Chapter 5 of 8 · 3755 words · ~19 min read

Part 5

De groote boerderijen en de reusachtige schuren doen vermoeden, dat de ingelanden wel een penningske voor wegbeplanting zouden kunnen offeren. Op de zeeklei van Eijerland worden allerlei landbouwgewassen geteeld. We zien er de dikke aren van de tarwe, de zacht glanzende aren van de gerst, de glinsterende pluimen van haver. Sommige velden zijn begroeid met fijne, gelig groene planten en als we daar in den morgen langs komen, dan hebben we geen moeite om aan de witte en blauwe bloempjes het vlas te herkennen. In den namiddag vallen die bloempjes uit, maar morgen zijn er weer nieuwe. Mooi zijn ook de velden met maankop, nu prachtig in bloei met groote bleekpaarse bloemen. In de verte lijken die maankopvelden wel waterplassen. Aardappelen ontbreken ook niet en er zijn ook velden met karwei, nu reeds in vrucht, eenige weken geleden waren die sneeuwwit in bloei. Straks wordt die karwei geoogst en dan ploegt men den akker weer om voor een navrucht. Als dan de paarden den ploeg door de klei trekken, komen onze Meeuwen van De Staart in Waal en Burg bij honderden hierheen en die verdringen zich dan tusschen de pas omgeworpen kluiten, om er de insectenlarven te bemachtigen, die zoo onzacht uit hun rustige leventje zijn opgeschrikt. Ook eten ze de Langpootmuggen (132). Ik houd wel van een ritje door het landbouwgebied en houd hier allebei mijn ooren open om te luisteren of ik den Kwartel ook hoor, het kleine hoenderachtige vogeltje van de korenvelden. In Zuid Eijerland heb je nog wel eens kans om zijn „kwikmedit, kwikmedit” te hooren klinken. ’t Is heel ongelijk, in sommige jaren hoor je er veel en dan gaan er weer jaren voorbij, zonder dat je een enkelen Kwartel hoort. Dan zijn onze broedvogeltjes hoogstwaarschijnlijk in het winterverblijf of op de reis gevangen en daarna opgegeten. Dan kan het weer jaren duren, eer uit een tijdelijken overvloed van Kwartels er zich weer een paartje in onzen polder kan vestigen.

Dicht bij het eind van den hoofdweg, waar deze een bocht maakt, staat een boerderij juist in de as van den weg. Het spitse dak is als een pyramide in de woestijn, een verre pyramide, die we moeten bereiken. Eindelijk wordt zij al grooter en grooter. Nu zijn we bij ’t huis zelf, we zwaaien linksaf en dan tegen den hoogen dijk van Waal en Burg op. Hier kijken we weer even uit. We zien onzen dijk westwaarts doorloopen heelemaal tot aan de duinen. De dijk zelf lijkt ginds ook wel een duin, hij is begroeid met helm en inderdaad is dat stuk dan ook een oude stuifdijk. Dit was nu voor 1837 de noordkant van het eiland Texel. Eijerland was een kwelder en bij hoog water sloeg de zee hier tegen den dijk. Vlak voor ons, in Waal en Burg zien we een uitgestrekt water, de Kil (N). De oevers zijn met riet begroeid, daarin zingt de Kleine Karekiet (104) en als we naar links dien rietzoom volgen al verder en verder, dan komen we aan het land waar al de Meeuwen broeden, het natuurmonument De Staart aan de Rommelpotskil. Al die killen waren geulen in den tijd toen Waal en Burg nog zee was en thans dienen ze samen als binnenboezems, waarin het overtollig polderwater bewaard wordt, tot het hoog genoeg staat, om door het duikersluisje geloosd te worden op den polder het Noorden en dan mag de molen het door ons sluisje met de langooggarnaaltjes wegmalen naar de Wadden. ’t Is heel prettig, om hier vanaf den hoogen dijk de Kil te overzien. Al heel gauw bespeuren we een Wilde Eend (73), die met jongen rondzwemt en een Slobeend (74), die in hetzelfde geval verkeert. Ik heb wel eens gedacht, dat er op Texel meer Slobeenden dan Wilde Eenden zouden zijn. Ge weet wel, die Slobeend is dadelijk te kennen aan zijn grooten breeden snavel. Het lijkt wel, of die snavel hem te zwaar is, want hij zwemt meestal met zijn kop vlak op ’t water. Behalve Eenden zien we in de Kil ook altijd Koeten (78). Die lijken op zwarte eendjes, maar daar hebben ze toch niets mee te maken, want ’t zijn echte Steltloopertjes en ze hebben geen zwemvliezen, wel eenigszins verbreede teenen. De witte vlek op ’t voorhoofd is wel hun voornaamste en duidelijkste kenmerk. Aardige dieren die Koeten. Ze zijn altijd bezig, duiken naar voedsel, sleepen bouwstof naar nest of rustplaats, voeren hun jongen en maken wat burengerucht. Nu eens zwemmen ze hoog op ’t water, dan weer komt hun rug nauwelijks boven en ik heb er wel gezien, die rondzwommen met alleen maar hun kop boven water. Hun onophoudelijk kortaf gekef geeft aardig leven in de brouwerij. Hun jongen zijn in ’t eerst met donker vlokkig dons bedekt en hebben op den kop een roode huidplek. Ze sukkelen altijd achter hun moeder aan en daar hebben ze gelijk in, want die kan ze vastberaden verdedigen tegen den Kiekendief, die jonge Koeten weet te waardeeren als een lekker nieuw gerecht in den voorzomer. Nu weer op de fiets en door den rechten weg van Waal en Burg op De Koog aan. Prettig, dat we in den loop van den dag zooveel vogels hebben leeren kennen. We vinden ze haast allemaal weer langs dezen weg en die lijkt daardoor veel en veel korter dan de hoofdweg door Eijerland, ofschoon het in werkelijkheid maar weinig verschilt.

