Part 4
De kronkelende en eenigszins golvende weg vertelt ons, dat we nog op het oude eiland zijn, dat tamelijk hoog ligt, maar tegen hooge stormvloeden toch door flinke dijken verdedigd moest worden. Weldra zien we dien dijk aan onze linkerhand, die doet echter tegenwoordig geen dienst meer, want daarachter ligt nu de polder het Noorden en dezen krijgen we dan ook te zien, als we door de buurt Oost gefietst zijnde, even den hoogen dijk zelf beklimmen. Hier gaan we een poosje in het gras liggen om een kijkje te nemen over de plek, die eenmaal een der vogelrijkste oorden ter wereld was. Ik heb daarvan in mijn eerste hoofdstuk al het een en ander verteld. In de jaren, toen die polder nog niet bijzonder voor landbouw of veeteelt geschikt was, kon je daar nog al gemakkelijk toestemming krijgen, om rond te dolen over de schelprijke slibvlakten en langs de plassen en kreken. Daar heb ik dikwijls gebruik van gemaakt en ik vrees, dat ik zulke mooie dingen, als ik daar destijds gezien en beleefd heb, wel nooit meer zal zien of beleven. Je moest er altijd goed uitkijken en voorzichtig loopen, want er was alle kans, dat je zoudt trappen in een nest met eieren of op een donzig jong. Op een paar mooie Junidagen kon je daar kennis maken met haast al onze Nederlandsche moerasvogels met hun eieren en nesten en de meeste daarvan broedden er in grooten getale. Toen ik daar voor ’t eerst van mijn leven onder geleide van een paar van mijn schooljongens mocht rondwandelen, was ik één en al verbazing en bewondering, want ik had nooit geweten, dat er zoo iets in Nederland bestond. Over de vogelwereld van Rottum had ik wel eens wat gelezen in een mooi Duitsch boek van Droste-Hülshoff en over het vogelleven op de Wadden in het algemeen zijn een paar zeer schoone bladzijden te vinden in Starings’ Bodem van Nederland, maar eigenlijk had niemand ooit verteld, dat daar op Texel in den polder het Noorden ieder jaar duizenden vogels broedden van wel anderhalf dozijn verschillende soorten. En dat alles kwam in beweging, als je den polder betrad: allereerst de vischdiefjes, zoowel de Gewone als de Noorsche; slanke spitse vogeltjes, allemaal witte streepen langs de blauwe lucht. Als ze dichtbij genoeg komen kun je den blinkend zwarten schedel en de diep gespleten zwaluwstaart bewonderen. Ze vliegen op verschillende hoogten, zes verdiepingen van vischdiefjes en ze schreeuwen allemaal langgerekt en schel „pierik, pierik”. Dan opeens kwam door het gewemel der Sterntjes een woedende Scholekster aanschieten met fel „tepiet, tepiet” recht op me af en na hen een aantal zwart met witte Kluten met helder „kluut”, „kluut”. En onophoudelijk Kieviten en Tureluurs, Grutto’s, welbekend met daarnaast kleine, zeer slanke, witte vogeltjes met zwarte schedelkap, de Dwergsterntjes, de sierlijkste van allen. Ondertusschen rennen er rondom nog meer Kluten, die zwaaien en zwenken met kleppende vleugels over ’t modderveld, alsof ze aangeschoten waren in beide beteekenissen. Terwijl we naar hen kijken, zien we daar nog andere vogeltjes rennen, heel kleine, van het kaliber van zangvogeltjes, maar het zijn toch echte steltloopers: Bontbekpleviertjes en Strandpleviertjes (71), vooral de laatste in zeer groot aantal. Ook Zwartkopmeeuwen huisden er en in den goeden tijd ook nog de groote Zeezwaluwen en de Kemphaantjes hadden er een druk bezochte kampplaats. Uren en uren heb ik daar wel gezeten in een half overdekte kuil om op mijn gemak al die vogels te bekijken, in ’t bijzonder de Kemphaantjes. Het talrijkst waren die vogels in het oostelijk gedeelte van den polder, dicht bij den molen. Dat stuk heet De Bol en hoewel het sinds de verdere ontginning van den polder gedaan is met den overstelpenden en ongelooflijken overvloed van vogelleven uit vroeger dagen, is thans nog die Bol beroemd ver buiten de grenzen van ons vaderland. De eigenaars laten in