Part 3
Den volgenden morgen heel vroeg zit ik al boven op het duin. Eigenlijk is er bij De Koog maar één hooge duinenrij (4), maar die is dan ook flink hoog. Naar de zeekust komt dan nog een lage, tamelijk breede zeelooper, van den hoofdrug gescheiden door een lange smalle duinpan, die zelf op verscheidene plaatsen weer dicht bezet is met heuveltjes, allemaal begroeid met duindoorns. Het hooge duin zelf is grazig tot op den top, met hier en daar een waaigeul, maar overigens bedekt met viooltjes, vleugeltjesbloem, eereprijs, walstroo en soms heele plakkaten van eikvarens. Op de minder begroeide plekken staan de kleine roode kandelaartjes (41) en de uitgebloeide voorjaarsvroegelingetjes, die hun zaden reeds hebben gestrooid. Natuurlijk kijk je ’t eerst naar de zee en de breede rijen van de witte branding tegen de strakke strandlijn. Aan den horizon kruipen een paar stoombooten. Soms kaatsen hun lichten en patrijspoorten het schijnsel van de lage morgenzon juist terug naar onzen duintop en de groene golftoppen doen evenzoo. Vogelleven lijkt er weinig op en langs de zee te zijn, maar de verrekijker toovert ons toch Meeuwen te voorschijn op de zee en op het strand, ook Scholeksters en klein onduidelijk gedoe; dat moeten wel Bontbekpleviertjes zijn. Nu keeren wij ons om en zien het eiland aan. Ge kent wel het prachtig vergezicht vanaf het terras van het hotel Berg en Dal bij Nijmegen? Welnu, het vergezicht van het Koogerduin is minstens even mooi. Vlak onder ons ligt het dorpje De Koog, met zijn ééne groote boerderij en eenige kleinere. Naar rechts zien we langs den binnenvoet van ’t duin de nieuwe bosschen en heel in de verte wat er nog overblijft van de Fonteinsnol. Het heele eiland is bespikkeld met boerderijen en boetjes en daartusschen groent en geelt het van weide en hooiland en boschjes. Heel in ’t Noordoost de molen van het Noorden en ’t dorp Oostereind, rechts daarvan De Waal, de Hooge Berg, Oude Schild en de waarlijk mooie en forsche oude kerk van Den Burg. Bij gunstig licht komt ook de Zuiderzee te zien, we merken dat we op een eiland zijn.
Intusschen is het in onze onmiddellijke omgeving druk van vogelleven in de zwarte dennen en in de duindoorns. Het vroolijk gekraai van de Kneutjes (61) is niet van de lucht en we behoeven maar even langs de toppen van de lage dennetjes te kijken en daar zien we de prachtige man-kneu al, het Robijntje met zijn roode schedelkap, zijn roode borst, bruinen rug en met wit gezoomden staart. Wat een prachtig vogeltje, zijn houding is al even flink en fier als zijn gezang, dat telkens en telkens herinnert aan een fanfare en soms zoo zuiver en gearticuleerd klinkt, dat je het in notenschrift zoudt kunnen opschrijven. Voor de tijden der bebossching nestelden ze ’t meest in de duindoorns, levende of doode, en nu hebben ze partij leeren trekken van de veilige dichtheid der jonge dennetjes.
Uit de duindoorns wiekt van tijd tot tijd een grijsbruin vogeltje omhoog, al zingend, zijn witte keeltje heelemaal opgezet. Lang houdt hij het niet uit; na een seconde of acht fladdert hij weer neer in de dorens en sluipt door de twijgen, met geluidjes van boosheid en angst: „tak, tak”, „watsj, watsj”. Dit is de Grasmusch en die vindt ge op Texel overal, waar duindoorns groeien. Beneden langs den zeelooper wemelt het ervan en daar heb ik gisteravond ook nog een ander vogeltje gehoord, den Sprinkhaanrietzanger (97), dien we liever een anderen naam wilden geven. Jan Verwey wilde hem Duinsnor noemen, wat wel een heel aardige naam is, maar het diertje komt ook veel voor in Brabant en Gelderland op de vochtige heiden. Ik heb den naam Krekelzanger bedacht, maar voel wel, dat die niet erin zal komen, wellicht wel wegens Bilderdijk. Zoo zal hij dan wel vijflettergrepig blijven. Behalve bij De Koog hebben wij hem ook gehoord in de duinvalleien van den Zuidwesthoek.