IV. MUIEN EN SLUFTERS

Om te beginnen, gaan we bij De Koog het strand op en wandelen dan een half uur ver noordwaarts, langs de branding. De zee is zoo’n goede en gezellige kameraad, dat we mijlen en mijlen kunnen voortwandelen, zonder dat we iets anders begeeren, dan de ruimte en de frischheid en de muziek. Mijlenver krijgen we ook niets anders, want dat strand is nog al arm aan schelpen en het aanspoelsel geeft den strandjutter ook maar weinig vreugde. Voorbij paal 23 wordt de zandvlakte al breeder, er komen ook meer schelpen en hier en daar liggen kleine heuveltjes, niet hooger dan een molshoop, maar breeder en daar wapperen een paar groene grassprietjes uit omhoog. Wanneer we vlijtig zoeken, dan vinden we hier in deze eerste Juniweek ook op dergelijke heuveltjes wel een grasje, dat pas uit ’t zaad ontkiemd is en dat moeten we beschouwen als een zeer belangrijk feit. Zoodra namelijk dit gras op de strandvlakte wil groeien, groeien er ook duintjes. Dat is hier nu benoorden De Koog prachtig te zien, hoe het stuifzand door het gras bijeen wordt gehouden en hoe zoodoende nieuwe duintjes worden gevormd. We vinden er van allerlei leeftijd, jonkies van dit jaar, waar je de pas ontkiemde grasjes nog uit kunt trekken en oudere van vorige jaren, waarvan het zand doorweven is door een dichte mat van wortelstokken. Nog oudere zijn alweer hooger en hebben bovenop al een begroeiing van de tweede en de derde grassoorten, dat zijn de helm (25) en de blauwe zandhaver (27). De grassoort, die het begin maakt, is minder bekend, ’t is het biestarwegras (29), de eersteling der begroeide duinen. Eigenlijk zijn er geen andere dan begroeide duinen; een onbegroeid duin waait weg.

