitter in den mond, maakt het hart gezond” is van deze plant afkomstig, want zij wordt al sinds eeuwen gebruikt als geneesmiddel en ik herinner mij zeer goed, dat in sommige streken van ons land dit mooie bloempje onder den naam van Centaurik werd ingezameld en ik meen voor een gulden per kilogram verkocht aan apothekers en drogisten. Daardoor is ’t plantje op sommige plaatsen zelfs bijna geheel uitgeroeid, maar het groeit in jonge duinvalleien weer heel snel bij.
De bloem is het bezien rijkelijk waard, al was het maar alleen om de mooie zalmkleur, die nog al zeldzaam is in onze Flora. Ook maken de meeldraden gedurende den bloei merkwaardige bewegingen, de lange helmknoppen zijn ten slotte als kurketrekkers ineengerold. Je moet zelf maar eens nagaan, hoe de zaden verspreid raken, waardoor het mogelijk is, dat duinvalleien, pas aan de zee ontworsteld, in enkele jaren vol kunnen staan met duizendguldenkruid.
Vogels zijn er in de zeereep altijd in overvloed. In de duindoorns nestelen er grasmusschen en kneutjes. Op sommige plaatsen zijn de konijnenholen bewoond door de prachtige bergeenden (1), dat is vooral het geval op de duinen van de eilanden. De vogels zelf zie je dan wel in de ondiepe zee staan of in de duinplassen en als je dan alle konijnengaten gaat nazien, dan vind je er wel een met de breede zwempoot-sporen van de eend in ’t witte zand voor de opening.
Alleen door een heel bijzonder gelukje kun je er getuige van zijn, hoe na het uitkomen van de eieren de oude eend zijn jonkies duin op duin af geleidt naar het veilige water.
Behalve aan eenden verleenen de konijnengaten ook gastvrijheid aan tapuiten (5), steenuiltjes (2) en kleine boschduiven (4). De tapuiten hebben hun nest met de blauwe eitjes voorin in ’t konijnenhol, zelden verder dan een halven meter het hol in, maar steenuilen en boschduiven gaan dieper. Je ontdekt ze ook alweer aan de sporen voor aan de ingang van het hol. Ik ga geen konijnenhol voorbij of ik kijk altijd eventjes heel oplettend naar het zand aan den ingang en als ik daar gekrieuwel van vogelvoetjes zie, dan weet ik al gauw, hoe laat het is. En wanneer er een stuk of wat groene erwten in ’t zand liggen, dan bestaat er niet de minste twijfel of daar huist een kleine boschduif.
Menigeen gaat na zoo’n ontdekking dadelijk aan ’t graven, om de eieren of de jonge vogels te vinden, maar daar doe je toch eigenlijk glad verkeerd aan. Wil je werkelijk plezier hebben van zoo’n ontdekking, verschuil je dan in de buurt en houd eens een oogje op het gaan en komen van de oude vogels. Misschien ook kun je het treffen, dat de jonge vogels te voorschijn komen en geheel op de manier van kleine konijntjes een spelletje gaan doen voor den ingang van het huis. Want al dat jonge goed is dol op spelen en heeft er een hekel aan, om in huis te zitten.
Buiten de konijnenholen huizen weer andere vogels. Waar de duinen heel breed of woest zijn, hebben de zilvermeeuwen (130, 132) hun broedplaatsen. Twintig, vijftig, honderd paren nestelen bij elkander in het hooge helmgras. De groote vogels verdedigen hun nesten met veel heldenmoed, gekrijsch en uitgebraakte visch. De jonge vogels zijn eerst bedekt met grijs gevlekt dons en zijn er zeer knap in, om achter zandbolletjes weg te schuilen.
Al die zeevogels zijn lawaaimakers. Daar heb je ook de wulpen (124, 126) met hun lange, kromme bekken. Ze schreeuwen, fluiten en jodelen zonder ophouden. Alleen als de oude vogel op ’t nest zit in het laatst van den broedtijd, kan hij zich doodstil houden, al kom je vlak bij het nest. Ik heb wel zoo dicht bij den vogel gestaan, dat ik hem met een stok zou hebben kunnen slaan. Met een groot angstig oog zat hij me aan te kijken, den geweldig langen snavel steunend op de grassprieten.
Het spreekt van zelf, dat juist hierdoor het nest bijzonder moeilijk is te vinden en je moet dan ook net als de koddebeiers dag in dag uit en voet voor voet het duin afzoeken om zoo’n nest te ontdekken. Voor die jachtopzieners is dit een heel aardig bijwerkje, want de groote wulp-eieren zijn heel lekker en brengen nog al veel geld op.
Toch worden in den laatsten tijd in heel veel duinen geen wulp-eieren meer geraapt, omdat er werkelijk gevaar bestond, dat die vogels in aantal zouden verminderen en men wil niet graag dezen heerlijken steltlooper missen. In ’t voorjaar is zijn vroolijk gejoel een van de mooiste lentegeluiden in ’t duin. Zijn groote waakzaamheid en onrustige bewegingen waarschuwen den jachtopziener, als er vreemd volk door de duinen zwerft.
Ook sticht hij onmiddellijk nut. Sedert een kwart eeuw is men ijverig bezig met het bebosschen van de duinen. Daarbij heeft men te kampen met allerlei moeilijkheden en het gebeurt nog al eens dat de blauwe duinsprinkhanen (48) den jongen aanplant ernstig beschadigen. De wulpen echter houden ervan, om in den zomer die sprinkhanen te vangen en helpen zoo den duinbebosscher uit den brand.
De allergrootste schreeuwer van de Zeereep is de scholekster (90, 129) of bonte piet. Die heeft zijn nest ergens tegen een duinhelling en als hij je heel in de verte ziet aankomen dan schommelt hij stiekum van zijn eieren af, loopt een end verscholen tusschen de helm en komt dan op eens met ijselijk misbaar te voorschijn.
Hij vliegt regelrecht op je aan, zoodat je gaat vreezen, dat hij zijn harden langen rooden snavel regelrecht in je oog zal boren, maar op ’t laatste oogenblik gaat hij op zij en krijscht je een oor doof. Dan is hij tevreden en dan gaat hij een eindje verder op ’t zand zitten, net of hij daar zijn nest heeft en verkneukelt zich, als je je laat bedotten.