Na zoo een poosje genoten te hebben van de onmiddellijke omgeving van het hotel, zoeken wij het nu verder weg. Onze fietsen rollen met een vaartje naar beneden het dorpje door en weer over Pupelikediek naar Waal en Burg. We spreken af om langzaam door te rijden en alleen hier en daar op een afgesproken teeken af te stijgen. Aan den ingang van Waal en Burg hebben wij rechts een klein meertje, dat heet Overtoomswaal en dat is een herinnering van een doorbraak van den voormaligen zeedijk uit den tijd toen Waal en Burg nog buitendijks lag, dus een kwelder was. Die voormalige zeedijk is nu voor ’t grootste deel vergraven, maar al wordt hij geheel met de omgeving gelijk gemaakt, dan zullen toch dergelijke meertjes de plaatsen aanwijzen, waarlangs hij verliep.
Die krijgen we nu niet te zien, want we blijven den middenweg houden, genietend van de bloemen en de vogels. Het is in ’t begin van Juni. Alles bloeit hier wat later dan in Holland en zoo zien we dan de meeste grassen pas in bloei schietend, de koekoeksbloem in vollen fleur heele plekken rose kleurend en overal troepjes van het mooie Orchideetje, dat bij ons het eerst in bloei komt, de Harlekijnsorchis (D) (Orchis morio). Zijn bloeiaar heeft niet veel bloemen en ziet er daardoor bevalliger uit dan de stijve aren van de handekenskruiden. Ze bloeien zelfs vlak langs den weg en we verlustigen ons in de verscheidenheid van tinten, die ze vertoonen, van donkerpaars en bruinig rood af tot licht rose en we zoeken met vlijt naar een witte, want daar is een premie mee te verdienen. De roode Klaver komt net in bloei en ook het rose Engelsch Gras (20) en groote plekken zien heelemaal geel van de Ratelaars, de mooie leeuwenbekachtige planten, die niet in de pas staan bij den veehouder, want ze zuigen het voedsel uit de wortels van het gras; ’t zijn zoogenaamde half-parasieten. Dat wil zeggen ze onttrekken aan de graswortels het ruwe voedsel en bereiden dat dan in hun groene bladeren tot suikers en eiwitten en wat dies meer zij. Geen wonder, dat het gras kwijnt, waar de Ratelaars tieren. Intusschen helpen zij dapper mee, om bonte weiden te vormen.
Nu is het een lust, om in die kleurige wei de blijde vogels te zien dartelen. Het spreekt van zelf dat de lucht vol hangt met tierelierende Leeuweriken en Piepertjes. Ook zien we telkens Leeuweriken vechten tusschen de bloemen en zelfs midden op den stoffigen weg en ik ken weinig grappiger voorvallen uit het vogelleven, dan dat die Leeuwerikjes, verhit door hun vechtpartij, met gehavend gevederte en opgestoken kuifje zingend een poos rondloopen en pas later bedenken, dat ze eigenlijk behooren te vliegen, als ze zingen zullen op zoo’n mooien zomerdag. Ze zijn niet de eenige luchtzangers. Dikwijls genoeg gaat nu nog met vroolijk gejodel zoo’n roodsnavelig roodpootig Tureluurtje de hoogte in en als hij een meter of dertig hoog is gekomen, dan daalt hij op neerwaarts gespreide vleugels langzaam neer, steeds fluitend. Hier en daar schermt en buitelt en schreeuwt een Kievit, maar we zien ze ook kalmpjes rondstappen tusschen de bloemen en het wit-pluizige wollegras. ’t Is of al die vogels weten, dat een voorwerp, dat voortrolt op den rechten, door slooten begrensden polderweg, hen niet kan deren en wij zien die Kieviten (84) van zoo nabij, dat we kunnen genieten van de purperen en groene staalglanzen op hun gevederte en de parmantige houding van hun wapperende kuif. De Grutto (79) komt dicht genoeg bij ons, om zijn aardig gevormden rossen schedel te vertoonen en zijn rossen hals en zwart met witten staart. Kalmpjes stapt hij op zijn lange beenen door de wei en met zijn langen snavel slaat hij hier of daar een torretje van de grassprietjes af, want al die modderkrabbers houden op hun tijd toch ook wel van zoo’n harden insectenbout. Dezer dagen zit ’t gras vol met Kniptorren en daar eten ze nu allemaal van: de Grutto’s, de Kieviten, de Tureluurs, de Scholeksters, de Piepers, de Leeuweriken. Van de Scholeksters (80) weten we zeker, dat die ook uit den grond de larven van die kniptorren opdelven, dat zijn de beruchte ritnaalden, die door hun geknaag aan de wortels zoo’n groote schade toebrengen aan het grasgewas.
