Chapter 7 of 8 · 3996 words · ~20 min read

Part 7

Nu moeten we toch heusch verder, want we hebben nog heel wat te doen. Een weg naar Den Hoorn is gauw gevonden. We stallen daar onze fietsen in Het Loodsmans Welvaren en wandelen het dorp uit naar ’t westen. Het ligt eigenlijk langs een hoogen duinkant. Achter de huizen aan onze linkerhand dalen de duinen snel en ge begrijpt dadelijk, dat het land daar in vroeger tijden zeebodem is geweest. Dat is nog niet zoo heel lang geleden en inderdaad woonden aan Den Hoorn de loodsen, die Tromp en De Ruyter naar zee brachten en het was destijds een zeedorp, evenals nu Oude Schild. Dit is allemaal heel mooi te zien aan het zeer schilderachtige westelijk uiteinde van het dorp. Wij komen hier terecht in een zandweg die zich weldra splitst in tweeën. De rechtsche weg gaat door de duinen naar de zee, ’t is de weg, die de reddingboot moet nemen, als er een stranding is aan de Hors. Links zien we een heel hoog duin, dat is het Loodsmansduin, het hoogste duin van Texel. Wij wandelen er langzaam tegen op, gemakkelijk en aangenaam, want dit duin is alweer dicht begroeid met gras en bloemen, Viooltjes en Eereprijs in overvloed en weldra belanden we op een groot dicht duinroosjesveld (J), waar de eerste roosjes al in bloei komen. Hier en daar staat ook een enkel klein Meidoorntje, maar laag en afgevreten. Ik vraag mij altijd af, of het Texelsche duin nog niet veel mooier zou worden, wanneer de schapen, geiten en konijnen er geweerd werden, al was het maar telkens voor een jaar of acht. In den top van het Loodsmansduin ligt een stuifkuil, dat is wel jammer. Gelukkig is er nog wel bijhouden aan. Was Texel dichter bevolkt en kwam hier meer bezoek, dan zou die top misschien wel aan dezelfde gevaren blootgesteld zijn als de Blinkert en de Blauwe Trappen bij Haarlem en verwoest worden door onnadenkende toeristen en wandelaars. Eigenlijk moet ieder, die in de duinen wandelt, waar dan ook, er op bedacht zijn, dat hij het plantenkleed niet stuk trapt. Ik voor mij let daar altijd bijzonder goed op en ben er vaak om uitgelachen, maar ik geloof toch wel dat ik het bij het rechte eind heb.

Het uitzicht van het Loodsmansduin is wonder mooi. Naar het noorden zien we ons heele eiland, de duinenrij tot aan den vuurtoren van De Cocksdorp, de Molen van het noorden, al de dorpen, de boschjes, de eendenkooien, bekende hoeven. Links blinkt de zee van Texel, de Texelstroom, de Prins Hendrikpolder en De Mok met het vliegkamp. Naar het zuiden hebben we op den voorgrond een warreling van duinenrijen en duinpannen, het groote strand met het duin van Onrust en over het Marsdiep heen de Noordpunt van Noord-Holland: op een rijtje van rechts naar links den hoogen vuurtoren van Kijkduin, de huizen en kerken van Den Helder, de kazernen en paleizen van Nieuwediep en het fort de Harssens. En hier is nu ook de plaats, om eventjes te wijzen op den aanwas van het eiland in de laatste twee of drie eeuwen.

Zooals we hier het dorp Den Hoorn (9) zien liggen blijkt het al heel duidelijk een langgestrekt kustdorp te zijn, evenals thans Oude Schild of liever nog het dorp Vlieland. Dat ligt met zijn achtertuintjes tegen de Waddenzee net als hier de achtertuintjes van Den Hoorn tegen de groene grasvlakte van De Naal, die eenmaal zee was, wat ook buitengewoon duidelijk blijkt uit die vlakke ligging.

Zuidwaarts wordt die Naal thans begrensd door een duinenrij: de Siboes Nollen met hun voortzetting. Die hebben dus voor Den Hoorn een baai gevormd en in die baai is de klei bezonken van de Naal.