Deze strandvlakte met zijn schelpen en duintjes heeft ook bewoners. Ik heb ze al lang gehoord, eer we ze zien. In de heldere lucht en op het witte zand is het niet eens zoo gemakkelijk, om witte vogeltjes te zien. Maar onophoudelijk hooren we een fel en driftig geschreeuw. In de zee zien we ook witte straaltjes opspatten en eindelijk, nu we wat gewend zijn, krijgen we de kleine schreeuwers te pakken. Het zijn de mooie Dwergsterntjes (93), half zoo groot als de gewone Vischdiefjes. Met razende vlijt zijn ze bezig te visschen tusschen de eerste en tweede bank, boven een school van kleine Puitaaltjes. Ze duiken heelemaal onder en in negen van de tien gevallen krijgen ze hun vischje te pakken en vliegen dan landwaarts, tusschen de kleine duintjes. Nu zijn we met zijn twintigen, allemaal goed gezind en voorzichtig en wakker en daarom wil ik wel even een breed front vormen over een uitgestrektheid van een paar honderd meter en zoo schuin de strandvlakte oversteken door de jonge duintjes tot aan het hooge duin. Als we nu wakker genoeg zijn, dan krijgen we jonge Dwergsterntjes te zien, misschien ook nog eieren en misschien nog wat anders. Wanneer we heelemaal niets zien, dan bewijst dat nog lang niet, dat er ook niets ligt, want de grijze, vlekkige jongen en de doffe, blauwig grijze, vaal gevlekte eitjes zijn, o zoo heelemaal één met het mulle zand. Past daarom dubbel op, om te zien, waar ge uw voeten zet. Het zou zeer onaangenaam zijn, indien de herinnering aan onze reis ontsierd zou moeten worden door de gedachte aan een vertrapt jong vogeltje of verbrijzelde eieren. Het gevaar voor ’t laatste is het grootst. Een jong laat zich niet zoo heel spoedig vertrappen, zie maar, daar loopt er al een. Die heeft stil gezeten totdat het storend bezoek wat te dicht bij hem kwam, en daar gaat hij nu, een dons balletje op rose zwemvoetjes, kop hoog in de lucht op een hals, die veel langer is dan je van zoo’n Sterntje zou verwachten. Intusschen vliegen de ouden boven ons, driftig krijschend. Daar loopt een grooter vogeltje, niet in dons, maar in gladgestreken pluimage, grijs en wit en zwart. Het scherp wit en zwart aan kop en keel, de oranje snavel, oranje pootjes, vertellen ons, dat we met ’t Bontbekpleviertje te doen hebben. Die heeft hier ook wel jongen en eieren. Als we wat verder komen, worden we begroet door grooter vogels, witte Meeuwen met spierwitte koppen, dat zijn de Stormmeeuwtjes. Die hebben hier ook enkele nesten en daar moeten we alweer heel voorzichtig mee zijn, want deze meeuwtjes nestelen maar op een paar plaatsen in Nederland: op Schouwen, aan den Hoek van Holland, bij Callantsoog, op Texel en op Rottum, dus op de beroemdste stranden van Nederland en die hebben dan ook hun beroemdheid voor een groot deel te danken aan die Stormmeeuwtjes. Ze gelijken het meest op Zilvermeeuwen, maar zijn een derdepart kleiner. Het heele jaar door vinden we Stormmeeuwen in menigte langs de stranden, in de havens, op ’t land, zoo oude als jonge, maar slechts weinige willen hier broeden. Het strand zou het strand niet zijn, als hier niet eenige stellen Scholeksters rondliepen en er staat ook een heele troep Zilvermeeuwen te dutten, zoo maar midden op de zandvlakte. Al een poosje lang hebben we aan onze rechterhand donkere rijshorden gezien, daar geplaatst door den Waterstaat, om den groei van het duin te bevorderen. Waterstaat en de Texelaars koesteren al tientallen jaren lang den wensch, om de Sluftervlakte af te sluiten, door de duinenrij te doen voortgroeien tot aan de Slufterbollen. Het is al dikwijls bijna gelukt en in de laatste jaren gaat het ook alweer heel voorspoedig, maar een paar stormdagen en stormnachten, harde Noordwester met springvloed kunnen weer alles terugbrengen tot den toestand van jaren geleden. Wij verlaten nu het strand, gaan landwaarts in tot voorbij de eerste duinrichel en slaan dan scherp rechtsaf, de vallei in, achter die richel langs. Hier komt de zee nog wel eens een enkelen keer een kijkje nemen om het hoekje. Er ligt aanspoelsel van de hooge vloeden en de vallei is hier en daar ook tamelijk slibbig. Er groeit dan ook Zeemelkkruid en Engelsch Gras, Zoutgras, een beetje Lepelblad, Zeespurrie en hoogerop komt Bloembies (34) en zoete grassen, die het mogelijk maken, dat een paar schapen er nog genoeg te eten vinden. In deze vallei nestelen ook al Kieviten en Tureluurs, een enkele Scholekster en de alomtegenwoordige Graspieper (62). Op een nat plekje staat Pluimzegge (33).