Nu uitkijken, want we naderen de Kemphaanplek. Lang voor de weg bestond, hadden de Kemphanen (83) hier een kampplaats en die zijn ze trouw gebleven tot op dezen dag. Jawel, daar zijn ze al. We kunnen de fietsen neerleggen op den wegberm en dan langzaam nadertreden, totdat we een meter of vijftien van de vogels stil houden. Met paard en rijtuig of met een auto kun je wel vlak bij de vechtersbazen komen, zonder dat ze zich laten storen. Het zijn er acht: twee grijskragen, een zwartkraag, drie met roodbruine kragen en dan nog twee met zeer zonderling blauwig rood en zwart gespikkelde veeren. Daar komt nog een zwartkraag aanvliegen en met, dat hij neerstrijkt zetten de acht andere zich in postuur en nu rennen ze op elkaar in; het steekspel is begonnen. ’t Is maar een schermutseling. Spoedig staat ieder weer op zijn eigen plaats. Maar hoe verschillend zijn hun houdingen. De een staat trotsch en fier met zijn kop hoog in den wind, zijn halskraag neergestreken. Een andere daarentegen houdt met een gebaar van diepen ootmoed kop en snavel recht omlaag en zijn kraag heeft hij uitgespannen zoover hij kan, ja voorwaarts omgeslagen. En alle veertjes aan hem trillen. Er zijn roode rauwe vlekjes aan zijn kop. Je zoudt denken, dat hij die met vechten opgedaan heeft, maar ze hebben ze allemaal zoo, dat hoort bij het kostuum. We kunnen wel probeeren een foto van ze te nemen, langzaam naderen, één oog op de vogels, één oog op den zoeker, de vinger aan den afsluiter. Pats, dat is gebeurd, maar nu vliegen ze ook alle negen op. Let er op, hoe ze onder het vliegen door hun dikke halskragen een heel ander figuur hebben, dan welk andere vogel dan ook. En ze hebben geen kik gegeven. Terwijl al die andere vogels nacht en dag roepen en fluiten en jodelen, blijft de Kemphaan zoo stom als een visch. Niet heelemaal stom, soms krieuwelt hem wel eens wat in zijn keel. De wijfjes hebben geen kragen, dat zijn mooie grijze slanke vogeltjes met geelachtige pootjes en snavel en je zou ze voor bleeke Tureluurtjes kunnen houden als je niet wist, dat de veeren van hun rug en vleugels veel eenvoudiger gevlekt zijn, dan die van de Tureluur met hun ingewikkeld patroon. Nu we weer hoog op de rijwielen zitten en over de weiden kijken, zien we, dank zij onze pas opgedane ervaring, nog hier en daar groepjes van Kemphanen en als we nog eens willen fotografeeren, dan slaan wij maar even den volgenden zijweg rechts in, want daar is ook alweer een clubterrein. Daar worden we ook meteen aangerand door de zwarte Sterntjes (94), dezelfde soort van vogeltjes, waarvan we in het Naardermeer de nesten gevonden hebben op drijvenden rommel. Hier echter bouwen ze op den vasten grond, al houden ze er van, dat die dan toch altijd nog vochtig is. Nu die zwarte sterntjes zoo’n drukte maken wordt de heele buurt onrustig, er vliegen een paar Grutto’s op met luid gejammer en een stel Tureluurs maken nu heel andere geluiden dan tijdens hun vreugdevlucht. Waarschijnlijk hebben ze hier jongen rondloopen. Dat is zoo aardig in het begin van Juni, je vindt dan zoowel jonge vogels als eieren.