Na verloop van tijd vormde zich nu weer ten zuiden van Siboes Nollen een nieuwe duinenrij, waarschijnlijk eerst een duinenlandje bij ’t tegenwoordig Horntje. De mensch heeft een beetje geholpen om de verbinding tusschen Neeltjes Nol en Schilbolsnol tot stand te brengen door den Stuifdijk het Molwerk. Deze duinen vormden de zuidgrens van een baai, die gaandeweg ook alweer is dichtgeslibd en bedijkt. Dat zijn thans de poldertjes van De Kuil en het Hoorner Nieuwland. Weer later ontstond, ook alweer met hulp van vlijtige menschen, de Stuifdijk, die den zuidkant vormt van de tegenwoordige baai De Mok en daar zal mettertijd ook wel een poldertje van gemaakt worden. Zoo stonden de zaken omstreeks 1870 en nu is er na dien tijd op het wijde zuiderstrand nog weer een nieuwe hooge duinenreeks ontstaan en die heeft weer een nieuwe vallei afgesnoerd, dat is de thans al zeer beroemde Geul. Die is slechts korten tijd een baai van de zee geweest, maar al spoedig volgestoven en zelfs aan zijn zuidoostelijken uitgang gedicht, zoodat het regenwater niet gemakkelijk meer naar zee kan afvloeien en nu bestaat die Geul voor een groot deel uit een zoetwatermeer.

Zuidwaarts van de Geul is nu weer een nieuw eilandje aan het groeien, dat is de Pannekoek en ’t is niet onmogelijk, dat van hier uit een nieuwe duinenrij ontstaat naar Paal 8 en we zoodoende zich een vijfde vallei zien vormen. We willen dat allemaal even bekijken en onderdehand een bezoek brengen aan het natuurmonument de Putten of Petten.

Van Loodsmansduin naar de Putten wandelen we misschien het makkelijkst, door eerst schuin door ’t duin naar het Pompevlak te loopen en dan langs de Moksloot oostwaarts. Die Moksloot is eigenlijk een riviertje, waarlangs al het duinwater zeewaarts stroomt van de Bleekersvallei af, dat is zoowat halfweg De Koog. Zij is gegraven in 1839 en voor dien tijd stonden in den winter en ook in eenigszins regenrijke zomers al die duinvalleien vol water, duinmeertje aan duinmeertje en het moet daar in dien tijd fabelachtig mooi geweest zijn van planten en vogels. Jammer genoeg hebben onze voorzaten daar weinig op gelet en nog minder van verteld, maar het moet daar toen zeker op zijn minst even mooi geweest zijn als thans aan het Kwakjeswater, het Zwanewater of in de Muien. Meer wil ik er niet van zeggen.

Het Pompevlak heeft natuurlijk weer een aardige bevolking van Kieviten, Grutto’s, Tureluurs, Scholeksters en in de sloot zien we naast de gewone waterinsecten ook tal van garnaaltjes. Bij hoogtij en stormweer komt het zeewater dikwijls een heel stuk in de Moksloot stroomopwaarts. Eindelijk komen we aan De Mok zelf, klauteren nu naar links over het duin en komen zoo vlak boven het Natuurmonument de Putten, een beroemde broedplaats van Kluten en Sterntjes. Tien jaar geleden hadden de Kluten hier de overhand, thans spelen de Sterntjes de baas. Er zijn echter nog Kluten genoeg, om het de moeite waard te maken, hier een uurtje bovenop het duin uit te rusten en met den kijker het bedrijf van de Kluten en de Sterntjes te aanschouwen. Vlak aan den overkant van de plas ligt een echt typische Texelsche stolp en een eind daarachter ligt breed en rustig ons mooie dorpje Den Hoorn. De sierlijke wit met zwarte Kluten waden door het water, schermen met hun sabelvormigen snavel in de modder naar garnaaltjes en ander klein grut, wagen af en toe nog eens een danspasje of houden een wakend oog op hun jongen, die ook al op hun lange beenen door ’t water waden en op de diepe plekken heel vaardig rondzwemmen. Komt een Kluut te dicht bij een eilandje, dat door Sterntjes bewoond wordt, dan vallen die hem aan met luid gekrijsch.

Telkens komen Vischdiefjes aanzetten met blinkende vischjes in hun bek en wij kunnen van hier nog heel goed zien, dat de broedende vogel op ’t nest of de jongen gevoerd worden. Het is niet noodig, dat wij de broedplaats zelf betreden; we zouden er trouwens zonder zeer speciale en goed gemotiveerde vergunning ook niet worden toegelaten.