samenwerking met de Vereeniging tot Bescherming van Vogels in Nederland in den broedtijd het terrein bewaken en slechts in zeer bijzondere gevallen worden er bezoekers toegelaten. Gezeten op den hoogen dijk kunnen wij echter een groot deel van De Bol gemakkelijk overzien en zelfs zonder verrekijker kunnen we genieten van het drukke vogelleven. We hebben den molen en den molenplas vlak voor ons en ook de breede Kreek, die westwaarts gaat. Daarlangs loopen wel altijd een paar Kluten rond en als we scherp toezien, bespeuren we ook wel de broedende Kluut of zien we, wat nog wel zoo aardig is, een familie van jonge Kluutjes wandelen langs den oever of zwemmen in het water van de Kreek. Een groote Scholekster zit stil in ’t veld, haar roode snavel komt goed uit tegen het groene gras. Misschien zit zij daar te broeden, misschien ook niet, want die Scholeksters houden er wel van, om zoo gewoonweg in het gras te zitten en of ze dat doen om de eierzoekers te misleiden, dat weet eigenlijk niemand. Leeuweriken en Piepertjes zingen onophoudelijk. Overigens is het heel rustig in den polder. Als we wat geluk hebben, dan wil het echter wel gebeuren, dat er een Kraai komt overvliegen, of een Kiekendief, een Zilvermeeuw, alle drie nogal roovers van eieren en jongen. Dan komt de heele kolonie in opstand en hebben we gelegenheid om het grootste deel van de bevolking onder de wapens te zien en het zijn er altijd nog heel wat meer, dan ge op het eerste gezicht gedacht zoudt hebben. Soms komen hier ook de zeldzame Groote Sterns (91). ’t Is altijd de moeite waard, om eens een half uurtje of langer door te brengen op dien hoogen Slaperdijk bij den polder het Noorden. Natuurlijk hebt ge er nog meer aan, wanneer ge beschikt over een goeden verrekijker.
Nu willen we verder gaan. In weinige minuten staan we op den eigenlijken Waddenzeedijk en nu gaat het Noordwaarts. Aan onze rechterhand strekt de wijde Waddenzee zich uit. Die is hier heel ondiep, ligt bij laag water over een groote uitgestrektheid droog, alleen een paar geulen blijven water houden en daarin liggen dan ook meestal enkele scheepjes. Verder staat de bank vol met eigenaardige groepen van stokken en staken, die beduiden botnetten of palingfuiken. Heel in de verte zien we de duinen van Vlieland en bij zeer helder weer lukt het ook wel om ver naar rechts iets te zien te krijgen van de Friesche kust. We moeten toch nog eens even afstappen bij het uitwateringsluisje van den Polder het Noorden. De buitenglooiing van den zeedijk is wel wat steil en de steenen wat hard, maar als je op een eiland bent, dan moet je toch eens probeeren, iets te zien te krijgen van het leven in de zee. Dat lukt hier beter dan op de vlakke stranden. In het heldere diepe water van den sluismond zien we de dieren en planten even mooi als in een aquarium en we gevoelen den aanblik als veel en veel mooier, omdat wij hier de dingen zien in echte werkelijkheid, in de vrije en frissche natuur. De bruingroene Blaaswieren en haar verwanten bekleeden de schoeiïngen en steenen en montere krabben klauteren er tusschen door. Hoe meer je kijkt, hoe meer je er ziet. Heele stukken sluismuur zijn als het ware bepleisterd met slakkenhuisjes, allemaal alikruiken. Maar het mooist zijn de langoog-kreeftjes, lange bleeke, half doorschijnende garnaalachtige dieren, maar met een smalleren kop en daaruit steken aan weerszijden op lange stelen de donkere oogen uit. Dit beest heet Macropsis Slabberi. Ze zwemmen hier rond bij dozijnen, tegelijk met nog meer klein gedoe. Als we wat meer tijd hadden en een behoorlijk netje, dan konden we hier heel gemakkelijk een aantal interessante bewoners van de zee bemachtigen. Ik kijk hier ook altijd uit naar Zee-anemonen, maar tot nog toe heb ik ze er niet getroffen, wel zuiderlijker tusschen Oost en Oude Schild, waar de diepe Texelstroom vlak langs den zeedijk strijkt.