Nu keeren we terug naar den hoofdweg en komen aan een hek en daar staat een koddebeier op ons te wachten. We zijn namelijk allemaal lid van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en hebben ons de permissie verschaft, om de beroemde meeuwenbroedplaats van De Staart te betreden, onder geleide van den bewaker. We leggen de fietsen in de bloemen en volgen onzen geleider naar een tweede hek, dat rijkelijk is opgetuigd met prikkeldraad en hangsloten, wat natuurlijk het genot van het toegelaten worden, zeer verhoogt. We betreden een laag stuk land, deels kaal en slijkerig, maar voor ’t grootste deel begroeid met dik, donkergroen gras. Er liggen ook enkele slooten in, sommige met riet begroeid en in de verte blinkt een grooter water, de Rommelpotskil, een oude kreek, die naar rechts zich verbreedt tot een flink meertje en dat is dan de Kil bij uitnemendheid. Eerst is het tamelijk rustig, maar als we verder gaan, komt er een zwartkopmeeuw (85) kokkerend op ons aanvliegen en dan nog een en nog een en ’t duurt niet lang of de lucht is vervuld met duizenden tierende Meeuwen. Je staat je daaronder te verwonderen in het wijde veld. Heel op den achtergrond ligt de lange rij der duinen, achter ons in de verte het dorpje De Waal met zijn boomen, voorts hier en daar een stolp of een boetje en verder niets anders dan gras en bloemen en vogels. Nu duurt het ook niet lang, of we zien de eerste nesten en weldra wordt het geraden, om goed uit te kijken, anders zou je misschien de eieren vertrappen. In het gras maken die meeuwen maar kleine en lage nesten. Op de kale plekken en langs de kanten van de slooten en de greppels daarentegen bouwen ze wel een halven meter hoog en er liggen vaak wel zes of tien van die nesten op één rij, samen een walletje vormend van gestapeld riet. In sommige nesten liggen twee eieren, in andere vier, in de meeste drie. Ze zijn zoo groot als kip-eieren, dof bruingroen met donkerder vlekken. Sommige zijn blauwig, sommige licht, andere donker, ook de vlekkigheid loopt zeer uiteen. Wij zoeken al ons best naar roodbruine eieren, want die zijn heel zeldzaam en ik moet hier het eerste altijd nog vinden. ’t Lukt vandaag dan ook alweer niet, maar wel zijn we bij menig nest getuige ervan, dat het jong bezig is, zijn eischaal te verbreken en nu al vast door een klein gaatje het levenslicht aanschouwt. Eigenlijk zie je van het diertje weinig anders dan de snavelpunt met daarop het harde witte, beenige spitse uitsteeksel, de „eitand”, waarmee de schaal wordt bewerkt. Je zoudt zoo’n diertje wel willen helpen, maar ’t is toch beter, dat niet te doen. Ook hoeft hij niet de heele schaal rondom te behakken, als hij maar eenmaal een derde deel bewerkt heeft, dan breekt de rest gauw door en dan komt het diertje te voorschijn met sluik nat dons en dadelijk al grooter dan het ei was. In korten tijd drogen de veertjes op en de jonge meeuw wordt een alleraardigst bolletje van dons, lichtbruin met donkerder vlekken. Ze groeien heel snel en nu in Juni vinden we er ook, die al echte pennen en veeren hebben, doch niet wit en zilvergrijs en zwart als de ouden, maar bruinig en gelig en kaneelkleurig. In dit eerste jeugdkleed zie je ze nog weinig buiten de broedplaatsen. Ze krijgen al heel gauw een tweede jeugdkleed en daarin kunnen we ze bewonderen, als ze overwinteren op de grachten van onze steden. Dat zijn dan echter geen vogels van Texel, want die trekken in ’t najaar naar ’t Zuiden, naar Frankrijk en Spanje en wellicht naar Zwitserland, terwijl dan inboorlingen van Denemarken en Pruisen en verder hier bij ons den winter komen doorbrengen.
De lucht is nog altijd vol vogels, maar we zien er nu toch ook al eenige op hun nesten zitten, hun broedinstinct heeft de vrees voor ons overwonnen. Dat is een aanwijzing voor ons, om nu maar het terrein te verlaten. Op een guren dag zouden wij er niet eens heen gegaan zijn, want wij zouden toch niet willen, dat de broedsels mislukten om onze weetgierigheid of nieuwsgierigheid. We retireeren dus in de richting van ons prikkeldraadhek en komen nu nog even langs een perceeltje waar de slanke vischdiefjes (86) nestelen. Die hebben veel kleiner nesten en veel kleiner eieren dan de Meeuwen, maar van hetzelfde type. Deze vischdiefjes hebben de gewoonte, om uit de lucht niet vlak op het nest neer te dalen, maar een eindje er vandaan en dan verder te kuieren. Dat doen ze zoo dikwijls en zoo geregeld, dat elk nest het eindpunt is van drie of vier duidelijke paadjes, die door het gras slingeren. Nergens heb ik dat zoo mooi en duidelijk gezien, als hier op ons natuurmonument de Staart.