Als ’t nu Zondag is of er om een andere reden geen schietoefeningen gehouden worden door de krijgslieden uit Nieuwediep, dan kunnen we nu een aardige wandeling maken naar De Geul en de Pannekoek. We wandelen naar het Pompevlak, trekken over een brug de Moksloot over en belanden over de kortgegraasde slibberige vlakte bij het lage licht op het Zuider Mokduin. We klauteren over dat duin heen en staan nu voor een heel nieuw landschap: voor ons een lange vallei en aan de andere zijde daarvan een blinkend witte duinenrij, maar die toch reeds rijkelijk begroeid is met helm en duindoorn, een jong duin dat binnen menschenheugenis is ontstaan. Op de stafkaart van het jaar 1878 is van dit duin nog geen spoor te bekennen, het bestond toen nog niet.

Deze vallei nu heet De Geul. Een jaar of tien geleden had hij naar het oosten nog verbinding met het strand en kon bij hooge vloeden het zeewater er binnen komen. Dat is nu alweer heelemaal anders. Die uitgang is thans versperd door een breeden zandrug. De mensch heeft een beetje geholpen om hier de aanstuiving te bevorderen. En in plaats dat het zeewater thans naar binnen zou komen is nu aan het zoete water de kans afgesneden, om naar buiten te gaan. Zoodoende wordt thans een groot deel van de Geul ingenomen door een duinmeer. Ik zal niet licht vergeten, hoe mooi dat was in den zomer van 1925. Een groot deel van de oppervlakte van het water was sneeuwwit door de overvloedig bloeiende waterranonkels. Ik heb nooit van mijn leven zooveel waterranonkels gezien. De enkele plekken, waar ze niet bloeiden zagen helder blauw, waar ’t water de hemel weerspiegelde en rondom lagen de heuvelen en duinrijen dicht groen begroeid of met bloemen bespikkeld, behalve waar in het jonge duin een nieuwe zandgolf de heuvelkling kwam ophoogen. En langs den waterkant en in het zomersche warme water zaten honderden gestreepte padden (131), die op de eilanden zoo veel voorkomen en gemakkelijk te herkennen zijn aan het fijne heldergele streepje midden over den breeden rug. Ze zaten tevreden te knorren.

Hoogerop, waar ’t water niet komt, heeft de Geul al dezelfde bloemen als de Muien: Orchideeën van allerlei soort, zelfs Sturmia en Herminium, ongewone zeggesoorten en russchen, Parnassia en Pirola en als groote bijzonderheid een bloempje dat in de Muien ontbreekt en in vroeger jaren alleen op Terschelling heette voor te komen, het Gevlekt Zonneroosje (56) Helianthemum Guttatum. ’t Is een rank plantje met smalle blaadjes, een of twee decimeter hoog en bloeiend met heldergele bloempjes, die vroeg in den middag uitvallen of zich sluiten. In 1918 stonden ze in de Geul bij duizenden, dat kan in andere jaren weer anders zijn, vooral op een plek als deze, waar de grondwaterstand aan groote wisselingen onderhevig is. Ik heb van dit natuurmonument nog goede verwachtingen.

Nu stappen we het breede strand op en richten onze schreden naar een heuveltje, dat daar een paar honderd meter van ons af heelemaal alleen uit de vlakte verrijst. Dat is de beroemde Pannekoek, waar ik ieder jaar heen ga, om te kijken hoe hij aangroeit en welke nieuwe planten er zich vestigen. Helaas ontwikkelt hij zich niet ongestoord, want picknickers uit Nieuwendiep vinden het ook een aardige plek, om er te genieten van de eenzaamheid. ’t Is nu een begroeid sikkelduintje met tamelijk spitsen top. De heuvel zelf is begroeid met helm en zandhaver, de voet heeft over een groot deel een dicht dek van Muurpeper (46) en van de Zeepostelein (42), Ammadenia Peploides, een van de knapste zandbinders. Hij maakt in den grond een rijk vertakt wortelstelsel en daaruit schieten loten omhoog, dicht bezet met dikke kruiswijs geplaatste blaadjes. De groenwitte bloempjes zijn nauwelijks zichtbaar, zoo kort zijn ze gesteeld en ze maken bolvormige groene vruchtjes. Het geheel is zeer dicht en samenhangend, zoodat de golfslag er geen vat op heeft. Buiten die mat van Zeepostelein liggen nog weer kleine bultjes, begroeid met het ons reeds bekende Biestarwegras en ik noteer er een paar, waarvan ik vermoed dat ze in een volgend jaar met de Pannekoek zelf verbinding zullen hebben verkregen en deze aldus hebben uitgebreid. In 1922 had er zich nog een aardige plant gevestigd maar die is later weer verdwenen. Dat was de Zeeraket (28) en het zag er heel mooi uit, zoo’n dichte groep van mooie lila bloemen tegen het groene duintje. De bloemen van Zeeraket lijken veel op Pinksterbloemen, ze behooren dan ook tot eenzelfde familie, die der Kruisbloemen of Cruciferen. Zooals met veel planten die op zilte plaatsen groeien, het geval is, heeft deze Zeeraket nog al dikke, eenigszins vettige bladeren. Maar het aardigst zijn zijn vruchten, dikke glanzig gele dingetjes, die in twee stukken breken, elk met één zaad en die brokken drijven op de zee mijlen ver. Zoo komen ze dan terecht aan den voet van jonge duintjes. In tegenstelling met de meeste andere planten van jong duin is deze Zeeraket een eenjarige plant. Zij sterft af, zoodra haar vruchten gerijpt zijn en als al haar zaden wegspoelen, dan komt op dezelfde plaats dus geen nieuwe plant. Wel, ik ben er zeer benieuwd naar, wanneer de Zeeraket weer bij die Pannekoek komt aanwaaien, neen aanspoelen.