Nu stappen we weer op onze fietsen en gaat het noordwaarts boven op den hoogen zeedijk. Links hebben we nu den polder het Noorden, met molen en kreken en vogels, rechts de zee met heel in de verte de duinen van Vlieland. Dan krijgen we een paar hekken te bewerken, want deze dijken worden beweid en ten slotte stappen we af bij het begin van den polder De Eendracht (E). Hier lig je goed aan de buitenzijde van den dijk in de geurige Artemisia, de zeealsem (24). De fijnverdeelde bladeren van deze plant zijn zilverwit behaard, de stengels en de kleine bloemhoofdjes ook en zoo maken nu al die Zeealsems een mooi zilveren band langs den voet van den dijk, die zelf weelderig is begroeid met hooge grassen. De Zeealsem groeit ook nog in kleine groepjes op den kwelder zelf, hier en daar tusschen het donkergroene kweldergras, dat weer afgewisseld wordt door Zeeweegbree en Engelsch Gras en Zeemelkkruid met Zoutgras. Dit Zeemelkkruid (23) groeit graag op kleiigen grond in ’t bereik van het hooge water en waar het welig tiert, laat het voor het gras geen plaatsje over. Het bloeit met mooie rose bloempjes, die echter niet bijzonder in ’t oog vallen. Alleen als je dit plantje kent en er van houdt, omdat het op de zilte stranden groeit, krijg je ook gemakkelijk de rose bloemenmassa te zien. En dikwijls zijn de plantjes grijs van het slib, dat de laatste hooge vloed heeft achtergelaten, maar daar kunnen ze wel tegen; de eerste de beste regenbui spoelt het er af.
Nu willen we den kwelder op om nog een paar planten te zoeken. Gelukkig is het laag water, dus we kunnen een heel eind weg komen. Het blijkt nu dat het groene buitenland doorsneden wordt door kreken en zelfs door slooten en greppels. Die staan grootendeels droog en we kunnen er wel door heen stappen, maar altijd toch met voorzichtigheid. Waar de bodem zandig is bestaat natuurlijk geen gevaar, maar er zijn kleigaten en daar kun je wel eens zoo tot je middel in de zwarte modder wegzakken. Natuurlijk worden we begeleid door Tureluurs, Kieviten, Scholeksters, Leeuweriken en Piepers. We sturen op een kleurplek af, mooi lavendelblauw tusschen het groen. Dat is het Limoenkruid (21), die net in bloei begint te komen, Statice Limonium, familie van het Engelsch gras, ook met een dubbele kelk. De bloempjes zitten dicht opeen op aardig vertakte trossen. Er groeien er hier niet zooveel als op Terschelling en Griend, maar toch genoeg om er het aardige Snuitkevertje te vinden, dat onafscheidelijk aan deze plant verbonden is en het aardige rupsje, dat we haast niet kunnen ontdekken, want het heeft precies de kleur van de bloemen. Langs de modderkreken groeit nog een grijze plant met welige bladeren en rijkelijk bloeiend met kleine onduidelijke bloempjes. Dat is de Obione (22), een verwant van biet en spinazie evenals de Suaeda, die hier ook overvloedig groeit. Beide, Obione zoowel als Suaeda (19) maken veel meelrijke zaden en zoo is hier in ’t najaar altijd wat te halen voor de vinkachtige trekvogels, die ook hun bekomst kunnen eten van de vruchten van de Zeekraal, een lid van dezelfde familie.