Wie scherpe oogen heeft, mag probeeren uit te maken, of deze Sterntjes, die hier broeden gewone of Noorsche zijn. Die lijken heel veel op elkander en zijn ook zoowat even groot, maar het Gewone Sterntje heeft aan zijn rooden snavel een zwarte punt, terwijl de bek van de Noorsche Stern heelemaal rood is. Het zijn werkelijk twee geheel verschillende soorten. Heel in ’t Noorden broeden niet anders dan Noorsche Sterns (92). De Engelschen noemen ze zelfs Pool-Sterns. Zuidelijker dan ons land broeden alleen de Gewone Sterns, maar hier bij ons vinden we ze broederlijk bij elkaar. Die broederlijkheid sluit niet uit, dat ze wel eens met elkander harrewarren, maar ik heb het toch wel gezien, dat een Noorsche Stern rustig zat te broeden tusschen de Gewone en ook wel omgekeerd. Bij die gelegenheden zat ik verborgen in een schuiltentje midden in de Sternenkolonie en dan zie je alles heel pleizierig van dichtbij. Dat was echter niet op Texel, maar op Rottum.
Tusschen al die Meeuwen en Sterntjes is op de Staart haast geen plaats meer voor andere vogels, maar als we ons hek eenmaal weer achter ons hooren sluiten, dan ontmoeten we op het voorstuk weer de Tureluurs en de Grutto’s. Een paar Kieviten schreeuwen zich schor boven ons en gedragen zich zoo woest en angstig dat we al dadelijk gaan uitkijken naar jongen. Voor een nest met eieren zouden ze zulk misbaar niet maken. Nu zijn we met zijn twintigen en kunnen dus om zoo te zeggen grassprietje voor grassprietje onderzoeken, maar toch duurt het geruimen tijd eer we wat vinden. Die kleine Kievitjes hebben donker dons, maar een spierwit nekje, dat ze echter intrekken, zoodra er gevaar dreigt en als ze zich nu maar doodstil houden, is het vrijwel onmogelijk ze tusschen het gras van den donkeren slibgrond te onderscheiden. Ongetwijfeld zaten er zoo drie of vier verscholen, doch wij hebben er maar één gezien. Die was wellicht wat zenuwachtiger dan de andere en hield ’t niet langer uit. Hij verhief zich op zijn lange beenen, strekte zelfs den verraderlijken hals, rende rechtuit naar de grenssloot en sprong pardoes te water. Het was een breede, heldere sloot, nog al diep en ’t was bladstil, zoodat de blauwe hemel er volmaakt in weerspiegeld werd. En daar zwom nu het kleine donzige Kievitje alleen in de oneindigheid. Hij roeide met zijn looppootjes en schoot maar langzaam op, want daar zitten maar kleine vliesjes tusschen de teenen. Eindelijk bereikte hij goed en wel den overkant en klauterde onder luide toejuichingen tegen den vrij steilen oever op. Geen wonder, dat de heele buurt in opstand raakte en zelfs de Meeuwen ook nog hun deel van de pret kregen. Nu weer op de fietsen, want we willen onze boterhammen eten bij de Slikken achter de Eendracht. Gelukkig is het nog vóór elven. Alleen op Texel is het mogelijk, dat je op een paar morgenuren al zooveel moois en belangrijks kunt beleven. Het Kievitje is nog gefotografeerd ook, maar die opname heeft geen ander nut gehad, dan de bevordering in ’t algemeen van den handel in foto-artikelen.