Nu weer verder, nog even naar het Marsdiep. ’t Best is maar, om even de kousen en schoenen uit te trekken, want er blinken overal kleine plasjes op ’t strand en ’t kan ook zijn, dat we een klein wedloopje zullen moeten houden met den vloed. Vooruit dan. Wat zijn dat allemaal voor kleine bultjes en wormachtige heuveltjes? Ja, we loopen hier door een veld, dat bewoond wordt door Strandpieren, wormachtige dieren, een paar decimeter lang. Die leiden hier hun ondergrondsch bestaan, verzwelgen met hun mond het natte zand en daarmee allerlei kleine levende wezens, die daarin huizen en brengen dan uit hun darm dat zand weer te voorschijn, dat zijn dan die wormachtige hoopjes. Als we eventjes goed toekijken, dan zien we in de buurt van die wormachtige hoopjes wel een klein kuiltje, daar zit de kop van den worm, zijn gewone houding is die van de letter U. Met een flink schepje kun je zoo’n dier wel te voorschijn brengen: een dikken worm met vooral aan het voorste deel van zijn lichaam merkwaardige aanhangsels, die zoowat den dienst verrichten van kieuwen. Die vreterij en het te voorschijn komen van de uitwerpselen krijgt ge ’t best te zien, wanneer de vlakte onder water staat en daarom komt ’t ons nu goed te pas, dat we, aan ’t Marsdiep gekomen net de eerste vloedgolfjes zien opdringen. We wandelen nu met den vloed Pannekoekwaarts en hebben inderdaad het genoegen dat nu hier, dan daar plotseling zoo’n zandstraal omhoog spuit. Sommige meisjes vinden dat griezelig. We bereiken in tijds onze Pannekoek en zonder verdere avonturen ook weer de duinen van de Geul. De afstanden zijn zoo gering, dat er van eenig gevaar, van verrast worden door den vloed geen sprake is. In allerlei boeken worden daarvan zooveel narigheden verteld, dat we wel even op de onschadelijkheid van deze wandeling mogen wijzen.

Nu gaan we niet terug over het Loodsmansduin, maar liever langs de Putten en de kade van het Hoorner Nieuwland. Dat is een heel aardig wandelingetje, want in het lage land aan weerszijden kunnen we weer alle weidevogels te zien en te hooren krijgen tot Kemphaantjes toe.