Deze Zeekraal (30) staat al op het naakte slik in gezelschap van het Kleine Zeegras. Over het slik heen zien we de effen zee en op den rand van slik en zee allerlei ruwheidjes, net kluiten en in de zee zelf rijen paaltjes, donkere en lichte. Opeens gaat zoo’n zwart paaltje bewegen, dan een tweede en andere en eindelijk zijn dat achtendertig groote zwarte vogels, die achter elkaar aan vlak over het water heen vliegen. Wie de Wadden bevaart en bewandelt, kent deze vogels heel goed. Het zijn de Aalscholvers of Schollevaars, die met andere gelijkgezinden hier de helft van den tijd staan te dutten op de banken. Als het hoogwater op komt zetten, vangen zij al duikende hun visschen en hebben dra genoeg tot het volgend getij. De meeste van deze vogels zijn onbehuisd. Nesten hebben ze hoogstwaarschijnlijk niet, daar zullen ze misschien een volgend jaar aan doen. De naaste nesten voor deze vogels zouden zijn in Gaasterland of iets verder in het Vollenhovensche. Men is dezen Aalscholver niet goed gezind, omdat men sommetjes maakt van hoeveel visch hij wel verslindt en hoeveel schade hij toebrengt aan de boomen, waar hij de takken van afbreekt, om zijn nest te bouwen. Soms worden dan ook heele kolonies moedwillig verstoord en dan moet vader Aalscholver er op uit, om maar gauw een veiliger verblijf te vinden.
De andere paaltjes zijn blauwe reigers (107), de gewone, ook al een visscher net als de Aalscholver. We zullen hun nesten nog wel vinden in een ander deel van het eiland. Ook deze reigers kunnen uren stil staan. Soms wandelen ze wel rond langs de diepere kreken, stappen er in en raken ze uit hun diepte, dan zwemmen ze wel een paar slaagjes. Het is wonderlijk, zooveel vogels als er kunnen zwemmen. Zwemmende reigers zie je nu niet alle dag, maar hier op de slikken van de Eendracht kunt ge allerlei ongewone dingen zien. Lepelaars kuieren hier ook rond, hun witte gestalten zijn niet eens zoo heel duidelijk te zien tegen de blinkende zee. Zij loeren voornamelijk op garnalen en op onzen vrind met de lange oogen, de Marcropsis Slabberi. Als die garnaaltjes zich verschuilen in het zand, dat kunnen ze zoo vaardig doen, dan woelt de Lepelaar ze wel weer te voorschijn met zijn breeden bek. Daar vliegen ze op. Als we nu onzen kijker te baat nemen kunnen we zien of het jonge vogels zijn. Die zou je om dezen tijd al kunnen verwachten. Neen, ze hebben geen zwart aan de vleugels, dus oude vogels, die voedsel zoeken voor hun jongen op de nesten in het Zwanewater of in de Mui. Misschien zwalkt hier ook alweer menige Lepelaar rond, die in het geheel geen nest heeft, net als de Mantelmeeuw, waarvan er ook een heel kluitje bijeen staan aan den rand van het Vogelzwin: oude vogels, heelemaal met zwarte vleugels, dat zijn vierjarige of oudere. Ook staan er vlekkig bruine Meeuwen, dat zijn jeugdige Zilvermeeuwen (88) en Mantelmeeuwen.
Hoe meer we toezien, des te meer vogels ontdekken wij, allemaal in het water of op den rand van het slib. Daar staat een heele troep groote Wulpen (87), zoo gemakkelijk te kennen aan hun lange, omlaag gebogen snavels; we zullen ze morgen ook nog wel ontmoeten in het duin. Hebben ze kleintjes bij zich? Neen, dat is een andere soort van Wulp, de Regenwulp (96), die is duidelijk kleiner en als we wat dichterbij gaan en onzen kijker gebruiken dan kunnen we ook goed de lichte streep zien, die precies midden over hun kop gaat. Die heeft de Groote Wulp niet; wel de beide lichte strepen boven de oogen. Deze Regenwulpen zijn ook echte Waddenboemelaars. Ze broeden hier nooit, dat doen hun vlijtige broeders en zusters in Schotland, Scandinavië en de Poolstreken. Hier bij ons brengen ze veel levendigheid, want op mooie dagen vliegen ze hoog in de lucht met welluidend geroep. Je kunt ze overal in ons land verwachten in een breede strook langs de zee.
Een andere zomergast, die hier niet broedt, is de Rosse Grutto (95), die is in den regel ook wel op de Eendracht-slikken te vinden, soms in troepen van honderden. Je kent ze duidelijk aan hun langen rechten, eenigszins omhooggebogen snavel. Ze zijn heel mooi bruinrood, maar dat maakt hier op ’t slik niet zoo heel veel indruk. Om gezien te worden, moet je fellere kleuren hebben, zooals onze vriend de Scholekster, die hier ook op zijn dikke roode pooten door de modder baggert.