III. HET NOORDEN EN DE EENDRACHT
De nieuwe tijd heeft texel van zulke uitmuntende wegen voorzien, dat het heel gemakkelijk gaat, om op één dag al de belangrijkste punten van het eiland te bezoeken, hetzij met een auto, hetzij met onze onvolprezen fiets. Het kost ons dan ook weinig moeite, om op denzelfden morgen dat wij Waal en Burg bekeken, ook nog het Noorden en de Eendracht er bij te nemen. We zeggen onze Meeuwen van de Staart vaarwel, springen weer op ’t stalen ros en rollen vroolijk in lange rij oostwaarts, den polder uit en dan een eindweegs langs den Slaperdijk, die hier het oude eiland verdedigde, toen Waal en Burg nog tot de zee behoorde. Dan gaan we rechts af langs Barger en komen dan bij Molenbuurt op den grooten weg van Den Burg naar Oosterend. Hier heb ik eens op een prettigen zomermorgen een paar uur op een tuinwalletje gezeten, om dit Molenbuurt uit te teekenen, twee, eigenlijk drie echte Texelsche boerderijen, groote stolpen met hun pyramidaal grijs rieten dak en witgekalkte muurtjes, waar kleine vensters vertrouwelijk uit kijken. Weinig bijgebouwen, een stukje bloementuin, een hooge tuinwal en daarachter wat boomen en struiken, in de richting naar ’t Westen allemaal schuin afgeschoren door den zeewind (11). De weg maakt hier een schilderachtige, voor auto’s zeer ongeriefelijke bocht. Op dien morgen toen ik er teekende, zijn er geen drie menschen en geen enkel voertuig langs gekomen. Op marktdagen is dat anders. Nu zat ik daar heel pleizierig en de jonge Tapuitjes kwamen spelen voor mijn voeten. Die Tapuiten (64) zijn heel mooi grijs met wit en zwart, vogeltjes; min of meer verwant met de Lijsters. Ze nestelen op Texel in hoeken en gaten van de tuunwoaltjes en de Texelaars noemen ze „Stog”. Zingen doen ze weinig, maar ze vroolijken het landschap belangrijk op met hun dartel heen en weer vliegen en met het beweeg van hun wit met zwarte staartjes. In ’t voorjaar heb ik dikwijls met het grootste genoegen gekeken naar hun pronken en stoeien. Om de huizen zelve zong den heelen morgen het Spotvogeltje en zoo, al teekenend, had ik al gauw in de gaten, waar één van die zangers zijn nest moest hebben. ’t Was heelemaal geen kunst, om dat te ontdekken, want het aantal van de boomen en de heesters op die erven was nu niet bepaald verbazingwekkend. Indertijd, toen ik op Texel woonde, had ik midden in het dorp in den tuin van het Hooge Huis elken zomer mijn spotvogelhuishouden en er waren er toen wel minstens twintig in het dorp. Nu is dat minder, maar ze zitten toch nog over het heele eiland, even goed als op Vlieland en Terschelling, deze vlijtige fraaie zangertjes. De Texelsche jongens noemen ze bastaardnachtegalen, misschien wel omdat ze ook in den nacht zingen, maar ze hebben met Nachtegalen niets uit te staan; ze zijn meer verwant aan de eene zij met Fitissen en Tjiftjafjes, aan de andere zij met de Rietzangers. Nergens komen ze zoo algemeen voor als op onze Noordzee-eilanden.
Ook nu hooren we in ’t voorbijgaan op Molenbuurt den Spotvogel luidkeels zingen en we rijden nu tusschen hooge tuunwoaltjes verder naar Oosterend (F), dat we al zoo vaak uit de verte hebben bewonderd. Het is die bewondering wel waard. Evenals Den Burg is het een mooi komdorp: kerk en kerkhof in het midden, daaromheen een kringstraat en die heeft weer drie of vier uitwegen naar de buitenwereld. Een groote barometer tegen den kerkhofmuur vertelt ons dat in Oosterend naast de landbouwers ook veel visschers moeten huizen. Het dorp heeft echter geen haven, hoewel de Oosterenders er heel graag een zouden willen hebben. Nu liggen hun botters òf op de ree bij Oost òf in de haven van Oude Schild en je ziet dan ook dikwijls Oosterender visschers met hun bultzak langs den Zuiderzeedijk kuieren naar de havenplaats.
Wij rijden even het kerkhof rond, verheugen ons in het keurig nette uiterlijk van huizen en straten en nemen dan den uitweg naar Oost, langs de „Vermaning”, dat is het Doopsgezinde kerkje. Tusschen twee haakjes, de bevolking van Texel is voor een derde deel doopsgezind, een derde Katholiek en een derde Hervormd en Gereformeerd, eerlijk gedeeld.