We gaan nu tegen het duin op en zijn van plan, om door de duinen terug te wandelen naar Koog. Eerst heb ik bij den boschwachter van het Staatsboschbeheer een klein bezoekje afgestoken, om te hooren of we die wandeling konden maken. Dit duinlandschap is namelijk een Staats-natuurmonument en gedurende den broedtijd der vogels heb je een bijzondere vergunning noodig, om het terrein te betreden. In sommige jaren wordt op sommige stukken zelfs niemand toegelaten. Dat was o. a. het geval in 1924, toen de Lepelaars, een tiental, hun nesten gebouwd hadden in het mooiste en grootste duinmeertje, de Mui (3). Dertig jaar geleden heette dat meertje kortweg de Mui, maar tegenwoordig beginnen we het al Binnen-Mui of Groote Mui te noemen. Er is namelijk in de laatste jaren nog een tweede meertje bijgekomen, dat is de Buiten-Mui en buiten de duinreeks, die vroeger deze Buiten-Mui van het strand scheidde, zijn weer nieuwe duinricheltjes gevormd. Tusschen de oude en de nieuwe richels vormen zich tegenwoordig telkens ook al weer zoetwaterplasjes, zoodat we binnenkort ons zullen verheugen in een Buitenste Mui. Nu, hoe meer hoe liever, want elk duinmeertje wordt, als ’t goed gaat een middelpunt van zeer rijk dieren- en plantenleven.

Als we nu aan den kleinen Slufter het duin in gaan, dan zijn we nog niet zoo heel spoedig bij die Muien. Eerst hebben we nog een kilometer of zoo duinterrein te doorloopen, haast een soort van hoogvlakte, meer heuvels dan dalen en de dalen smal en ondiep. Wie de duinen van Holland kent, verwondert zich over deze Texelsche heuvelen. Wat zijn ze dicht begroeid: Viooltjes, Aardbeitjes, Geel Walstroo (48), Eereprijs tot boven op de toppen. Dichte bosschen van Duindoorns bemoeilijken onzen vooruitgang. Onder en tusschen die Duindoorns worden we verrast door alleraardigste bloemen, die we in grooter aantal ook nog in het natuurmonument der Muien zullen aantreffen: het rondbladige Wintergroen (Pirola Rotundifolia) en het Parnaskruid (Parnassia Palustris). Het Wintergroen (14) staat al ferm in bloei, Parnaskruid (16) vertoont pas knoppen, dat is een herfstbloeier. Er was een tijd, dat het Wintergroen rijkelijk in het wild groeide, midden in het Bloemendaalsche Bosch. Dat is nog geen vijfentwintig jaar geleden. Ook het Kennemer duin stond er vol mee. Sedert den drogen zomer van 1911 is daar het Wintergroen zoo goed als verdwenen en nu moeten wij ons er toch wel zeer over verheugen, dat dit heerlijk mooie bloempje nog zoo veel op Texel groeit en ook op de andere Noordzee-eilanden en het is dubbel pleizierig, dat deze Texelsche duinen nu voor een groot deel tot natuurmonument zijn verheven, d.w.z. dat daar de natuur haar vrijen loop mag hebben en de wilde planten daar groeien mogen, zooals dat hier in deze streken behoort. Als we goed uitkijken, dan vinden we nog andere bijzonderheden, die nog niet in bloei staan, kijk maar hier: smalle groene blaadjes tegen elkaar, een groene bloemtros daar binnen verborgen. Wacht maar, die tros blijft niet groen maar wordt mooi rose, allemaal fijne Orchideeënbloempjes met lange spoor. Tegen de groote vacantie zullen ze bloeien. Dit is de Muggenorchis (49) of Gymnadenia. Onthoud hem ook maar met ’t oog op de omstandigheid, dat ge eens gaat reizen in het bergland, in Zwitserland. In menig opzicht is het verkeer in de duinen van Texel en Terschelling een goede voorbereiding voor een Zwitsersche reis. Nog mooier dan de Muggenorchis is de Moeras-Wespenorchis (53), die hier ook overvloedig groeit.