En wat is dat voor een gekke vogel? Die is pikzwart van onderen en ook aan keel en wangen en dan gaat er om dat pikzwart een witte streep, terwijl rug en nek vlekkig zilvergrijs zijn. Dat is onze derde boemelaar, de Zilverplevier in prachtig zomerkleed. In plaats van behoorlijk te gaan broeden op de toendra’s van Siberië kuiert hij hier met zijn kornuiten op de slikbanken van de Waddenzee.
Wat blinkt daar in de verte? Telkens flitst het wit op en dan zie je weer niets. Het komt dichterbij, nu zien we op het wit ook donker volgen en eindelijk ontdekken we, dat we een wolk van vogeltjes voor ons hebben, die hier vliegoefeningen houden net zooals we de Spreeuwen dat wel zien doen. Deze vogels zijn ook niet veel grooter dan Spreeuwen, het zijn Bonte Strandloopertjes (67). Zomer en winter zijn die op de Wadden aan te treffen, in ’t zomerkleed hebben ze een groote zwarte vlek aan borst en buik, ’s winters is de heele onderzijde wit. Het aantal van deze bonte strandloopertjes op onze Wadden loopt wel in de millioenen. Het talrijkst zijn ze wel in October, want dan komen een groot deel van de poolbewoners hierlangs, om hier of nog verder naar ’t zuiden te overwinteren. Ge moet eens op de wereldkaart kijken, hoe klein ons land is in vergelijking met Scandinavië, Rusland en Siberië. Daar kunnen ’s winters slechts weinig vogels blijven en het grootste deel van de bewoners dier streken trekt langs en over de Noordzee naar de winterkwartieren en dan komen over de slikken achter de Eendracht niet alleen Steltloopers, maar vogels van allerlei pluimage.
Wij hebben eens op die slikken gestaan op een stillen Octoberdag en dat zal ik nooit vergeten. Er was zeker pas een bezending poolvogeltjes aangekomen, die nog geen begrip hadden van de gevaarlijkheid der menschen, tenminste ze bekommerden zich in ’t geheel niet om ons. We stonden daar een kilometer buitendijks in de weeke zwarte modder en de Zeekraalplantjes waren al aan het verdorren. Overal om ons heen wiemelde het van Strandloopertjes. Vele boorden met hun snavels in de modder, andere stonden stil, dribbelden wat achter elkander aan, vochten soms een beetje en onder al die duizenden waren er altijd eenige, die wat te vertellen hadden en dat was dan een onophoudelijk gekrieuw en gepiep over de heele vlakte heen. Het leek wel op het geluid dat ijsgruis maakt, wanneer dat deint in den golfslag. Het was als een droom, om daar zoo midden in al die duizenden vogeltjes te verkeeren. Er waren er van allerlei soort: Bontbekpleviertjes en Strandpleviertjes, allebei te kennen aan hun korte snavels en dan met langen snavel de Bonte Strandloopers, de Kanoeten (70), die wat grooter zijn, de Krombekstrandloopers en de mooie melig witte Drieteenstrandloopertjes. Daar waren ook Zilverplevieren en een menigte Rosse Grutto’s. Er leken er hoe langer hoe meer te komen en dat was ook zoo, want de vloed kwam op en die joeg ze eerst dichter opeen. Wij maakten beenen landwaarts, want op die vlakke slikken is de vloed gauw bij je. De kleine Strandloopertjes vlogen ten slotte op: een reusachtige wolk van vogeltjes, die werkelijk de lucht verduisterde. Tot ons verdriet slierden ze over het water heen naar de Vliehors. Wij waren echter weer spoedig getroost, want bij de hoogere kwelder kwamen we een troepje Strandleeuweriken tegen; die zijn werkelijk aan onze gewone Leeuweriken verwant, maar dadelijk te kennen aan geel aan hun kop en merkwaardige zwarte veertjes in oor- en oogstreek. Ze komen alleen ’s winters op onze stranden en broeden op de toendra’s, waar ze ook hun lied laten weergalmen. Ik heb ze nooit hooren zingen. Echter zou het niet onmogelijk zijn, ze hier te hooren in Februari of Maart, want de trekvogels willen ook wel zingen buiten hun broedgebied. We vonden nog allerlei vogeltjes op de kwelder, Vinken, Keepen, Roodborstjes, Fratertjes, zelfs Lijsters en ook heel veel gewone Leeuweriken en Piepers. Het is zeer de moeite waard om in October en zelfs ook in December, ook in Augustus eenige dagen door te brengen op die slikken. In den wintertijd kan het zeegat vol zitten met Alken (103) en Zeekoeten (105), een enkele Jan van Gent, Franjepooten, Meeuwen van allerlei soort en ook velerlei duikeenden en zagers en nooit zal ik vergeten hoe ik er op een winterdag een grooten troep Rotganzen (77) heb zien neerstrijken, kleine zwarte gansjes met hoogen achtersteven.