VI. DWARS DOOR ’T EILAND

Je fietst van De Koog naar Oude Schild gemakkelijk in een uur, maar wanneer wij „huistoe” gaan, dan nemen we er meestal een halven dag voor, omdat we in het voorbijgaan nog een kijkje willen nemen in het dorp Den Burg (K) en op den Hoogen Berg. Zooals de naam aanduidt, is ons hoofddorp indertijd een soort van weerbare plaats geweest, wel geen Metz of Verdun, maar toch een vesting en veertig jaar geleden was er in en om het dorp een buitengewoon vieze sloot te vinden, die aanspraak maakte op den naam van Burgwal. Ik geloof, dat die nu wel geheel verdwenen is, want ook aan Den Burg heeft het woningvraagstuk zich doen gelden en er zijn aan alle kanten nieuwe buurtjes bij gebouwd, waar ik verder maar niets van zal vertellen. Zooals bijna overal is ook hier het oude dorp het mooist. Er zijn drie pleinen: De Steenen Plaats, de Groene Plaats en het Kikkertplein. Dit laatste heet wellicht anders, maar wij noemen het altijd zoo naar de herberg De Vergulde Kikkert, tegenover mijn oude woning. De Steenen Plaats heeft twee uitwegen naar buiten: het Kooger end en het Waalder end, en drie straten binnenwaarts: de Hoogerstraat, den Binnenburg en de Weverstraat. De Weverstraat komt uit op het Schilderend en daarop komt ook de Warmoesstraat uit, die via Groene Plaats weer verbinding heeft met den Binnenburg. Zoodoende ontstaat een kringbaan, een „Ringstrasse”, en die vormt wel het voornaamste gedeelte van het dorp. Als je die heele kringbaan afwandelt, dan doe je een „burgje rond”, een geliefkoosde wandeling bij jong en oud. In het eerste jaar van mijn verblijf op Texel had ik mijn kamers aan de Weverstraat en als ik dan ’s avonds zat te lezen of te teekenen was het een groot genoegen, om klip klap mijn plaatsgenoten groepsgewijs voorbij te hooren wandelen, al pratend of zingend. Ik zat lang niet iederen avond thuis, want er waren een massa huizen, waar de eenzame jongeling vriendelijk werd ontvangen en waar hij op de alleraangenaamste manier werd ingelicht over het leven en bedrijf van ons mooie eiland.

De Steenen Plaats doet min of meer aan als een hofje met zijn groote pomp en breedgekroonden kastanjeboom en de Binnenburg is een mooie breede straat. Daar ligt ook de groote kerk aan met zijn dikken toren van groote baksteenmoppen, geelgroen en grauw van korstmossen en hier en daar met een pruikje muurvarens. Muurvarentjes groeien ook op den kerkhofmuur en op een enkele plek was daar zelfs een plantje te vinden van de Zwartsteelmuurvaren, Asplenium Trichomanes. Ik geloof niet, dat kerk of toren architectonisch of historisch veel te beduiden hebben, maar ik houd van het stoere bouwsel en van den torentrans heb je een heerlijken kijk over ons eiland.

Aan den Binnenburg ligt ook het Raadhuis en de Waag en langs die Waag kom je op de Groene Plaats, waar de groote hotels zijn en de groote lammerenmarkten gehouden worden. Die zijn werkelijk iets bijzonders. Ze worden altijd gehouden op Maandagen in April en Mei en wij hielden dan natuurlijk geen school. Reeds Zondagmiddag begonnen de werkzaamheden, dan werd de Groene Plaats al heelemaal bezet met hokken en heiningen, om daar den volgenden dag de dieren te bergen. En in den nacht van Zondag op Maandag komt dan het heele eiland in beweging, van heinde en ver rammelen de hooge veekarren Burgwaarts en in den vroegen morgen trippelen op alle wegen kudden van lammeren en schapen. Al heel spoedig is de markt volgepropt en de kooplui vinden nauwelijks ruimte om handslag te doen. Middelerwijl loopt het vrouwvolk de winkels af en tegen den middag, als de mannen in de herbergen hun rekeningen vereffenen, stroomt binnenskamers de koffie en wordt er blauwe koek verorberd bij kilogrammen. Meteen komt er verloop op de markt, duizenden lammeren worden vervoerd naar Oude Schild, waar de veebooten onder stoom liggen en wat er niet verkocht is, kuiert in den lenteavond huiswaarts. En ’s nachts weergalmt het heele eiland van het weeklagen der schapen, die van hun kinderen zijn beroofd. Dat zijn drukke weken voor Texel, dat meer dan een derde deel van zijn welvaart dankt aan de lammeren. Schapenteelt, landbouw (in Eijerland en het Noorden) en visscherij helpen de zes of zevenduizend Texelaars aan hun broodje.