Ook geven onze duinen een prachtige oefening voor beenspieren en longen. We moeten maar eens even op een hoogen top losstevenen om ons te oriënteeren. Jawel, ik dacht het al, we zijn al druk bezig, om te ver landwaarts in te gaan. Zie, in de richting naar Koog ligt links een lange vallei, westwaarts begrensd door een onafgebroken duinenrij. Dat was nog niet zoo heel lang geleden de zeelooper. De oostgrens van de vallei is een meer afwisselend duinlandschap met hooge toppen en lagere zadels en rechts daarvan zien we een tweede uitgestrekte duinpan. In beide pannen zien we blauwe waterplassen blinken en als we goed toezien, bespeuren we tusschen die plassen velden met riet en biezen en zoo beseffen we, dat we hier staan voor twee vrij uitgestrekte duinmeertjes, de trots en glorie van Texel, van Nederland. Dit zijn nu de beide Muien. De Binnen-Mui is de grootste en belangrijkste en daar mogen we nu in den broedtijd met zoo’n grooten troep niet heen, dat is zoo wijselijk beschikt door het Staatsboschbeheer. Maar wel hebben we een vergunning, om te wandelen langs den westoever van de Buiten-Mui en daar hebben we volop genoeg aan. We willen echter verstandig wezen en er niet regelrecht heen loopen. We zwenken af naar rechts, tot voorbij den zeelooper, loopen dan rustig en stil langs den buitenkant van die heuvelrij een kilometer of zoo zuidwaarts naar een plek, welke ik wel ken en kruipen dan tusschen en door de duindoorns heen, om ongezien den anderen kant te bereiken, waar we een vrij uitzicht hebben over het meer, dat hier zoowat honderd meter breed mag zijn en zich naar links en naar rechts eenige honderden meters uitstrekt.

Het is mij dikwijls gelukt, zoo ongezien een goed uitkijkpunt te bereiken, zonder dat één van de honderden vogels, welke de Buiten-Mui bewonen, er erg in had. Alleen gaat dat natuurlijk veel beter dan met een troepje, want daar zijn altijd licht lui bij, die het wereldkundig moeten maken, als zij een duindoornpunt in hun knie krijgen of zoo iets. Honderden malen heb ik zoo de duinen beslopen. Haast altijd tref je iets aardigs en in zoowat één op de twintig sluippartijen iets bijzonders. Daaronder tel ik een Sperwer, die op den grond bezig was een Tapuitje te plukken, een helling met een twintigtal Konijnen, welke zich zaten te zonnen, ieder voor hun holletje, Fazanten en Patrijzen een stofbad nemend en dan liggend in de zon, twee Egeltjes knorrend en kringspelletje spelend, een oude Hermelijn op jacht met vijf jongen achter zich en meer dergelijks.

Je hebt ook wel eens tegenspoed. Het is mij wel gebeurd, dat ik over de helling komend met mijn neus net terecht kwam boven een laat eendennest en de eend vloog met zooveel spektakel op, dat er een paniek ging over de heele duinvallei.

Nu, ditmaal komen wij wonderwel klaar en de heele Buiten-Mui ligt voor ons in de Junizon, eenzaam en verlaten, alsof er geen mensch bestond op de wijde, wijde wereld. De hooge duindoorns geven ons een uitmuntende beschutting. Er staan een paar vlieren tusschen in. Voor en onder zoo’n vlier zit je nog beter; ik wil voor een volgenden dag straks aan de buitenhelling een paar merkteekens maken, om een andermaal precies bij zoo’n vlier terecht te komen. Het water ligt bladstil, helder blauw. Er is veel meer riet en biezen en russchen dan water, tenminste van hier gezien, maar ik weet dat tusschen de hooge rietbosschen toch ook nog weer genoeg open plekjes zijn. Hier en daar zie je een groote witte vlek, dat zijn allemaal bloeiende Waterranonkels (32), die zullen we elders in nog grootscher pracht aanschouwen. De duindoorns groeien tot in het water en het water dringt door tot tusschen de duindoorns.