Maar nu is het Juni, dat is toch de allermooiste tijd van ’t jaar. We willen nu maar langs den buitenkant van den Eendrachtsdijk verder gaan. De dijk zelf is niet te berijden, hij is maar smal en heelemaal met gras begroeid. De vruchtbare polder ligt er achter, daar joelen en jodelen weer de Tureluurs en Kieviten en Grutto’s en zingen de Leeuweriken en Piepers. Ook komt er uit dien polder een vreemd geluid: „snirs, snirs” heel regelmatig, paarsgewijs bij tusschenpoozen. Dat is de onzichtbare vogel, de Kwartelkoning, je hoort hem nacht en dag, maar alleen buitengewoon geduldige of buitengewoon gelukkige menschen krijgen hem te zien, wanneer hij met zijn smal bruingevlekte lichaam op slanke pooten tusschen gras en klaver sluipt.
Aan het eind van den polder de Eendracht komen we aan den Eijerlandschen dijk, met een goeden grindweg aan de binnenzijde en die brengt ons spoedig naar de Cocksdorp. Bij de duikersluis kijken wij nog even naar de vogels en de schepen, die in de nauwe vaargeul liggen, die van hier langs de Steenen Plaat naar het Eijerlandsche gat leidt. Dan gaan we even wat drinken in het hotel; misschien hangt daar nog wel die merkwaardige kaart met de schipbreuken. Vervolgens rollen we het dorp uit langs de Roggesloot, dat heelemaal geen sloot is, doch een prachtig breed water met lage weiden er om heen en ook alweer druk bevolkt met vogels. Rechts hebben we nog een poosje aardig houtgewas en daarin zingen alweer de onvermoeide Spotvogeltjes. Weldra komt er aan dat hout een einde en nu begint de rit door den grooten polder Eijerland, eerst linksaf en dan weer rechtsaf en dan zijn we op den onafzienbaren hoofdweg, het „gebed zonder eind”.
De boerderijen en de arbeiderswoningen brengen van afstand tot afstand eenige afwisseling, maar veel is dat niet. Gelukkig is het Juni en er staat niet veel wind. Meestal toch waait het op Texel nog al en dan krijg je hier in het boomlooze Eijerland de volle laag en aangezien de zuider- en westerwinden bij ons de overhand hebben, krijg je van Cocksdorp komende bijna altijd tegenwind. Ik heb tenminste al dikwijls naar het Amen van dit Gebed zonder einde verlangd en ben dankbaar geweest voor de beschutting, die op sommige plaatsen geboden wordt door een rijtje van wilgenstruiken. Als het lijden kon, moest het Bestuur van den Polder Eijerland zijn wegen eens gaan beplanten, al was het alleen maar aan de westzijde. Het zullen nooit Middachter Allée’s worden, maar dat er iets van te maken valt, blijkt voldoende uit de beplantingen rondom de groote boerenhoeven. Die vertoonen weliswaar naar het westen den storenden invloed van den zeewind, maar zijn tenslotte nog flink opgeschoten. Eigenlijk zien boomlooze wegen in zoo’n polder er toch zeer armoedig uit. Indien ze allemaal beplant waren, al was het maar met struikgewas, dan zouden niet alleen wij minder last van den wind hebben, maar ook het bouwland zou er van profiteeren en er was weer wat meer nestgelegenheid voor vogels.