Als de lammerentijd en de kermis voorbij zijn, dan wordt het stil op de Groene Plaats, al geeft een enkele Maandagmarkt soms nog wat drukte. In den goeden ouden tijd verdiende het plein zijn naam beter dan nu, want toen stond het vol zware oude lindeboomen. Die werden door hun hoogen leeftijd wat gevaarlijk en moesten vallen om vervangen te worden door kleine stangetjes, waarvan je haast niet zou kunnen gelooven, dat ze over vijftig jaar de Groene Plaats alweer even indrukwekkend zullen maken als in de dagen van kapitein Slijboom, die, toen ik voor ’t eerst op Texel kwam, een groote vermaardheid genoot als hotelhouder van den klassieken Lindeboom. In die dagen was het tegenwoordige hotel Texel nog notariswoning en een kelder in dat huis maakte aanspraak op de eer van Ada van Holland huisvesting te hebben verleend, een eer, die echter ook wordt opgeëischt door een dergelijken kelder in het Burgerweeshuis aan de Parkstraat. Daar is werkelijk een park ook, je komt er in door een flink hek en ’t is voor zoo’n klein dorp werkelijk een heel mooi park, met zwaar geboomte en lager struikgewas en indertijd huisden daar nog heel wat zangvogels en daaronder was de geelbuikige Spotvogel altijd haantje de voorste. Natuurlijk huizen er ook altijd Spreeuwen, jong en oud (100 en 102). Trouwens ook elders in ’t dorp zijn veel aardige boomen en aan het Schilderend had je een flink bosch met veel mooie bloemen, dat indertijd behoorde aan de familie Bok. De veramerikaniseerde Hollander Edward Bok heeft in een zijner boeken naar aanleiding van dit boschje geschreven, dat zijn grootvader het heele eiland Texel beboscht heeft en dat dit zoo goed is gelukt, dat de schepen op zee in den nacht de aanwezigheid van het eiland kunnen merken aan het geschal der Nachtegalen! Je moet maar durven. Toch is het wel aardig, dat in onze dagen de bosschen van het Staatsboschbeheer werkelijk Nachtegalen hebben gelokt.

Door het Schilderend verlaten wij het dorp langs de nieuwe zeevaartschool en nu nemen we niet den Nieuwen weg, maar den Ouden weg tegen den Hoogen Berg op langs Panorama, waar de beplanting met Eschdoorns er haast nog net zoo uit ziet als dertig jaar geleden. Als we goed en wel over den heuvel heen zijn slaan we een wegje in naar links en zoo bereiken we den Hoogen Berg met het Boschje en den Zandkuil (12).

Het Bosch is al zeer oud, het wordt reeds vermeld in de Camera Obscura van Hildebrand, dat is al bijna honderd jaar geleden. Lees maar eens de eerste bladzijde van Teun de Jager.

Het bestaat hoofdzakelijk uit Ahorns, maar er staan ook een paar rijen van zeer zware beuken in de luwte van de zuidoosthelling van den Hoogen Berg. Bovenop wordt het beschermd door een wal met dichte Meidoorns en die zijn natuurlijk door den zeewind weer prachtig gelijk gesnoeid. In de luwte van dien wal en dus onder de Meidoorns groeien ook eenige Hulsten, die er misschien door de vogels gezaaid zijn. Wanneer in October de scharen der trekvogels over Texel gaan, dan nemen zij graag koers over het Bosch van den Hoogen Berg. Menigmaal heb ik verscholen gezeten onder de Meidoorns van den noordoosthoek, om van beneden de vogels te zien aankomen via de boschjes van de Zeshonderd en De Blauwe Poort. Ik heb dat bosch vol gezien met Vlaamsche Gaaien, honderden bij elkaar en met Goudhaantjes in zoo groot aantal, dat het leek alsof het herfstloover nog voor een groot deel aan de boomen zat. Een andermaal waren het Spreeuwen en Kramsvogels en zelfs als er geen trek was, dan kon je er vrij zeker van zijn, interessante achterblijvers of voorloopers te vinden op de luwe plaatsen. Eenige zomers achtereen heeft er een Boomvalkenpaar genesteld in de hooge kronen en ook de Bergeend, die gewoonlijk zijn nest maakt in de konijnenholen van het duin, huisde er eens in de steile helling langs den Zandkuil. In ’t wandelpad langs de noordzijde ligt een kunstmatig heuveltje met een bank er bovenop. De Texelaars noemen dat de Zeven Pannekoeken en vertellen, dat daar binnen een groote steen verborgen ligt, de kern van het eiland en het symbool van zijn bestendigheid. Texel onderscheidt zich namelijk van al onze andere Noordzee-eilanden, doordat het Oude land grootendeels dezelfde soort van grond is als Drente en de Veluwe. Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog en Rottum zijn eigenlijk niet anders dan zandplaten en slibplaten, waarop duinreeksen zijn gegroeid. Zij staan of vallen met hun duinen. Texel echter zou zonder duinen ook nog kunnen bestaan, al werd het dan ook wel veel kleiner. Wieringen verkeert in hetzelfde geval.