Van vogelleven is op ’t oogenblik niets anders te zien dan een paar witte Vischdiefjes, welke boven ’t witte water bidden. Ik schaam mij, te moeten bekennen, dat ik niet weet, welke soorten van visch in deze Muien voorkomen en voor zoover ik weet, is daar ook nog nooit een onderzoek naar ingesteld. ’t Zou een aardig werkje zijn voor jongelui, die hun zomervacantie geheel of gedeeltelijk op Texel doorbrengen, om eens wat te weten te komen omtrent de bewoners van de Muien, de Visschen, de Insecten, de Slakken, de Bloedzuigers enz. Daar is wat meer vlijt en kennis voor noodig, dan voor de vogelarij.

Die Vischdiefjes hebben al gauw wat gevangen en vliegen nu naar ’t zuideind van de Mui, waar ze in het moerassig gedeelte zeker wel hun nesten hebben, misschien een stuk of vier. Het is wel merkwaardig, dat naast de groote kolonies van Vischdiefjes in het Noorden en aan de Petten ook nog overal over het eiland, heel verstrooid Vischdiefjesnesten te vinden zijn, alleen of bij tweeën en drieën. Dikwijls liggen er aan het zuideind van de Buiten-Mui ook nesten van Kokmeeuwen.

Naar links is een der open plassen voor een groot deel bedekt met Eenden, wilde Eenden van allerlei soort. Met onzen kijker bespeuren we al gauw dat het allemaal mannetjes zijn: groenkoppen met witten halsring, dat zijn de gewone wilde Eenden, groenkoppen met buitengewoon grooten en breeden snavel en witte borst, dat zijn de Slobeenden, kleintjes met een groote witte streep over het oog, dat zijn de Zomertalinkjes (75). Met elkaar zijn er een veertigtal en nog verder naar links staan een dozijn zwart-met-witte Eenden, dat zijn de Bergeenden. Als we ze wat dichterbij kregen, zoudt ge zien, dat ze nog heel wat andere kleuren vertoonen dan zwart met wit: een bruinen halsband, een goudig groenen kop, fel rooden snavel, prachtige dieren. Ze hebben hun nest in konijnenholen, over het heele eiland heen en we ontmoeten ze dan ook langs alle stranden, het meest nog wel tusschen De Koog en Cocksdorp.

En ja hoor, daar is ook de Roodkop weer. Als om ons een pleizier te doen vliegt hij op en koerst het heele meer door: een roode kop, een grijze rug en zwarte zijden. Dat is de Tafeleend, een vogel, dien we ’s winters in groote menigte op plassen en rivieren te zien kunnen krijgen, maar die slechts zelden hier en daar bij ons broedt. In Friesland en aan de Utrechtsche plassen zijn de nesten al dikwijls gevonden en nu die vogel zich hier aan de Muien jaar op jaar vertoont, kunnen wij ook wel aannemen, dat hij hier broedt. Hoe aardig vloog hij over de riettoppen: hij hield zijn lichaam wat schuiner dan de gewone wilde Eenden.

Nu komen er achter elkaar drie Blauwe Reigers aanzetten. Ze dalen af naar ons meertje, buigen de lange pooten omlaag en strijken neer in ’t riet. Eén is er zoo dichtbij, dat wij hem tusschen de rietstengels door kunnen zien en als hij zijn snavel neerbuigt, dan kunnen wij zien, dat deze gegrepen wordt door andere snavels. De Blauwe Reiger heeft daar zijn nest met drie hongerige jongen en nu we eenmaal weten, dat daar Reigernesten zijn, hooren we ook wel het merkwaardig honger-gebabbel van de jonge vogels. Gewoonlijk maken bij ons in Nederland de Blauwe Reigers hun nesten in de boomen, maar hier op Texel bouwen ze in ’t riet, juist zooals de Purperreigers en de Lepelaars dat doen in ’t Naardermeer. Nog twee Reigers komen aanzetten en dan nog eens vier en onze eerste Reiger vertrekt al weer, na al zijn huiselijke plichten vervuld te hebben. We kunnen er nu al zeker van zijn, dat hier minstens een dozijn Blauwe Reigers in ’t riet broeden.